Uitspraak 202600804/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2397
- Datum uitspraak
- 29 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 april 2026 heeft de minister aan [verzoekster] een boete opgelegd van € 5.400,00 en besloten tot openbaarmaking van [verzoekster] betreffende inspectiegegevens. Wat [verzoekster] heeft aangevoerd ter motivering van de door haar gestelde spoedeisendheid van haar verzoek betreft uitsluitend de openbaarmaking van de inspectiegegevens. Tot op heden zijn de inspectiegegevens niet openbaar gemaakt. Het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster] strekt ertoe het besluit tot openbaarmaking te schorsen.
- Voorlopige voorziening
- Boete
- Openbaarheid
Toon inhoud
202600804/2/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd in [plaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 februari 2026 in zaak nr. 25/1761 25/2757 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2026 heeft de minister aan [verzoekster] een boete opgelegd van € 5.400,00 en besloten tot openbaarmaking van [verzoekster] betreffende inspectiegegevens.
Bij besluit van 16 juni 2025 heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 april 2026, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door S. van Gent, advocaat in Zwolle, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C. Hooker, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Wat [verzoekster] heeft aangevoerd ter motivering van de door haar gestelde spoedeisendheid van haar verzoek betreft uitsluitend de openbaarmaking van de inspectiegegevens. Tot op heden zijn de inspectiegegevens niet openbaar gemaakt. Het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster] strekt ertoe het besluit tot openbaarmaking te schorsen.
3. De vragen die in deze procedure aan de orde zijn, lenen zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure. Daarom ziet de voorzieningenrechter af van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter zal de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het hoger beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
4. Het belang van de minister is erin gelegen dat inspectiegegevens gedurende vijf jaar na een overtreding openbaar mogen worden gemaakt. De openbaarmaking heeft transparantie over de inzet, werkwijze en resultaten over de Arbeidsinspectie en het informeren van het publiek als doel. Volgens de minister doet het stelselmatig achterstellen van het algemeen belang aan het belang van overtreders, vaak tot aan onherroepelijkheid van het besluit, ernstig afbreuk aan de doelstellingen van de openbaarmaking. Daar tegenover staat het belang van [verzoekster] dat haar hoger beroep na openbaarmaking van de inspectiegegevens geen betekenis meer heeft omdat die onomkeerbaar is, ook wanneer het hoger beroep zou slagen. Zij vreest voor haar goede reputatie en verlies van klandizie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt dit belang van [verzoekster] zwaarder dan het belang van de minister om de uitspraak in hoger beroep niet af te wachten. Daarom zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat de minister de inspectiegegevens niet openbaar maakt voordat op het hoger beroep is beslist.
5. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet overgaat tot openbaarmaking van [verzoekster] betreffende inspectiegegevens voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;
II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van de bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten ten bedrage van € 1.868,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 596,-.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Konings
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
612