Uitspraak 202500482/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3282
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten en heeft het college besloten om de gevraagde documenten gedeeltelijk openbaar te maken. [appellant] heeft het college - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van documenten die door Crux aan de gemeente zijn overgelegd in het kader van werkzaamheden aan het wervengebied in Utrecht, documenten over de nieuw te bouwen (damwand)constructie en documenten over [locatie] (hoogte-, deformatie- en trillingsdata) in grafieken. Voor de voorgeschiedenis en wat partijen verdeeld houdt, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de rechtbank, onder 1.1 tot en met 1.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden, dat het niet ongeloofwaardig is dat er niet meer documenten onder het college berusten en dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202500482/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2024 in zaak nr. 23/48 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten en heeft het college besloten om de gevraagde documenten gedeeltelijk openbaar te maken.
Bij besluit van 16 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en daarmee het besluit van 23 juni 2021 in stand gelaten. Het college heeft wel besloten om nog eens vier documenten gedeeltelijk openbaar te maken.
Bij besluit van 3 september 2024 heeft het college het besluit van 16 november 2022 gedeeltelijk herroepen en dit deel vervangen voor het besluit van 3 september 2024. Daarbij heeft het college alsnog besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten.
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 november 2022 en ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen het besluit van 3 september 2024.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500453/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3 en 202500507/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft het college - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van documenten die door Crux aan de gemeente zijn overgelegd in het kader van werkzaamheden aan het wervengebied in Utrecht, documenten over de nieuw te bouwen (damwand)constructie en documenten over [locatie] (hoogte-, deformatie- en trillingsdata) in grafieken. Voor de voorgeschiedenis en wat partijen verdeeld houdt, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de rechtbank, onder 1.1 tot en met 1.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden, dat het niet ongeloofwaardig is dat er niet meer documenten onder het college berusten en dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Gelijktijdige behandeling en nader stuk van 31 januari 2026
2. [appellant] heeft meerdere procedures bij de Afdeling lopen. Zeven andere zaken van hem zijn tegelijk op zitting behandeld. Het gaat om zaak nrs. 202300453/1/A3, 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3 en 202500507/1/A3. In zes van de acht zaken heeft [appellant] op 31 januari 2026 een nader stuk ingediend. Dat geldt ook voor deze zaak. De Afdeling heeft over dat stuk als volgt besloten.
2.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals is geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:232), onder 1.1.
2.2. Het hogerberoepschrift van [appellant] dateert van 19 februari 2025. Daarin heeft hij de volgende - niet onderbouwde - beroepsgrond aangevoerd:
"Ondergetekende kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. De gronden zijn als volgt. (…) Ten tweede heeft de rechtbank miskend dat verweerder geen nadere informatie hoefde te openbaren. De overwegingen van de rechtbank zijn onjuist. Dit zal nadien worden beargumenteerd."
Op de laatste dag voor het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, dus op 31 januari 2026, heeft [appellant] zijn eerder aangevoerde beroepsgrond onderbouwd. Hij stelt dat de door het college uitgevoerde zoekslag naar documenten niet deugdelijk is onderbouwd en dat het niet geloofwaardig is dat er niet meer documenten onder het college berusten.
2.3. De Afdeling acht de zeer late indiening van het stuk van 31 januari 2026 in strijd met de goede procesorde. Tussen het indienen van het hogerberoepschrift op 19 februari 2025 en de onderbouwing daarvan op 31 januari 2026 is bijna een jaar verstreken. Op 11 februari 2026 zijn acht zaken van [appellant] behandeld. Dezelfde onderbouwing heeft hij - toegespitst op de desbetreffende zaak - ook in vijf andere zaken ingebracht. Er is niet gebleken dat deze onderbouwing niet eerder ingediend had kunnen worden. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat zijn vader in 2025 is overleden en dat hij verstoken was van rechtsbijstand, omdat zijn rechtsbijstandsverlener zich had teruggetrokken. De rechtsbijstandsverlener heeft zich op 19 februari 2025 echter al afgemeld als gemachtigde in deze zaak. [appellant] had dus een geruime periode om een nieuwe rechtsbijstandsverlener in te schakelen. Daarnaast heeft hijzelf de hogerberoepschriften op 19 februari 2025 ingediend. De onderbouwing die op 31 januari 2026 is gevolgd, had [appellant] - in ieder geval voor wat betreft de beschrijving van wat er feitelijk is gebeurd - ook zelf kunnen indienen, mede gelet op het feit dat hij veel procedures bij de Afdeling heeft lopen en van hem in dat opzicht meer verwacht mag worden dan van een gemiddelde burger. In meerdere zaken van [appellant] waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan, procedeerde hij immers ook zelf zonder rechtsbijstandsverlener. Daarbij komt dat nu vlak voor de zitting niet alleen in deze zaak, maar ook in vijf andere zaken een nadere onderbouwing van meerdere pagina’s wordt ingediend. Zonder die onderbouwing is de onder 2.2 weergegeven zeer algemeen geformuleerde beroepsgrond niet goed te begrijpen. De late indiening van de nadere onderbouwing schaadt een goede rechtspleging, omdat, als de indiening van deze onderbouwing in elk van die zaken zou worden ingewilligd, de Afdeling en ook het college zich daardoor onvoldoende op de zitting zou kunnen voorbereiden.
2.4. Aangezien [appellant] in zijn hogerberoepschrift van 19 februari 2025 de andere beroepsgronden minder algemeen heeft geformuleerd en al wel gedeeltelijk heeft onderbouwd, zal de Afdeling zijn nadere onderbouwing van die beroepsgronden in het stuk van 31 januari 2026, ondanks het late tijdstip van indienen, wel meenemen. Het gaat dan om de onderbouwing dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verkeerd is berekend omdat geen sprake is van samenhangende zaken, dat bij de proceskostenvergoeding voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn een verkeerde wegingsfactor is toegepast en dat daarbij ten onrechte niet een proceskostenvergoeding per zaak is toegekend. Daarnaast gaat het om het betoog van [appellant] dat hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend, terwijl het primaire besluit wel is herroepen. De Afdeling zal die beroepsgronden hierna beoordelen.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden en dat de rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft berekend. Volgens [appellant] is de rechtbank er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat zijn zaken samenhangen en heeft hij per zaak recht op een schadevergoeding. [appellant] betoogt verder dat hij voor elke zaak recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte slechts één keer de proceskosten vergoed. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de factor ‘zeer licht’ toegepast. De Afdeling hanteert namelijk de factor ‘licht’. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over de ongegrondverklaring van het bezwaar en de weigering om proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden. Er had een proceskostenvergoeding voor bezwaar moeten worden toegekend, aldus [appellant].
4. De onder 3 genoemde gronden - met uitzondering van de grond over de proceskostenvergoeding in bezwaar - heeft [appellant] ook ingediend in zaak nr. 202500507/1/A3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:3267) een oordeel over die gronden gegeven. Daarom verwijst de Afdeling naar die uitspraak, onder 3, 4, 6 en 7. Gelet daarop slagen de betogen van [appellant] niet.
5. Verder heeft [appellant] erop gewezen dat het primaire besluit van 20 januari 2022 herroepen is doordat niet volledig op het verzoek was beslist en in de bezwaarfase na heroverweging alsnog documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Het college had daarom een proceskostenvergoeding voor bezwaar moeten toekennen. De rechtbank heeft daar ten onrechte geen oordeel over gegeven, aldus [appellant].
6. In het besluit van 3 september 2024 staat het volgende over de proceskostenvergoeding:
"Met dit aanvullend besluit op bezwaar zijn wij van mening dat tegemoetgekomen is aan de bezwaren c.q. beroep van uw bezwaarmaker. Indien en voor zover u deze mening deelt en het beroep intrekt bij de rechtbank bestaat er recht op een vergoeding van de proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase ter hoogte van 1 punt ad. E 624,- in de bezwaarfase en 1 punt ad E 624,- voor het indienen van het respectievelijk bezwaar- en beroepschrift."
In het besluit van 16 november 2022 staat over de proceskostenvergoeding het volgende:
"Voor toewijzing van een proceskostenvergoeding, zoals door u gevraagd, zien wij geen aanleiding."
7. In het besluit van 16 november 2022 schrijft het college dat het heeft besloten om het primaire besluit van 23 juni 2021 in stand te laten. In de door [appellant] aangevoerde bezwaren ziet het college geen aanleiding om het besluit van 23 juni 2021 te herroepen. Het college heeft dat besluit daarom, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. In aanvulling daarop heeft het college wel besloten om vier documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Vervolgens is het college met het besluit van 3 september 2024 overgegaan tot het alsnog gedeeltelijk openbaar maken van documenten. Het bezwaar van [appellant] heeft er dus toe geleid dat het college in het besluit op bezwaar meer documenten openbaar heeft gemaakt dan het eerder met het besluit van 23 juni 2021 heeft gedaan. Het college had het besluit van 23 juni 2021 daarom gedeeltelijk moeten herroepen. [appellant] heeft gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb recht op vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moet maken. Het college heeft die kosten ten onrechte niet vergoed.
Het betoog slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit 3 september 2024 ongegrond heeft verklaard. De Afdeling zal dat beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 3 september 2024 moet worden vernietigd voor zover het college [appellant] geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. De Afdeling zal het college veroordelen tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 647,00. Het gaat om één punt voor het bezwaarschrift. De Afdeling bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 3 september 2024.
Proceskosten
9. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2024, UTR 23/48, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 3 september 2024, kenmerk 10822954, ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het beroep tegen dat besluit gegrond;
IV. vernietigt dat besluit voor zover het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend;
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 647,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.566,85, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026