Uitspraak 202302511/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3578
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- De minister heeft betrokkene op donderdag 16 maart 2023 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. De minister heeft op vrijdag 17 maart 2023 om 15.30 uur informatie van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) ontvangen op het Detentiecentrum Rotterdam, waaruit bleek dat betrokkene nog een strafrechtelijke detentie van tien dagen moest uitzitten. Op maandag 20 maart 2023 is die informatie geüpload in het zaaksysteem en op dinsdag 21 maart 2023 om 09.45 uur heeft de minister de bewaring opgeheven.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202302511/1/V3.
Datum uitspraak: 19 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 13 april 2023 in zaak nr. NL23.9355 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat in Rijsbergen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft betrokkene op donderdag 16 maart 2023 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. De minister heeft op vrijdag 17 maart 2023 om 15.30 uur informatie van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) ontvangen op het Detentiecentrum Rotterdam, waaruit bleek dat betrokkene nog een strafrechtelijke detentie van tien dagen moest uitzitten. Op maandag 20 maart 2023 is die informatie geüpload in het zaaksysteem en op dinsdag 21 maart 2023 om 09.45 uur heeft de minister de bewaring opgeheven.
1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister met de onder 1 genoemde handelingen in dit geval voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Het juridisch kader
2. Paragraaf A5/6.13 van de Vc 2000 gaat over de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming. Hierin staat sinds het besluit tot wijziging van de Vc 2000 van 27 maart 2023, WBV 2023/7, het volgende:
"Als tijdens de bewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd, wordt voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Dienst Terugkeer en Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het CJIB over de executie van het vonnis."
2.1. Vóór het besluit tot wijziging van 27 maart 2023 stond in het beleid dat de minister contact opneemt met het Openbaar Ministerie (OM) over de executie van het vonnis, maar dat is met het besluit tot wijziging vervangen door het CJIB.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister onvoldoende voortvarend en niet in lijn met zijn beleid heeft gehandeld. Volgens de rechtbank had de minister uiterlijk de dag na ontvangst van de informatie van het CJIB, dus op zaterdag 18 maart 2023, contact moeten opnemen met het OM en hierna de bewaring moeten opheffen.
De eerste grief van de minister
4. De eerste grief van de minister is gericht tegen het onder 3 weergegeven oordeel van de rechtbank. De minister betoogt dat de rechtbank een onredelijke uitleg heeft gegeven aan de voorwaarde opgenomen in paragraaf A5/6.13 van de Vc 2000. Uit rechtspraak van verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag volgt volgens de minister dat het redelijk is als hij binnen vijf werkdagen na kennis te hebben genomen van het strafrechtelijk vonnis contact opneemt met het OM over de tenuitvoerlegging van het strafrechtelijk vonnis. De minister stelt zich op het standpunt dat hij in dit geval na ontvangst van de informatie van het CJIB geen contact met het OM hoefde op te nemen. Door de toezending van de informatie door het CJIB was het voor de minister voldoende duidelijk dat de bewaring opgeheven moest worden in verband met de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in dit geval voldoende voortvarend en binnen een redelijke termijn heeft gehandeld.
De schriftelijke uiteenzetting van betrokkene
4.1. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de uitleg die de rechtbank aan paragraaf A5/6.13 van het Vc 2000 heeft gegeven, niet onredelijk is. Omdat de minister op vrijdagmiddag om 15.30 uur ervan op de hoogte was geraakt dat er nog een strafrechtelijk vonnis ten uitvoer moest worden gelegd, had de minister die werkdag volgens betrokkene nog minstens tweeënhalf uur om stappen te ondernemen. Daartoe zou hij volgens zijn beleid ook verplicht zijn. Uit dat beleid volgt niet dat de minister een redelijke termijn moet worden gegund om de noodzakelijke handelingen te verrichten, aldus betrokkene.
Afbakening van het geschil
4.2. In dit geval heeft de minister op vrijdag 17 maart 2023 om 15.30 uur informatie van het CJIB ontvangen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het niet nodig was om na ontvangst van die informatie contact te leggen met het OM, omdat het met de toezending van die informatie voor de minister al voldoende duidelijk was dat hij de bewaring moest opheffen in verband met de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis. Daarom hoeft de Afdeling in deze zaak niet in te gaan op een redelijke uitleg van het woord ‘zodra’ uit de tweede zin van paragraaf A5/6.13 van de Vc 2000 en de rechtspraaklijn van de rechtbank Den Haag daarover. De omvang van het geschil is in dit geval beperkt tot de vraag of de minister met de door hem verrichte handelingen voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Beoordeling in dit geval
4.3. De minister heeft, zoals onder 1 weergegeven, de informatie van het CJIB op vrijdag 17 maart 2023 om 15.30 uur ontvangen. Op maandagmiddag 20 maart 2023 is de informatie van het CJIB administratief verwerkt door de ketenpartners. Diezelfde middag is een verzoek tot opheffing gedaan en op dinsdag 21 maart 2023 was een daartoe aangewezen ambtenaar beschikbaar om de opheffing te effectueren, waarna de bewaring om 09.45 uur is opgeheven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister met deze handelingen voldoende voortvarend gehandeld.
4.4. De grief slaagt.
Conclusie
5. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister in zijn tweede grief heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 april 2023 in zaak nr. NL23.9355;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026
985