Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202500470/1/A3

Uitspraak 202500470/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3280
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij (deel)besluit van 10 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht geweigerd om informatie betreffende onderdeel 1 en 2 van het openbaarmakingsverzoek van [appellant] openbaar te maken. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Het besluit op bezwaar is van 16 november 2022. Gelet op het feit dat binnen zes weken beroep ingesteld moet worden, had het beroep uiterlijk op 28 december 2022 bij de rechtbank binnen moeten zijn. De rechtbank heeft het pro forma beroepschrift van de gemachtigde van [appellant] echter op 29 december 2022 per e-mailbericht ontvangen. Het beroep is dus te laat ingediend, aldus de rechtbank.
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202500470/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 10 december 2024 in zaak nr. 22/5937 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij (deel)besluit van 10 januari 2022 heeft het college geweigerd om informatie betreffende onderdeel 1 en 2 van het openbaarmakingsverzoek van [appellant] openbaar te maken.

Bij (deel)besluit van 20 oktober 2022 heeft het college zes documenten betreffende onderdelen 3 en 4 van het openbaarmakingsverzoek van [appellant] gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Bij besluit van 16 november 2022 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500453/1/A3, 202500507/1/A3, 202500469/1/A3, 202500473/1/A3 en 202500482/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].

Overwegingen

Inleiding

1.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Het besluit op bezwaar is van 16 november 2022. Gelet op het feit dat binnen zes weken beroep ingesteld moet worden, had het beroep uiterlijk op 28 december 2022 bij de rechtbank binnen moeten zijn. De rechtbank heeft het pro forma beroepschrift van de gemachtigde van [appellant] echter op 29 december 2022 per e-mailbericht ontvangen. Het beroep is dus te laat ingediend, aldus de rechtbank.

1.1.    De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de gemachtigde van [appellant] een gerechtvaardigde reden had waarom het beroep te laat is ingediend. De rechtbank heeft eerst bij brief van 30 december 2022 aan [appellant] gevraagd waarom hij het beroep na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend. [appellant] heeft daar niet op gereageerd. Tijdens de zitting heeft [appellant] het standpunt ingenomen dat het beroep niet te laat is ingediend, omdat het gericht is tegen een besluit van 17 november 2022. De rechtbank is hem daarin niet gevolgd, omdat het besluit van 17 november 2022 een ander besluit is dan het besluit van 16 november 2022 dat in deze procedure voorligt. Gelet op het feit dat [appellant] zich slechts op het standpunt gesteld heeft dat het beroep niet te laat is ingediend, kan volgens de rechtbank niet worden gesteld dat hij een goede reden had voor het te laat indienen van het beroepschrift. De termijnoverschrijding is daarom niet verschoonbaar, aldus de rechtbank.

1.2.    [appellant] is het niet met de rechtbank eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

Gelijktijdige behandeling en nader stuk van 31 januari 2026

2.       [appellant] heeft meerdere procedures bij de Afdeling lopen. Zeven andere zaken van hem zijn tegelijk op zitting behandeld. Het gaat om zaak nrs. 202300453/1/A3, 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500469/1/A3, 202500507/1/A3, 202500473/1/A3 en 202500482/1/A3. In zes van de acht zaken heeft [appellant] op 31 januari 2026 een nader stuk ingediend. Dat geldt ook voor deze zaak. De Afdeling heeft over dat stuk als volgt besloten.

2.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:232), onder 1.1.

2.2.    Het hogerberoepschrift van [appellant] dateert van 19 februari 2025. Daarin heeft hij betoogd dat het college de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden, dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen nadere informatie openbaar hoefde te maken en dat de rechtbank bij de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte heeft geoordeeld dat deze zaak samenhangt met de andere zaken. In zijn hogerberoepschrift heeft hij niet gereageerd op de uitspraak van de rechtbank voor zover het gaat over de niet-ontvankelijkverklaring. In zijn hogerberoepschrift voert hij namelijk dezelfde gronden aan als in de andere zaken. Zijn hogerberoepschrift is een kopie van de hogerberoepschriften die hij die zaken heeft ingediend.

2.3.    Op de laatste dag voor het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, dus op 31 januari 2026, heeft [appellant] wel gereageerd op de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep. Aangezien die reactie maar een kleine pagina beslaat, het om een eenvoudige en overzichtelijke toelichting gaat en het over de ontvankelijkheid van zijn beroep bij de rechtbank gaat, heeft de Afdeling besloten om dit stuk - hoewel het bijzonder laat is ingediend - toch in deze procedure toe te laten. Het college heeft hierop tijdens de zitting bij de Afdeling ook kunnen reageren.

2.4.    In het stuk van 31 januari 2026 betwist [appellant] niet dat zijn beroepschrift één dag te laat is ingediend. Hij heeft daar de volgende verklaring voor gegeven. Zijn toenmalige rechtsbijstandsverlener heeft op 29 december 2022 in vier zaken beroep ingediend naar aanleiding van vier besluiten op bezwaar. Drie van die besluiten zijn van 17 november 2022 en één - het besluit dat in deze procedure voorligt - is van 16 november 2022. Kennelijk heeft de toenmalige rechtsbijstandsverlener bij de registratie van de beroepstermijnen per abuis voor alle vier de zaken dezelfde termijn opgenomen en daarbinnen beroep ingediend. [appellant] heeft erop gewezen dat er geen enkel belang bestaat bij te late indiening van het beroepschrift en dat er ook geen andere partij door is geschaad, aangezien het om een procedure tussen twee partijen gaat. Het gaat om een kleine vergissing en kleine termijnoverschrijding en duidelijk is dat het oogmerk bestond om tijdig beroep in te stellen. Onder die omstandigheden moet de overschrijding van de termijn met één dag verschoonbaar worden geacht, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

3.       Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Als de indiener wordt bijgestaan door een (professionele) rechtshulpverlener, komt het handelen van de rechtshulpverlener in beginsel voor risico van de indiener. Persoonlijke omstandigheden van de rechtshulpverlener kunnen ertoe leiden dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend. Bij een professionele rechtshulpverlener moet het dan gaan om (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:194), onder 4.2.

4.       [appellant] werd ten tijde van het instellen van beroep bijgestaan door een (professionele) rechtsbijstandsverlener. Het handelen van die rechtsbijstandsverlener komt in dit geval voor risico van [appellant]. Van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de kant van de rechtsbijstandsverlener is niet gebleken. Dat op het kantoor van de rechtsbijstandsverlener intern iets is misgegaan bij het registreren van de beroepstermijnen, is op zichzelf beschouwd geen (heel) bijzondere omstandigheid die leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Van een professionele rechtshulpverlener mag onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt. Vergelijk de onder 3 vermelde uitspraak van de Afdeling, onder 4.4, en de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6119), onder 5.1 en 5.2. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en het beroep daarom niet-ontvankelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn en proceskostenveroordeling

5.       [appellant] betoogt dat rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft berekend. Volgens [appellant] is de rechtbank er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat zijn zaken samenhangen en heeft hij per zaak recht op een schadevergoeding. [appellant] betoogt verder dat hij voor elke zaak recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte slechts één keer de proceskosten vergoed. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de factor ‘zeer licht’ toegepast. De Afdeling hanteert namelijk de factor ‘licht’, aldus [appellant].

6.       De onder 5 genoemde gronden heeft [appellant] ook ingediend in zaak nr. 202500507/1/A3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:3267) een oordeel over die gronden gegeven. Daarom verwijst de Afdeling naar die uitspraak, onder 3, 4, 6 en 7. Gelet daarop slagen de betogen van [appellant] niet.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

Proceskosten

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Meerman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon