Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.088
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202000534/1/R2

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad van de gemeente Bergen op Zoom besloten het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" (het plan van 2019) niet vast te stellen. [appellant] is een grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op het kweken en verkopen van groenten en fruit. Klanten kunnen ook zelf groenten en fruit plukken bij het bedrijf en verder verhuurt het bedrijf vergaderruimte en verzorgt het rondleidingen ter plekke. [appellant] wenst dat de nevenactiviteiten, die nu feitelijk al plaatsvinden, tot maximaal 1.000 m² mogelijk worden gemaakt in het plan. [appellant] betoogt dat het besluit om het plan van 2019 niet vast te stellen getuigt van onbehoorlijk bestuur, gelet op de lange procedure die hieraan vooraf is gegaan, de afspraken die niet zijn nagekomen, de procedures die niet zorgvuldig zijn doorlopen en de onjuiste verwachtingen die zijn gewekt. [appellant] stelt dat het bedrijf veel kosten heeft gemaakt die vanwege het niet vastgestelde plan nergens toe hebben geleid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2586
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202000534/1/R2

202104207/6/R2

Het bestemmingsplan ‘Herijking Nuenen-West’ van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten is na een aanpassing van de gemeenteraad nu definitief. Dat betekent dat de gemeente door kan met de plannen voor de nieuwe woonwijk met 1.615 woningen in het gebied tussen Nuenen en Eindhoven. Een aantal inwoners van Nuenen kwamen tegen dit bestemmingsplan in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vrezen voor aantasting van hun woon-, leef- en werkklimaat. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in mei 2025 in een zogenoemde tussenuitspraak onder meer dat in de regels in het bestemmingsplan onvoldoende duidelijk is bepaald hoeveel (nieuwe) woningen in het gebied zijn toegestaan. Ook was niet duidelijk wat de minimaal aan te houden afstand tussen de nieuwe en de bestaande woningen moet zijn. Zij droeg de gemeenteraad op om deze geconstateerde gebreken in het bestemmingsplan binnen 26 weken te herstellen. De Afdeling bestuursrechtspraak constateert dat de gemeenteraad in het 'herstelbesluit' de afstand tussen de nieuwe en bestaande woningen nog niet goed heeft geregeld. De gemeenteraad erkent dat ook en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om de regel in het bestemmingsplan zelf aan te passen, zodat daar in komt te staan dat de afstand tot bestaande woningen 𝘯𝘪𝘦𝘵 𝘮𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳 dan drie meter mag zijn, in plaats van 'niet meer dan drie meter'. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de regel aangepast en heeft hiermee met haar uitspraak 'zelf in de zaak voorzien', zoals dat heet. Het eerder geconstateerde gebrek is hiermee alsnog hersteld. De andere bezwaren die de inwoners tegen het 'herstelbesluit' hebben aangevoerd, zijn ongegrond. Het plan voor de nieuwe woonwijk met 1.615 woningen in Nuenen is daarmee definitief geworden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2579
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202104207/6/R2

202200617/1/A3

Bij twee afzonderlijke besluiten van 21 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvragen van BBC om exploitatievergunningen passagiersvervoer voor de bedrijfsvaartuigen "[vaartuig A]" en "[vaartuig B]" in vergunninggebied 1 geweigerd. Bij besluit van 20 april 2018 heeft het college de aanvraag van BBC tot wijziging van de bestaande exploitatievergunningen passagiersvervoer voor de vaartuigen "[vaartuig A]" en "[vaartuig B]" ook afgewezen. BBC heeft sinds 7 oktober 2014 en 12 augustus 2015 voor de vaartuigen "[vaartuig A]" en "[vaartuig B]" exploitatievergunningen voor het bedrijfsmatig vervoeren van passagiers. Met deze vergunningen is het toegestaan om te varen op het Amsterdamse binnenwater, exclusief centrum-zone (vergunninggebied 2). Op 7 en 9 maart 2017 heeft BBC voor de "[vaartuig A]" en "[vaartuig B]" exploitatievergunningen aangevraagd voor vergunninggebied 1: geheel Amsterdam, inclusief centrum-zone.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2575
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202200617/1/A3

202205218/1/R3

Bij besluit van 5 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht het verzoek van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] om handhavend op te treden met betrekking tot de garage/berging aan de [locatie 1] in Heerjansdam, opnieuw afgewezen. Ook het verzoek om de bij besluit van 25 oktober 2013 verleende vergunning in te trekken is daarbij afgewezen. Deze zaak gaat over de garage/berging bij de woning aan de [locatie 1] in Heerjansdam. Bij besluit van 25 oktober 2013 heeft het college, onder andere voor de realisering van die berging, een omgevingsvergunning verleend aan de toenmalige eigenaar [appellant sub 1]. Bij brief van 12 december 2015 hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de eigenaren van de woning aan de [locatie 2], aan de achtertuin waarvan de berging grenst, een verzoek om handhaving en intrekking van de verleende vergunning bij het college ingediend. Zij stelden dat de berging op verschillende punten niet conform de tekeningen bij de vergunning was uitgevoerd. Op 18 maart 2021 heeft [appellant sub 1] de eigendom van de berging overgedragen aan [partij A] en [partij B].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2588
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202205218/1/R3

202301728/1/A3

Bij besluit van 28 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegeven in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] woont sinds 3 maart 1981 in Nederland en staat ingeschreven in de brp met de geboortedatum [datum] 1962. Deze registratie is gebaseerd op het Marokkaanse paspoort dat hij in 1981 heeft overgelegd toen hij zich in Nederland vestigde. Voor zijn naturalisatieprocedure heeft [appellant] een geboorteakte overgelegd met geboortedatum 1962, welke op 3 maart 2000 werd geregistreerd. [appellant] heeft op 17 juni 2019 een verzoek ingediend om zijn geboortejaar te wijzigen naar 1955. Hij heeft hiertoe verschillende documenten overgelegd, waaronder verschillende geboorteaktes en een rechterlijke uitspraak uit Marokko van 3 april 2019. In deze rechterlijke uitspraak heeft de rechtbank in Marokko het geboortejaar van [appellant] gewijzigd van 1962 naar 1955 op basis van het familieboekje van de vader van [appellant] en verschillende Marokkaanse beschikkingen en aktes die door de gemachtigde van [appellant] in het geding in Marokko zijn ingebracht. Het college heeft het rectificatieverzoek van [appellant] afgewezen omdat [appellant] niet de onderliggende documenten van de rechterlijke uitspraak heeft overgelegd waardoor niet buiten redelijke twijfel is dat het door [appellant] gestelde geboortejaar juist is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2595
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202301728/1/A3

202301875/1/A2

Bij besluit van 9 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een aanvraag van [appellante] voor erkenning van de beroepskwalificatie om te mogen werken als leraar in het (internationaal georiënteerd) basisonderwijs afgewezen. [appellante] is Nederlands staatsburger. Zij woont sinds 2017 in Nederland. Sindsdien werkt zij voor The British School in The Netherlands in Den Haag. Dit is een particuliere school. Om hier te werken heeft zij geen onderwijsbevoegdheid nodig. Omdat de locatie waar zij werkt gesloten dreigt te worden en zij elders les wil gaan geven, wil zij nu toch een erkenning van de door haar in het buitenland behaalde beroepskwalificatie om de bevoegdheid te verkrijgen om onderwijs te mogen geven. [appellante] heeft op 25 februari 2021 een aanvraag ingediend voor een onderwijsbevoegdheid. In de aanvraag heeft zij vermeld dat zij in de periode 2008-2012 in de Verenigde Staten de bachelor Political Science and French heeft afgerond. In de periode 2013-2014 heeft zij in het Verenigd Koninkrijk de master Literacy Learning and Literacy Difficulties gevolgd en hiervoor een diploma behaald.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2580
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202301875/1/A2

202304199/1/R3

Bij besluit van 3 april 2023 heeft de raad van de gemeente Albrandswaard het bestemmingsplan "Buijtenland van Rhoon 2021" vastgesteld. Bij de ontwikkeling van de Tweede Maasvlakte is in de Planologisch Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) vastgelegd dat de leefbaarheid van de regio verbeterd moet worden. In het Bestuursakkoord inzake uitvoering van het PMR is afgesproken dat de provincie Zuid-Holland in opdracht van het Rijk uitvoering geeft aan de realisatie van 750 ha natuur- en recreatiegebied. Een van de gebieden waar dit plaats zou moeten vinden, is het Buijtenland van Rhoon. In 2014 is op initiatief van lokale agrariërs een plan gepresenteerd met de titel "Levend Buijtenland van Rhoon". Dit plan is gebaseerd op de realisatie van hoogwaardige akkernatuur; een vorm van natuur die hand in hand gaat met recreatie en landbouw en die past bij het cultuurhistorisch polderlandschap. Deze visie is in het Streefbeeld en vervolgens in het plan neergelegd. Het plan is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De gemeente Barendrecht richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" voor de zogenoemde locatie "Graaf van Portland" in het oosten van het plangebied.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2564
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202304199/1/R3

202307034/1/R2

Bij besluit van 14 september 2023 heeft de raad van de gemeente Breda het bestemmingsplan "Haagse Beemden, Uitoord 129" (het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van zorgwoningen op het perceel Uitoord 129 in Breda. De zorgwoningen worden ontwikkeld door Stichting Alwel en verhuurd aan Stichting VASStgoed. [appellant] woont in de directe omgeving van het perceel en vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat als de beoogde ontwikkeling op een nu nog onbebouwd stuk grond in zijn directe woonomgeving kan plaatsvinden. [appellant] voert ten eerste aan het niet eens te zijn met het wijzigen van het bestemmingsplan om het laatste stukje ongebouwde grond in de wijk te kunnen bebouwen. Ten tijde van de koop van zijn woning gold het bestemmingsplan "Haagse Beemden" en hadden de gronden binnen het plangebied een maatschappelijke bestemming, met een maximale bouwhoogte van 7 meter. Dit zou onveranderd moeten blijven gelden. [appellant] voert ten tweede aan dat de zorgeenheden die zijn beoogd en die mogelijk worden gemaakt op gronden met de bestemming "Maatschappelijk" niet kunnen worden aangemerkt als zorgeenheden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2598
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202307034/1/R2

202307895/1/A3

Bij besluit van 28 juni 2022 heeft burgemeester van Laarbeek het bedrijfspand aan de [locatie 1] in Beek en Donk vanaf dinsdag 12 juli 2022 gesloten voor een periode van zes maanden. [appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van de onderneming Pakketbode B.V en huurt het bedrijfspand aan de [locatie 1] te Beek en Donk. Dit pand is verdeeld in verschillende ruimten. Ruimte 1 wordt gebruikt door Pakketbode en [appellant] zelf en Ruimte 2 is door hem onderverhuurd aan [onderhuurder]. Op 29 april 2022 heeft de politie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek uit Polen een onderzoek uitgevoerd in het bedrijfspand. In de over dit onderzoek opgemaakte bestuurlijke rapportage van 20 mei 2022 staan lijsten met de goederen die in ruimte 1 en 2 zijn aangetroffen en als hennepgerelateerd zijn aangeduid. In de bestuurlijke rapportage zijn ook verklaringen van getuigen weergegeven. Er staat dat [onderhuurder] bij deze controle heeft verklaard dat de aangetroffen goederen in het door hem gehuurde gedeelte, Ruimte 2, van hem zijn. Hij heeft over de aangetroffen goederen verklaard dat het hem financieel niet goed ging en dat hij toen dacht aan het beginnen van een hennepkwekerij.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2599
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202307895/1/A3

202401543/1/R3

De gemeenteraad van Leeuwarden heeft het verzoek van Retailplan mogen afwijzen om het bestemmingsplan ‘Leeuwarden - Industrieterrein Leeuwarden Oost en de Hemrik’ te herzien. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in deze uitspraak geoordeeld. Retailplan deed dit verzoek namens twee vastgoedbedrijven die het bestemmingsplan zo wilden laten aan te passen dat er op het industrieterrein een winkelcentrum mag komen waarin ook supermarkten zijn toegestaan. De gemeenteraad wees dit verzoek af, omdat de vestiging van een supermarkt op deze locatie volgens hem in strijd is met het gemeentelijke detailhandelsbeleid. Maar volgens Avondster Vastgoed en Winkelplein Hemrik Vastgoed is dit in strijd met de Europese Dienstenrichtlijn, omdat hiermee geen ‘verruimde perifere detailhandel’ is toegestaan, wat leidt tot een beperking van de vrijheid van vestiging. Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn mogen aan de vrijheid van vestiging alleen beperkingen worden gesteld die noodzakelijk en evenredig zijn. Volgens de vastgoedbedrijven wordt in dit geval niet aan deze voorwaarden voldaan. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak voldoet de zogeheten brancheringsregeling in het bestemmingsplan wel aan de voorwaarden van de Europese Dienstenrichtlijn. Er is in dit geval geen sprake van een eis die een direct of indirect onderscheid maakt naar nationaliteit of plaats. Ook heeft de gemeenteraad zich op het standpunt mogen stellen dat “het doel waarmee hij het opnemen van de vestigingsbeperking rechtvaardigt, namelijk de bescherming van het stedelijk milieu, een dwingende reden van algemeen belang vormt.” Verder komt de Afdeling bestuursrechtspraak tot de conclusie dat de regeling in het bestemmingsplan waarvan de vastgoedbedrijven de gemeenteraad hebben verzocht om deze te herzien, “geschikt is en niet verder gaat dan nodig om de daarmee beoogde doelen te bereiken” en daarmee aan het vereiste van evenredigheid voldoet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2578
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Friesland
  • uitspraakin de zaak202401543/1/R3

202401907/1/R3

Bij besluit van 20 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westerveld geweigerd handhavend op te treden. Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college aan [vergunningshouder] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo verleend voor het aanleggen van een smalspoor van de Toegangspoort Holtingerveld naar Manege Holtinge te Havelte. Dit smalspoor kon door bezoekers van het Holtingerveld gebruikt worden om te railfietsen. Aan het einde van het spoor bevond zich een draaipunt waar de railfietsen werden omgedraaid zodat de gebruikers terug konden fietsen. Het smalspoor lag vlakbij de woning van [appellant]. Na een eerdere verplaatsing van het eindpunt van het tracé, en daarmee het draaiplateau, in 2019 is begin 2022 het eindpunt van het tracé, en ook het draaiplateau, opnieuw verplaatst. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het aanleggen van het eindpunt van het tracé zonder, dan wel in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Dat verzoek heeft het college afgewezen, omdat volgens hem concreet zicht op legalisering bestaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2589
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401907/1/R3

202402219/1/R3

Bij besluit van 1 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer het handhavingsverzoek van [appellant A] en [appellant B] afgewezen. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 1] in Zoetermeer. Aan de andere kant van de straat, tegenover de woning staat de woning van [partij A] en [partij B]. Tussen de beide woningen is, nadat de woningen en de daken waren gebouwd, over de straat een overkluizing aangebracht. De woningen zijn in zoverre dus met elkaar verbonden. Het deel van de overkluizing boven de straat behoort tot de woning van [appellant A] en [appellant B]. Het dak van de overkluizing sluit haaks aan op het schuine dak van de woning van [partij A] en [partij B]. De straatgevel van hun woning op [locatie 2] is opgetrokken tot het dakbeschot van de overkluizing. Het oorspronkelijke dakbeschot van de woning op [locatie 2] is bij de oplevering blijven zitten, waardoor er een loze ruimte ontstond tussen het dakbeschot en de overkluizing. Zo'n loze ruimte wordt een bouwsnipper genoemd. De vorige bewoner van de woning op [locatie 2] heeft de bouwsnipper bij zijn woning getrokken door de gordingen en het dakbeschot van het schuine dak van zijn woning te verwijderen. De vorige bewoner heeft in de ene hoek van de aansluitende dakvlakken een zogeheten kilkeper aangebracht. In de andere hoek rustten de gordingen op een wandje van gipsbetonblokken. [partij A] en [partij B] hebben dat wandje vervangen door twee verticale houten balken die zijn verankerd in de betonvloer. In 2016 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht handhavend op te treden tegen de gewijzigde kapconstructie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2594
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402219/1/R3

202402602/1/R2

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk de door [appellanten] aangevraagde omgevingsvergunning voor de legalisering van de Bed & Breakfast (B&B) in de woning aan de [locatie] in Cuijk geweigerd. [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan de [locatie] in Cuijk en exploiteren een B&B in de woning. Op dat perceel is op grond van het bestemmingsplan het huisvesten van één huishouden toegestaan. [appellanten] hebben een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisering van de B&B voor vier personen in de woning op het perceel met uitbreiding van één parkeerplaats in afwijking van het geldende bestemmingsplan. Het college is van oordeel dat de aangevraagde B&B in de woning op het perceel vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk is vanwege het gebruik van de buitenfaciliteiten en het gebrek aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. [appellanten] zijn het niet eens met de geweigerde omgevingsvergunning en hebben beroep ingesteld bij de rechtbank.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2577
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202402602/1/R2

202402615/1/A2

Bij besluit van 13 oktober 2023 heeft Zorginstituut Nederland aan ASR een vereveningsbijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet voor het jaar 2024 toegekend. ASR is het niet eens met de hoogte van de ex ante toekenning van de risicovereveningsbijdrage voor het jaar 2024. De Afdeling beoordeelt in deze uitspraak de gronden die ASR heeft aangevoerd tegen de vaststelling van de hoogte van deze toekenning door het Zorginstituut. De gronden van ASR zien allereerst op de in de Regeling risicoverevening 2024 gehanteerde normbedragen. Deze zijn geschat met behulp van zogenaamde voorwaardelijke regressie. Risicoverevening beoogt verschillen in zorgkosten tussen gezonde en ongezonde verzekerden te compenseren. Daartoe ontvangen zorgverzekeraars een vereveningsbijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds. ASR betoogt dat de minister buiten zijn regelgevende bevoegdheid is getreden door voorwaardelijke regressie in te voeren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2583
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Gezondheidszorg
  • uitspraakin de zaak202402615/1/A2

202402752/1/A3

Bij twee onderscheiden besluiten van 23 december 2019 heeft de korpschef van politie de verzoeken van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] om inzage in hun persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben ieder een aanvraag ingediend voor verlenging van hun jachtaktes. In het kader van deze aanvragen hebben zij allebei een zogenoemde e-screener ingevuld, een digitale vragenlijst die deel uitmaakt van het door de minister aangewezen onderzoek als bedoeld in artikel 6a, sub b, van de Wet wapens en munitie (Wwm). De e-screener bestaat uit vragenlijsten over persoonlijkheidskenmerken en risicofactoren waarvan de uitslag het risico bij wapen- en munitiebezit van de aanvrager aangeeft. Ook hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ieder voor zich de korpschef op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, b, c, d, g en h, van de AVG verzocht om inzage in de persoonsgegevens die over hen zijn verwerkt in het kader van de e-screener.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2574
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202402752/1/A3

202402945/1/A3

Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda het verzoek van [appellant] om verkeersmaatregelen te treffen, gedeeltelijk toegewezen. Op 7 november 2022, en aangevuld op 26 januari 2023, heeft [appellant] het college verzocht om verkeersmaatregelen te nemen in en nabij het doorgangspad tussen de Wildhage en de Dr. Hein Hoebenlaan in Teteringen. Hij heeft daarbij specifiek verzocht om het doorgangspad tussen de Wildhage en de Dr. Hein Hoebenlaan aan te duiden als voetpad en in verband hiermee het verkeersbord G7 ‘voetpad’ te plaatsen, in het doorgangspad een verbod in te stellen voor fietsers en bromfietsers en in verband hiermee het verkeersbord C15 ‘gesloten voor fietsers en bromfietsers’ te plaatsen. Verder heeft hij verzocht om in het doorgangspad aan beide zijden dubbele hekken te plaatsen die het voor (brom)fietsers en scooters onmogelijk maken om het doorgangspad te gebruiken en aan het begin van de doodlopende tak van de Wildhage, ter hoogte van de Berkenlaar, het verkeersbord G12b ‘einde verplicht fiets/bromfietspad’ met onderbord ‘uitgezonderd bestemmingsverkeer’ te plaatsen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2570
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202402945/1/A3

202402949/1/A3

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen. [appellant] woont op de [locatie] in Teteringen. Direct naast de woning van [appellant] bevindt zich een doorgangspad dat de Wildhage met de Dr. Hein Hoebenlaan met elkaar verbindt. Volgens [appellant] maken (brom)fietsers en scooters veelvuldig gebruik van dit doorgangspad om zo bij het achter zijn woning gelegen sportcomplex te komen. Daarvan ervaart hij veel overlast. Daarom heeft hij het college op 2 juli 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen de ervaren overlast van de scholieren die met (brom)fiets of scooter gebruik maken van het doorgangspad naast zijn woning. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat tijdens de door hem uitgevoerde controles geen overlast is waargenomen. Op 16 augustus 2022 heeft [appellant] hiertegen bezwaar ingediend en tegelijkertijd een tweede handhavingsverzoek ingediend en verzocht om schadevergoeding.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2573
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402949/1/A3

202403107/1/R3

Bij besluit van 2 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de horecacategorie van de horeca-inrichting op het perceel [locatie] in Nieuw-Lekkerland (het perceel) van horecacategorie 1 naar horecacategorie 2. [vergunninghoudster] is gevestigd in een kleinschalig winkelcentrum in Nieuw-Lekkerland. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk" (het bestemmingsplan) de bestemming "Centrum" en de functie-aanduiding "horeca". Op het perceel is horeca in horecacategorie 1 toegestaan. Naar aanleiding van de handhavingsprocedure heeft [vergunninghoudster] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de horecacategorie voor het café te wijzigen van categorie 1 naar categorie 2. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. In hoger beroep is in dat verband alleen nog in geschil of er ook sprake is van strijd met artikel 10.1.2, aanhef en onder a, aanhef en onder 2, van de planregels.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2563
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202403107/1/R3

202403631/1/R3

Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân het paraplubestemmingsplan "covergisting en mono-mestvergisting" gewijzigd vastgesteld. Het parapluplan is een gedeeltelijke herziening van alle bestemmingsplannen in de gemeente Noardeast-Fryslân waarmee de vestiging en uitbreiding van vergistingsinstallaties is toegestaan. Dit plan houdt een verbod in voor het wijzigen van de bebouwing en van het gebruik ten behoeve van vergistingsinstallaties. In het parapluplan zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheden opgenomen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders (onder voorwaarden) met een omgevingsvergunning kan toestaan om een vergistingsinstallatie of het gebruik daarvan te veranderen. Biogas Marrum B.V. exploiteert sinds 2019 een covergistingsinstallatie op het perceel aan de Nieuweweg 19 in Marrum. In de covergistingsinstallatie wordt een mengsel van dierlijke mest en cosubstraten vergist tot biogas. Het biogas wordt vervolgens in een opwaarderingsinstallatie omgezet in groen gas, dat wordt geleverd aan het aardgasnetwerk. Daarmee worden 1.600 huishoudens voorzien van groen gas. Biogas Marrum B.V. is het niet eens met het parapluplan omdat het een vergaande beperking van de uitbreidingsmogelijkheden inhoudt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2576
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Friesland
  • uitspraakin de zaak202403631/1/R3

202406135/1/A2

De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 november 2024 (zaaknr. 202401094/2/A2) bepaald dat afzonderlijk uitspraak wordt gedaan op het verzoek om schadevergoeding van [verzoeker]. De Afdeling heeft bij brief van 29 september 2025 [verzoeker] verzocht om een nadere toelichting op en onderbouwing van het verzoek om schadevergoeding. [verzoeker] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Den Haag (verder: de woning). [verzoeker] verhuurde de woning aan werknemers van zijn horecaonderneming, een Peruaans specialiteitenrestaurant. Het college heeft op 28 september 2023 laten weten dat de door [verzoeker] overgelegde huurovereenkomsten onvoldoende waren voor de conclusie dat een omzettingsvergunning niet noodzakelijk was, omdat [verzoeker] zou voldoen aan de voorwaarden van de regeling van het overgangsrecht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2585
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202406135/1/A2

202406951/1/A3

Bij twee afzonderlijke besluiten van 9 mei 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een boete opgelegd van € 18.000,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), en een waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven. Werknemers van [appellante] waren op 28 januari 2020 op een locatie in Vlaardingen bezig met het verwijderen van lichtdoorlatende platen op het dak van een loods. Daarbij heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden. Het slachtoffer was samen met een collega aan het werk op het dak van de loods. Het slachtoffer had de dag voor het ongeval, als voorbereidend werk, op twee na alle schroeven uit de beugels van alle lichtdoorlatende platen gehaald. Op een zeker moment kwam er een harde windvlaag en kwam een aantal lichtdoorlatende platen los van de constructie, waardoor de platen door de lucht vlogen. Het slachtoffer pakte tijdens de windvlaag een lichtdoorlatende plaat op zodat deze niet verder zou wegwaaien en hield deze in zijn handen. In een volgend ogenblik is het slachtoffer door een opening in het platte dak gevallen en 7,8 meter lager op de betonvloer van de loods terechtgekomen. Het slachtoffer liep door zijn val letsel op en werd naar het ziekenhuis overgebracht voor negen nachten. Het letsel bestond uit een gebroken rechteroogkas, een gebroken rechter sleutelbeen en een bloeding in het hoofd. Op grond van het boeterapport heeft de minister bij besluit van 9 mei 2022 aan [appellante] een boete opgelegd van in totaal € 18.000,00 wegens overtreding van artikel 3.16, vijfde lid, van het Arbobesluit.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2596
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202406951/1/A3

202500088/1/V6

Bij besluit van 31 maart 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de V.O.F. een boete opgelegd van € 38.000,00 wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en acht overtredingen van artikel 15a van de Wav. De V.O.F. heeft twee eetgelegenheden in Leiden. Deze eetgelegenheden liggen naast elkaar en zijn binnen met elkaar verbonden. Op 5 juni 2021 hebben arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW (de Nederlandse Arbeidsinspectie) een controle verricht in het kader van onder meer de Wav. In het op ambtseed opgemaakte en ondertekende boeterapport van 2 mei 2022, kenmerk 2128559/02, staat dat zij tijdens deze controle een vreemdeling (betrokkene 1) hebben aangetroffen. Zij hebben gezien dat hij werkzaamheden heeft verricht die bestonden uit het bereiden van gerechten, het opnemen van bestellingen en het afrekenen van deze bestellingen aan de kassa. Zij hebben toen vastgesteld dat hij de Egyptische nationaliteit had en niet in het bezit was van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid in Nederland, en ook dat de V.O.F. voor hem geen tewerkstellingsvergunning (twv) had.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2572
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202500088/1/V6

202500526/1/A3

Bij besluit van 5 juli 2022 heeft de burgemeester van Apeldoorn de aanvraag van Green Leaf om uitbreiding van het huidige terras toegewezen en de aanvraag om het toevoegen van een terrasgedeelte afgewezen. Green Leaf is de exploitant van een restaurant aan de Nieuwstraat 283c in Apeldoorn. Green Leaf heeft een aanvraag gedaan om het huidige terras voor de gevel van het restaurant te vergroten en een terrasgedeelte tegenover het restaurant toe te voegen. Bij het besluit van 5 juli 2022 heeft de burgemeester de uitbreidingen van het huidige terras toegestaan, maar het toevoegen van een nieuw terrasgedeelte afgewezen. Volgens de burgemeester is een terras op de gewenste locatie op grond van het omgevingsplan niet toegestaan. Er bevindt zich op de gewenste locatie ook een fietsenstalling en er zal nog beplanting bij komen zodat geen ruimte meer overblijft voor een terras. De aanvraag is daarom geweigerd op grond van artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene plaatselijke verordening 2014 (APV).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2581
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202500526/1/A3

202500792/2/R3 en 202503460/2/R3

Bij brief, ingekomen op 16 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J. Gundelach als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van de zaken met nummers 202500792/1/R3 en 202503460/2/R3 (hoofdzaken). Bij brief van 6 februari 2026 is [verzoeker] uitgenodigd voor een zitting op 17 april 2026 voor de behandeling van de hoofdzaken. Omdat hij in Duitsland woont, heeft hij bij brief van 5 april 2026 verzocht om digitaal deel te nemen. Dit verzoek is bij brief van 9 april 2026, door [verzoeker] per post ontvangen op 15 april 2026, afgewezen gelet op de voorgeschiedenis van deze procedures. De Afdeling deelt niet het standpunt van [verzoeker] dat de staatsraad vooringenomen en partijdig is, of de schijn daarvan heeft gewekt. De afwijzingen van de verzoeken om de zitting (deels) digitaal te laten plaatsvinden, uit te stellen of achterwege te laten, zijn processuele beslissingen. Dit geldt ook voor de overige handelingen en beslissingen waar [verzoeker] over klaagt, waaronder de mogelijkheid om omvangrijke en technisch ingewikkelde stukken buiten beschouwing te laten, de al dan niet voldoende duidelijk geboden termijn om gronden aan te voeren en de keuze om via post te corresponderen. De vraag of deze beslissingen juist zijn en deugdelijk zijn gemotiveerd, staat niet ter discussie in de wrakingsprocedure.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2523
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Wraking
  • RO - Overige
  • uitspraakin de zaak202500792/2/R3 en 202503460/2/R3

202501711/1/A2

Bij besluit van 10 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over het berekeningsjaar 2021 herzien en definitief vastgesteld op nihil, waarbij het betaalde voorschot van € 3.924,00 (inclusief € 225,00 aan rente) is teruggevorderd. [appellant] heeft over 2021 een bedrag van € 3.699,00 aan voorschotten huurtoeslag ontvangen. Deze voorschotten zijn toegekend op basis van een geschat jaarinkomen van € 0,00. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens een melding uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) gekregen dat [appellant] over 2021 een rendementsgrondslag had van € 51.281,00. [appellant] heeft in 2019 een uitkering ontvangen uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een deel van deze uitkering betreft een schadevergoeding voor advocaatkosten. De uitkering zou oorspronkelijk periodiek worden uitbetaald in de vorm van inkomen in box 1 van 2014 tot en met maart 2020, maar is voor de terugliggende periode in één keer uitbetaald en daardoor door de Dienst Toeslagen aangemerkt als vermogen in box 3. Omdat daardoor het vermogen van [appellant] op 1 januari 2021 de vermogensgrens van € 31.340.00 overschreed, heeft de Dienst Toeslagen het recht op huurtoeslag over 2021 definitief vastgesteld op nihil. De betaalde voorschotten van € 3.924,00 (inclusief € 225,00 aan rente) zijn teruggevorderd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2587
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501711/1/A2

202501800/1/A3

Bij besluit van 30 oktober 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk ingewilligd. Bij brief van 15 september 2023 heeft [appellant] met een beroep op artikel 5.5 van de Woo het college verzocht om verstrekking van hem betreffende documenten. Het college heeft dit verzoek deels ingewilligd, en verder de verstrekking geweigerd voor zover de documenten al openbaar zijn of al aan hem zijn verstrekt. Het college heeft bij besluit van 16 april 2024 het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de weigering van de verstrekking onvoldoende heeft gemotiveerd door enkel te verwijzen naar een eerder besluit op een inzageverzoek van [appellant] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De rechtbank heeft het besluit daarom vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ter zitting deze motivering alsnog gegeven door toe te lichten dat de stukken waar [appellant] om heeft verzocht voor een deel overeenkomen met de stukken in het AVG-verzoek, en dat die onder de Woo op dezelfde wijze aan [appellant] zouden worden verstrekt als onder de AVG.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2568
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202501800/1/A3

202501932/1/A3

Aan het wapenverlof is het voorschrift verbonden dat de houder zich strikt houdt aan de bepalingen gesteld in de Wet wapens en munitie (Wwm), Richtlijn wet wapens en munitie (Rwm) en Circulaire wapens en munitie (Cwm). Daarnaast is als voorschrift aan het verlof verbonden dat de voorschriften en beperkingen gesteld in de Cwm van toepassing zijn op het verlof. In artikel 44, tweede lid, aanhef en onder c, van de Rwm is bepaald dat een wapen zodanig verpakt dient te zijn dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend en in artikel 1.3.1 van de Cwm 2019 is bepaald dat het wapen tijdens vervoer deugdelijk verpakt dient te zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2718
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Wapens en munitie
  • uitspraakin de zaak202501932/1/A3

202502789/1/R3

Bij besluit van 16 januari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda de door Douglas aangevraagde omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden gelegen aan [locatie 1] in Gouda geweigerd. [appellante] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 2] en het winkelpand [locatie 3]. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan Douglas. Het winkelpand [locatie 3] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 3] de huur had beëindigd, heeft Douglas de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. Douglas heeft op 24 oktober 2018 een omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2571
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202502789/1/R3

202502790/1/R3

Bij besluit van 31 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda de door [wederpartij] aangevraagde omgevingsvergunning voor het legaliseren van de verwijdering van de binnenwand tussen twee winkelpanden op de percelen aan de [locatie 1]-[locatie 2] in Gouda geweigerd. [wederpartij] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1]-[locatie 2] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 1]-[locatie 3] en het winkelpand [locatie 2]. Het winkelpand [locatie 1]-[locatie 3] werd verhuurd aan Parfumerie Douglas Nederland B.V. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 2] de huur had beëindigd, is de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. [wederpartij] heeft op 22 februari 2023 een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de al verwijderde binnenwand aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2567
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202502790/1/R3

202503336/1/A2

Bij besluit van 17 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een boete van € 12.570,00 opgelegd aan [appellante] wegens het zonder vergunning omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten. [appellante] is eigenaar van de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Naar aanleiding van meldingen van omwonenden hebben toezichthouders van de gemeente op 1 november 2022 de woning bezocht en daarvan een rapport van bevindingen op ambtsbelofte opgemaakt. Daarin is geconstateerd dat het appartement is omgezet in drie onzelfstandige woonruimten, die zijn (onder)verhuurd aan drie bewoners, zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. [appellante] heeft een huurcontract gesloten met twee bewoners. De derde bewoner is niet vermeld in het huurcontract. Het college heeft geconcludeerd dat uit het rapport van bevindingen en het beeldverslag volgt dat er drie slaapkamers zijn en de drie bewoners (internationale) studenten zijn. Zij hebben verklaard dat zij de woning via een advertentie op Kamernet hebben gevonden en dat [appellante] wist dat de woning door drie personen werd betrokken. [appellante] voert aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat sprake is van het omzetten van een woning in een studentenhuis.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2593
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202503336/1/A2

202503349/1/A2

Bij besluiten van 15 november 2023, 22 november 2023 en 13 december 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om private schulden van [appellante] over te nemen. In deze zaak gaat het om besluiten die zijn genomen op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft daarvoor een schadevergoeding ontvangen. Daarnaast heeft zij een aantal aanvragen ingediend voor overname van private schulden. Het gaat om een schuld die in België via een schuldbemiddelingsregeling is afbetaald van € 15.711,00 en om vier andere schulden van respectievelijk € 1.355,00, € 360,17, € 169,49 en € 780,00. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat de schulden uit de Belgische bemiddelingsregeling al zijn voldaan, er bij een andere schuld geen sprake is van een (dreigende) opeisbare hoofdsom en voor de overige schulden geen omstandigheden zijn aangevoerd, die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De minister heeft de afwijzing van deze aanvragen in bezwaar gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2592
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503349/1/A2

202503369/1/R2

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [vleesveehouderij] een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming verleend voor de uitbreiding en exploitatie van een melkrundveehouderij aan de [locatie 1] in Zoeterwoude. [vleesveehouderij] exploiteert een melkrundveehouderij. Het bedrijf is gevestigd op twee locaties: aan de [locatie 1] in Zoeterwoude en aan de [locatie 2] in Zoetermeer. [vleesveehouderij] heeft een natuurvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 1]. Die uitbreiding leidt na intern salderen met de eerder verleende natuurvergunning van 15 juni 2018 voor deze locatie tot een toename van stikstofdepositie in zes Natura 2000-gebieden. In de aanvraag is aangegeven dat die toename wordt gemitigeerd door inzet van extern salderen met de gehele milieutoestemming van de locatie aan de [locatie 2] in Zoetermeer.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2584
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202503369/1/R2

202503537/1/A2

Bij besluit van 17 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel de aanvraag van [appellante] om ruimhartige compensatie afgewezen. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft bij het college een aanvraag ingediend in het kader van de Beleidsregels ‘ruimhartig compenseren’ Krimpen aan den IJssel 2022. Deze compensatieregeling geeft uitvoering aan artikel 2.21, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op grond van die bepaling kan het college gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire brede ondersteuning bieden op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Deze ondersteuning wordt verleend op basis van een gezamenlijk opgesteld plan van aanpak dat is gericht op het maken van een nieuwe start. De aanvraag is afgewezen omdat het volgens het college een tweede aanvraag betrof die op grond van de toen geldende beleidsregels niet opnieuw werd beoordeeld. Bij het besluit op bezwaar heeft het college alsnog een vergoeding van € 7.610,00 aan [appellante] toegekend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2591
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503537/1/A2

202503539/1/A2

Bij besluit van 6 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellant] om huurtoeslag voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 december 2022 afgewezen. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen terecht geen huurtoeslag heeft toegekend aan [appellant] voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 december 2022. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of geen recht op huurtoeslag bestaat, omdat de woning op het adres [locatie] te Wergea, een woonboot, geen onroerende zaak is. [appellant] heeft per 1 september 2023 huurtoeslag aangevraagd. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het recht op huurtoeslag is vereist dat de woning kwalificeert als onroerende zaak. De woonboot is niet duurzaam met de grond verenigd en daarom geen onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [appellant] wordt daarbij gelijk behandeld als andere aanvragers van huurtoeslag die op een woonboot wonen. Een woning die kwalificeert als onroerende zaak is daarbij geen gelijk geval.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2582
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503539/1/A2

202504282/1/A2

Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch twee parkeerplaatsen ter hoogte van de Anthony Fokkerstraat 31 in ’s-Hertogenbosch aangewezen voor het opladen van elektrische personenauto’s. [appellanten] zijn buren en wonen aan de [locatie 1] respectievelijk [locatie 2] in ’s-Hertogenbosch. Zij hebben op 13 juli 2024 en 1 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit van 23 januari 2023 dat op 27 januari 2023 bekend is gemaakt in het Gemeenteblad. Het college heeft in dat verkeersbesluit besloten om ter hoogte van het adres Anthony Fokkerstraat 31 twee parkeervakken te reserveren voor een laadpaal voor elektrisch oplaadbare auto’s. De bezwaren van [appellanten] richtten zich tegen de feitelijke plaatsing, namelijk naast de woning van [appellant A]. [appellanten] betogen dat de parkeervakken naast de woning aan de Anthony Fokkerstraat 31 hadden moeten komen. Het college heeft de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij te laat bezwaar hebben gemaakt tegen het verkeersbesluit.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2597
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202504282/1/A2

202504925/1/A2

Bij besluit van 15 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het verzoek van [appellante] om intrekking van de vergunning voor kamerbewoning aan de [locatie 1], afgewezen. [appellante] is eigenaar van de woning aan de [locatie 2] te Rotterdam. Zij en [persoon], eigenaar van de woning aan de [locatie 1], zijn de enige twee leden van de VvE. Het college heeft bij besluit van 11 mei 2022 aan [persoon] een vergunning verleend voor het omzetten van zijn appartement in onzelfstandige woonruimten voor kamerbewoning ten behoeve van drie personen. [appellante] heeft verzocht om intrekking van deze vergunning wegens ervaren overlast van de huurders. Zij stelt dit verzoek mede namens de VvE en meerdere omwonenden te hebben gedaan. Het college heeft het verzoek getoetst aan de intrekkingsgronden, genoemd in de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021. Er is volgens het college geen sprake van het niet nakomen van de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. Verder zijn er geen meldingen van overlast bekend bij de gemeente en de veiligheidscoördinator. Bij de politie is één melding gedaan van overlast, maar de overlast is niet vastgesteld. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van kamerbewoning die leidt tot aantasting van het woonmilieu en de leefbaarheid in de buurt, op grond waarvan de vergunning kan worden ingetrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2590
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202504925/1/A2

202600296/1/A2

Bij beslissing van 9 april 2025 heeft de examencommissie van de faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen (de examencommissie) een door [appellante] afgelegd tentamen Klankleer I beoordeeld met het cijfer 4,9. Naar aanleiding van het schikkingsvoorstel is de beoordeling van tentamen aangepast naar het cijfer 5,0. [appellante] volgt sinds 1 september 2023 de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen. [appellante] heeft in verband met een functiebeperking tentamenvoorzieningen aangevraagd. De studentendecaan heeft over de tentamenvoorzieningen een advies uitgebracht op 13 januari 2025. Bij beslissing van 27 januari 2025 heeft de examencommissie aan [appellante] vanwege bijzondere omstandigheden drie (tentamen)voorzieningen toegekend: verlenging van de tentamentijd met 10 minuten per uur tentamen, coulance ten aanzien van de aanwezigheidsplicht en coulance ten aanzien van deadlines.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2566
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600296/1/A2

202600301/1/A2

Bij beslissing van 3 juli 2025 heeft de examencommissie van de faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen (de examencommissie) het verzoek van [appellante] om een buitenreguliere tentamenkans voor de vakken Klankleer 1 en Literaire Canon afgewezen. [appellante] volgt sinds 1 september 2023 de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen. In september 2023 was [appellante] ook ingeschreven voor de bachelor Religiewetenschappen. [appellante] stond van 1 september 2025 tot 1 maart 2026 ook ingeschreven voor de bachelor Filosofie. [appellante] betoogt dat het CBE een onjuiste toepassing en uitleg heeft gegeven aan de OER. Het CBE heeft ten onrechte artikel 7.7, tweede lid, en artikel 7.7, derde lid van de OER als cumulatieve voorwaarden beschouwd. Een buitenreguliere tentamenkans kan niet enkel worden toegekend in het laatste onderdeel van de opleiding. Studievertraging zou niet moeten worden gedefinieerd als overschrijding van de nominale studieduur, maar als feitelijke belemmering van de studievoortgang.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2569
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600301/1/A2

202600356/1/A2

Bij beslissing van 11 juli 2025 heeft de examinator de toets ASW-V3JSOCINT-19, Sociaal functioneren integraal niveau 3 (sociaal functioneren niveau 3) beoordeeld met ‘Niet Voldaan’. [appellante] volgt de opleiding Social Work bij de Hogeschool Utrecht. Het derde studiejaar van deze opleiding bevat een stage. [appellante] heeft stage gelopen bij Stichting Asha in Utrecht in het studiejaar 2020-2021. Voor de stage moeten twee portfolio’s worden ingeleverd: een portfolio behorend bij de leeruitkomsten op niveau 2 en een portfolio behorend bij de leeruitkomsten op niveau 3. De beoordeling van het vak sociaal functioneren niveau 3 bestaat ook uit twee onderdelen: het portfolio op niveau 3, en een CriteriumGericht Interview (CGI). [appellante] betoogt dat het te lang heeft geduurd totdat de beoordeling heeft plaatsgevonden. Uit de toepasselijke regeling volgt dat de uitslag van een toets binnen vijftien werkdagen na de datum van de toets aan de student bekend wordt gemaakt. In het geval van [appellante] is pas na zes weken een beoordeling bekend gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2565
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600356/1/A2

202501167/1/V3

Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2511
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202501167/1/V3

BRS.25.001784

Bij besluit van 20 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2479
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001784

BRS.25.002043

Bij besluit van 22 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2502
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002043

BRS.25.002549

Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2489
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002549

BRS.26.000525

Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2477
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000525

BRS.26.000770

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister van asiel en migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2464
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000770

BRS.26.000995

Bij besluit van 9 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2497
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000995

BRS.26.000997

Bij besluit van 9 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2498
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000997

BRS.26.001231

Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2493
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001231

BRS.26.001503

Bij besluit van 26 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2480
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001503

BRS.26.001518 en BRS.26.001519

Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2495
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001518 en BRS.26.001519

BRS.26.001520 en BRS.26.001524

Bij besluiten van 6 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2491
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001520 en BRS.26.001524

BRS.26.001535

Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2488
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001535

BRS.26.001648

Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2465
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001648

BRS.26.001668

Bij besluit van 14 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2478
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001668

BRS.26.001710

Bij besluit van 5 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2499
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001710

BRS.26.001757

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2554
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001757

BRS.26.001939 en BRS.26.001940

Bij besluit van 2 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2494
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001939 en BRS.26.001940

BRS.26.002186

Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2521
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002186

BRS.26.002212

Bij besluit van 11 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2552
Datum uitspraak
4 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002212

202404183/1/V1

Bij besluit van 14 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2528
Datum uitspraak
6 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202404183/1/V1

202404766/1/V1.

Bij besluit van 4 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2510
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404766/1/V1.

202501967/1/V2

Bij besluit van 26 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken en hen opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2525
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202501967/1/V2

BRS.24.000425

Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2473
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.24.000425

BRS.26.000555

Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2469
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000555

BRS.26.000988

Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2472
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000988

BRS.26.001049

Bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 31 juli 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2458
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001049

BRS.26.001060 en BRS26001061

Bij besluit van 4 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2461
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001060 en BRS26001061

BRS.26.001234 en BRS.26.001235

Bij besluiten van 27 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2401
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001234 en BRS.26.001235

BRS.26.001368

Bij besluit van 5 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2398
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001368

BRS.26.001446

Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2466
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001446

BRS.26.001481 en BRS.26.001482

Bij besluit van 21 juli 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2471
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001481 en BRS.26.001482

BRS.26.001551 en BRS.26.001553

Bij besluit van 3 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2468
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001551 en BRS.26.001553

BRS.26.001675 en BRS.26.001677

Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2490
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001675 en BRS.26.001677

BRS.26.001692

Bij besluit van 10 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2460
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001692

BRS.26.001788 en BRS.26.001853

Bij besluit van 14 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Appellant komt uit Syrië en heeft gelijktijdig met zijn echtgenote, op 29 september 2024, in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft zijn aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat is gebleken dat appellant sinds 14 februari 2023 internationale bescherming geniet in Bulgarije. De echtgenote van appellant heeft voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd en is nog in afwachting van een besluit op haar aanvraag. Tijdens de asielprocedure is zij bevallen van een dochter en inmiddels is zij in verwachting van een tweede kind.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2467
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001788 en BRS.26.001853

BRS.26.001810

Bij besluit van 12 september 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2470
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001810

BRS.26.001823

Bij uitspraak van 7 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2400
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001823

BRS.26.001975

Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2492
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001975

BRS.26.002055 en BRS.26.002056

Bij besluit van 22 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2519
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002055 en BRS.26.002056

BRS.26.002183

Bij besluit van 20 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2518
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002183

BRS.26.002184

Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2515
Datum uitspraak
1 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002184

202403099/1/V2

Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2475
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202403099/1/V2

202404988/1/V3

Bij besluit van 2 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2512
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404988/1/V3

202407321/1/V2

Bij besluit van 14 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2474
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202407321/1/V2

202500981/1/V1

Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2370
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202500981/1/V1

202501255/1/V3

Bij besluit van 18 oktober 2023 heeft de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2369
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202501255/1/V3

BRS.24.000359

Bij besluit van 30 augustus 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2392
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.24.000359

BRS.26.000781

Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2375
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000781

BRS.26.000914

Bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 13 augustus 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2380
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000914

BRS.26.001479 en BRS.26.001480

Bij besluit van 27 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2482
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001479 en BRS.26.001480

BRS.26.001655 en BRS.26.001656

Bij besluit van 10 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2377
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001655 en BRS.26.001656

BRS.26.001768

Bij besluit van 9 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2459
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001768

BRS.26.001840

Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2378
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001840

BRS.26.001985

Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2363
Datum uitspraak
30 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001985

202304671/2/R2

Bij besluit van 2 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond aan Gezondheidscentrum Stiphout omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een gezondheidscentrum in combinatie met 19 levensloopbestendige appartementen. Gezondheidscentrum Stiphout is eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Stiphout, sectie B, perceelnummers 2280, 3998, 3999, 941 en 3854. Aan de Kloosterstraat op de percelen 3998 en 3999 lag een parkeerterrein. Van dit parkeerterrein werd gebruik gemaakt door de bezoekers van het multifunctioneel centrum en Fanfare de Vooruitgang. Het bouwplan is ten dele voorzien op het parkeerterrein. Ter voorbereiding op dit bouwplan heeft Gezondheidscentrum Stiphout het parkeerterrein afgesloten en de bestrating verwijderd. Onder andere Beheerstichting Multifunctioneel Centrum Stiphout en Fanfare de Vooruitgang zijn het niet eens met de vergunning en hebben daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de omgevingsvergunning vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft onder meer gebreken geconstateerd op het punt van parkeren, het openbaar karakter van het parkeerterrein en geluid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2394
Datum uitspraak
29 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202304671/2/R2

202305022/2/R2

Gezondheidscentrum Stiphout is eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Stiphout, sectie B, perceelnummers 2280, 3998, 3999, 941 en 3854. Aan de Kloosterstraat op de percelen 3998 en 3999 lag een parkeerterrein. Van dit parkeerterrein werd gebruik gemaakt door de bezoekers van het multifunctioneel centrum en Fanfare de Vooruitgang. Gezondheidscentrum Stiphout heeft op 14 juli 2021 verzocht om een omgevingsvergunning voor de bouw van een gezondheidscentrum met 19 levensloopbestendige appartementen. Het bouwplan is ten dele voorzien op het parkeerterrein. Het college heeft op 2 december 2022 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Ter voorbereiding op dit bouwplan heeft Gezondheidscentrum Stiphout het parkeerterrein afgesloten en de bestrating verwijderd. Beheerstichting Multifunctioneel Centrum Stiphout en Fanfare de Vooruitgang hebben het college daarop verzocht om handhavend op te treden tegen het afgesloten parkeerterrein. Het college heeft bij de besluiten van 8 maart 2022, zoals gehandhaafd bij de besluiten op bezwaar van 29 november 2022 en 4 oktober 2023, geweigerd om handhavend op te treden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2396
Datum uitspraak
29 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202305022/2/R2

202405428/1/V3

Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2366
Datum uitspraak
29 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202405428/1/V3

202405684/1/V3

Bij besluit van 5 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2365
Datum uitspraak
29 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202405684/1/V3

202407541/1/V1

Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, deze vergunning ingetrokken, geweigerd om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, bepaald dat appellant de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2364
Datum uitspraak
29 april 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202407541/1/V1

202502156/3/R3

Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Smallingerland het bestemmingsplan "Drachten, De Weeme - Klokhuislaan" (het bestemmingsplan) vastgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2358
Datum uitspraak
29 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Friesland
  • uitspraakin de zaak202502156/3/R3
vorige pagina1...8910...1.251volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon