Uitspraak 202600520/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1466
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd. Op 5 oktober 2017 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Brabant Noord geconstateerd dat op het perceel van [verzoeker] een houtopstand is gekapt zonder dat daarvoor een melding is gedaan. De Omgevingsdienst heeft vervolgens [verzoeker] per brief erop gewezen dat hij voor 1 november 2020 moet voldoen aan zijn verplichting tot herbeplanting, als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Tijdens een inspectie van de toezichthouder op 13 januari 2023 is geconstateerd dat [verzoeker] de houtopstand niet heeft herplant. Daarom heeft het college [verzoeker] de last opgelegd binnen zes maanden op een bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn perceel voor 20,8 are te herplanten. Als [verzoeker] niet voldoet aan de last, verbeurt hij € 2.500,00 per maand per geconstateerde overtreding, tot een maximum bedrag van € 15.000,00. De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat een houtwal van meer dan 10 are aanwezig was voor 2016, zodat [verzoeker] een herbeplantplicht heeft.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202600520/2/A3.
Datum uitspraak: 16 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb), en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 28 januari 2026 in zaak nrs. 25/2748 en 25/2749 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 10 september 2025 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 januari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.S. van Gils, bijgestaan door L.K. van Hoof, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. Op 5 oktober 2017 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Brabant Noord geconstateerd dat op het perceel van [verzoeker] een houtopstand is gekapt zonder dat daarvoor een melding is gedaan. De Omgevingsdienst heeft vervolgens [verzoeker] per brief erop gewezen dat hij voor 1 november 2020 moet voldoen aan zijn verplichting tot herbeplanting, als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Tijdens een inspectie van de toezichthouder op 13 januari 2023 is geconstateerd dat [verzoeker] de houtopstand niet heeft herplant. Daarom heeft het college [verzoeker] de last opgelegd binnen zes maanden op een bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn perceel voor 20,8 are te herplanten. Als [verzoeker] niet voldoet aan de last, verbeurt hij € 2.500,00 per maand per geconstateerde overtreding, tot een maximum bedrag van € 15.000,00.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat een houtwal van meer dan 10 are aanwezig was voor 2016, zodat [verzoeker] een herbeplantplicht heeft. Verder is de last voldoende duidelijk geformuleerd en was handhaving hier niet onevenredig. [verzoeker] hoeft niet te herplanten in de berm van de Seterseweg en hij hoeft de houtopstand niet op precies dezelfde plek te herplanten, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4. Het gaat in hoger beroep niet over de vraag of [verzoeker] een herbeplantplicht heeft. In hoger beroep gaat het in de kern om de vraag of de opgelegde last duidelijk en uitvoerbaar is en of de te herplanten oppervlakte van 20,8 are juist is berekend. [verzoeker] stelt dat het onduidelijk is tot waar op zijn perceel de plicht tot herbeplanting strekt. Hij stelt zich op het standpunt dat een groot deel van de herbeplantzone door het college is ingetekend op de weg en bermen, welke op zijn kadastraal perceel liggen maar niet onder zijn verantwoordelijkheid vallen.
4.1. De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat de opgelegde last voldoende duidelijk is en dat de omvang van de te herplanten grond juist is berekend. Hij baseert dat op de volgende overwegingen.
4.2. De door het college bij het besluit van 10 september 2025 gevoegde (lucht)foto’s laten duidelijk zien waar de gevelde houtopstand heeft gestaan. [verzoeker] moet de gevelde houtopstand voor zover deze op zijn landbouwgrond aanwezig was herplanten. Het is duidelijk dat [verzoeker] niet in de berm aan de Seterseweg maar slechts op zijn eigen landbouwgrond moet herplanten. De verwijderde houtopstand stond ook op die grond en niet in de berm. Daarnaast heeft het college in het besluit van 10 september 2025 de oppervlakte van de te herplanten grond verminderd van 30 are naar 20,8 are. Dit verschil in oppervlakte staat gelijk aan de omvang van de boomkruinen van de 9 eikenbomen die in de berm van de Seterseweg staan en tot over de landbouwgrond van [verzoeker] hangen. De stelling van [verzoeker] dat het college de oppervlakte van de grond rondom de eiken moet aftrekken van de te herplanten grond omdat de bomen op de openbare weg staan, volgt de voorzieningenrechter niet. Het college heeft de omvang van de herbeplantplicht al verminderd door de oppervlakte van de boomkruinen van het totaal af te trekken. Voor een verdere vermindering ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Overigens is op de zitting van de voorzieningenrechter besproken dat het mogelijk is voor [verzoeker] om, indien hij dat wenst, op een andere locatie te herplanten, als hij over een maatwerkbesluit beschikt als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
4.3. De betogen slagen niet.
Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. De voorzieningenrechter zal de begunstigingstermijn die is verbonden aan de opgelegde last onder dwangsom verlengen tot en met 1 april 2026.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
III. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn die is verbonden aan de opgelegde last onder dwangsom wordt verlengd tot en met 1 april 2026.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026
1013