Uitspraak 202503400/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2236
- Datum uitspraak
- 24 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1319 heeft de Afdeling, voor zover relevant, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen over het verzoek van [appellant] om inzage in persoonsgegevens van hem zijn en zoon. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om de (ongeschoonde) e-mailwisselingen van 2 juni 2025, 12 mei 2025, 10 juni 2025 en 6 november 2025, die zijn opgenomen onder B15 tot en met B18 van de ‘Inventarislijst B-stukken’ van de minister. In de e-mails is door behandelende ambtenaren verzocht om, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, een nieuwe zoekslag naar persoonsgegevens uit te voeren en is daarop gereageerd door de betrokken ambtenaren. De persoonsgegevens van meerdere ambtenaren in (de geschoonde versie van) deze e-mails zijn gelakt, waaronder namen, contactgegevens en handtekeningen.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
Toon inhoud
202503400/2/A3.
Datum beslissing: 24 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de minister van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1319 heeft de Afdeling, voor zover relevant, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen over het verzoek van [appellant] om inzage in persoonsgegevens van hem zijn en zoon. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 3 juli 2025 heeft de minister het bezwaar van [appellant] gedeeltelijk gegrond verklaard.
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 juli 2025.
De minister heeft de vertrouwelijke versies van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft (de ongeschoonde versie van) interne e-mailcorrespondentie van ambtenaren van de Raad voor de Kinderbescherming.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om de (ongeschoonde) e-mailwisselingen van 2 juni 2025, 12 mei 2025, 10 juni 2025 en 6 november 2025, die zijn opgenomen onder B15 tot en met B18 van de ‘Inventarislijst B-stukken’ van de minister. In de e-mails is door behandelende ambtenaren verzocht om, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, een nieuwe zoekslag naar persoonsgegevens uit te voeren en is daarop gereageerd door de betrokken ambtenaren. De persoonsgegevens van meerdere ambtenaren in (de geschoonde versie van) deze e-mails zijn gelakt, waaronder namen, contactgegevens en handtekeningen. Volgens de minister zijn deze persoonsgegevens niet relevant voor de beslechting van het geschil. Deze ambtenaren vervullen bovendien geen publieke functie en treden niet wegens hun functie in de openbaarheid. Het verstrekken van deze persoonsgegevens vormt daarom een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van deze ambtenaren.
2. In zijn reactie heeft [appellant], voor zover van belang voor het verzoek om geheimhouding, laten weten dat hij de functie van het lakken van een e-mailadres (waarmee hij eerder heeft gecorrespondeerd) niet begrijpt en dat hij er geen probleem mee heeft als de Afdeling kennisneemt van het e-mailadres of de naam van een IT-medewerker. Verder heeft hij laten weten dat hij het partijdig vindt dat de Afdeling het verzoek om geheimhouding in behandeling neemt, maar zij niet meerdere verzoeken van [appellant] in behandeling neemt.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De kennisneming van de persoonsgegevens kan leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. [appellant] wordt ook zonder die persoonsgegevens niet in zijn procesvoering belemmerd. [appellant] heeft dat ook niet gesteld in zijn reactie op het verzoek. Voor zover [appellant] erop wijst dat hij een gelakt e-mailadres al zou kennen, heeft hij dat niet onderbouwd noch gespecificeerd om welk e-mailadres het gaat. Bovendien zou dat betekenen dat [appellant] door het lakken van dat e-mailadres niet in zijn procesvoering wordt belemmerd. Hij wordt door de beperkte kennisneming van de persoonsgegevens daarom niet zodanig in zijn belangen geschaad, dat zijn belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
5. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming daarom gerechtvaardigd.
6. De geheimhoudingskamer van de Afdeling kan de andere aspecten die [appellant] naar voren heeft gebracht in zijn reactie op het verzoek, niet beoordelen. De rol van de geheimhoudingskamer is beperkt tot een beoordeling van het geheimhoudingsverzoek.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026
1100