Uitspraak BRS.26.001532
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1850
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001532
ECLI:NL:RVS:2026:1850
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 maart 2026 in zaak nr. NL25.48297 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, en het beroep gegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering, en het besluit in zoverre vernietigd. Ook heeft de rechtbank de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op zijn hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2. Gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
981