Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202500473/1/A3

Uitspraak 202500473/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3283
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij (deel)besluiten van 12 juli 2021 en 14 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten. [appellant] heeft - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van documenten over de diepte van funderingen van Utrechtse werfkelders inclusief alle onderzoeksrapportages. Het college heeft één riooltekening uit de jaren ’80 aangetroffen en openbaar gemaakt. De zoekslag heeft verder geen documenten opgeleverd. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college in stand gelaten. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202500473/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 10 december 2024 in zaak nr. 22/5935 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij (deel)besluiten van 12 juli 2021 en 14 juli 2021 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten.

Bij besluit van 17 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500453/1/A3, 202500507/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3 en 202500482/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van documenten over de diepte van funderingen van Utrechtse werfkelders inclusief alle onderzoeksrapportages. Het college heeft één riooltekening uit de jaren ’80 aangetroffen en openbaar gemaakt. De zoekslag heeft verder geen documenten opgeleverd. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college in stand gelaten. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

Gelijktijdige behandeling en nader stuk van 31 januari 2026

2.       [appellant] heeft meerdere procedures bij de Afdeling lopen. Zeven andere zaken van hem zijn tegelijk op zitting behandeld. Het gaat om zaak nrs. 202300453/1/A3, 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500507/1/A3 en 202500482/1/A3. In zes van de acht zaken heeft [appellant] op 31 januari 2026 een nader stuk ingediend. Dat geldt ook voor deze zaak. De Afdeling heeft over dat stuk als volgt besloten.

2.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals is geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:232), onder 1.1.

2.2.    Het hogerberoepschrift van [appellant] dateert van 19 februari 2025. Daarin heeft hij de volgende - niet onderbouwde - beroepsgrond aangevoerd:

"Ondergetekende kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. De gronden zijn als volgt. (…) Ten tweede heeft de rechtbank miskend dat verweerder geen nadere informatie hoefde te openbaren. De overwegingen van de rechtbank zijn onjuist. Dit zal nadien worden beargumenteerd."

Op de laatste dag voor het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, dus op 31 januari 2026, heeft [appellant] zijn eerder aangevoerde beroepsgrond onderbouwd. Hij stelt dat de door het college uitgevoerde zoekslag naar documenten niet deugdelijk is onderbouwd en dat het niet geloofwaardig is dat er niet meer documenten onder het college berusten.

2.3.    De Afdeling acht de zeer late indiening van deze aanvullende beroepsgronden op 31 januari 2026 in strijd met de goede procesorde. Tussen het indienen van het hogerberoepschrift op 19 februari 2025 en de onderbouwing daarvan op 31 januari 2026 is bijna een jaar verstreken. Op 11 februari 2026 zijn acht zaken van [appellant] behandeld. Dezelfde onderbouwing heeft hij - toegespitst op de desbetreffende zaak - ook in vijf andere zaken ingebracht. Er is niet gebleken dat deze onderbouwing niet eerder ingediend had kunnen worden. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat zijn vader in 2025 is overleden en dat hij verstoken was van rechtsbijstand, omdat zijn rechtsbijstandsverlener zich had teruggetrokken. De rechtsbijstandsverlener heeft zich op 19 februari 2025 echter al afgemeld als gemachtigde in deze zaak. [appellant] had dus een geruime periode om een nieuwe rechtsbijstandsverlener in te schakelen. Daarnaast heeft hijzelf de hogerberoepschriften op 19 februari 2025 ingediend. De onderbouwing die op 31 januari 2026 is gevolgd, had [appellant] - in ieder geval voor wat betreft de beschrijving van wat er feitelijk is gebeurd - ook zelf kunnen indienen, mede gelet op het feit dat hij veel procedures bij de Afdeling heeft lopen en van hem in dat opzicht meer verwacht mag worden dan van een gemiddelde burger. In meerdere zaken van [appellant] waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan, procedeerde hij immers ook zelf zonder rechtsbijstandsverlener. Daarbij komt dat nu vlak voor de zitting niet alleen in deze zaak, maar ook in vijf andere zaken een nadere onderbouwing van meerdere pagina’s wordt ingediend. Zonder die onderbouwing is de onder 2.2 weergegeven zeer algemeen geformuleerde beroepsgrond niet goed te begrijpen. De late indiening van de nadere onderbouwing schaadt een goede rechtspleging, omdat, als de indiening van deze onderbouwing in elk van die zaken zou worden ingewilligd, de Afdeling en ook het college zich daardoor onvoldoende op de zitting zou kunnen voorbereiden.

2.4.    Aangezien [appellant] in zijn hogerberoepschrift van 19 februari 2025 de andere beroepsgronden minder algemeen heeft geformuleerd en al wel gedeeltelijk heeft onderbouwd, zal de Afdeling zijn nadere onderbouwing van die beroepsgronden in het stuk van 31 januari 2026, ondanks het late tijdstip van indienen, wel meenemen. Het gaat dan om de onderbouwing dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verkeerd is berekend omdat geen sprake is van samenhangende zaken, dat bij de proceskostenvergoeding voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn een verkeerde wegingsfactor is toegepast en dat daarbij ten onrechte niet een proceskostenvergoeding per zaak is toegekend. De Afdeling zal die beroepsgronden hierna beoordelen.

Beoordeling van het hoger beroep

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden en dat de rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft berekend. Volgens [appellant] is de rechtbank er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat zijn zaken samenhangen en heeft hij per zaak recht op een schadevergoeding. [appellant] betoogt verder dat hij voor elke zaak recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte slechts één keer de proceskosten vergoed. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de factor ‘zeer licht’ toegepast. De Afdeling hanteert namelijk de factor ‘licht’, aldus [appellant].

4.       De onder 3 genoemde gronden heeft [appellant] ook ingediend in zaak nr. 202500507/1/A3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:3267) een oordeel over die gronden gegeven. Daarom verwijst de Afdeling naar die uitspraak, onder 3, 4, 6 en 7. Gelet daarop slagen de betogen van [appellant] niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Proceskosten

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Meerman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon