Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202502130/1/A2

Uitspraak 202502130/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1803
Datum uitspraak
1 april 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] heeft op 16 augustus 2022 een urgentieverklaring op grond van sociale omstandigheden aangevraagd. Na zijn scheiding is de echtelijke woning aan zijn ex-echtgenote toegewezen. Aan de aanvraag heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat hij wil dat de twee oudste kinderen, geboren [geboortedatum] 2005 en [geboortedatum] 2010, bij hem kunnen wonen. Volgens [appellant] is het verblijf bij hun moeder zeer problematisch en onhoudbaar. Het college heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat [appellant] geen procesbelang meer heeft en dat zijn hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [appellant] woont sinds 13 oktober 2025 in een zelfstandige sociale huurwoning aan de [locatie] in Amsterdam en staat op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie personen.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202502130/1/A2.
Datum uitspraak: 1 april 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2025 in zaak nr. 24/1799 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Gebuijs, advocaat in Amsterdam, beiden aanwezig via een videoverbinding, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft op 16 augustus 2022 een urgentieverklaring op grond van sociale omstandigheden aangevraagd. Na zijn scheiding is de echtelijke woning aan zijn ex-echtgenote toegewezen. Aan de aanvraag heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat hij wil dat de twee oudste kinderen, geboren [geboortedatum] 2005 en [geboortedatum] 2010, bij hem kunnen wonen. Volgens [appellant] is het verblijf bij hun moeder zeer problematisch en onhoudbaar.

Procesbelang

2.       Het college heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat [appellant] geen procesbelang meer heeft en dat zijn hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [appellant] woont sinds 13 oktober 2025 in een zelfstandige sociale huurwoning aan de [locatie] in Amsterdam en staat op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie personen. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.

3.       Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] geen procesbelang meer bij zijn hoger beroep. Hij heeft op de zitting naar voren gebracht dat de woning een flexwoning is en dat in het huurcontract niet expliciet staat dat de huur voor bepaalde of onbepaalde tijd is, maar wel dat de huurder ermee bekend is dat de huur is gekoppeld aan een tijdelijke omgevingsvergunning. Daaruit leidt de Afdeling af dat sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een clausule. Dat het gebruik van de flexwoning afhankelijk is van de verleende omgevingsvergunning en dat [appellant] als de flexwoning na afloop van de bij die vergunning gestelde termijn de woning mogelijk zal moeten verlaten en een nieuwe woning zal moeten zoeken, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat nu of op kortere termijn sprake is van een actueel huisvestingsprobleem. Daarbij betrekt de Afdeling dat de flexwoning recent is geplaatst als onderdeel van een groter tijdelijk wooncomplex. Verder heeft [appellant] op de zitting naar voren gebracht dat inmiddels duidelijk is geworden dat hij op dit adres zijn minderjarige zoon kan laten inschrijven en dat hij huurtoeslag ontvangt. Het college heeft toegelicht dat bij het verlenen van een urgentieverklaring een meerderjarig kind niet meetelt. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] bereikt wat hij met het instellen van het hoger beroep kon bewerkstelligen, namelijk het verkrijgen van een woonruimte waar hij met zijn minderjarige zoon kan wonen.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026

154-1189


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon