Uitspraak BRS.26.001283 en BRS.26.001284
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1868
- Datum uitspraak
- 3 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001283 en BRS.26.001284
ECLI:NL:RVS:2026:1868
Datum uitspraak: 3 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de persoon, zich noemende en [appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 maart 2026 in zaak nr. NL26.197 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026
915-1163