Uitspraak BRS.26.001597
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2341
- Datum uitspraak
- 28 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001597
ECLI:NL:RVS:2026:2341
Datum uitspraak: 28 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2026 in zaak nr. NL26.13330 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.J. de Boer, advocaat in Sneek, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 11 tot en met 11.2, over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, voor een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting, en uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 7 tot en met 7.2, over het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858, en de motivering van de ambtshalve toets). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Voor het overige zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Harkink, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Harkink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026
1111