Uitspraak BRS.26.000656
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1427
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000656
ECLI:NL:RVS:2026:1427
Datum uitspraak: 16 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 februari 2026 in zaken nrs. NL25.53185 en NL25.53194 in het geding tussen:
[betrokkene A] en [betrokkene B]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in beroep afgewezen. Anders dan de minister veronderstelt, heeft het treffen van de voorlopige voorziening in hoger beroep daardoor niet tot gevolg dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak (uitspraken van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199). Dit geeft dus geen spoedeisend belang. Nu niet is gesteld of gebleken dat de overdrachtstermijn is verlengd, verstrijkt die termijn op 9 april 2026. Het treffen van een voorlopige voorziening kan er wel toe leiden dat de minister hangende het hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen. Als de minister echter geen nieuw besluit neemt voordat de overdrachtstermijn verstrijkt, moet de minister betrokkenen in de nationale procedure opnemen en heeft hij zes maanden de tijd om op de asielaanvragen te beslissen. Ook de beslistermijn geeft dus geen spoedeisend belang aan het verzoek van de minister.
3. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026
872-1161