Uitspraak 202306913/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3287
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 4 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] laten weten dat hij - of een ander namens hem - alleen met de gemeente Utrecht mag communiceren via een specifiek aan hem bekendgemaakt e-mailadres. Het college heeft bij brief van 4 oktober 2022 aan [appellant] laten weten dat hij - of een ander namens hem - alleen met de gemeente Utrecht mag communiceren via een specifiek aan hem bekendgemaakt e-mailadres. Voor de voorgeschiedenis en wat partijen verdeeld houdt, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de rechtbank, onder 1 tot en met 3. In hoger beroep gaat het om de vraag of de brief van 4 oktober 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief van 4 oktober 2022 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aangemerkt kan worden. [appellant] is het daar niet mee eens.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202306913/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2023 in zaak nr. 22/5790 en 23/355 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij brief van 4 oktober 2022 heeft het college aan [appellant] laten weten dat hij - of een ander namens hem - alleen met de gemeente Utrecht mag communiceren via een specifiek aan hem bekendgemaakt e-mailadres.
Bij besluit van 7 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 25 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202306243/1/A3, 202500453/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3, 202500507/1/A3 en 202500482/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].
Bij brief van 30 april 2026 heeft [appellant] verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft bij brief van 4 oktober 2022 aan [appellant] laten weten dat hij - of een ander namens hem - alleen met de gemeente Utrecht mag communiceren via een specifiek aan hem bekendgemaakt e-mailadres. Voor de voorgeschiedenis en wat partijen verdeeld houdt, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de rechtbank, onder 1 tot en met 3. In hoger beroep gaat het om de vraag of de brief van 4 oktober 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief van 4 oktober 2022 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aangemerkt kan worden. [appellant] is het daar niet mee eens.
Beoordeling van het hoger beroep
2. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat dat onder een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, wordt verstaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2222), onder 4, is een rechtshandeling publiekrechtelijk als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift. Is geen sprake van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, dan kan geen rechtsgevolg in het leven worden geroepen.
3. De brief van 4 oktober 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een publiekrechtelijke grondslag ontbreekt. Dat het college in de brief van 4 oktober 2022 voor de grondslag zelf verwijst naar artikel 9:8, tweede lid, van de Awb, maakt dat niet anders. Dit artikel biedt immers niet een publiekrechtelijke grondslag, aangezien dat artikel gaat over het niet in behandeling nemen van klachten. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:975, onder 4.2 en 4.3, en van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2562, onder 3.1. [appellant] heeft tijdens de zitting bij de Afdeling daarnaast gesteld dat er ook een publiekrechtelijke grondslag is omdat het college bevoegd is om verzoeken en aanvragen in behandeling te nemen en de brief gericht is op rechtsgevolg. Met de brief van 4 oktober 2022 stelt het college immers een beperking aan de gebruikelijke wijze voor het indienen van aanvragen en verzoeken bij het college, aldus [appellant]. De bevoegdheid van het college om op grond van specifieke wettelijke regelingen aanvragen en verzoeken in behandeling te nemen, kan niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke grondslag voor het stellen van beperkingen aan de wijze waarop met de gemeente kan worden gecommuniceerd. Van een publiekrechtelijke grondslag voor het nemen van een besluit over wijze van communiceren met de gemeente is verder overigens ook niet gebleken. De brief van 4 oktober 2022 heeft weliswaar gevolgen, maar dat zijn feitelijke gevolgen. De toegang tot het bestuursorgaan wordt niet beperkt, wel gereguleerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
Overschrijding redelijke termijn
5. [appellant] heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. Hij heeft erop gewezen dat hij langer dan twee jaar op een uitspraak van de Afdeling heeft moeten wachten. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De redelijke termijn voor een procedure is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 april 206 (ECLI:NL:RVS:2026:2066), onder 10.1. De termijn is op 28 oktober 2022 aangevangen en met de uitspraak van vandaag geëindigd. De totale procedure heeft niet langer dan vier jaar geduurd en de redelijke termijn is dus niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek daarom af.
Proceskosten
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026