Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 123.499
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202406418/1/A3

Bij 27 besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Stromma en Canal Bus voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1065
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406418/1/A3

202406420/1/A3

Bij twee besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ligplaatsvergunningen van Sloepdelen voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 16 maart 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1061
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406420/1/A3

202406423/1/A3

Bij vier besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024,1 maart 2026 en 1 maart 2028. Bij twee besluiten van 22 april 2024 heeft het college ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers verlengd tot 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Rederij Lovers tegen de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1058
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406423/1/A3

202406596/1/A2

Bij besluit van 30 september 2022, kenmerk TKW433, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe aan [appellante] een tegemoetkoming van € 2.449,44 toegekend voor door een wolf aangerichte schade aan haar schapenhouderij. [appellante] exploiteert een schapenhouderij. Zij houdt schapen van het speciale ras Shropshire. Dit ras wordt ingezet voor landschapsbeheer op verschillende locaties waaronder voor het begrazen van boomkwekerijen, omdat het geen boombast eet en wel onkruid en gras (onder de bomen). Op 29 oktober 2021 heeft [appellante] wolvenschade geconstateerd en daarvan melding gemaakt. Op dezelfde dag heeft een taxateur in opdracht van het college geconstateerd dat één schaap is gedood. Vervolgens heeft het college bij besluit van 11 maart 2022 aan [appellante] een tegemoetkoming van € 386,77 toegekend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1037
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202406596/1/A2

202407136/1/A2

Bij besluit van 10 oktober 2022 heeft de burgemeester van Zoetermeer het handhavingsverzoek van [wederpartij] c.s afgewezen. Bij besluit van 11 april 2023 heeft de burgemeester beslist op het daartegen door [wederpartij] c.s. ingediende bezwaarschrift en daarbij het besluit van 10 oktober 2022 herroepen. [wederpartij] c.s. woont met zijn twee kinderen (geboren in 2014 en 2018) in Zoetermeer. [buurman] woont daar vlakbij. Zijn woning en tuin grenzen aan de tuin van [wederpartij] c.s. De buurman krijgt begeleiding vanwege een autismespectrumstoornis. Hij heeft moeite met het verdragen van het leefgeluid uit de woning van [wederpartij] c.s., met name de geluiden van de kinderen. Sinds 2020 ervaart het gezin overlastgevend gedrag van de buurman. Vanaf mei 2020 hebben zij herhaaldelijk meldingen gedaan bij de politie. De meldingen betreffen het opzettelijk veroorzaken van geluidsoverlast door luide muziek ten gehore te brengen, het uiten van beledigingen en het richten van scheldpartijen tot leden van het gezin.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1039
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202407136/1/A2

202407665/1/A2

Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [appellant sub 2] een bestuurlijke boete van € 3.000,00 opgelegd. [appellant sub 2] is huisarts en specialist ouderenzorg. Zij heeft in de periode van 3 december 2021 tot en met 5 december 2021 drie keer het geneesmiddel Ivermectine off-label - dat wil zeggen: buiten de door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (het College) geregistreerde indicaties - voorgeschreven voor de behandeling van COVID-19. Volgens de minister heeft [appellant sub 2] daardoor drie keer artikel 68, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet overtreden. De minister heeft haar daarvoor een boete van € 3.000,00 opgelegd, nadien gematigd tot € 1.500,00.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1069
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202407665/1/A2

202407856/1/R3

Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Hellendoorn het bestemmingsplan "Koestraat 3 Hellendoorn" gewijzigd vastgesteld. Deze zaak gaat over het bestemmingsplan "Koestraat 3 Hellendoorn". Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om 11 appartementen te bouwen met een ondergrondse parkeergarage op het perceel aan de Koestraat 3 in het centrum van Hellendoorn. Op dit perceel bevindt zich nu een zalencentrum. De bestaande bebouwing wordt deels gesloopt. De bebouwing aan de zijde van de Dorpsstraat, waar "Twents Steakhouse Noabers" is gevestigd, blijft behouden en maakt ook deel uit van het plangebied. Hellendoorn De Vijf B.V. is initiatiefnemer van het plan. [appellant] en anderen wonen allen aan de Koestraat in de directe omgeving van het plangebied. Zij hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan, omdat zij vrezen dat er schade aan hun oudere panden zal ontstaan als gevolg van de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling te realiseren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1067
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202407856/1/R3

202408088/1/A2

Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen een parkeerverbod ingesteld in een zijstraat ter hoogte van Thull 32, 32a en 32b in Schinnen. [wederpartijen] zijn eigenaren van bedrijfsruimtes aan een zijstraat van de weg Thull in Schinnen. De zijstraat is 3,5 tot 3 m breed en is de enige toegang tot de bedrijfsruimtes voor (landbouw)voertuigen. [wederpartijen] hebben meldingen gedaan van parkeeroverlast in de zijstraat bij het college. Door omwonenden wordt geparkeerd in de zijstraat, waardoor volgens [wederpartijen] andere voertuigen geen doorgang kunnen vinden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1043
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202408088/1/A2

202500034/1/A2

Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de raad van de gemeente Land van Cuijk het verzoek van [appellant sub 2] tot onttrekking aan de openbaarheid van het pad dat loopt over het perceel BMR Z 3291 afgewezen. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als BMR Z 3291, dat is gelegen tussen de woningen aan [locatie 1] en [locatie 2]. Over dat perceel loopt een pad dat ook wel bekend is als het pad Hoogeind. Het pad was in het verleden in het bezit van de Nederlandse Spoorwegen waarna het eigendom is overgegaan op de gemeente. Die heeft het pad op enig moment verkocht aan een particulier. In 2020 is het eigendom overgedragen aan [appellant sub 2]. Het pad wordt gebruikt door omwonenden, er wordt veel gewandeld en scholieren gebruiken het als een sluiproute. [appellant sub 2] ervaart overlast en meent dat het gebruik van het pad onveilige situaties oplevert. Hij heeft daarom de gemeenteraad verzocht om te verklaren dat het geen openbare weg is. Dit verzoek heeft de gemeenteraad afgewezen. Ook een daarop volgend verzoek om het pad aan de openbaarheid te onttrekken heeft de gemeenteraad afgewezen. Daaraan lag ten grondslag dat het pad volgens de gemeenteraad een openbare weg is en dat de gemeenteraad het algemeen belang van gebruik van het pad groter acht, dan bijvoorbeeld het recht op privacy omdat het pad niet direct aan de woning grenst. Tegen dat besluit heeft [appellant sub 2] administratief beroep ingesteld bij GS.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1077
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenwet
  • uitspraakin de zaak202500034/1/A2

202500038/1/A2

Bij besluit van 18 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] een vergunning verleend voor de exploitatie van een Bed & Breakfast (B&B). [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening, omdat hij het niet eens is met de daarbij geldende voorwaarden. Tijdens de hoorzitting in bezwaar werd voor het college duidelijk dat [appellant] op dat moment een B&B exploiteert op de derde verdieping van het pand en dat hij die wil verplaatsen naar het nog te verbouwen souterrain. Zo kan hij voldoen aan de nieuwe, strengere, regels die voor hem gelden vanaf 1 juli 2026. De plattegrond die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd is van de beoogde situatie in het souterrain, niet van de situatie op het moment van de aanvraag.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1040
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202500038/1/A2

202500512/1/A2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt in deze uitspraak over wanneer een ouder procesbelang heeft bij een aanvraag op grond van de zogenoemde Catshuisregeling. De Casthuisregeling houdt in dat gedupeerden van de toeslagenaffaire bij de Dienst Toeslagen kunnen vragen om toekenning van een bedrag van € 30.000. De Dienst Toeslagen beoordeelt zo'n verzoek eerst aan de hand van een lichte toets. Ongeacht de uitkomst van de lichte toets, verricht de Dienst Toeslagen daarna nog een integrale toets, tenzij een ouder aangeeft dit niet te willen. Op basis van de integrale toets wordt definitief beoordeeld of een ouder gedupeerd is en dus recht heeft op toekenning van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling. In deze zaak had een vrouw uit Zwijndrecht de Dienst Toeslagen gevraagd om toekenning van € 30.000. De uitkomst van de lichte toets was dat zij geen gedupeerde is van de toeslagenaffaire. Die uitkomst werd later bevestigd door de integrale toets. De vrouw kwam bij de Afdeling bestuursrechtspraak in hoger beroep tegen de uitkomst van de lichte toets. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt, in lijn met eerdere uitspraken van meerdere rechtbanken, dat ouders die zowel op basis van de lichte toets als de integrale beoordeling niet als gedupeerde zijn aangemerkt, alleen een procesbelang hebben bij een bezwaar tegen de uitkomst van de integrale beoordeling. Zij hebben geen procesbelang bij een beroep of hoger beroep tegen de uitkomst van de lichte toets. In overweging 7.1 oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak als volgt: "(...) een besluit op basis van de integrale beoordeling haalt het bezwaar tegen het besluit op basis van de lichte toets in. Een ouder die op basis van de lichte toets niet als gedupeerde is aangemerkt en in de daarop gevolgde integrale beoordeling ook niet, kan in de procedure over de lichte toets niet méér bereiken dan in de procedure tegen de uitkomst van de integrale beoordeling, zodat in die gevallen met het besluit over de integrale beoordeling het procesbelang aan het beroep of hoger beroep tegen het besluit over de lichte toets komt te ontvallen. (...)"

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:720
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500512/1/A2

202501383/1/A3

Bij besluit van 27 januari 2025 heeft de burgemeester van Capelle aan den IJssel aan [appellant] een huisverbod opgelegd. [appellant] woont samen met zijn meerderjarige zoon in een woning in Capelle aan den IJssel. De burgemeester heeft aan [appellant] een huisverbod opgelegd na een geweldsincident tussen hem en zijn zoon, de achterblijver. [appellant] heeft zijn zoon - naar eigen zeggen uit verdediging - met een kettingslot op zijn hoofd geslagen. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van het huisverbod in verband met het geweldsincident. De feiten worden door [appellant] erkend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de politiegegevens niet hebben bijgedragen of van enig belang zijn geweest bij de totstandkoming van het besluit van 27 januari 2025. Daarom worden geen gevolgen verbonden aan het ontbreken van de politiegegevens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1034
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Huisverbod
  • uitspraakin de zaak202501383/1/A3

202501489/1/A3

Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft de burgemeester van Tilburg een last onder bestuursdwang opgelegd strekkende tot sluiting van de woning aan de [locatie] in Tilburg met ingang van 22 augustus 2024 voor de duur van één maand. [appellante] woont in de woning aan de [locatie] in Tilburg, die zij huurt van een woningcorporatie. Op 3 juli 2023 is een van haar kinderen door de politie in de woning aangehouden als verdachte in een opsporingsonderzoek naar een criminele organisatie met een drugsbezorgservice in Tilburg en omstreken. Daarbij zijn in de woning onder andere 88 gripzakjes met in totaal 108,46 gram cocaïne en € 16.300,00 aan bankbiljetten aangetroffen. Hierop heeft de burgemeester besloten de woning voor de duur van één maand te sluiten. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Op 11 maart 2025 is de sluiting van de woning geëffectueerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1031
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202501489/1/A3

202502505/1/A2

Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de burgemeester van Breda een aan [appellant] verleende Alcoholwetvergunning ingetrokken. de burgemeester heeft dat gedaan omdat [appellant] volgens de burgemeester van slecht levensgedrag is en het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De burgemeester heeft daaraan twee strafrechtelijke onderzoeken ten grondslag gelegd naar aanleiding van aangiften van seksueel misbruik waarin [appellant] verdachte is, twee meldingen van seksueel misbruik in de [horecabedrijf] waarbij [appellant] als exploitant is betrokken en nog enkele andere incidenten. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet langer voldoet aan de eis dat geen sprake is van slecht levensgedrag in enig opzicht. De burgemeester heeft de strafrechtelijke veroordeling voor de verkrachting, hoewel die veroordeling nog niet onherroepelijk is, niet ten onrechte betrokken bij de beoordeling of [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1029
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502505/1/A2

202503645/1/A2

Bij besluit van 21 juni 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om compensatie voor afgeloste geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen afgewezen. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om compensatie van door haar afgeloste schulden van € 45.721,00 aan de Interbank en € 3.000,00 aan de Rabobank. De minister heeft de schulden niet gecompenseerd. Volgens de minister zijn de afgeloste schulden een financieel product bij een bank die op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht alleen voor overname in aanmerking komen als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, zoals volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Daarvan is volgens de minister geen sprake. De rechtbank heeft geoordeeld dat de reeds betaalde schulden terecht niet zijn overgenomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1088
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503645/1/A2

202503794/1/R4

Bij besluit van 21 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 7 februari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar zij stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. [appellante] heeft een bezorgbevestiging overgelegd, waaruit blijkt dat een pakketbezorgder van DPD de doos op vrijdag 7 februari 2025 om 13:47 uur bij haar heeft bezorgd. Tijdens de bezorging leek het volgens [appellante] alsof het kattengrit dat zij had besteld uit de doos lekte. Omdat zij vaker een beschadigde zak kattengrit heeft ontvangen, heeft zij tegen de pakketbezorger gezegd dat zij de zak kattengrit direct wilde retourneren. Zij heeft vervolgens de doos opengemaakt om de andere artikelen die zij had besteld eruit te halen. Nadat de doos was geopend bleek dat de zak kattengrit niet beschadigd was, maar slechts lekte omdat de doos ondersteboven was gekeerd. Omdat de doos al geopend was, heeft zij deze teruggegeven aan de pakketbezorger en heeft ze het kattengrit en de overige inhoud van de doos mee naar binnen genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1080
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202503794/1/R4

202505087/1/R4

Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 3 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 3 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container ter hoogte van de [locatie] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellant] betoogt dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt en hij om die reden ten onrechte de kosten voor het verwijderen van de aangeboden doos moet betalen. Hij voert aan dat hij geen concreet bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden. Verder voert hij aan dat het aantreffen van de doos met zijn naam of adresgegevens erop geen sluitend bewijs oplevert dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1076
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505087/1/R4

202501962/3/R4

Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister van Klimaat en Groene Groei ingestemd met het door de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) ingediende winningsplan Warffum van 23 september 2022. Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister ingestemd met het door de NAM ingediende winningsplan Warffum. Het winningsplan Warffum voorziet in verlenging van de gaswinning uit het bestaande gasveld Warffum tot en met 31 december 2032. Op het moment van het besluit van 27 maart 2025 lag de gaswinning uit het gasveld Warffum stil, omdat de in het eerdere winningsplan opgenomen winningsperiode was verstreken. Verzoekers beogen schorsing van het besluit van 27 maart 2025 om te voorkomen dat gaswinning plaatsvindt voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Verzoekers hebben aan hun tweede verzoeken om schorsing van het besluit van 27 maart 2025 ten grondslag gelegd dat er sinds de uitspraak van 5 juni 2025 verschillende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die volgens hen ertoe moeten leiden dat de voorzieningenrechter alsnog het besluit van 27 maart 2025 schorst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:946
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige
  • uitspraakin de zaak202501962/3/R4
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202501962/3/R4

BRS.26.000613 en BRS.26.000614

Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:975
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000613 en BRS.26.000614

BRS.26.000772

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:986
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000772

BRS.26.000876

Bij besluiten van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:998
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000876

BRS.25.001531

Bij besluit van 25 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant 1 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:954
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001531

BRS.25.002541

Bij besluit van 17 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:953
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002541

BRS.25.002588

Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de moeder van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:964
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002588

BRS.25.002733

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:955
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002733

BRS.26.000127

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:960
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000127

BRS.26.000159

Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:957
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000159

BRS.26.000163 en BRS.26.000165

Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:963
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000163 en BRS.26.000165

BRS.26.000499 en BRS.26.000501

Bij besluiten van 12 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:951
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000499 en BRS.26.000501

BRS.26.000617

Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:956
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000617

202206080/1/V3

Bij besluit van 19 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het individueel ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze inzicht geeft in de feiten en omstandigheden op basis waarvan de AIVD tot de conclusie is gekomen dat appellant zich bij aankomst in Nederland van een alias heeft bediend en een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, en dat deze conclusie zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk is. De minister heeft dit ambtsbericht daarom aan haar besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Appellant heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het ambtsbericht, of aan de juistheid of volledigheid daarvan, naar voren gebracht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:966
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202206080/1/V3

202506050/2/R3

Bij besluit van 25 september 2025 heeft de raad van de gemeente Het Hogeland het bestemmingsplan "Eemshaven" vastgesteld. Voor de Eemshaven geldt de beheersverordening "Eemshaven" en de Facetbeheersverordening geluidverdeelplan Eemshaven. Het bestemmingsplan is een actualisering daarvan. [verzoekster] is een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op op- en overslag, be- en verwerking van primaire en (verontreinigde) secundaire bouwstoffen en afvalstoffen. Het bedrijf is gevestigd op het perceel Kwelderweg 15. Holland Battery 2 is eigenaar van het perceel Schildweg 14T. Op dat perceel wil zij een inkoopstation bouwen ten behoeve van een energieopslagsysteem. Dat energieopslagsysteem zal worden aangelegd op een deel van het perceel van [verzoekster]. Voor het inkoopstation is een omgevingsvergunning verleend die onherroepelijk is. Voor de aanleg van het energieopslagsysteem heeft zij een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Beide bedrijven vrezen dat de regeling over de geluidverdeling binnen het plangebied leidt tot een belemmering van hun bedrijfsvoering. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het besluit te schorsen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:945
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Groningen
  • uitspraakin de zaak202506050/2/R3

202600264/3/A3

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de burgemeester van Rotterdam een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet open overheid niet in behandeling genomen. [wederpartij] verzoekt samengevat om openbaarmaking en toezending van alle stukken over het al dan niet met toepassing van bestuursdwang sluiten van onder meer woningen, panden en percelen door de gemeente. Hij wil in ieder geval alle correspondentie, (voornemens tot) besluiten, verzoeken tot opening, bestuurlijke rapportages, controlerapporten, zienswijzen, alle stukken van juridische procedures, alle interne communicatie, verslagen, facturen van advocaten, en kosten van interne en externe communicatie over een periode van negen jaar ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het Woo-verzoek van [wederpartij] niet buiten behandeling had mogen stellen met toepassing van artikel 4.6 van de Woo. De burgemeester heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie en misbruik van recht heeft gemaakt. De burgemeester moet van de rechtbank opnieuw op het bezwaar beslissen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:965
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202600264/3/A3

202600271/2/A3

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de Raad van State een verzoek van Stichting De Verbeelding van 22 maart 2025 om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet open overheid afgewezen, gedeeltelijk omdat het verzoek betrekking heeft op zijn Afdeling bestuursrechtspraak en gedeeltelijk omdat binnen de Raad geen informatie is gevonden die onder het bereik van het verzoek valt. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de standpunten van partijen, geen aanleiding om een (nadere) inhoudelijke belangenafweging te maken. Het verzoek kan als kennelijk gegrond worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de uitspraak van de rechtbank waarop het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft zal worden geschorst, voor zover die is aangevochten, totdat op het hoger beroep is beslist. Dat betekent dat de Raad geen uitvoering hoeft te geven aan de in de uitspraak van de rechtbank gegeven opdracht tot het uitvoeren en motiveren van een zoekslag naar de gevraagde informatie in het verzoek van de Stichting van 22 maart 2025 en 23 april 2025, dat laatste behoudens het tweede deel daarvan. Ook hoeft de Raad in zoverre niet binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank opnieuw op de bezwaren te beslissen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:983
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202600271/2/A3

BRS.25.002121

Bij besluit van 3 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:892
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002121

BRS.25.002695

Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:940
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002695

BRS.26.000491 en BRS.26.000493

Bij besluit van 15 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:930
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000491 en BRS.26.000493

BRS.26.000646

Bij brief van 18 november 2025 (verlengingsbesluit), gewijzigd door de brief van 6 januari 2026 (tweede verlengingsbesluit), heeft de minister appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:943
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000646

BRS.26.000813

Bij besluit van 7 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:976
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000813

202500099/1/A2

Bij besluit van 8 juli 2022 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] een vergoeding van € 170,04 toegekend. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft de raad bij besluit van 24 augustus 2023 ongegrond verklaard. [appellant] neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Met een formulier van 7 februari 2020 heeft [appellant] als gemachtigde van [persoon] een reguliere toevoeging aangevraagd voor het verweer tegen een beslissing waarmee een boete is opgelegd (het boetebesluit). In het formulier heeft [appellant] vermeld dat het bedrag van de boete € 897,00 is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1099
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Rechtsbijstand
  • uitspraakin de zaak202500099/1/A2

202502550/1/A2

Bij besluit van 30 april 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) opgelegd. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 18 juli 2024 ongegrond verklaard. De bestuurder van de auto met kenteken […] is op 11 april 2024 staande gehouden door de politie Eenheid Noord-Holland, omdat hij een mobiele telefoon vasthield tijdens het besturen van een personenauto. Na het uitschrijven van een bekeuring is er een speekseltest afgenomen. Deze test wees uit dat de bestuurder vermoedelijk onder invloed van cannabis heeft gereden. De verbalisant heeft de bestuurder daarop bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen. De bestuurder heeft vervolgens de speekseltest van de motorfiets van de verbalisant gepakt en is weggerend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1108
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Drugs
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202502550/1/A2

202502681/1/A2

Bij besluit van 24 juli 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] rijgeschikt verklaard voor de duur van een jaar onder de voorwaarden "alleen tijdens privégebruik" en "automatische keuze van versnelling". Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 19 september 2024 ongegrond verklaard. Op 23 augustus 2023 heeft het CBR van [appellant] een gezondheidsverklaring ontvangen ter verkrijging van een verklaring van rijgeschiktheid. In deze verklaring staat vermeld dat [appellant] een vorm van dementie heeft en dat hij een beroerte, herseninfarct of hersenbloeding heeft gehad. Naar aanleiding daarvan heeft het CBR [appellant] verwezen voor een keuring. Zowel in een verslag van 11 mei 2023 van een klinisch geriater als in een keuringsrapport van 10 juli 2024 van een neuroloog staat dat bij [appellant] sprake is van (gemengde) dementie. Op 24 maart 2024 heeft [appellant] een rijtest afgelegd met voldoende resultaat. Het CBR heeft deze gegevens bij de besluitvorming betrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1109
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202502681/1/A2

202502743/1/A2

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 8 augustus 2024 ongegrond verklaard. [appellant] woonde ten tijde van de aanvraag, op 21 november 2023, samen met zijn drie kinderen, waarvan één minderjarig kind, en zijn ex-partner in een huurwoning met drie slaapkamers. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor zichzelf en drie kinderen. Na de aanvraag zijn nog twee kinderen, geboren uit het huwelijk met zijn echtgenote, vanuit Marokko naar Nederland gekomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1102
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502743/1/A2

202503600/1/A2

Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van [appellant] om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 7 november 2024 ongegrond verklaard. [appellant] heeft de Dienst Toeslagen op 11 april 2024 verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen niet in behandeling genomen, omdat de aanvraag te laat, namelijk na 1 januari 2024, is ingediend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1107
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503600/1/A2

202503791/1/A2

Bij besluit van 29 juli 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 19 november 2024 ongegrond verklaard. [appellant] is op [geboortedatum] 2001 geboren en in 2015 vanuit Eritrea naar Nederland gekomen. Hij heeft op 7 juni 2024 een urgentieverklaring aangevraagd. Hij heeft in meerdere wooninstellingen gewoond, maar is sinds 8 augustus 2022 dakloos. Het college heeft bij besluit van 19 november 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een aanvraag op grond van artikel 2.10.5, vierde lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 moet worden geweigerd als de aanvrager niet in één van de in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8 opgenomen urgentiecategorieën valt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1104
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503791/1/A2

202505277/1/A2

Bij besluit van 14 november 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) opgelegd. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 13 maart 2025 ongegrond verklaard. [appellant] is op 20 oktober 2024 door de politie Eenheid Rotterdam verzocht om zijn voertuig te stoppen ter naleving van controle van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Nadat [appellant] positief was getest voor een te hoog alcoholgebruik, is een speekseltest afgenomen. De uitslag van die test was positief voor cannabisgebruik. [appellant] heeft tijdens zijn aanhouding verklaard benodigdheden voor het maken van een joint op zak te hebben, die ook zijn aangetroffen. De verbalisant heeft verklaard geen uiterlijke tekenen van invloed van alcohol of drugs bij [appellant] te hebben waargenomen, maar wel in de testen aanleiding te hebben gezien op het politiebureau een bloedonderzoek te doen. [appellant] heeft medegedeeld dat bloedprikken bij hem altijd problematisch verloopt. Nadat het bloedprikken in de ene arm is mislukt, is [appellant] in paniek geraakt en heeft hij verzocht de bloedafname in het ziekenhuis te verrichten. [appellant] ontkent dat hij heeft geweigerd mee te werken aan het opgelegde bloedonderzoek.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1101
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202505277/1/A2

202503950/1/V3

Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:948
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaak202503950/1/V3

202505123/1/V2

Bij besluit van 22 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:950
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202505123/1/V2

202505258/1/V3

Bij besluit van 4 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:949
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaak202505258/1/V3

BRS.25.002763

Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:944
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002763

BRS.26.000423

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:887
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000423

BRS.26.000476

Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:832
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000476

BRS.26.000557

Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:890
Datum uitspraak
19 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000557

202405856/1/R2 en 202405856/2/R2

Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk het wijzigingsplan "Mill, Stationsstraat 25-27" vastgesteld. Op het perceel Stationsstraat 25-27 in Mill was voorheen een winkel met bedrijfswoning gevestigd. De bedrijfsvoering is beëindigd. Het voornemen bestaat om ter plaatse een woongebouw met 9 appartementen te bouwen. Ingevolge het bestemmingsplan "Mill Centrum" rust op het perceel de bestemming "Detailhandel". In artikel 11.3.1 van de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming "Detailhandel" te wijzigen naar "Wonen". Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van artikel 11.3.1 van de planregels. [verzoekers] wonen tegenover het plangebied. Zij zijn het niet eens met de ontwikkeling die het wijzigingsplan mogelijk maakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:793
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202405856/1/R2 en 202405856/2/R2

202407847/1/V1

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:893
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202407847/1/V1

202503354/1/V3

Bij besluit van 25 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:872
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaak202503354/1/V3

202506131/2/A3

Bij besluit van 15 november 2024 heeft de burgemeester van Soest de aanvraag van [verzoekster] om een exploitatievergunning voor de uitoefening van een autobedrijf afgewezen. In 2021 heeft de burgemeester het bedrijfspand aan de [locatie] in Soest aangewezen als gebouw waarin het verboden is om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Dit besluit is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1425. [verzoekster] heeft een exploitatievergunning aangevraagd voor het uitoefenen van een autoverkoop- en garagebedrijf in het bedrijfspand. De burgemeester heeft de aanvraag om drie redenen afgewezen. Ten eerste komt de feitelijke exploitatie van het bedrijf niet overeen met de aanvraag. Ten tweede is de feitelijke exploitant/beheerder volgens de burgemeester van slecht levensgedrag. En ten derde stelt de burgemeester dat er een ernstig gevaar is dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. De rechtbank was het met de burgemeester eens en heeft het beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:873
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202506131/2/A3

202600275/1/A3

Bij besluit van 9 december 2025 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het verzoek van elf gemeenten ingewilligd en de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee op grond van artikel 99 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) de aanwijzing gegeven binnen twee maanden een gemeenschappelijke regeling te treffen. De gemeenten werkten sinds 2015 in het kader van de regionale volkshuisvesting samen in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. Een aantal jaar geleden heeft de gemeente Ridderkerk geconstateerd dat de samenwerking leidde (en nog altijd leidt) tot een disproportionele druk op de (sociale) woningmarkt in haar gemeente. Zij is voornemens om een eigen, lokaal woonruimtebemiddelingssysteem te gaan gebruiken, om de positie van de Ridderkerkse woningzoekenden te versterken. Het gemeentebestuur heeft daarom in 2025 geweigerd een nieuwe bestuursovereenkomst voor het samenwerkingsverband te ondertekenen en het is ook niet overgegaan tot vaststelling van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:875
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202600275/1/A3

BRS.25.001451

Bij besluit van 27 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:857
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001451

BRS.25.002241

Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:866
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002241

BRS.26.000574 en BRS.26.000575

Bij besluit van 6 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:977
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000574 en BRS.26.000575

BRS.26.000588

Bij besluit van 19 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:856
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000588

BRS.26.000640

Bij besluiten van 2 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:891
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000640

BRS.26.000709, BRS.26.000776 en BRS.26.000788

Bij besluit van 18 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:941
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000709, BRS.26.000776 en BRS.26.000788

202200646/1/R3

Het is belangrijk om omgevingsdocumenten zoals bijvoorbeeld een bestemmingsplan op de juiste wijze beschikbaar te stellen én te houden. De uitspraak gaat over de bestemmingsplannen Omgevingsplan Buitengebied Brielle - Veegplan 1 en Veegplan 2. Met de veegplannen wilde de gemeenteraad van Brielle gebreken herstellen en wijzigingen doorvoeren in het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Brielle'. Het gaat hier om zogenoemde bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte. De gemeenteraad heeft de plannen beschikbaar gesteld op een eigen gemeentelijke planviewer. Deze plannen lopen vooruit op de Omgevingswet, maar vallen nog onder het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024. Dit betekent ook dat er geen verplichting is tot het zogenoemd geconsolideerd beschikbaar stellen van het omgevingsplan en de veegplannen. Maar de gemeenteraad heeft daar wel voor gekozen. Door deze geconsolideerde weergave was het echter niet mogelijk om vast te stellen hoe de verbeeldingen van de veegplannen eruitzagen op het moment dat ze werden vastgesteld. Ook was niet duidelijk wat de planregels waren. Zo kon de Afdeling bestuursrechtspraak niet vaststellen wat de gemeenteraad precies heeft vastgesteld en welke wijzigingen er waren ten opzichte van het vorige plan. Ook was het zogeheten 'tijdreizen' niet mogelijk. Met zo'n functionaliteit is het mogelijk om op elk gewenst moment in het verleden na te gaan welke regels er golden op een bepaalde locatie. In de sinds de Omgevingswet beschikbaar gestelde landelijke voorziening ('Regels op de kaart') is tijdreizen wel mogelijk. Dat is belangrijk met het oog op de rechtszekerheid van burgers en om effectieve rechtspraak mogelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in de uitspraken van vandaag dat ondanks dat hier het oude recht van toepassing is en 'tijdreizen' dus geen verplichte functionaliteit is, het in dit geval toch op de weg van de gemeenteraad had gelegen om een tijdreis-functionaliteit in de planviewer op te nemen. Nu het niet mogelijk is om de inhoud van de veegplannen vast te stellen zijn deze afzonderlijke plannen niet elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar gebleven. Dat is in strijd met de rechtszekerheid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:781
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202200646/1/R3

202200646/2/R3 en 202404685/1/R3

Het is belangrijk om omgevingsdocumenten zoals bijvoorbeeld een bestemmingsplan op de juiste wijze beschikbaar te stellen én te houden. De uitspraak gaat over de bestemmingsplannen Omgevingsplan Buitengebied Brielle - Veegplan 1 en Veegplan 2. Met de veegplannen wilde de gemeenteraad van Brielle gebreken herstellen en wijzigingen doorvoeren in het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Brielle'. Het gaat hier om zogenoemde bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte. De gemeenteraad heeft de plannen beschikbaar gesteld op een eigen gemeentelijke planviewer. Deze plannen lopen vooruit op de Omgevingswet, maar vallen nog onder het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024. Dit betekent ook dat er geen verplichting is tot het zogenoemd geconsolideerd beschikbaar stellen van het omgevingsplan en de veegplannen. Maar de gemeenteraad heeft daar wel voor gekozen. Door deze geconsolideerde weergave was het echter niet mogelijk om vast te stellen hoe de verbeeldingen van de veegplannen eruitzagen op het moment dat ze werden vastgesteld. Ook was niet duidelijk wat de planregels waren. Zo kon de Afdeling bestuursrechtspraak niet vaststellen wat de gemeenteraad precies heeft vastgesteld en welke wijzigingen er waren ten opzichte van het vorige plan. Ook was het zogeheten 'tijdreizen' niet mogelijk. Met zo'n functionaliteit is het mogelijk om op elk gewenst moment in het verleden na te gaan welke regels er golden op een bepaalde locatie. In de sinds de Omgevingswet beschikbaar gestelde landelijke voorziening ('Regels op de kaart') is tijdreizen wel mogelijk. Dat is belangrijk met het oog op de rechtszekerheid van burgers en om effectieve rechtspraak mogelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in de uitspraken van vandaag dat ondanks dat hier het oude recht van toepassing is en 'tijdreizen' dus geen verplichte functionaliteit is, het in dit geval toch op de weg van de gemeenteraad had gelegen om een tijdreis-functionaliteit in de planviewer op te nemen. Nu het niet mogelijk is om de inhoud van de veegplannen vast te stellen zijn deze afzonderlijke plannen niet elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar gebleven. Dat is in strijd met de rechtszekerheid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:782
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202200646/2/R3 en 202404685/1/R3

202203566/1/A3

Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellant] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming om inzage in zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening ingewilligd. Bij brief van 14 april 2020 heeft [appellant] de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de minister dat verzoek ingewilligd en een overzicht verstrekt van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij brief van 26 november 2020 heeft [appellant] verzocht om wissing van die persoonsgegevens. Bij besluit van 12 maart 2021 heeft de minister dat verzoek afgewezen, omdat het bewaren van de gegevens nog nodig is voor het onderzoek naar de gevolgen van de FSV voor betrokkenen. De minister heeft het door [appellant] tegen het besluit van 20 oktober 2020 gemaakte bezwaar bij besluit van 17 februari 2021 gegrond verklaard en een overzicht verstrekt van data waarop zijn persoonsgegevens in de FSV zijn aangevuld. De minister heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 12 maart 2021 bij besluit van 4 juni 2021 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:903
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202203566/1/A3

202207504/1/R2

Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een antennemast op het perceel [locatie] te Terheijden. De vergunningaanvraag dient ter legalisering van de reeds geplaatste antennemast. Gelet op de bouwtekening heeft de aangevraagde antennemast - in uitgeschoven toestand - een hoogte van ongeveer 21 m. Daarbij is de antennedrager 18,1 m en de antenne 2,9 m. Niet in geschil is dat de antennemast zich altijd in uitgeschoven toestand bevindt. [partij] woont naast het perceel. Hij stelt vanaf het eerste moment dat er een antennemast op het perceel stond, hinder daarvan te hebben ondervonden. Deze hinder bestaat volgens [partij] uit storing op elektrische apparaten en visuele hinder. Daarnaast bestaat bij [partij] de vrees dat de antennemast vanwege een gebrekkige fundering omvalt en dat bij gebruik van de antennemast straling vrijkomt die slecht is voor zijn gezondheid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:914
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202207504/1/R2

202301551/1/R2

Bij besluit van 3 november 2022 heeft de raad van de gemeente Moerdijk het bestemmingsplan "[locatie 1] Standdaarbuiten" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt een uitbreiding van de bebouwing mogelijk op het bedrijventerrein Standdaarbuiten. In het plangebied is het bedrijf [partij] gevestigd, dat wil uitbreiden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aangrenzend aan het plangebied en komen op tegen het bestemmingsplan. Zij vrezen dat de uitbreiding van het bedrijf hun woon- en leefklimaat zal aantasten. [appellant sub 1] betoogt dat de omgevingsdialoog onzorgvuldig was. De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden op 8 januari 2020. Omwonenden konden toen hun voorkeur uitspreken over de manier waarop het bedrijf [partij] zou uitbreiden, maar er is geen optie geboden om een voorkeur uit te spreken dat het bedrijf niet gaat uitbreiden. Het bedrijf heeft op basis van deze dialoog gecommuniceerd dat er draagvlak is in de omgeving voor de uitbreiding, maar dit is volgens [appellant sub 1] niet hetzelfde als voorkeur.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:915
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202301551/1/R2

202301560/1/A3

Bij besluit van 14 maart 2022 heeft de burgemeester van Rotterdam de woning van [wederpartij] voor drie maanden gesloten. [wederpartij] huurde de woning aan de [locatie] in Rotterdam. Naar deze woning is onderzoek gedaan door de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, Basisteam Charlois in het kader van artikel 13b Opiumwet. In de naar aanleiding daarvan opgemaakte bestuurlijke rapportage, gedateerd 14 januari 2022, staat het volgende. Op 29 december 2021 kreeg de politie een melding dat in de woning van [wederpartij] harddrugs zouden worden verhandeld. Volgens een mutatierapport verklaarden meerdere melders dat er veel mensen per dag een korte tijd binnen in de woning zijn. Op 6 januari 2022 is naar aanleiding van deze meldingen de woning geobserveerd door politiemedewerkers. Zij zagen dat op de woning directe loop was. Vervolgens hebben de politiemedewerkers de woning met toestemming van [wederpartij] betreden en doorzocht. Bij fouillering werd op het lichaam van [wederpartij] 1,4 gram cocaïne aangetroffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:896
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202301560/1/A3

202302404/1/R4

Bij besluit van 12 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het huisvesten van 31 arbeidsmigranten in de bestaande zorgboerderij op het perceel [perceel A] in Dronten. Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo voor het huisvesten van 32 arbeidsmigranten in nieuw te plaatsen "modules" op het perceel voor een periode van vijf jaar. [appellant] is eigenaar van het perceel. In het zuidwestelijke deel van het perceel staat een gebouw dat voorheen in gebruik was als zorgboerderij. [appellant] heeft bij het college twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor het huisvesten van arbeidsmigranten in de bestaande zorgboerderij en nieuw te plaatsen modules in het zuidwestelijke deel van het perceel. De huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied (D4000)"

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:929
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202302404/1/R4

202304089/1/R3

Bij besluit van 1 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [appellant] lasten onder dwangsom opgelegd om voor 1 februari 2022 verschillende overtredingen aan de [locatie] in Ambt Delden (het perceel) ongedaan te maken. appellant] is eigenaar van het perceel. Op 9 juni 2021 hebben toezichthouders een controle uitgevoerd op het perceel. De constateringen hebben het college aanleiding gegeven om handhavend op te treden tegen verschillende gestelde overtredingen van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente". Op 1 december 2021 is [appellant] gelast om voor 1 februari 2022:

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:911
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202304089/1/R3

202304242/1/R1

Bij besluit van 15 april 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat onder oplegging van een dwangsom [appellant] gelast werken die zijn opgericht op de percelen aan de [locatie] te Velden, zonder dat daarvoor op grond van de Waterwet een vergunning is verleend of melding is gedaan, te verwijderen en verwijderd te houden. [appellant] is eigenaar van de percelen, waarop hij een camping exploiteert. De percelen zijn gelegen aan de rechterzijde van de rivier de Maas en bevinden zich in het rivierbed. In 1993 en 1995 hebben ernstige overstromingen van gronden langs de Maas plaatsgevonden, die ook de percelen hebben getroffen. Als gevolg van de hoogwaterstanden hebben verschillende bouwwerken schade opgelopen. [appellant] heeft deze bouwwerken in een periode van een aantal jaren gesloopt en een deel daarvan herbouwd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de persoonlijke omstandigheden van [appellant] aanleiding vormen voor verbeurte van dwangsommen per bouwwerk en per tijdseenheid in plaats van een verbeurte van het volledige bedrag ineens na een half jaar. Om die reden heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien en heeft zij alsnog een lagere dwangsom per bouwwerk bepaald. De rechtbank heeft [appellant] een termijn van vier weken gegeven om te voldoen aan de last. [appellant] kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. In hoger beroep beoogt hij een verdergaande vernietiging van het besluit op bezwaar te bewerkstelligen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:897
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202304242/1/R1

202305650/1/R3

Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "6 Woningen Halfweg, Reeuwijk-Brug" vastgesteld. Met het bestemmingsplan wordt de herontwikkeling van een perceel aan de Halfweg, ten westen van de percelen Raadhuisweg 181 tot en met 195 mogelijk gemaakt. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de gronden van het plangebied aan de eigenaren van de aangrenzende woonpercelen verkocht zouden worden, maar hiervoor was onvoldoende belangstelling. De raad heeft daarom besloten om met dit bestemmingsplan op het perceel de realisatie van zes woningen mogelijk te maken. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] wonen allen in de woningen op de aan het plangebied grenzende percelen aan de Raadhuisweg. Zij kunnen zich om verschillende redenen niet verenigen met dit plan. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben identieke beroepschriften ingediend en worden om die reden hierna aangeduid met [appellant sub 2] en anderen, tenzij anders aangegeven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:901
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202305650/1/R3

202305858/3/R1

Bij tussenuitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:883, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Amsterdam opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 20 juli 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Klaprozenbuurt 2" te herstellen. De Afdeling is onder 8 van de tussenuitspraak tot het oordeel gekomen dat de raad het besluit van 20 juli 2023 op onderdelen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen en op onderdelen niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van Unicorn, UAO en Bun tegen het besluit van 20 juli 2023 gegrond. Dat besluit moet vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd, wat betreft de plandelen met de bestemming "Gemengd", voor zover het betreft: - de gronden door partijen aangeduid met D1 en D2 waarvan Unicorn de beoogd ontwikkelaar en gedeeltelijk eigenaar is; - de gronden door partijen aangeduid met C6, C9 en C11 waarvan UAO de beoogd ontwikkelaar en gedeeltelijk erfpachter is; - de gronden door partijen aangeduid met D9 tot en met D14 waarvan Bun eigenaar is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:927
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202305858/3/R1

202306343/1/R1

Bij besluit van 6 mei 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, samen met de minister van Economische Zaken en Klimaat, de aanvraag van CBNL tot erkenning als bedoeld in artikel 9 van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder u, van de Regeling bodemkwaliteit (Rbk) afgewezen. CBNL heeft op 3 december 2020 een aanvraag voor een erkenning ingediend voor een werkzaamheid als bedoeld in artikel 9 van het Bbk. Deze aanvraag heeft betrekking op de werkzaamheden "Ontwerpen, installeren, beheren en onderhouden van het ondergrondse deel van bodem-energiesystemen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder u, van de Rbk. De minister heeft bij besluit van 6 mei 2021 de aanvraag afgewezen, vanwege artikel 11, vierde en vijfde lid, van het Bbk. Bij besluit van 28 januari 2022 heeft de minister het besluit van 6 mei 2021 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:906
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bodembescherming
  • uitspraakin de zaak202306343/1/R1

202306667/1/R1

Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen de maatschap van waterschap Scheldestromen gelast geen water te onttrekken uit enig oppervlaktewater gedurende het algeheel onttrekkingsverbod van 22 juli 2022, opgelegd door de dijkgraaf op grond van artikel 4.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 (de Keur), onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van € 25.000,00. Na de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Camperlandpolder is een sloot gegraven langs de Bosdijk te Kamperland. In de sloot wordt het teveel aan water uit de RWZI na het zuiveringsproces geloosd (het effluent). Deze effluentsloot ligt naast de RWZI en naast een perceel van de maatschap. Bij een (dreigend) watertekort binnen een bepaald gebied is de zogenoemde "verdringingsreeks" van toepassing (artikel 2.9 van de Waterwet in samenhang met artikel 2.1 van het Waterbesluit), die een rangorde geeft voor de verdeling over maatschappelijke en ecologische behoeften van de hoeveelheid water bij waterschaarste.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:917
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Waterschapszaken
  • Waterwet
  • uitspraakin de zaak202306667/1/R1

202400954/1/R2

Bij besluit van 12 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met het geldende bestemmingsplan gebruiken van de achtertuin van het perceel aan de Van Goorstraat 16 in Breda als terras bij Café de Cnaupe. Bij besluit van 4 mei 2023 heeft het college het besluit van 12 september 2022 herroepen voor zover daarin staat dat het terrasmeubilair moet worden verwijderd. Het college heeft de last zo gewijzigd, dat daaraan kan worden voldaan door het tuinmeubilair niet te gebruiken ten behoeve van horeca-activiteiten door bezoekers toegang tot het terras te ontzeggen. [persoon B] woonde aan de [locatie], maar is inmiddels verhuisd. Zijn achtertuin grensde aan de achtertuin van Gastropub Saus. [persoon B] had op 30 maart 2022 een handhavingsverzoek ingediend vanwege geluidsoverlast door het gebruik van de achtertuin als terras bij het café.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:928
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202400954/1/R2

202401288/1/R2

Bij besluit van 25 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel aan BHE Landbouwwerktuigen & Tuin en Park B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gedurende twee jaar verplaatsen van een werkplaats en gedurende tien jaar gedeeltelijk gebruiken van een loods voor detailhandel aan de Schijndelsedijk 14a in Boxtel. BHE heeft - voor zover in hoger beroep nog van belang - een legaliserende omgevingsvergunning aangevraagd voor het in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening Schijndelsedijk 14a Boxtel" (hierna: het bestemmingsplan) gedurende tien jaar gedeeltelijk gebruiken van een loods voor ondersteunende detailhandel. Deze activiteiten van BHE zijn in strijd met het bestemmingsplan. Op de plaats met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikt" vindt namelijk in strijd met het bestemmingsplan de ondersteunende detailhandel plaats. Daar verkoopt BHE tuingereedschap en parkmachines.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:907
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202401288/1/R2

202401445/1/R2

Bij besluit van 26 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 20.000,00, omdat niet is voldaan aan de last onder dwangsom, opgelegd bij besluit van 10 september 2020 en gewijzigd bij besluiten van 17 december 2020 en 1 april 2021. [appellanten] zijn eigenaar van een recreatiewoning aan de Wildertstraat 33-[…] op het "Eldorado Park" in Chaam. Op dit park is de beheersverordening "Recreatieterreinen Alphen-Chaam" van toepassing. Op grond van artikel 11 (Recreatieterrein Wildertstraat 33), vijfde lid, aanhef en onder b, geldt voor het gebruik van gronden en bouwwerken dat het permanent bewonen of laten bewonen van recreatieve nachtverblijven niet is toegestaan. Op grond van artikel 1 (Begripsbepalingen) wordt onder "permanente bewoning" verstaan het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als hoofdverblijf. Op 10 september 2020 heeft het college aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van de betrokken recreatiewoning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:912
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401445/1/R2

202401788/1/R3

Bij besluit van 24 augustus 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de buitenruimte op het perceel [locatie 1] in Zwartewaal. [appellant] is eigenaar van de woning met grond en opstallen op het perceel en exploiteert daar het [paardenbedrijf] [partij A] en [partij B] wonen op het perceel [locatie 2] in Zwartewaal, bijna direct grenzend aan het perceel van [appellant]. Naar aanleiding van hun verzoek om handhaving van 8 februari 2021, heeft het college een last onder dwangsom opgelegd voor 12 overtredingen. Naar aanleiding van de handhavingsprocedure heeft [appellant] op 30 september 2021 een aanvraag voor een omgevingsvergunning (met ruimtelijke onderbouwing) ingediend. Deze vergunningaanvraag is nadien nog gewijzigd en [appellant] heeft op 28 januari 2022 een nieuwe vergunningaanvraag (met ruimtelijke onderbouwing) ingediend. Bij besluit van 15 december 2022 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:783
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401788/1/R3

202401931/1/R3

Bij besluit van 15 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de buitenruimte op zijn perceel [locatie 1] in Zwartewaal. [appellant] en [partij] wonen op het perceel [locatie 2] in Zwartewaal, bijna direct grenzend aan het perceel van [vergunninghouder]. Op 8 februari 2021 hebben zij een verzoek om handhaving ingediend ten aanzien van onder meer de buitenruimte op het perceel van [vergunninghouder]. Dit verzoek is ingewilligd en er is een last onder dwangsom opgelegd. [appellant] is tegen de verlening van de omgevingsvergunning opgekomen, omdat hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er ook met de vergunning sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden. [appellant] is het niet eens met die uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:784
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401931/1/R3

202402125/1/A2

Bij besluit van 8 juni 2020 heeft het college aan [vergunninghouder] ([vergunninghouder]) een vergunning verleend voor kamerbewoning door studenten voor maximaal negen personen op het adres [locatie A] in Rotterdam (de woning). [vergunninghouder] is eigenaresse van de woning en heeft op 25 mei 2020 een vergunning aangevraagd voor kamerbewoning door studenten voor maximaal negen personen in de woning. Het college heeft deze vergunning verleend. [wederpartijen] wonen op het adres [locatie B]. Zij zijn het niet eens met de vergunningverlening. [vergunninghouder] is eigenaresse van de woning en heeft op 25 mei 2020 een vergunning aangevraagd voor kamerbewoning door studenten voor maximaal negen personen in de woning. Het college heeft deze vergunning verleend. [wederpartijen] wonen op het adres [locatie B]. Zij zijn het niet eens met de vergunningverlening. In geschil is of is voldaan aan de voorwaarde die is gesteld in artikel 3.2.5, aanhef en onder b, van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2019, zoals die gold ten tijde van het besluit van 8 juni 2020 (de Verordening) dat de kamerbewoning een positieve invloed op het woon- en leefmilieu zal hebben.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:909
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202402125/1/A2

202402126/1/R1

Bij besluit van 30 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan 1 De Draai 2023" vastgesteld. Het uitwerkingsplan heeft betrekking op een te ontwikkelen nieuwbouwplan op gronden globaal gelegen achter de Beukenlaan 17 in Heerhugowaard. Het uitwerkingsplan is gebaseerd op de bestemming "Wonen - Uit te werken" van het bestemmingsplan "De Draai 2019", dat de raad van de toenmalige gemeente Heerhugowaard op 17 december 2019 heeft vastgesteld. Volgens de plantoelichting van het uitwerkingsplan is een uitwerking op deze gronden noodzakelijk om de gewenste stedenbouwkundige invulling van het deelgebied van De Draai, waar deze gronden deel van uitmaken, af te ronden. [appellanten] zijn beiden eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, sectie P, nr. 2455. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 3.495 m². [appellanten] kunnen zich niet verenigen met de aan hun perceel toegekende bestemmingen, omdat zij vrezen hiervan negatieve financiële gevolgen te ondervinden. Zij hebben daarom beroep tegen het uitwerkingsplan ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:919
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202402126/1/R1

202403453/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de bezwaren ongegrond verklaard die waren ingediend tegen het bestemmingsplan ‘Westergouwe WG-III.B’ van de gemeente Gouda. Dit plan maakt 458 woningen mogelijk en maakt deel uit van het grotere woningbouwproject Westergouwe voor een nieuwbouwwijk van in totaal 4.400 woningen in Gouda. Tegen het bestemmingsplan is de eigenaar van een agrarisch perceel naast het geplande woningbouwgebied in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Op die percelen wordt een melkveehouderij met een zorgboerderij geëxploiteerd. De exploitant kwam ook tegen het bestemmingsplan in beroep. Ze vrezen onder meer belemmeringen voor het bedrijf als gevolg van woningbouw in de buurt. Ook vinden ze de verkeersafwikkeling in het plan niet goed, wat gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van de veehouderij en zorgboerderij. Maar naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak zijn deze bezwaren dus ongegrond, waardoor het bestemmingsplan nu definitief is geworden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:923
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202403453/1/R3

202403555/1/R2

Bij besluit van 6 september 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan maatschap De Peelhoeve vleesvarkenshouderij (De Peelhoeve) een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het wijzigen en uitbreiden van de varkenshouderij aan de Peelweg 30 in Odiliapeel. De Peelhoeve exploiteert een varkenshouderij met 3.920 vleesvarkens. De Peelhoeve wil haar bedrijf uitbreiden en heeft daarvoor een natuurvergunning aangevraagd. De uitbreiding heeft betrekking op een nieuwe stal 4 met 3.564 vleesvarkens, met een gecombineerd luchtwassysteem met 85% ammoniakemissiereductie, het houden van 13 zoogkoeien ouder dan 2 jaar in stal 3 en het houden van 13 stuks vrouwelijk jongvee in stal 3. De uitbreiding van het bedrijf leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De Peelhoeve heeft bij de aanvraag te kennen gegeven dat deze toename wordt gemitigeerd door het toepassen van extern salderen. Daarvoor is de natuurvergunning van 28 maart 2017 van het bedrijf aan de Udensedijk 32 in Mill gedeeltelijk ingetrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:921
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202403555/1/R2

202403830/1/A3

Bij besluit van 30 maart 2022 heeft de minister van Financiën het verzoek van [verzoeker] op grond van de artikelen 16 en 17 van de Algemene verordening gegevensbescherming om rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening afgewezen. Bij brief van 4 februari 2022 heeft [verzoeker] verzocht om, voor zover in hoger beroep van belang, rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij het besluit van 30 maart 2022 heeft de minister dit verzoek afgewezen. De minister heeft het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7865, geoordeeld dat de minister wissing van de persoonsgegevens niet heeft mogen weigeren. Volgens de rechtbank valt wat de minister ten grondslag heeft gelegd aan zijn weigering niet onder een van de uitzonderingsgronden van artikel 17, derde lid, van de AVG.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:908
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202403830/1/A3

202403847/2/R1

Bij tussenuitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1818, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) opgedragen om binnen acht weken na verzending van die tussenuitspraak het daarin omgeschreven gebrek in het besluit van het college van 9 mei 2024 (lees: 8 mei 2024) te herstellen en een nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen richt zich tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laanweg 55-57 Schoorl" en het besluit van het college van 8 mei 2024 tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen en bergingen op het adres Laanweg 55a tot en met 55n in Schoorl. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:913
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bouwen
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202403847/2/R1

202404470/1/R4

Bij besluit van 28 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Rheden het bestemmingsplan "Rheden, locatie Groenestraat-Oranjeweg (uitbreiding supermarkt)" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Het bestemmingsplan maakt mogelijk dat de Albert Heijn supermarkt aan de Groenestraat 78 in Rheden kan uitbreiden van 900 m2 naar 1.400 m2 winkelvloeroppervlak. Becedo is de initiatiefnemer en ook de franchisenemer van de supermarkt. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1] tot en met [locatie 2]. Hun achtertuinen grenzen aan het plangebied. Zij vrezen voor nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat en voor de verkeersveiligheid. [appellant] en anderen betogen dat de raad zich bij het vaststellen van het bestemmingsplan niet had mogen baseren op het bezonningsonderzoek van Arlan Architecten B.V. van november 2023.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:910
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202404470/1/R4

202404570/1/R3

Bij besluit van 23 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle, nu Voorne aan Zee de aanvraag van GeoMEC om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een collectieve energievoorziening door middel van biomassa buiten behandeling gesteld. GeoMEC heeft de omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een biomassa-installatie aan de Tuindersweg 10 in Vierpolders. GeoMEC betoogt dat de uitspraak van de rechtbank is gebaseerd op een onjuiste veronderstelling. De rechtbank heeft in haar uitspraak opgenomen: "tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet alle door het college verzochte aanvullende gegevens heeft aangeleverd". Volgens GeoMEC blijkt uit wat door haar is aangevoerd bij de rechtbank dat dit wel in geschil was.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:926
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404570/1/R3

202405247/1/A3

Bij besluit van 8 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een bewonersparkeervergunning afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 1] in Amsterdam. Hij heeft bij het college een bewonersparkeervergunning aangevraagd. Die aanvraag heeft het college op grond van artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 afgewezen. Het college geeft daarvoor als reden dat [appellant] in deelvergunninggebied "Nieuw-West-6f" woont en in dit gebied is het vergunningenplafond op nul gesteld. [appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft [appellant] daartegen beroep ingesteld. Volgens [appellant] is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat het college aan de bewoners van [locatie 2, 3 en 4] wel bewonersparkeervergunningen heeft verleend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:920
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202405247/1/A3

202405598/1/V6

Bij besluit van 6 februari 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het verzoek van [appellant] om terug te komen van het besluit van 24 december 2019, waarin de minister [appellant] een boete heeft opgelegd en bepaald heeft dat zij de lening die zij heeft afgesloten, moet terugbetalen, afgewezen. Bij brief van 26 februari 2016 heeft de staatssecretaris [appellant] laten weten dat zij inburgeringsplichtig is. Haar inburgeringstermijn is op 1 maart 2016 gestart en zij moest, nadat de staatssecretaris deze termijn had verlengd, voor 26 oktober 2019 aan haar inburgeringsplicht voldoen. Dit is niet gebeurd. Omdat [appellant] niet op tijd was ingeburgerd, heeft de staatssecretaris haar in het besluit van 24 december 2019 een boete opgelegd van € 1.250,00 en bepaald dat zij de lening die zij had afgesloten, volledig moet terugbetalen. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die maken dat de staatssecretaris moet terugkomen van het besluit van 24 december 2019.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:925
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202405598/1/V6
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202405598/1/V6

202407666/1/A2

Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn schuld bij de ING Bank afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen. [appellant] heeft in 2008 een hypothecaire lening bij Postbank N.V. afgesloten voor de aankoop van een woning. De woning heeft hij in 2016 verkocht. Na verkoop van de woning is een schuld bij de ING Bank overgebleven. [appellant] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om overname van een restschuld op de hypotheek van € 31.186,76 bij de ING Bank. Deze schuld is overgenomen. Daarnaast heeft hij verzocht om overname van een schuld van € 5.706,53, zijnde een schuld uit een door [appellant] bij de ING Bank afgesloten voordeelkrediet. Deze schuld is niet door de Belastingdienst/Toeslagen overgenomen. In geschil is of de minister de schuld van € 5.706,53 moet overnemen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:916
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202407666/1/A2

202500036/1/A2

Bij besluit van 9 april 2024 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering van € 1.000,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het schadefonds) toegekend. [appellante] heeft op 9 februari 2024 een aanvraag gedaan om een uitkering uit het schadefonds. In haar aanvraag heeft zij vermeld dat zij in 2023 en januari 2024 slachtoffer is geworden van huiselijk geweld dan wel ernstige mishandeling. De CSG heeft bij het besluit van 9 april 2024, zoals gehandhaafd bij het besluit van 3 juni 2024, aan [appellante] een uitkering van € 1.000,00, behorend bij letselcategorie 1, toegekend. Volgens de CSG zou [appellante] op grond van het beleid niet in aanmerking komen voor een uitkering, omdat zij als gevolg van het misdrijf waarvan zij slachtoffer werd geen ernstig lichamelijk en psychisch letsel opliep. De CSG heeft aan [appellante] toch een uitkering uit het schadefonds toegekend, omdat de verdachte een levensbedreigende handeling bij [appellante] heeft uitgevoerd terwijl zij zich in een kwetsbare situatie bevond. De verdachte heeft [appellante] bij haar kraag gepakt en in haar woning geduwd en gehouden, terwijl [appellante] buiten bewustzijn raakte.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:898
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500036/1/A2

202500373/1/A3

Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de burgemeester van Amersfoort aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 1.360,00 opgelegd wegens overtreding van de Alcoholwet. [appellante] is eigenaar van [jongerencafé] aan de [locatie 1] in Amersfoort. In dat café worden zowel alcoholhoudende als niet-alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken. Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de burgemeester aan [appellante] een boete van € 1.360,00 opgelegd omdat [appellante] in strijd met artikel 20, eerste lid, van de Alcoholwet, alcoholhoudende drank heeft verstrekt aan bezoekers van wie niet is vastgesteld dat zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Als onderbouwing heeft de burgemeester een proces-verbaal van inspectie en een proces-verbaal van gehoor, beide gedateerd op 21 juni 2023, aan dat besluit ten grondslag gelegd. In het proces-verbaal van bevindingen staat dat in [jongerencafé] op 21 juni 2023 omstreeks 0:07 uur een controle heeft plaatsgevonden, waarbij gebruik is gemaakt van twee mystery guests die niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Verder volgt uit dat proces-verbaal dat de toezichthouders hebben waargenomen dat er aan de deur geen controle werd uitgevoerd naar hun leeftijd, dat de twee mystery guests aan de bar een cola en een wijn hebben besteld en dat hun leeftijd daarbij niet is gecontroleerd. De mystery guests hebben tegenover de toezichthouders verklaard dat hen niet is gevraagd naar hun leeftijd en ook niet naar hun identiteitsbewijzen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:924
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202500373/1/A3

202500584/1/V6

Bij besluit van 29 november 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verzoek van [appellante] om restitutie van het betaalde examengeld afgewezen en geweigerd [appellante] een gratis examen aan te bieden. [appellante] heeft zich aangemeld voor het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij op 27 oktober 2023. Dit examen is onderdeel van haar inburgeringstraject. Op 24 oktober 2023 heeft [appellante] zich afgemeld voor het examen, omdat haar partner in contact was gekomen met een persoon met gordelroos, zij zelf zwanger was en er hierdoor in hun gezin veel stress was ontstaan. Op 27 november 2023 heeft [appellante] de staatssecretaris verzocht om restitutie van het door haar betaalde examengeld. [appellante] voert in hoger beroep aan dat de staatssecretaris haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een gratis examen aan te vragen. Zij was hierdoor niet in staat om op tijd een verzoek in te dienen, omdat zij niet wist dat het een mogelijkheid was. [appellante] vindt dat de staatssecretaris haar daarom alsnog een gratis examen moet toekennen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:902
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202500584/1/V6

202500872/1/A2

Bij besluiten van 24 januari 2023 en 17 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn schulden afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen. [appellant] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om overname van vijf schulden bij verschillende schuldeisers van in totaal € 33.705,00. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schulden, waarvan [appellant] om overname verzoekt, niet voldoen aan de eisen voor overname, gesteld in artikel 4.1 van de Wht. Van een deel van de schulden is niet gebleken dat er opeisbare betalingsachterstanden waren in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juni 2021.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:922
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202500872/1/A2

202501071/1/A2

Bij afzonderlijke besluiten van 10 maart 2022 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellanten] beëindigd. Bij besluit van 7 juli 2020 en 14 juli 2020 heeft het college [appellanten] op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) toegelaten tot de schuldhulpverlening. Niet alle schuldeisers wilden meewerken aan dit traject. Daarom hebben [appellanten] de rechtbank Den Haag in februari 2021 verzocht om de schuldeisers op grond van artikel 287a van de Faillissementswet te bevelen om in te stemmen met de schuldregeling (het dwangakkoord). De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid gebruik kon maken van de bevoegdheid om de schuldhulpverlening aan [appellanten] te beëindigen. [appellanten] hebben immers niet alle medewerking verleend die redelijkerwijs nodig was in het kader van de schuldhulpverlening.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:904
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501071/1/A2

202501864/1/A2

Bij besluit van 29 augustus 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] tot overname van haar schuld bij ABN AMRO afgewezen. [appellante] is erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft verzocht om overname van haar private schuld bij ABN AMRO van € 18.086,00, thans overgenomen door incassobureau Flanderijn. Het is een doorlopend krediet dat zij in 2009 is aangegaan. De minister heeft geconstateerd dat de schuld bij ABN AMRO een flexibel krediet is. Zo’n schuld wordt ingevolge artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht niet overgenomen, tenzij de hoofdsom vanwege betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ook worden de betalingsachterstanden van vóór 1 juni 2021 overgenomen. De minister heeft € 510,00 van de schuld overgenomen. Dit deel van de vordering was vóór 1 juni 2021 opeisbaar. Voor het overige deel van de schuld, een bedrag van € 17.575,00, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat dit niet voor die datum opeisbaar was.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:918
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501864/1/A2

202501940/1/A2

Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de Sociale Banken Nederland namens de Dienst Toeslagen geweigerd een afgeloste private schuld van [appellante] te compenseren. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister gevraagd om een schuld ter hoogte van € 1.583,62 over te nemen die voortkomt uit twee leningen die zij in het verleden is aangegaan bij haar voormalig werkgever. De minister heeft geweigerd om de schuld van € 1.583,62 over te nemen, omdat dit een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, overwogen dat de overgelegde akte van de geldlening, het addendum bij de akte van de geldlening, en de verklaring van de voormalige werkgever niet vergelijkbaar zijn met de vastlegging van een geldlening in een notariële akte. Niet blijkt hieruit bijvoorbeeld welke afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de aflossingen en wanneer de schuld opeisbaar is geworden. [appellante] heeft dan ook onvoldoende zekerheid verschaft over het bestaan van en de afbetaling van de informele schuld aan haar voormalige werkgever.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:905
Datum uitspraak
18 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501940/1/A2
vorige pagina1...456...1.235volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon