Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.916
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202205284/1/R3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem een omgevingsvergunning verleend aan Hotel Doetinchem-Achterhoek Beheer B.V. voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. Het college heeft een vergunning verleend voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie] in Doetinchem op ongeveer 70 m van de grens van het projectgebied en op ongeveer 125 m van het te bouwen hotel. De vergunning ziet op de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het aanleggen van een uitweg. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de gronden daarin een agrarische bestemming hebben waarop horeca niet is toegestaan. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college een vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 3, van de Wabo en voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202205284/1/R3

202205285/1/R3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem een omgevingsvergunning verleend aan Hotel Doetinchem-Achterhoek Beheer B.V. voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. Het college heeft een vergunning verleend voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. [appellant] woont aan de [locatie 1] in Doetinchem op ongeveer 165 m van de grens van het projectgebied. De vergunning ziet op de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het aanleggen van een uitweg. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de gronden daarin een agrarische bestemming hebben waarop horeca niet is toegestaan. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college een vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 3, van de Wabo en voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de uitgevoerde akoestische onderzoeken voldoende is onderbouwd dat ter plaatse van zijn woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202205285/1/R3

202205286/1/R3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 3 februari 2021 heeft de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem een omgevingsvergunning verleend aan Hotel Doetinchem-Achterhoek Beheer B.V. voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. Het college heeft een vergunning verleend voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie] in Doetinchem op ongeveer 100 m van het te bouwen hotel en op ongeveer 60 m van de toegang. De vergunning ziet op de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het aanleggen van een uitweg. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de gronden daarin een agrarische bestemming hebben waarop horeca niet was toegestaan. Om het bouwplan mogelijk te maken heeft het college een vergunning verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid en voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202205286/1/R3

202205287/1/R3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem een omgevingsvergunning verleend aan Hotel Doetinchem-Achterhoek Beheer B.V. voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. Het college heeft een vergunning verleend voor het bouwen van een hotel op de hoek van de Kilderseweg/Europaweg in Doetinchem en het maken van een uitweg. [appellant] woont aan de [locatie] in Doetinchem op ongeveer 200 m afstand van de grens van het projectgebied. De vergunning ziet op de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het aanleggen van een uitweg. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de gronden daarin een agrarische bestemming hebben waarop horeca niet is toegestaan. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college een vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 3, van de Wabo en voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202205287/1/R3

202302533/1/R4(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan [appellante] twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). [appellante] exploiteert een landbouwbedrijf aan de [locatie] in Dirksland. Aannemingsbedrijf [naam bedrijf] voerde eind 2019 wegwerkzaamheden uit aan het tracé van de provinciale weg N215 tussen Dirksland en Melissant. [bedrijf] gebruikte het landbouwperceel - met toestemming van [appellante] - om vrijgekomen materialen van de wegwerkzaamheden op te slaan. Naar aanleiding van een klacht constateerden toezichthouders van de gemeente dat op het landbouwperceel asfaltschollen en funderingsmateriaal waren opgeslagen. Volgens het verslag van de toezichthouders gaat het om meer dan 45.000 m3 aan bouw- en sloopafval, terwijl [appellante] niet beschikt over de vereiste vergunning om dit te mogen opslaan op haar landbouwperceel.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

202304851/1/R1(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Hoorn het bestemmingsplan "De Vrijheid" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met 133 woningen en 153 parkeerplaatsen, waarvan 108 in een parkeergarage en 45 in de openbare ruimte op maaiveld. De nieuwbouw heeft diverse maximale bouwhoogten, variërend van 11 m tot 26 m, met een binnentuin. Het plangebied omvat de percelen Holenweg 6, 8 en 10 in Hoorn. Ten noorden van het plangebied ligt het spoor Hoorn-Enkhuizen en ten oosten een transformatorstation. Ten zuiden van het plangebied ligt de Henk Saaltinkstraat en de nieuwbouwwoonwijk Holenkwartier. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Holenweg. De Stichting richt zich volgens haar statuten op het bevorderen van de leefkwaliteit in Hoorn, onder meer in de wijken Venenlaankwartier en Holenkwartier. [appellant A] is eigenaar van een nieuwbouwappartement aan de [locatie 1] in Hoorn, ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tussen zijn woning en het plangebied is ongeveer 60 m. [appellant B] woont aan de [locatie 2] in Hoorn, ten westen van het plangebied. De afstand tussen zijn perceel en het plangebied is ongeveer 15 m. De afstand tussen zijn perceel en de nieuwbouw is ongeveer 40 m.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202304851/1/R1

202400856/1/R2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Sint-Michielsgestel aan [wederpartij] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van twee inritten voor de aanleg en het beheer van "Landgoed Theede" aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Sint-Michielsgestel. [wederpartij] woont op "Landgoed Theede" aan de [locatie 2] en wil twee inritten aanleggen voor zijn perceel en het perceel van zijn buurman over twee al bestaande duikers met dammen in de naastgelegen watergang. [appellant] is een omwonende en hij is het er niet mee eens dat [wederpartij] deze inritten wil aanleggen, omdat hij vreest voor de ruimtelijke uitstraling daarvan. Volgens hem is het gebruik van de gronden ter plaatse voor twee afzonderlijke inritten in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e actualisatie". Ook het college is tot die conclusie gekomen in zijn besluit op bezwaar. Zij willen dat er één gezamenlijke inrit wordt aangelegd.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • RO - Noord-Brabant
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202400856/1/R2

202402731/1/R4(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 29 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Wijchen het bestemmingsplan "Hoogeerdstraat naast 18 en 20" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van twee woningen mogelijk op het perceel tussen de [locatie 1] en [locatie 2] in Niftrik. Het perceel krijgt de bestemming "Wonen - 1" met binnen het bouwvlak de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - levensloopbestendige woningen". Aan de zijde van het plangebied dat aan de Hoogeerdstraat is gelegen, is het de bedoeling dat per woning drie parkeerplaatsen worden aangelegd. Het deel van het plangebied dat achter de voorziene woningen is gelegen, wordt op natuurlijke wijze ontwikkeld via een voorwaardelijk verplicht gesteld landschappelijk inrichtingsplan. Daarbij wordt voorzien in de ontwikkeling van een wadi met natuurvriendelijke oevers en rietkragen en een kruidenrijke zone van ongeveer 800 m2 met bosplanten, wilde bloemen en lage struiken langs de perceelgrenzen. Naast het perceel wonen aan de ene zijde [persoon B] en [persoon C] op [locatie 1] en aan de andere zijde van het perceel wonen [appellant B] en [persoon C] op nummer [locatie 2]. Aan de overzijde van het perceel wonen [persoon D] en [appellant C] op [locatie 3]. De woning van [appellant A] en [persoon E] is gelegen op [locatie 4]. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door de voorziene woningen. Daarnaast is MHS Machinery schuin tegenover het perceel gevestigd op Hoogeerdstraat 15. Dit bedrijf repareert en verhuurt pompinstallaties en compressoren. MHS Machinery vreest dat zij als gevolg van de voorziene woningen wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland

202402952/1/A3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 4 november 2022 heeft de bewaarder het verzoek van [appellant] om herstel van een bijwerking in de basisregistratie kadaster afgewezen. [appellant] heeft op 25 oktober 2022 aan de bewaarder verzocht om herstel van een bijwerking in de basisregistratie kadaster omdat hij van mening is dat hij eigenaar is van het doorgangspad tussen de Wildhage en de Dr. Hein Hoebenlaan in Breda en de grenzen in de basisregistratie kadaster onjuist zijn weergegeven. De bewaarder heeft naar aanleiding van dit verzoek gecontroleerd of de grenzen van de betrokken percelen overeenkomen met de grenzen zoals deze in de brondocumenten zijn vastgelegd. Uit deze brondocumenten, bestaande uit de relazen van bevindingen, volgt dat de grenzen correct zijn overgenomen op de kadastrale kaart. Hierop is het verzoek afgewezen omdat geen sprake is van een kennelijke misslag zoals bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie

202403439/1/R1(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 25 april 2024 heeft de raad van de gemeente Castricum het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren en Wonen" vastgesteld. Het parapluplan beoogt onder andere te voorzien in een nieuwe parkeerregeling voor het gehele grondgebied van de gemeente Castricum Aanleiding hiervoor is volgens de plantoelichting dat in het voorgaande parapluplan "Standplaatsen, terrassen en parkeren" niet is geregeld dat bij een wijziging van het bestaande gebruik in voldoende parkeerbehoefte moet worden voorzien. Met de vaststelling van het voorliggende parapluplan wordt hierin wel voorzien en is de parkeerregeling aangevuld. Het parapluplan voorziet daarnaast in een regeling voor laden en lossen. Tot slot voorziet het parapluplan in definitiebepalingen voor de begrippen "wonen" en "huishouden". Symbion is eigenaresse van het winkelcentrum aan het Bakkerspleintje in Castricum en van meerdere (winkel)panden in het centrum van Castricum, waaronder het pand aan de Dorpsstraat 62. Symbion heeft beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het parapluplan omdat zij zich niet kan verenigen met de in de planregels opgenomen bouw- en gebruiksregels voor laden en lossen en de gebruiksregels voor parkeren. Zij vreest dat deze regels haar bouw- en gebruiksmogelijkheden voor haar winkelpanden verregaand beperken.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Holland
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202403439/1/R1

202403616/4/R4(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2068, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Harderwijk opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stadsweiden - Randmeer" te herstellen. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk het woonzorgcentrum Randmeer en de appartementsgebouwen daaromheen in Harderwijk te herontwikkelen. Beoogd is de sloop van 101 wooneenheden en de realisatie van twee appartementsgebouwen met in totaal 156 wooneenheden. Verder wordt het appartementsgebouw aan de zuidwestzijde van het plangebied met 40 wooneenheden gerenoveerd. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld. De reden hiervoor is dat de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte ervan is uitgegaan dat 91 van de woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt aanleunwoningen zullen zijn. [appellante] betoogt dat de definitie van het begrip ‘aanleunwoning’ in de planregels rechtsonzeker is. [appellante] betoogt vervolgens dat de raad de parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld, omdat de gehanteerde parkeernormen onvoldoende zijn gemotiveerd.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202403616/4/R4

202405484/1/R2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 13 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "[locatie 1] Someren" vastgesteld. Op de [locatie 1] in Someren staat een woning die een recreatieve bestemming had. Deze woning is van [partijen]. Alleen gebruiken zij de woning niet recreatief, maar bewonen deze permanent. Met het bestemmingsplan "[locatie 1] Someren" wil de raad deze permanente bewoning mogelijk maken. Dit doet de raad door een woonbestemming aan de locatie toe te kennen met toepassing van de Ruimte-voor-ruimteregeling. [appellant] woont naast het plangebied en is het niet eens met de woonbestemming, omdat dit zijn woongenot aantast en volgens hem in strijd is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV).

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant

202406424/1/R1(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 22 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf geweigerd aan [appellant A] een omgevingsvergunning te verlenen voor de verbouwing van de woning en de bouw van een aantal bouwwerken, waaronder een technische ruimte/berging, in en om die woning op het perceel [locatie] in Landgraaf. [appellant A] en [appellant B] zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning op het perceel [locatie] in Landgraaf. Op 1 april 2020 heeft [appellant A] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. De aanvraag is gedaan voor de activiteiten "bouwen" en "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan", onder andere voor de bouw van een technische ruimte/berging. Het college heeft bij besluit van 22 februari 2022 de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geweigerd, omdat de vrees bestaat dat het aangevraagde zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Volgens het college hangt de activiteit bouwen onlosmakelijk samen met de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom ook de aanvraag voor zover het de activiteit strijdig gebruik met het bestemmingsplan betreft geweigerd.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen

202407752/1/A3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 20 december 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de paspoortaanvraag van [appellante] niet in behandeling genomen. [appellante] is geboren op [geboortedatum] 1997 in Turkije. Na haar geboorte heeft haar vader op 2 augustus 1997 het Nederlanderschap verkregen. Daarbij is een voorbehoud gemaakt dat de minderjarige kinderen het Nederlanderschap wordt onthouden en voor hen geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland is toegestaan. Hierdoor is [appellante] niet meegenaturaliseerd. Zij heeft op 6 december 2022 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Istanbul. Die aanvraag heeft de minister niet in behandeling genomen, omdat [appellante] het Nederlanderschap nooit heeft verkregen. Het bezit van het Nederlanderschap is een dwingende voorwaarde om een Nederlands paspoort te krijgen.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Paspoort

202407785/1/R1(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 28 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw voor dak- en thuislozenopvang op de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107 in Amsterdam. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit aan de stichting een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend voor het oprichten van een gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen op de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107 in Amsterdam. Het bedrijf van [appellant A en B] houdt zich op het perceel [locatie] met name bezig met het repareren van scheepsmotoren. [appellant A en B] vreest dat de komst van de dak- en thuislozenopvang leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellant A en B]. Het gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen is namelijk voorzien op korte afstand van zijn bedrijf. Vanwege deze korte afstand, vreest [appellant A en B] dat de dak- en thuislozen in de opvang mogelijk klachten zullen indienen over geluidsoverlast afkomstig van het bedrijf.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202407785/1/R1

202407868/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Op 31 januari 2024 heeft Stichting Parlan het verzoek van [wederpartij] om de kosten voor de buitenschoolse opvang (BSO) te vergoeden, afgewezen. [wederpartij] is een pleegouder die de zorgt voor zijn kleinzoon. De afspraken over pleegzorg in de regio in West-Friesland zijn vastgelegd in de Raamovereenkomst Pleegzorg. Deze is gesloten met de gemeenten in West-Friesland. De gemeente Stede Broec is een van de gemeenten. Deze gemeenten hebben de aanbesteding, ondertekening en uitvoering van de overeenkomst overgedragen aan de gemeente Hoorn. De gemeente Hoorn heeft de uitvoering van de jeugdzorg aanbesteed en voor de periode 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 gegund aan Parlan. Parlan is als jeugdzorgaanbieder werkzaam in de regio Alkmaar en omstreken. In die hoedanigheid sluit zij pleegcontracten met pleegouders, in dit geval met [wederpartij]. [wederpartij] betaalt voor de BSO van zijn pleegkind. Op 16 oktober 2023 heeft hij verzocht om de vergoeding van bijzondere kosten voor de BSO. Parlan heeft op 24 april 2024 aan [wederpartij] medegedeeld dat zij de kosten voor BSO voor de pleegkinderen niet vergoedt. Zij stelt dat de gemeente Stede Broec aansprakelijk is voor de financiële vergoeding voor pleegouders en dat de gemeente de BSO-kosten niet vergoedt vanuit de bijzondere kostenregeling, omdat deze kosten niet binnen de daarvoor gestelde categorieën vallen.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202407868/1/A2

202407876/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Op 29 september 2022 heeft Parlan het verzoek van [wederpartij] om de kosten voor de buitenschoolse opvang (BSO) te vergoeden, afgewezen. [wederpartij] is een pleegouder die de zorgt voor twee pleegkinderen en woont in [woonplaats], [gemeente], die valt onder de regio West-Friesland. De afspraken over pleegzorg in de regio zijn vastgelegd in de Raamovereenkomst Pleegzorg. Deze is gesloten met de gemeenten in West-Friesland. De gemeente [gemeente] is een van de gemeenten. Deze gemeenten hebben de aanbesteding, ondertekening en uitvoering van de overeenkomst overgedragen aan de gemeente Hoorn. De gemeente Hoorn heeft de uitvoering van de jeugdzorg aanbesteed en voor de periode 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 gegund aan Parlan. Parlan is als jeugdzorgaanbieder werkzaam in de regio Alkmaar en omstreken. In die hoedanigheid sluit zij pleegcontracten met pleegouders, in dit geval met [wederpartij].

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202407876/1/A2

202407991/1/R2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 3 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee tegeltableaus in de lege beeldnissen in de voorgevel van het rijksmonument Heilige Engelbewaarderschool aan de Koestraat 41 in Oirschot. Rijksmonument de Heilige Engelbewaardersschool is een wooncomplex met de naam ‘De Oirsprong’. Het is in eigendom van wooncorporatie Wooninc. [partij] heeft het initiatief ‘Kunst in de Koestraat’ opgezet om de twee lege beeldnissen in de voorgevel van het monument van kunst te voorzien. Het college heeft op aanvraag van [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument, zodat twee tegeltableaus in de lege beeldnissen kunnen worden geplaatst. Dat is inmiddels gebeurd. [appellant] is huurder van een appartement in het monument. Volgens [appellant] verzet het belang van monumentenzorg zich tegen de verlening van de vergunning.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202407991/1/R2

202500492/1/R3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland beslist op een verzoek om handhaving van [appellant A] en [appellant B] en dat verzoek deels toe- en deels afgewezen. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1] in Giethoorn. Op korte afstand van hun woning, op en rond het perceel [locatie 2] aan de Dorpsgracht, is al sinds vele jaren een verharde loswal (laad- en losplaats), ook wel aangeduid als betonnen verharding, aanwezig. De loswal wordt gebruikt door inwoners en bedrijven voor overslag van goederen. De goederen worden met voertuigen aan- of afgevoerd en op of van een boot of ponton geladen en vervolgens worden deze over het water vervoerd naar de in de directe omgeving gelegen campings, woningen of bedrijven die slechts beperkt over de weg bereikbaar zijn. Schuin tegenover de loswal, aan de overzijde van de Kerkweg ligt een parkeerterrein. [appellant A] en [appellant B] hebben het college gevraagd om handhavend op te treden tegen, voor zover in hoger beroep van belang, het parkeerterrein en (het gebruik van) de loswal.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen

202501348/1/A3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 28 maart 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [bedrijf] een bestuurlijke boete opgelegd. [bedrijf] exploiteert een onderneming gericht op personenvervoer met touringcars. Een werknemer heeft op 8 maart 2022, terwijl hij stond te wachten op een groep schoolkinderen, contact gezocht met de werkplaats van [bedrijf]. Daarbij werd, op basis van telefonisch overleg, appberichten en foto’s van de binnenzijde van de wielkast van de touringcar, duidelijk dat een stabilisatorstang defect was. De werknemer heeft, nadat de kinderen waren ingestapt geprobeerd om met de bus te rijden. Omdat duidelijk werd dat er niet goed gestuurd kon worden, hebben de begeleiders van de schoolkinderen besloten om zelf vervangend vervoer te regelen. De werknemer is vervolgens uitgestapt en heeft zijn hoofd en bovenlichaam in de wielkast gestoken. Omdat de motor van de touringcar niet was uitgeschakeld en de luchtvering is gaan zakken, is hij bekneld geraakt en overleden als gevolg van het hierdoor opgelopen letsel. Volgens de rechtbank heeft de minister ten onrechte op basis van artikel 7.5, tweede lid, van het Arbobesluit een bestuurlijke boete opgelegd. De touringcar werd namelijk gebruikt op de openbare weg voor het vervoer van personen en is daarom volgens de wetsgeschiedenis een arbeidsplaats en geen arbeidsmiddel. De minister betoogt in hoger beroep dat uit de wetsgeschiedenis wel blijkt dat de wetgever de door de rechtbank aangehaalde opvatting heeft verlaten.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete

202502584/1/R1(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 29 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas een bedrag van € 1.000.000,00 aan dwangsommen ingevorderd bij Oostappen. Oostappen is eigenaar van vakantiepark De Berckt (vakantiepark), gelegen aan de Napoleonsbaan Noord 4 te Baarlo, gemeente Peel en Maas. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Napoleonsbaan Noord 4A te Baarlo". Uit artikel 4.1 van de planregels volgt dat het huisvesten van arbeidsmigranten niet is toegestaan op gronden met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie". Het college heeft bij besluit van 23 juni 2020 Oostappen gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op terreindelen van het vakantiepark waar dat niet is toegestaan, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van € 250.000,00 per week dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 1.000.000,00. In beroep is vast komen te staan dat een bedrag van € 1.000.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. De rechtbank heeft overwogen dat de rechtsvordering tot invordering van de dwangsom niet is verjaard en dat het college mocht invorderen. Oostappen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van het college tot invordering van de dwangsommen niet is verjaard.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202502584/1/R1

202503197/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluiten van 9 december 2022 heeft de burgemeester van Utrecht aanvragen van [appellante] om een exploitatievergunning en een vergunning tot het uitoefenen van een horecabedrijf met terras aan de [locatie 1] en de [locatie 2] in Utrecht, ingewilligd. [appellante] exploiteert een horecabedrijf met een terras aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Utrecht. Bij twee besluiten van 9 december 2022 heeft de burgemeester twee exploitatievergunningen en vergunningen op grond van de Alcoholwet verleend tot en met 30 juni 2031. [appellante] is het oneens met de duur van de vergunningen. Zij wil dat de vergunningen voor onbepaalde tijd worden verleend en heeft bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de burgemeester de bezwaren van [appellante] ongegrond verklaard en zijn besluiten van 9 december 2022 gehandhaafd. De burgemeester heeft het besluit op 27 juli 2023 met gebruik van het programma Zivver beveiligd en digitaal verzonden aan de toenmalige advocaat van [appellante]. [appellante] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij niet kenbaar heeft gemaakt dat zij voldoende bereikbaar is voor de ontvangst van een elektronisch verzonden bericht met gebruik van het programma Zivver.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca

202503681/1/R2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 6 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] medegedeeld dat van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor het bouwen van een trainingsruimte voor paarden aan de [locatie 1] in Liessel. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Liessel tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Weijers is het niet eens met deze vergunning, omdat hij vreest voor geuroverlast door het gebruik van de trainingsruimte voor paarden. Het geschil is beperkt tot de vraag of de trainingsruimte moet worden aangemerkt als dierenverblijf. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de trainingsruimte zodanig wordt gebruikt dat sprake is van een dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Volgens [appellant] is de trainingsruimte voor paarden wel aan te merken als dierenverblijf en is deze binnen de in artikel 3.5.1, onder g, van het wijzigingsplan "[locatie 1], Liessel" gestelde afstand op het bouwvlak voorzien, waardoor de omgevingsvergunning in strijd is met het wijzigingsplan.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen

202503739/1/R1(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 18 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas een dwangsom ter hoogte van € 20.000,00 ingevorderd bij [appellant]. [appellant] woont op het perceel aan de [locatie] te Horst. Hij verricht daarop bedrijfsactiviteiten die mede zien op de handel in en reparatie van voertuigen, en de handel in bulkgoederen en materialen. Het college heeft bij besluit van 28 november 2022 [appellant] onder meer gelast het opslaan van materialen en bulkgoederen waar dat niet is toegestaan, vóór 1 februari 2023 te beëindigen en beëindigd te houden onder aanzegging van een dwangsom van € 20.000,00. Tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt, zodat het besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Op verzoek van [appellant] heeft het college bij besluiten van 24 januari 2023 en 3 maart 2023 de begunstigingstermijn verlengd tot 1 mei 2023. Toezichthouders van de gemeente hebben bij controles op 15 mei 2023, 23 mei 2023, 26 mei 2023 en 15 juni 2023 geconstateerd dat er op het perceel van [appellant] opslag van diverse bulkgoederen en materialen, zoals pallets, stenen, metalen en huisraad, plaats vond.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

202503769/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 7 september 2023 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan [appellant] een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. [appellant] is geboren in India. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG), zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Regeling) in het Nederlands te volgen. [appellant] zou volgens de Regeling in beginsel deze cursus over verantwoord rijgedrag moeten volgen. Omdat hij onvoldoende Nederlands spreekt om die cursus te kunnen volgen, heeft het CBR in plaats daarvan aan hem een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van discriminatie omdat het CBR op grond van de Regeling naar aanleiding van dezelfde gedraging een andere maatregel oplegt als betrokkenen de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet

202504197/1/R2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 17 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende het verwijderen en verwijderd houden van een stacaravan en de opslag van hout in kratten op het perceel aan de [locatie 1] in Rijsbergen. Aan de [locatie 1] in Rijsbergen is een perceel gelegen dat wordt bewoond door [wederpartij]. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatieplan bestemmingsplan Buitengebied Zundert" rust op het perceel de bestemming "Bos". [appellant] is bewoner van het perceel aan de [locatie 2] in Rijsbergen. Hij heeft een handhavingsverzoek gedaan vanwege de volgens hem met het bestemmingsplan strijdige aanwezigheid van een caravan en opslag van hout op het perceel [locatie 1]. Het college heeft op 2 november 2022 geconstateerd dat er een caravan stond op het perceel en dat vrijgekomen hout van de kap van bomen op het perceel werd opgeslagen in kratten en te koop werd aangeboden aan particulieren. Daarom heeft het college [wederpartij] op 17 januari 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanwezig zijn van de caravan en het opslaan van hout in kratten op het perceel.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

202505044/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij beslissing van 9 juli 2025 heeft de examencommissie een tentamen van [appellante] ongeldig verklaard en haar uitgesloten van deelname aan alle tentamens in de periode van 1 september 2025 tot 25 januari 2026. Bij beslissing van 5 september 2025 heeft de voorzitter van het college van beroep voor de examens van Hogeschool Rotterdam een verzoek van [appellante] om een voorlopige voorziening toegewezen en een verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. [appellante] is studente aan de Hogeschool Rotterdam. De examencommissie heeft aan de beslissing van 9 juli 2025 ten grondslag gelegd dat [appellante] fraude heeft gepleegd. De beslissing van de voorzitter van het CBE van 5 september 2025 houdt in dat [appellante] mag deelnemen aan tentamens in de periode van 1 september 2025 tot 25 januari 2026. Deze tentamens worden echter pas beoordeeld als het CBE het administratief beroep gegrond verklaart. Op 16 september 2025 heeft een schikkingsgesprek plaatsgevonden tussen de examencommissie en [appellante]. In dit gesprek hebben zowel de examencommissie, als [appellante] een schikkingsvoorstel gedaan.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken

202505119/1/R2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij uitspraak van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1920, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2020 in zaak nr. 19/47 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. In de uitspraak van 25 augustus 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de caravan, de overkapping, het meterhuisje en de containers op het perceel kadastraal bekend gemeente Sint Odiliënberg, [locatie] dat in mede-eigendom is van [verzoekster]. Er is namelijk sprake van een overtreding, omdat de bouwwerken op dat perceel zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn gebouwd dan wel zonder die omgevingsvergunning in stand worden gehouden. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen aanleiding had moeten zien om af te wijken van het handhavend optreden, omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. In het verzoek stelt [verzoekster] dat zij bekend is geworden met het schriftelijk verslag van een klantencontact uit 2017 waarin door de toezichthouder van de gemeente is genoteerd dat de caravan en de stalling op het perceel mogen en dat dit moet leiden tot herziening van de uitspraak van 25 augustus 2021.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Herziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

202505537/1/A3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 20 september 2023 heeft de burgemeester van Maastricht de woning aan [locatie] in Maastricht per 27 september 2023 voor drie maanden gesloten. [appellant] huurde de woning aan de [locatie] in Maastricht. Op 2 augustus 2023 heeft de politie 62 kilogram heroïne in de schuur bij deze woning aangetroffen. De politie heeft ook een ijzeren pers en verschillende mallen aangetroffen die gebruikt worden voor het persen van blokken heroïne. De burgemeester heeft vervolgens op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet besloten de woning van [appellant] per 27 september 2023 te zullen sluiten voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten. Zij heeft hiertoe overwogen dat er een handelshoeveelheid harddrugs, te weten 62 kilogram heroïne, is aangetroffen in de schuur bij de woning op het adres [locatie] en dat er een zodanige relatie tussen de woning en de schuur bestaat dat die bouwwerken als één geheel moeten worden beschouwd.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs

202505732/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de examencommissie een bindend negatief studieadvies aan [appellante] gegeven. Tegen deze beslissing heeft [appellante] administratief beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzitter van het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [appellante] bevond zich tijdens het studiejaar 2024-2025 in haar eerste studiejaar van de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. De examencommissie heeft aan haar bij de beslissing van 15 augustus 2025 een negatief bindend studieadvies gegeven. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellante] niet de vereiste 60 studiepunten heeft gehaald. Naar aanleiding van het door [appellante] ingestelde administratief beroep heeft de examencommissie met haar een schikkingsgesprek gevoerd. In het schikkingsvoorstel van de examencommissie van 29 september 2025 staat dat de door [appellante] voor het eerst in administratief beroep overgelegde informatie ertoe heeft geleid dat de examencommissie een andere afweging heeft gemaakt. Hoewel zij de beslissing van 15 augustus 2025 als zorgvuldig genomen beschouwt, heeft zij besloten om het bindend studieadvies aan te houden. [appellante] heeft het CBE verzocht de examencommissie te veroordelen in de proceskosten van de voorlopige voorzieningsprocedure.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken

202505886/1/A3(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 8 november 2022 heeft de Waarderingskamer het verzoek van [appellant] op grond van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk toegewezen. [appellant] heeft de Waarderingskamer verzocht om documenten aan hem te verstrekken over de waardevaststelling van het mandelig gebied behorende bij het project De Stadstuin in Amersfoort. De Waarderingskamer is gedeeltelijk aan het verzoek van [appellant] tegemoetgekomen. De Waarderingskamer heeft op verzoek van [appellant] in augustus 2020 navraag gedaan bij de gemeente Amersfoort over De Stadstuin. Deze correspondentie heeft de Waarderingskamer, na anonimisering op grond van artikel 5.1 van de Woo, verstrekt. In de rapporten van onderzoeken die bij de gemeente Amersfoort hebben plaatsgevonden kwam De Stadstuin niet voor. Die onderzoeken vielen volgens de Waarderingskamer daarom buiten het verzoek van [appellant]. Verder heeft de Waarderingskamer de correspondentie van [appellant] met de Waarderingskamer niet verstrekt omdat [appellant] heeft verzocht om inzage in het toezicht van de Waarderingskamer op de gemeente Amersfoort.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

202600001/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij besluit van 29 december 2023 heeft de Dienst Wegverkeer (de RDW) de aanvraag van [appellant] om wijziging van het kentekenregister afgewezen. Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 29 december 2023 gedeeltelijk herroepen en bepaald dat duplicaatcode "1" wel geregistreerd blijft. [appellant] is eigenaar van een Volkswagen Kever met bouwjaar 1975. [appellant] heeft het voertuig in 1981 van Aruba naar Nederland laten overbrengen. In 1984 heeft het voertuig het kenteken […] gekregen. Het voertuig is sindsdien verschillende periodes geschorst geweest. Het voertuig staat sinds 22 april 2011 onafgebroken op naam van [appellant]. De kentekenplaten zijn voorzien van een duplicaatcode. De kentekenplaten van het voertuig waren op 1 juni 2016 voorzien van duplicaatcode "2"; er was een "2" op de kentekenplaten aangebracht. Sinds het besluit van 17 juni 2024 zijn de kentekenplaten voorzien van duplicaatcode "1". [appellant] stelt zich op het standpunt dat de RDW heeft nagelaten het geschil op een informele wijze op te lossen.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet

202600186/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Op 27 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Almelo een beslissing genomen over verschillende verzoeken van Stadstheater om verlening van subsidie. Bij besluit van 18 december 2024 heeft de gemeenteraad het door Stadstheater daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de beslissing niet op rechtsgevolg is gericht. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat niet hij, maar het college van B&W bevoegd is om op de aanvragen om subsidie te beslissen. In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de raad van 27 februari 2024 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Stadstheater en haar rechtsvoorgangers hebben sinds 1987 een theater in Almelo geëxploiteerd en daarvoor van het college van burgemeester en wethouders (college) verschillende subsidies ontvangen. In 2022 heeft Stadstheater het college laten weten dat zij zonder nadere ondersteuning niet meer in staat is het theater in stand te houden. Stadstheater heeft het college daarom verzocht om extra gelden beschikbaar te stellen voor de continuering van de programmering, de verbetering van de exploitatie en de daarvoor benodigde verbouwing.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Subsidie
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202600186/1/A2

202600707/1/R4 en 202600707/2/R4

Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam aan [appellant] zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.84, eerste, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), van artikel 2.9, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer (de Activiteitenregeling), van artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 10.38 van de Wet milieubeheer en van artikel 4.1, zevende lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.10 van de Activiteitenregeling. [appellant] is eigenaar van de eenmanszaak "[bedrijf]" in Schiedam. De overtredingen betreffen onder meer het aanwezig hebben van meer dan vier autowrakken in de garage, het aanwezig hebben van meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen, het niet aanbrengen van bodembeschermende voorzieningen voor brandgevaarlijke en bodembedreigende vloeistoffen en het niet periodiek afvoeren van bedrijfsafvalstoffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4643
Datum uitspraak
10 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202600707/1/R4 en 202600707/2/R4

202601147/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij beslissing van 11 december 2025 heeft de examencommissie zich op het standpunt gesteld dat [appellante] plagiaat heeft gepleegd bij een wekelijkse opdracht voor het vak SLC2002 Skills Development. Bij beslissing van 5 maart 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] volgt de bacheloropleiding European Law School aan de Universiteit Maastricht. In het kader van het vak "SLC2002 Skills Development" (hierna ook: het vak) moet zij wekelijks opdrachten inleveren. Bij de beoordeling van één van de wekelijkse opdrachten heeft de examinator aanleiding gezien om een vermoeden van fraude te melden bij de examencommissie. Deze wekelijkse opdracht strekte ertoe dat een student zelf bronnen zoekt die passen bij een later te verrichten opdracht, dat de student deze bronnen correct vermeldt conform de aangeleverde juridische leidraad en dat de student een korte samenvatting geeft van de bronnen en duidt hoe deze passen bij de later te maken opdracht.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

202601424/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij beslissing van 25 september 2025 heeft de Examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen wegens fraude al het in het kader van het vak Master’s Thesis Marketing Management gemaakte en/of ingeleverde werk van [appellant] ongeldig verklaard, hem uitgesloten van deelname aan dit vak voor de duur van één jaar en hem te kennen gegeven dat hij hierdoor niet langer in aanmerking komt voor het judicium (summa) cum laude. Bij beslissing van 31 maart 2026 heeft het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft het vak Master’s Thesis Marketing Management gevolgd. Naar aanleiding van de door hem ingeleverde thesis is het vermoeden van fraude ontstaan, aangezien die volgens de examinator een groot aantal niet-bestaande verwijzingen bevat. De examencommissie heeft uiteindelijk geconcludeerd dat [appellant] fraude heeft gepleegd, nadat nadere bestudering van het werk uitwees dat de bronnenlijst, behorend bij de thesis, inderdaad niet-bestaande verwijzingen bevat. De bronnenlijst is onderdeel van de thesis en de verwijzingen worden geacht gebruikt te zijn ter onderbouwing van argumenten in de thesis. Door het presenteren van niet-bestaande bronnen in de bronnenlijst is sprake van handelen waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

202601619/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij beslissing van 16 december 2025 heeft de Examencommissie van de Erasmus School of History, Culture and Communication wegens fraude de door [appellante] voor het vak Media and Business Transformations (CM4101) ingeleverde Individual Papers 1 en 2 van [appellante] ongeldig verklaard, haar uitgesloten van de deelname aan de herkansing van Individual Paper 1 en haar een berisping gegeven. Bij beslissing van 7 april 2026 heeft het het College van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam het door [appellante] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] volgt sinds het studiejaar 2025-2026 de masteropleiding Media & Business aan de Erasmus School of History Culture and Communication. Hiervoor heeft zij het vak Media and Business Transformations (het vak) gevolgd en twee papers ingeleverd, die als deeltoetsen gelden. De examinator van het vak heeft vervolgens aan de examencommissie gemeld dat er naar aanleiding van die deeltoetsen een vermoeden van fraude is gerezen, aangezien de meeste referenties onjuist zijn. [appellante] heeft hierop verklaard dat de onjuistheden in de bronvermelding pas in het laatste stadium van het schrijfproces zijn ontstaan toen zij ChatGPT een bronnenlijst volgens de APA-richtlijnen heeft laten opstellen. Zij is van de juistheid van de bronnenlijst uitgegaan zonder die te controleren. [appellante] betoogt dat het CBE eraan is voorbijgegaan dat het gebruik van AI in de Course guide uitdrukkelijk was toegestaan binnen het vak.

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

202601922/2/R4

Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst aan [verzoeker A] en [verzoeker B] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd. [verzoekers] wonen aan de [locatie 1] in Hengelo. Op het perceel is het bestemmingsplan "Landelijk gebied Bronckhorst" (het bestemmingsplan) van toepassing. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] wonen op het aangrenzende perceel aan de [locatie 2] in Hengelo en hebben een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft aan [verzoekers] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 9 juli 2024 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2023 gedeeltelijk gewijzigd en de lasten voor een aantal van de overtredingen ingetrokken, en dat besluit voor het overige in stand gelaten. De rechtbank heeft in een uitspraak van 4 maart 2025 het door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2024 vernietigd met uitzondering van het deel van de last dat bepaalt dat [verzoekers] de tweede uitweg dienen te verwijderen en verwijderd dienen te houden en het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4644
Datum uitspraak
10 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Dwangsom en beroep
  • uitspraakin de zaak202601922/2/R4

202602009/1/A2(uitspraak wordt op woensdag 12 augustus 10:15 uur gepubliceerd)

Bij beslissing van 26 april 2026 heeft de examencommissie van de Juridische Hogeschool Avans-Fontys een verzoek van [appellant] om een extra toetskans afgewezen. Bij beslissing van 30 juni 2026 heeft het college van beroep voor de examens Avans-Fontys Kamer JHS het door [appellant] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] is in september 2025 begonnen met de hbo-opleiding Rechten. Het eerste studiejaar bestaat uit vier periodes, die elk worden afgerond met een beoordeling van een kennistoets, een zogenoemd beroepsproduct en een PPO-portfolio. In periode 3 heeft [appellant] een ‘niet voldaan’ gekregen voor het beroepsproduct, waarvoor hij zeven deelproducten heeft moeten inleveren en dat zeven studiepunten waard is. Om het beroepsproduct te halen moeten studenten ten minste een voldoende scoren voor elk van de zeven competenties die beschreven zijn in de rubric bij het beroepsproduct. [appellant] heeft een onvoldoende beoordeling gekregen voor de competentie beslissen, omdat hij volgens het docententeam niet in staat is geweest om de verplichte literatuur te gebruiken en hiernaar te verwijzen volgens de Leidraad voor juridische auteurs, zoals de rubric vereist. Deze onvoldoende beoordeling heeft tot de toekenning van de ‘niet voldaan’ geleid. [appellant] komt daardoor zeven studiepunten tekort om zijn propedeuse te halen. Hij heeft de examencommissie daarom verzocht om een extra toetskans voor het beroepsproduct, zodat hij dit alsnog kan halen en in september 2026 kan starten met de bacheloropleiding

Datum uitspraak
12 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

BRS.25.001849

Bij besluiten van 18 november 2022 en 7 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkene en de kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4615
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001849

BRS.26.002503

Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4619
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002503

BRS.26.002506

Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4621
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002506

BRS.26.003418

Bij besluit van 17 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4614
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003418

BRS.26.003730

Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4623
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003730

BRS.26.003845

Bij besluit van 15 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4634
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003845

BRS.26.003858

Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4617
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003858

BRS.26.004066

Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4656
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004066

202502316/8/R4

Bij brief, ingekomen op 14 juli 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraden mr. C.H.M. van Altena, mr. J. Gundelach en mr. A.B. Blomberg als leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202502316/5/R4. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraden op de zitting van 9 juni 2026 de indruk hebben gewekt partijdig te zijn, of de schijn van partijdigheid hebben gewekt, door hem stelselmatig te negeren. Ook heeft hij nauwelijks, en pas aan het einde van de zitting, de tijd gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen, terwijl andere partijen alle ruimte kregen hun standpunten te vertellen. Hij stelt dat de weigering van de staatsraden om de waterkwaliteit en het gepleegde milieumisdrijf te bespreken een bewuste blokkade van de feiten is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4657
Datum uitspraak
7 augustus 2026
  • Wraking
  • Inpassingsplan
  • uitspraakin de zaak202502316/8/R4

202404206/1/V1

Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (kennisgeving) van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel laten weten de geboortedatum van appellant te hebben gewijzigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4631
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404206/1/V1

202503707/7/R1

Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer [verzoeker sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast om bouwwerken en voorzieningen op het perceel [locatie] in Abbenes te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik op dat perceel te beëindigen en beëindigd te houden. Een toezichthouder van het college heeft op 2 april 2026 een controle uitgevoerd bij het pand aan de [locatie] in Abbenes. Op grond van deze rapportage heeft het college met het besluit van 19 mei 2026 twee dwangsommen van € 20.000,00, in totaal € 40.000,00, bij [verzoeker sub 1] ingevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [verzoeker sub 1] niet tijdig heeft voldaan aan de last die is opgelegd bij het besluit van 13 juni 2024. [verzoeker sub 1] betoogt dat het college ten onrechte aan het invorderingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de last, voor zover deze ziet op het ongeschikt maken van het bedrijfspand op de begane grond voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. De rechtbank heeft volgens hem namelijk in de uitspraak van 17 juni 2025 overwogen dat de bouw- en gebruiksbepalingen in het bestemmingsplan niet verbieden dat de begane grond als bedrijfswoning wordt ingericht. Dit betekent dat het besluit in zoverre is vernietigd, aldus [verzoeker sub 1].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4627
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202503707/7/R1

202602054/2/A3

Amstelkroon Vastgoed heeft de minister op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om openbaarmaking van alle facturen die betrekking hebben op door advocaten, waaronder in ieder geval van het advocatenkantoor Pels Rijcken, en andere derden verrichte werkzaamheden ten behoeve van de staat en vier met naam genoemde personen. De minister heeft in het besluit van 19 februari 2024 meegedeeld dat acht documenten zijn aangetroffen en dat deze gedeeltelijk openbaar worden gemaakt. De minister heeft met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en f, van de Woo geweigerd delen van deze documenten openbaar te maken. In het besluit van 26 september 2024 heeft de minister besloten om meer informatie uit de gevonden documenten openbaar te maken. De voorzieningenrechter bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister de informatie over de aard van de werkzaamheden niet feitelijk openbaar hoeft te maken voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4645
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202602054/2/A3

BRS.25.001598

Bij besluiten van 16 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4559
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001598

BRS.26.001430

Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4545
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001430

BRS.26.001910

Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor haar op 4 september 2025 stoppen, omdat de bevriezingsmaatregel eindigt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4552
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001910

BRS.26.002215

Bij besluit van 31 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4532
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002215

BRS.26.002471

Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4534
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002471

BRS.26.002786

Bij besluit van 22 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4536
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002786

BRS.26.003331

Bij besluit van 3 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4551
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003331

BRS.26.003486

De minister van Asiel en Migratie heeft appellant op 3 juni 2026 opgehouden voor verhoor.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4544
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003486

BRS.26.003575

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4560
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003575

BRS.26.003591

Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4564
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003591

BRS.26.003796

Bij besluit van 16 oktober 2024, aangevuld bij besluit van 17 oktober 2026, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4557
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003796

BRS.26.003801 en BRS.26.003802

Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4640
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003801 en BRS.26.003802

BRS.26.003810

Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4556
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003810

BRS.26.003829

Bij besluit van 3 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4554
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003829

BRS.26.003979

Bij besluit van 4 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4638
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003979

BRS.26.003985 en BRS.26.003986

Bij besluiten van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4632
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003985 en BRS.26.003986

BRS.26.004095

Bij besluit van 26 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4642
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004095

202504600/1/V2

Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor de autoriteiten en de colectivos vanwege haar deelname aan een protestmars en de problemen die zij naar aanleiding daarvan heeft ondervonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4563
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202504600/1/V2

202505217/2/V2

Bij besluit van 31 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij ambtshalve geweigerd verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4630
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202505217/2/V2

BRS.26.001445

Bij besluit van 25 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4504
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001445

BRS.26.002158

Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4505
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002158

BRS.26.002762

Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 23 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4480
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002762

BRS.26.003271

Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4483
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003271

BRS.26.003477 en BRS.26.003478

Bij besluit van 7 maart 2024, vervangen door het besluit van 7 augustus 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4514
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003477 en BRS.26.003478

BRS.26.003510

Bij besluit van 11 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4533
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003510

BRS.26.004049

Bij besluit van 23 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4620
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004049

202102888/1/R4

Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de minister voor Milieu en Wonen aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) zonder schriftelijke kennisgeving en toestemming overbrengen van partijen grond van Nederland naar Duitsland. [appellante] is sinds mei 2019 exploitant en eigenaar van een groeve in Havert, net over de grens in Duitsland. Uit de groeve wordt zand en grind gewonnen en de daardoor ontstane ruimte wordt vervolgens weer opgevuld met partijen grond die [appellante] ophaalt bij derden in Nederland. [appellante] betoogt dat zij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de EVOA, niet heeft overtreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4601
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Afval
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202102888/1/R4

202104300/1/R2

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landerd het verzoek om een in twee fasen verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen ten behoeve van het oprichten van een varkenshouderij aan de [locatie] in Zeeland (de varkenshouderij) in te trekken of te wijzigen, afgewezen. Deze zaak draait om een verzoek om de eerder verleende omgevingsvergunning van de varkenshouderij in te trekken of te wijzigen. [appellant A] is de exploitant van de varkenshouderij en maakt daarbij gebruik van een combiluchtwasser. Uit een onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR) uit 2018 is gebleken dat combiluchtwassers een veel lager geurreductiepercentage hebben dan eerst werd aangenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gewijzigd. Het geurreductiepercentage van de combiluchtwasser BWL 2009.12.V4 is verlaagd van 85% naar 45% en de bijbehorende geuremissiefactoren zijn verhoogd. Het college is ervan uitgegaan dat op twee adressen in de directe omgeving van de varkenshouderij een geurbelasting zal optreden van meer dan 30 odour units per m3 (Ou/m3) (berekend met het toen geldige model V-stacks 2010). Volgens de verzoekers moet de omgevingsvergunning van de varkenshouderij worden ingetrokken of gewijzigd, omdat deze hoge geurbelasting een ontoelaatbaar milieugevolg is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4569
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Vee e.a. dieren
  • uitspraakin de zaak202104300/1/R2

202200069/1/R4

Bij besluit van 25 november 2021 heeft de raad van de gemeente Nijkerk het bestemmingsplan "[locatie A], Nijkerk" (het plan) vastgesteld. Aan de [locatie A] in Nijkerk bevindt zich een agrarisch bouwperceel dat is opgedeeld in twee delen. Op het voorste gedeelte is een agrarisch bedrijf gevestigd, waaraan in het plan opnieuw een agrarische bestemming is toegekend. [bedrijf] exploiteren een houtzagerij en houthandel op het achterste en zuidelijk gelegen gedeelte van het agrarische bouwperceel. De bedrijfsactiviteiten van de houtzagerij en houthandel vinden plaats in een bestaande schuur van 1.250 m2 en gedeeltelijk op het onbebouwde terrein daarbuiten. Met het plan wordt de houtzagerij en houthandel als zodanig bestemd. [appellant sub 2] woont op de [locatie B] in Nijkerk op ongeveer 220 m ten zuidwesten van het plangebied. Hij ervaart overlast van met name geluid van de houtzagerij en houthandel. [appellante sub 1] exploiteert een houthandel op de [locatie C] in Hoevelaken, die op ongeveer 3 kilometer afstand van het plangebied ligt. Beide beroepen zijn alleen gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch". Volgens [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hoort de houtzagerij en houthandel niet thuis in het buitengebied maar op een bedrijventerrein.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4608
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202200069/1/R4

202203982/1/R4

In deze uitspraak oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het procedeerverbod voor overheden in de Crisis- en herstelwet niet in strijd is met het Verdrag van Aarhus. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat verleende omgevingsvergunningen voor een aardwarmte-installatie in Luttelgeest. Tegen die vergunning kwam het college van gedeputeerde staten van Overijssel eerder in beroep bij de rechtbank. Die oordeelde dat het procedeerverbod voor overheden dat is neergelegd in artikel 1.4 van de Crisis- en herstelwet, niet mocht worden toegepast omdat dat in strijd zou zijn met het Verdrag van Aarhus en het zogenoemde 'Varkens in Nood'-arrest van het Hof van Justitie in Luxemburg. Het college van gs was naar het oordeel van de rechtbank wel bevoegd om beroep in te stellen tegen de omgevingsvergunningen. De rechtbank vernietigde de vergunningen en droeg de staatssecretaris op om een nieuw besluit te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak komt in de uitspraak van vandaag tot de conclusie dat het procedeerverbod voor overheden uit de Crisis- en herstelwet niet in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Uit dat verdrag volgt niet dat de toegang tot de rechter uitsluitend ziet op toegang tot de bestuursrechter. Het verdrag bepaalt weliswaar dat elke verdragspartij of lidstaat toegang tot een rechterlijke instantie moet waarborgen, maar laat de invulling daarvan verder aan de autonomie van die verdragspartij of lidstaat. Het college van gs kan zich ook wenden tot de civiele rechter en daarmee is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak effectieve rechtsbescherming gewaarborgd. Ook het 'Varkens in Nood'-arrest en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 april 2021 leiden niet tot een ander oordeel. Zowel het arrest als de uitspraak ging over de beperking van het beroepsrecht op grond van artikel 6:13 Awb, niet over het procedeerverbod voor overheden op grond van artikel 1.4 van de Crisis- en herstelwet. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak was het college van gedeputeerde staten dus niet bevoegd om bij de rechtbank in beroep te komen tegen de omgevingsvergunningen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de vergunningen voor de aardwarmte-installatie 'herleven' en met deze uitspraak definitief zijn geworden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4577
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202203982/1/R4

202301742/1/R1

BACT B.V. heeft op grond van artikel 8:55f, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep ingesteld tegen het uitblijven van de bekendmaking van een volgens haar van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de verbouw en uitbreiding van een bestaand gebouw op het perceel Mijnsherenweg 8 in De Kwakel. Op 19 augustus 2022 heeft BACT een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande gebouw aan de Mijnsherenweg 8 in De Kwakel om daarin een datacenter te realiseren. Het gebouw was voorheen in gebruik als distributiecentrum en groothandel. Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Landelijk gebied - Glastuinbouwgebied" de bestemming "Bedrijf". Bij brief van 13 oktober 2022 heeft het college aan BACT medegedeeld dat op haar aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat de beslistermijn in verband daarmee zes maanden bedraagt. BACT heeft op 30 december 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het volgens haar niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 6 februari 2023 gegrond verklaard en heeft het college opgedragen om de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning bekend te maken. Het college is het niet eens met deze uitspraak en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4455
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202301742/1/R1

202303235/1/R1

Bij besluit van 21 maart 2023 heeft de raad van de gemeente Peel en Maas het bestemmingsplan "Maasbreeseweg 55 te Helden" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het bedrijventerrein van Panningen mogelijk en biedt planologische ruimte voor diverse bedrijvigheid in de milieucategorieën 1, 2 en 3 op het perceel van een voormalige glastuinbouwlocatie met bedrijfswoning. Het plangebied ligt op de hoek van de Maasbreeseweg en Loo in Helden-Panningen, aangrenzend aan de oostzijde van het bestaande bedrijventerrein "Panningen". De locatie van de vroegere bedrijfswoning van het glastuinbouwbedrijf heeft in het plan een woonbestemming gekregen. Het gedeelte van het plangebied dat een bedrijfsbestemming heeft gekregen, heeft drie bouwvlakken. Initiatiefnemer van de herontwikkeling is [gemachtigde A], die haar bouwbedrijf naar het plangebied heeft verplaatst. De op 21 maart 2023 verleende omgevingsvergunning maakt de bouw van haar bedrijfsgebouw op het meest noordelijk gelegen bouwvlak mogelijk. Dit gebouw is inmiddels in gebruik ten behoeve van het bouwbedrijf.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4605
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202303235/1/R1

202305040/1/R1

Bij besluit van 1 juni 2023 heeft raad van de gemeente Uithoorn het bestemmingsplan "Parapluplan Datacenters" vastgesteld. In het bestemmingsplan is als strijdig gebruik aangemerkt: het gebruiken van gronden of laten gebruiken van gronden of bebouwing als een datacenter met een oppervlakte van 2.000 m2 en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt. Het bestemmingsplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Uithoorn. BACT is eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat zij voornemens is om op dat perceel een datacenter te realiseren. Oudendijk Beheer B.V. was eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat het volgens haar de gebruiksmogelijkheden van haar perceel beperkt. GTMH heeft het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 van Oudendijk Beheer gekocht en wenst als rechtsopvolger van Oudendijk Beheer het beroep te handhaven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4589
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202305040/1/R1

202305275/1/R1

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover in deze zaak van belang, het saneringsplan "Rijkswegen West-Nederland Noord A7, A8, N9, A10" vastgesteld en een aantal geluidproductieplafonds verlaagd. Op grond van artikel 11.19 van de Wet milieubeheer bevinden zich langs rijkswegen referentiepunten waar, voor het geluid van het verkeer op de weg, geluidproductieplafonds gelden. De beheerder van de weg draagt ingevolge artikel 11.20 van de Wet milieubeheer zorg voor naleving van deze geluidproductieplafonds. Met de geluidproductieplafonds worden in de omgeving van de referentiepunten gelegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidsbelasting vanwege de weg. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] wonen in Zuidoostbeemster, aan weerszijden van het hiervoor genoemde stuk van de A7. Zij ervaren geluidsoverlast van deze rijksweg. Zij vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van die maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4568
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Geluid
  • uitspraakin de zaak202305275/1/R1

202307578/1/A3

Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. De persoonsgegevens van [appellante] stonden in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De FSV was een applicatie die van 2012 tot en met 27 februari 2020 door de Belastingdienst werd gebruikt met als doel om mogelijke signalen van belastingfraude te registreren. [appellante] heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens. Verder wil zij weten wat het doel van het gebruik van haar gegevens was, aan wie de gegevens verder zijn verstrekt, wat de herkomst van de gegevens was, hoe lang deze door de Belastingdienst opgeslagen zijn, en wat het belang, de onderliggende logica en de gevolgen van eventuele geautomatiseerde besluitvorming door de Belastingdienst is geweest. [appellante] voert aan dat zij ten onrechte niet alle informatie heeft gekregen over haar registratie in de FSV.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4575
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202307578/1/A3

202400949/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³), aan Visserij Rousant (32.000 m³) en aan Testamare Holding (48.000 m³). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4484
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400949/1/R3

202400950/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Visserij Rousant (32.000 m³) en aan Testamare Holding (48.000 m³). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4485
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400950/1/R3

202400951/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³), aan Visserij Rousant (32.000 m³, daarover gaat deze uitspraak) en aan Testamare Holding (48.000 m³). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4486
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400951/1/R3

202400952/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³), aan Visserij Rousant (32.000 m³) en aan Testamare Holding (48.000 m³, daarover gaat deze uitspraak). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4487
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400952/1/R3

202402052/1/R1

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart de bezwaren ongegrond tegen de omgevingsvergunning die het college van B&W van Haarlem heeft verleend voor een appartementengebouw aan de Toekanweg in Haarlem. Daarmee is de vergunning voor een appartementengebouw met 823 woningen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² aan commerciële ruimte definitief. Ook kunnen 43 bomen worden gekapt. Op het perceel aan de Toekanweg stond een kantoorgebouw van Rijkswaterstaat. Van der Valk Hotel Haarlem is naast de bouwlocatie gevestigd en is het niet eens met de vergunning. Zij vindt dat er geen goede oplossing is voor het parkeren in de omgeving. Ook vindt zij dat het appartementengebouw te hoog wordt waardoor haar hotel wegvalt achter het gebouw, wat het zicht vanaf de Schipholweg op het hotel vermindert. Verder is Van der Valk het niet eens met de bouw van 5.000 m² aan commerciële ruimte. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak geeft het hotel geen gelijk en verklaart haar bezwaren ongegrond. Daarmee is de vergunning voor ruim 800 appartementen in Haarlem definitief.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4602
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bouwen
  • RO - Geluid
  • uitspraakin de zaak202402052/1/R1

202402335/1/A3

Bij besluit van 15 juni 2023 heeft Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) het verzoek van [appellant] tot openbaarmaking afgewezen. [appellant] heeft op 12 december 2022 op grond van de Wet open overheid (Woo) een verzoek ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hij heeft verzocht om openbaarmaking van een lijst van bedrijven die over de mogelijkheid tot inkoop van boerderijmelk beschikken. Daarnaast heeft hij een aantal (feitelijke) vragen gesteld. Op 19 april 2023 heeft de RVO dit verzoek aan de COKZ doorgezonden, omdat de COKZ mogelijk zou kunnen beschikken over de voor het verzoek van [appellant] relevante informatie. Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de COKZ het verzoek van [appellant] tot openbaarmaking van de lijst afgewezen. Op 28 september 2023 heeft de COKZ op het bezwaar van [appellant] beslist. In dat besluit heeft de COKZ kenbaar gemaakt niet te beschikken over de door [appellant] gevraagde lijst van namen en adressen van eenieder die op grond van artikelen 20 en 21 van de Regeling superheffing 2008 gerechtigd zou zijn tot aankoop van boerderijmelk over de periode van 2013 tot heden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4576
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402335/1/A3

202403756/1/R3

Bij besluit van 16 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Drimmelen het bestemmingsplan "Nieuwstraat Wagenberg" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van twaalf woningen op voormalige agrarische gronden ten oosten van de kern van Wagenberg mogelijk. Het plangebied wordt aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidzijde van het plangebied staan woningen aan de Nieuwstraat. THEBOXSYSTEM B.V. is initiatiefnemer van het plan. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voelen zich onvoldoende gehoord en zijn van mening dat de raad hun belangen onvoldoende bij het bestemmingsplan heeft betrokken. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet aansluit op de woningbehoefte in Wagenberg. Zij verwijzen daarbij naar de notitie "Woningbouwprogramma 2016 - 2024", waaruit volgens hen volgt dat met de woningbouwprojecten aan de Dorpsstraat 2 en 45 en de Verlengde Elsakker in Wagenberg tot en met 2024 al in de woningbehoefte wordt voorzien. [appellant] en anderen wijzen er daarnaast op dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op hun voorstel om zes woningen in plaats van twaalf woningen op de gekozen locatie mogelijk te maken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4567
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202403756/1/R3

202403948/1/R1

Bij besluit van 9 april 2024 heeft de raad van de gemeente Hoorn het bestemmingsplan "Veegplan 3" vastgesteld. Het bestreden plan is een veegplan voor het gehele grondgebied van de gemeente Hoorn. Vooruitlopend op de Omgevingswet wil de raad met dit plan alle huidige bestemmingsplannen zoveel mogelijk op elkaar afstemmen wat betreft bestemmingen en systematiek. Ook is een aantal verleende omgevingsvergunningen in het plan verwerkt en is een aantal fouten uit de bestemmingplannen gehaald. Aldi is gevestigd aan de Westerblokker 129 in Blokker en wil daar haar supermarkt uitbreiden om hem toekomstbestendig te maken. Zij kan zich niet met het plan verenigen omdat daarin haar uitbreidingsvoornemen niet is meegenomen. Op 8 januari 2024 heeft Aldi een zienswijze ingediend tegen het bestemmingsplan dat nu ter beoordeling staat. Daarin heeft zij de gemeenteraad verzocht zich uit te spreken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste uitbreiding van de supermarkt. Deze zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4591
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202403948/1/R1

202404252/1/R4

Bij besluit van 19 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum aan [belanghebbenden] een last onder dwangsom opgelegd. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een perceel aan de [locatie A] in Wolfheze. Ten zuiden van het perceel loopt een pad. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een gedeelte van dat pad. Dat gedeelte van het pad hebben zij afgesloten voor anderen. [appellante] is het daar niet mee eens. [appellante] is ruiter bij paardenpension De Henriëtte Hoeve in Wolfheze dat zich in de omgeving van het pad bevindt. Volgens haar wordt het pad al gedurende een lange tijd door ruiters gebruikt als ontsluiting naar een netwerk van ruiterpaden op de Veluwe. Zij heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4584
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404252/1/R4

202404259/1/R4

Bij besluit van 24 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd om de overkapping en schuur op het perceel aan de [locatie 1] in Wekerom (het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 24 mei 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). Het perceel ligt binnen het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe omgeving Roekelseweg 44-48 Wekerom", zoals gewijzigd bij drie paraplubestemmingsplannen (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming "Recreatie". Op het perceel staan een recreatiewoning met overkapping en een vrijstaande schuur. Het college heeft [bedrijf] gelast om de overkapping en schuur te verwijderen en verwijderd te houden. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [bedrijf] in strijd handelt met het verbod in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo op het in stand laten van bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4586
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404259/1/R4

202404260/1/R4

Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college geweigerd om aan [persoon] een legaliserende omgevingsvergunning te verlenen voor een overkapping op het perceel aan de [locatie A] in Wekerom. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 18 augustus 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). [persoon] is enig aandeelhouder van [bedrijf]. [persoon] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om de overkapping te legaliseren. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd, kort gezegd omdat de overkapping afbreuk doet aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de groene, bosrijke omgeving. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de weigering van de omgevingsvergunning niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat het toestaan van meer vierkante meters aan bebouwing, het perceel aantrekkelijker kan maken voor permanente bewoning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4460
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404260/1/R4

202404306/1/R4.

Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht geweigerd om [appellant] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen voor het plaatsen van een bootlift in de Vecht bij het perceel [locatie A] in Maarssen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Vecht" een verbod op bootliften bevat en het college niet bereid is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van dit bestemmingsplan. De rechtbank heeft het besluit van 28 november 2023 vernietigd, omdat daarin volgens de rechtbank onvoldoende was gemotiveerd waarom getoetst werd aan de "Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht". [appellant] kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4609
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404306/1/R4.

202404937/1/R3

Bij besluit van 12 juni 2024 hebben provinciale staten van Zuid-Holland het inpassingsplan "Warmtelinq Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie" (het inpassingsplan) vastgesteld. Dit besluit is met toepassing van de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met andere besluiten, aangeduid als ‘gecoördineerde besluiten’. Bij besluit van 20 juni 2024 van het college is aan WarmtelinQ een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk herinrichten van een deel van de straten en de omgeving en ook voor het kappen van 211 bomen en het verplanten van 28 bomen ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden waarvan een deel van het tracé loopt via Den Haag (de omgevingsvergunning). Het inpassingsplan maakt een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden mogelijk. Deze transporteert restwarmte uit de Rotterdamse haven. Het tracé van het inpassingsplan is opgedeeld in vier deelgebieden en heeft een lengte van ongeveer 25 km. De warmtetransportleiding zal bestaan uit twee leidingen. Eén aanvoer- en één retourleiding. [appellant sub 1] woont op de [locatie 2] in Leidschendam. Hij is eigenaar van het [perceel 5b). De voorziene warmtetransportleiding zal het perceel 5b doorkruisen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4588
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Inpassingsplan
  • uitspraakin de zaak202404937/1/R3
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202404937/1/R3

202405311/1/R3

In het besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Ommen het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 1] en [locatie 2] Arriën" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een agrarische bestemming op de [locatie 1] in Arriën. Op dit perceel is een aardbeienboerderij en een theeschenkerij aanwezig. Binnen de agrarische bestemming maakt dit bestemmingsplan de realisatie van een kampeerterrein met maximaal 16 kampeermiddelen mogelijk in aanvulling op de huidige agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid om een woning met bed- en breakfast te realiseren aan de [locatie 2] in Arriën. Voorheen vond op dit perceel detailhandel plaats.[appellant] woont tegenover het plangebied op [locatie 3]. Hij is het niet eens met dit besluit. Hij vreest onder meer voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van het plan en vindt dat hij onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van dat plan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4607
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202405311/1/R3
12...1.260volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon