Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.000374 en BRS.26.000376

Uitspraak BRS.26.000374 en BRS.26.000376

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1441
Datum uitspraak
16 maart 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.000374 en BRS.26.000376
ECLI:NL:RVS:2026:1441
Datum uitspraak: 16 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op de hoger beroepen van:

1.        de minister van Asiel en Migratie,
2.        [betrokkene],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.15352 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof, advocaat in Heerenveen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Betrokkene is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep van de minister leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.        De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich, los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn, eenvoudig laat herstellen.

2.        De termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep eindigde op 18 februari 2026. Het incidenteel hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Betrokkene heeft het incidenteel hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het incidenteel hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.

3.        Het hoger beroep van de minister is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk;

III.        wijst het verzoek van de minister van Asiel en Migratie af;

IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.

w.g. Willems
voorzieningenrechter

w.g. Boon
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026

977


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon