Uitspraak 202404988/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2512
- Datum uitspraak
- 30 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202404988/1/V3.
Datum uitspraak: 30 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 1 augustus 2024 in zaak nr. NL24.26928 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Nadat appellant hoger beroep heeft ingesteld in deze zaak, heeft de minister de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. Appellant heeft onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, omdat hij heeft bereikt wat hij met zijn hoger beroep beoogt doordat de minister zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hij heeft namelijk als gevolg van tijdsverloop de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. Hij is dus niet aan appellant tegemoetgekomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026
922
Verzonden: 30 april 2026