Uitspraak 202401779/3/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1450
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Het college van gedeputeerde staten van Flevoland alsook Creil Exploitatie B.V., Creil Vastgoed B.V. en [appellant sub 4] (Creil Exploitatie en andere) hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze zaak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen en veranderen van een inrichting. Het college heeft de aanvraag voor de omgevingsvergunning afgewezen op grond van artikel 2:20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Het college heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
Toon inhoud
202401779/3/A3.
Datum beslissing: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
1. het college van gedeputeerde staten van Flevoland,
2. Creil Exploitatie B.V., gevestigd in Creil, gemeente Noordoostpolder,
3. Creil Vastgoed B.V., gevestigd in Creil, gemeente Noordoostpolder,
4. [appellant sub 4], wonend in Creil, gemeente Noordoostpolder.
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 februari 2024 in zaak nr. 23/1160 in het geding tussen:
Creil Exploitatie B.V. en andere
en
het college.
Procesverloop
Het college alsook Creil Exploitatie B.V., Creil Vastgoed B.V. en [appellant sub 4] (Creil Exploitatie en andere) hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het college heeft de vertrouwelijke versie van het advies van het Landelijk Bureau Bibob met de bijbehorende bijlagen en de niet openbare versie van het besluit van het college van 8 juli 2025 overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Overwegingen
1. Deze zaak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen en veranderen van een inrichting. Het college heeft de aanvraag voor de omgevingsvergunning afgewezen op grond van artikel 2:20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).
2. Het college heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het college heeft toegelicht dat Creil Exploitatie en andere weliswaar al over de stukken beschikken, maar de derde-belanghebbenden, te weten Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Animal Rights, niet. Beide stukken bevatten concrete strafrechtelijke en strafvorderlijke informatie over Creil Exploitatie en andere alsook derden die volgens het college deel uitmaken van hun zakelijk samenwerkingsverband. Daarnaast bevatten beide stukken concrete informatie over lopende bestuurlijke handhavingstrajecten ten aanzien van zowel Creil Exploitatie en andere als derden.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. Het enkele feit dat in de Wet Bibob een regeling over geheimhouding is opgenomen, betekent niet zonder meer dat gewichtige redenen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb die beperking van de kennisneming rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb moet ook in dit geval worden beoordeeld of zodanig gewichtige redenen aanwezig zijn dat uitsluitend de bestuursrechter kennis mag nemen van stukken. Bij deze beoordeling dient echter gewicht te worden toegekend aan het uit de Wet Bibob blijkende belang bij geheimhouding van Wet Bibob-gegevens (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686).
5. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken en acht het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang dat Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Animal Rights kennis nemen van de stukken minder zwaar dan het uit de Wet Bibob blijkende belang bij geheimhouding van Wet Bibob-gegevens en het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van Creil Exploitatie en andere. Daarbij is van belang dat deze stukken strafrechtelijke gegevens over Creil Exploitatie en andere bevatten.
De Afdeling neemt ook in aanmerking dat Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Animal Rights niet wezenlijk worden belemmerd in hun procesvoering door de beperkte kennisneming. Zij zijn namelijk in essentie op de hoogte van de vermeende strafbare feiten waar het om gaat. In de uitspraak over de weigering van de omgevingsvergunning heeft de rechtbank namelijk kort vermeld om welke vermeende strafbare feiten het gaat.
6. Het verzoek moet worden toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
818