Uitspraak BRS.25.002096
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6432
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.002096
ECLI:NL:RVS:2026:6432
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 november 2025 in zaak nr. NL25.53593 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.H. van Wingerden, advocaat in Zoetermeer, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Inleiding
2. Betrokkene is op 22 oktober 2025 na overname uit de strafrechtketen opgehouden en in bewaring gesteld om de terugkeer naar Polen te verzekeren (maatregel 1). De minister heeft op 23 oktober 2025 na online bevraging een op die datum gedateerd uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het uittreksel) over betrokkene verkregen. Op diezelfde datum heeft hij de VRIS-officier verzocht om aan te geven of er bezwaar bestaat tegen de uitzetting van betrokkene vanuit bewaring. Op 30 oktober 2025 heeft betrokkene verklaard dat hij een asielaanvraag wil indienen en op 1 november 2025 heeft de minister maatregel 1 opgeheven.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, heeft bij uitspraak van 10 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11084, het beroep dat betrokkene tegen die maatregel had ingesteld, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft betrokkene geen hoger beroep ingesteld. De rechtmatigheid van maatregel 1 staat hiermee vast.
3. De minister heeft betrokkene op zaterdag 1 november 2025 vervolgens in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (maatregel 2). De uitspraak van de rechtbank over deze maatregel ligt in dit geding ter beoordeling voor.
De minister heeft op woensdag 5 november 2025 informatie van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) ontvangen op het detentiecentrum Rotterdam, waarin onder meer het verzoek staat om aansluitende executie van acht dagen vervangende hechtenis. Op maandag 10 november 2025 heeft de minister de maatregel opgeheven in verband met een openstaand strafrechtelijk vonnis.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister ten tijde van maatregel 1 op 23 oktober 2025 het uittreksel heeft opgevraagd om na te gaan of het Openbaar Ministerie bezwaar had tegen de uitzetting van betrokkene naar Polen. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister na ontvangst van het uittreksel op de hoogte dat mogelijk sprake was van een vervangende hechtenis die moest worden geëxecuteerd en had de minister het CJIB tijdens de tenuitvoerlegging van maatregel 1 moeten verzoeken om een executiebeslissing. Dat heeft de minister niet gedaan. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat tijdens de tenuitvoerlegging van maatregel 2 het detentiecentrum Rotterdam op 5 november 2025 meerdere brieven heeft ontvangen van het CJIB waarin is verzocht om aansluitende executie van een strafrechtelijk vonnis. Dit had volgens de rechtbank voor de minister aanleiding moeten zijn om maatregel 2 meteen op te heffen.
De rechtbank heeft verder onder meer geoordeeld dat de minister maatregel 2 onrechtmatig heeft opgelegd, omdat eerst de vrijheidsontnemende maatregel op een strafrechtelijke grondslag had moeten worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de gehele periode van de tenuitvoerlegging van maatregel 2 onrechtmatig, omdat de minister geen handelingen heeft verricht om de asielprocedure daadwerkelijk uit te voeren.
Oordeel van de Afdeling
5. De rechtbank heeft ten onrechte ambtshalve en met terugwerkende kracht een onrechtmatigheid vastgesteld in maatregel 1. Die maatregel lag namelijk niet ter beoordeling voor en door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, is bij uitspraak van 10 november 2025, al geoordeeld dat het daartegen ingestelde beroep ongegrond is. Daarmee stond de rechtmatigheid van maatregel 1 al vast. Deze door haarzelf vastgestelde onrechtmatigheid heeft de rechtbank vervolgens dan ook ten onrechte laten meewegen in het oordeel dat de minister in maatregel 2, die wel ter beoordeling voorligt, niet voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank had haar oordeel moeten beperken tot de feiten en omstandigheden van maatregel 2.
5.1. De minister betoogt dan ook terecht dat het oordeel van de rechtbank niet gevolgd kan worden. De minister betoogt daarbij terecht dat hij niet verplicht was om voorafgaand aan de inbewaringstelling op 1 november 2025 actief navraag te doen bij het CJIB of er nog een strafrechtelijk vonnis of arrest ten uitvoer moest worden gelegd. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 7 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3025, onder 1.1, en 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219, onder 3. De uitzonderingssituatie uit de uitspraak van 7 augustus 2023 doet zich hier niet voor. De minister wijst in zijn betoog ook terecht op het uittreksel. Dat daaruit volgt dat er sprake is van een mogelijke indicatie dat een straf nog moet worden geëxecuteerd, betekent niet dat de minister al daarom direct actief voorafgaand aan het opleggen van maatregel 2 informatie bij het CJIB moet opvragen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister in het uittreksel aanleiding had moeten zien om contact met het CJIB te leggen.
5.2. Het hogerberoepschrift gaat verder over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister met de onder 2 genoemde handelingen in dit geval niet voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat hij na ontvangst van de informatie van het CJIB meteen de maatregel had moeten opheffen.
5.3. In dit geval heeft de minister op woensdag 5 november 2025 informatie van het CJIB ontvangen. De minister hoefde na ontvangst van die informatie geen contact te leggen met het CJIB, omdat het met de toezending van de informatie van het CJIB voor de minister al voldoende duidelijk was dat hij de bewaring moest opheffen in verband met de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 19 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3578, onder 4.2. Daarom hoeft de Afdeling ook in deze zaak niet in te gaan op een redelijke uitleg van het woord ‘zodra’ uit de tweede zin van paragraaf A5/6.13 van de Vc 2000 (over de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming) en de rechtspraaklijn van de rechtbank Den Haag daarover. De omvang van het geschil is in dit geval beperkt tot de vraag of de minister met de door hem verrichte handelingen voldoende voortvarend heeft gehandeld.
5.4. De minister heeft, zoals onder 3 weergegeven, de informatie van het CJIB op woensdag 5 november 2025 ontvangen en op maandag 10 november 2025 heeft de minister de maatregel opgeheven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister daarmee voldoende voortvarend gehandeld.
5.5. De grief slaagt.
6. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 november 2025 in zaak nr. NL25.53593;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. De Vries-van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
985