Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202300231/1/A3

Uitspraak 202300231/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5793
Datum uitspraak
30 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 5 februari 2021 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellant A] en [appellant B] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om inzage in hun persoonsgegevens toegewezen voor zover het gaat om gegevens die zijn verwerkt in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking heeft op gegevens die zijn verwerkt in andere gegevensbestanden, applicaties en systemen dan de FSV. Naar aanleiding van de berichtgeving over de FSV van de Belastingdienst hebben [appellant A] en [appellant B] de minister gevraagd of hun gegevens voorkomen op ‘zwarte lijsten’. Zij vermoeden dat er sprake is van een dergelijke registratie, omdat de Belastingdienst hen zonder nadere motivering heeft laten weten dat er in hun geval geen ruimte is voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. [appellant A] en [appellant B] hebben toegelicht dat hun verzoek betrekking heeft op ‘zwarte lijsten’ in de ruimste zin van het woord; lijsten die op verschillende wijze kunnen zijn vormgegeven en die - in strijd met de privacywetgeving - al dan niet als doel hebben fraude op te sporen of andere door de Belastingdienst ongewenste constructies.
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202300231/1/A3.
Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Kralendijk, gemeente Bonaire (BES),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022 in zaken nrs. 21/5990 en 21/5988 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluiten van 5 februari 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant A] en [appellant B] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om inzage in hun persoonsgegevens toegewezen voor zover het gaat om gegevens die zijn verwerkt in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking heeft op gegevens die zijn verwerkt in andere gegevensbestanden, applicaties en systemen dan de FSV.

Bij besluiten van 30 juli 2021 heeft de minister de door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2022 heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroepen ingesteld.

De minister en [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft drs. P.M. Smink, directeur-generaal van de Belastingdienst met toepassing van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opgeroepen in persoon ter zitting te verschijnen.

De Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 juli 2025, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. L.J.M. Stortelder, en mr. D. Steenbeek, advocaten in Nijmegen, en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M. Smink, bijgestaan door mr. R.W. Veldhuis, advocaat in Den Haag, en mr. drs. I.A. Huppertz, mr. A. van der Linden en T. Vlot, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De minister heeft een nader stuk ingediend en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat wegens gewichtige redenen alleen de Afdeling van die stukken kennis mag nemen.

De Afdeling heeft, in een andere samenstelling, bij uitspraak van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5114, beslist dat beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is.

[appellant A] en [appellant B] hebben de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen. De Afdeling heeft deze stukken vervolgens ingezien.

[appellant A] en [appellant B] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

[appellant A] en [appellant B] en de minister hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van een tweede zitting.

De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

Besluitvorming

1.       Naar aanleiding van de berichtgeving over de FSV van de Belastingdienst hebben [appellant A] en [appellant B] de minister gevraagd of hun gegevens voorkomen op ‘zwarte lijsten’. Zij vermoeden dat er sprake is van een dergelijke registratie, omdat de Belastingdienst hen zonder nadere motivering heeft laten weten dat er in hun geval geen ruimte is voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. [appellant A] en [appellant B] hebben toegelicht dat hun verzoek betrekking heeft op ‘zwarte lijsten’ in de ruimste zin van het woord; lijsten die op verschillende wijze kunnen zijn vormgegeven en die - in strijd met de privacywetgeving - al dan niet als doel hebben fraude op te sporen of andere door de Belastingdienst ongewenste constructies. Ook hebben zij de minister verzocht om, als sprake blijkt te zijn van een dergelijke registratie, te vermelden wat de reden voor plaatsing op een ‘zwarte lijst’ is geweest, voor welke doeleinden deze lijst is gebruikt, door wie zij op de lijst zijn geplaatst, in hoeverre deze lijst door de Belastingdienst is geraadpleegd en of de minister contact heeft gehad met degene die hen op de lijst heeft geplaatst. [appellant A] en [appellant B] hebben de minister daarnaast verzocht om kopieën van de betreffende ‘zwarte lijsten’ en alle documenten die op die lijsten betrekking hebben, bijvoorbeeld een toelichting of richtlijnen voor het gebruik ervan.

2.       De minister heeft het verzoek van [appellant A] en [appellant B] opgevat als een verzoek om inzage in de persoonsgegevens die in de afgelopen tien jaar over hen verwerkt zijn in de FSV en in andere vergelijkbare applicaties en verwerkingsprocessen. Bij besluiten van 5 februari 2021 heeft de minister medegedeeld dat na onderzoek is gebleken dat de persoonsgegevens van [appellant A] en [appellant B] niet in de FSV voorkomen. Omdat het onderzoek naar met de FSV vergelijkbare systemen nog niet was afgerond, heeft de minister dat onderdeel van het inzageverzoek afgewezen. Wel zegde de minister toe na afronding van het onderzoek het inzageverzoek op dat onderdeel opnieuw ambtshalve te beoordelen en een nieuw besluit te nemen. In bezwaar handhaafde de minister deze besluiten.

3.       De minister is tot in ieder geval 5 maart 2026 niet zijn toezegging nagekomen om ambtshalve een nieuw besluit te nemen op het inzageverzoek.

Beantwoording van schriftelijke vragen

4.       De Afdeling heeft de minister op 4 september 2024 enkele vragen gesteld over zaaksoverstijgende aspecten van de FSV die in meerdere zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak spelen. Bij brief van 1 oktober 2024 heeft de minister die vragen beantwoord. Vervolgens heeft de Afdeling op 17 februari 2025 nog vragen aan de minister gesteld over de FSV in twee andere zaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak in behandeling waren. Diezelfde vragen heeft de Afdeling bij brief van 16 mei 2025 ook aan de minister gesteld in deze zaak. De minister heeft die vragen beantwoord bij brief van 6 juni 2025. Tijdens de zitting van 7 juli 2025 in deze zaak heeft de Afdeling aanvullende vragen gesteld over de FSV. Deze vragen heeft de minister bij brief van 31 juli 2025 beantwoord (pdf, 1.8 MB). De Afdeling heeft de informatie over de FSV die in de voornoemde drie brieven van de minister staat, betrokken bij de behandeling van deze zaak. Omdat deze informatie ook relevant kan zijn voor andere zaken, heeft de Afdeling de brieven van de minister als bijlage aan deze uitspraak gehecht. De minister heeft ingestemd met openbaarmaking van de brieven door de Afdeling.

Uitspraak van de rechtbank

5.       Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de FSV heeft gezocht en dat de persoonsgegevens van [appellant A] en [appellant B] daarin niet zijn aangetroffen. De minister was niet gehouden op grond van het gelijkheidsbeginsel schermafdrukken aan [appellant A] en [appellant B] te verstrekken. Ook blijkt uit de toelichting van de minister dat een schermafdruk alleen een functie heeft als er wel zoekresultaten zijn. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen.

6.       Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om inzage in hun persoonsgegevens die zijn verwerkt in met de FSV vergelijkbare systemen heeft mogen afwijzen onder verwijzing naar het nog lopende onderzoek naar de systemen van de Belastingdienst. Daarbij heeft zij overwogen dat voldoende aannemelijk was dat er op dat moment niet een soortgelijk systeem als de FSV bekend was waarin kon worden gezocht naar persoonsgegevens van [appellant A] en [appellant B]. Ook betrok de rechtbank bij haar oordeel dat de minister had toegezegd om na afronding van het onderzoek ambtshalve nogmaals te kijken of de persoonsgegevens van [appellant A] en [appellant B] in met de FSV vergelijkbare systemen verwerkt zijn. De acht systemen waar [appellant A] en [appellant B] in beroep op hebben gewezen, vallen volgens de rechtbank buiten de reikwijdte van het verzoek, omdat uit onderzoek van KPMG blijkt dat deze systemen niet vergelijkbaar zijn met de FSV.

Gronden van het hoger beroep

7.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de FSV is gezocht en dat hun persoonsgegevens niet zijn aangetroffen. Nu de minister geen schermafdrukken heeft verstrekt, kan volgens hen op geen enkele wijze gecontroleerd worden dat daadwerkelijk is gezocht in de FSV. Het niet verstrekken van schermafdrukken terwijl dit in andere gevallen wel is gebeurd, vormt een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Ook had de minister volgens [appellant A] en [appellant B], ondanks het lopende onderzoek naar de systemen van de Belastingdienst, in ieder geval een zoekslag moeten verrichten in de meest gangbare gegevensbestanden en/of computersystemen en applicaties. De definitie die de minister hanteert van ‘met de FSV vergelijkbare systemen’ is volgens hen te nauw. Zij wijzen erop dat uit onder meer het Rapport onderzoek Risico Analyse Model (RAM) van KPMG van 25 februari 2025 blijkt dat de Belastingdienst ook gebruikmaakt van andere systemen dan de FSV om mogelijke fraude op te sporen.

8.       [appellant A] en [appellant B] betogen ook dat zij er recht op hebben informatie te ontvangen over de identiteit van de ontvangers van hun persoonsgegevens en dat de minister gehouden was inzage te geven in hun volledige fiscale dossier. Deze beroepsgronden hebben zij op de zitting van de Afdeling ingetrokken.

9.       Tot slot hebben [appellant A] en [appellant B] op de zitting van de Afdeling verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook hebben zij verzocht om volledige vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Wettelijk kader

10.     Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

De verrichte zoekslagen en de datakluis

11.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet degene die stelt dat er meer persoonsgegevens zijn nadat het bestuursorgaan onderzoek heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk maken dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn. De Afdeling verwijst hiervoor onder meer naar haar uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2278, onder 13.1. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig voorkomt, betrekt de Afdeling op welke wijze het onderzoek is verricht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1736, onder 14.

11.1   De Afdeling heeft ambtshalve kennis genomen van de informatie die de staatssecretarissen van Financiën vanaf april 2026 aan de Tweede kamer hebben verstrekt over de datakluis bij de Belastingdienst. Zij verwijst naar de brieven van de staatssecretarissen van Financiën aan de Tweede kamer van 15 april 2026 (Kamerstukken II 2025-2026, 31066, nr. 1535), 22 mei 2026 (Kamerstukken II 2025-2026, 31066, nr. 1540) en 10 juli 2026 (Kamerstukken II 2025-2026, 31066, nr. 1551) en het rapport van 6 juli 2026 van het externe onderzoek naar de datakluis door BDO (het BDO rapport; Kamerstukken II 2025-2026, 31066, nr. 1551 (bijlage)). Uit deze informatie blijkt dat binnen de Belastingdienst in 2019 een afgeschermde digitale omgeving is ingericht (de datakluis) die circa 25 miljoen bestanden bevat (Kamerstukken II 2025-2026, 31066, nr. 1551) en die niet is betrokken bij zoekslagen ten behoeve van informatieverzoeken van burgers. Volgens het BDO-rapport bevat de datakluis, naast bestanden die betrekking hebben op de kinderopvangtoeslagaffaire, onder meer bestanden die relevantie hebben voor de onderwerpen FSV en RAM. Ook blijkt uit dit rapport dat binnen de Belastingdienst sprake is van een groot aantal afgeschermde digitale omgevingen die nader onderzoek vergen.

De Afdeling constateert dat het hier gaat om informatie die vanzelfsprekend relevant is voor de beoordeling van zaken over informatieverzoeken aan de Belastingdienst over in elk geval de FSV en de kinderopvangtoeslagaffaire en die ontbreekt in de schriftelijke en mondelinge toelichting die de minister aan haar heeft gegeven.

11.2   Gelet op het bovenstaande, kan worden vastgesteld dat de datakluis en mogelijk andere afgeschermde digitale omgevingen naar aanleiding van het inzageverzoek hadden moeten worden betrokken bij de verrichte zoekslagen. Dat is niet gebeurd. Naar het oordeel van de Afdeling kan de mededeling van de minister dat de persoonsgegevens van [appellant A] en [appellant B] niet voorkomen in de FSV daarom niet zonder meer geloofwaardig worden geacht.

11.3   Het betoog slaagt.

De reikwijdte van het inzageverzoek

12.     Het inzageverzoek van [appellant A] en [appellant B] richt zich op ‘zwarte lijsten’ in de ruimste zin van het woord, waarbij het mogelijke doel is fraude of andere ongewenste constructies op te sporen. Het onderdeel van het verzoek dat betrekking heeft op andere gegevensbestanden, applicaties en systemen dan de FSV, heeft de minister geïnterpreteerd als een verzoek dat zich richt op met de FSV vergelijkbare applicaties en verwerkingsprocessen. Omdat ten tijde van de besluitvorming nog onderzoek werd gedaan naar de systemen van de Belastingdienst, heeft hij dat onderdeel van het inzageverzoek afgewezen.

12.1   Op de zitting van de Afdeling heeft de minister verklaard dat na onderzoek is gebleken dat er geen met de FSV vergelijkbare systemen zijn. Weliswaar zijn er andere systemen waar fraudeaantekeningen in staan, maar die systemen zijn volgens hem niet vergelijkbaar met de FSV omdat ze een ander doel hebben. In de beantwoording van schriftelijke vragen van de Afdeling heeft de minister nader toegelicht dat hij door KPMG heeft laten onderzoeken of er met de FSV vergelijkbare systemen zijn (‘Rapportage verwerking van risicosignalen voor toezicht Belastingdienst’, 10 juli 2020) (het KPMG-rapport). Bij dat onderzoek is tot uitgangspunt genomen dat systemen vergelijkbaar zijn met de FSV als zij voldoen aan de volgende vijf criteria:

1.       In het (toezichts)proces en de applicatie worden persoonsgegevens van belastingplichtige of toeslaggerechtigde subjecten verwerkt, of gegevens die direct herleidbaar zijn tot belastingplichtige of toeslaggerechtigde subjecten.

2.       Het proces of de applicatie omvat een risicoselectie, of geeft mogelijkheid tot risicosignalering, of

-        de doelbinding voor de verwerking van reguliere of bijzondere

persoonsgegevens is ons onvoldoende duidelijk en

-        ontbeert een wettelijke grondslag en

-        het is mogelijk om de risicosignalen direct te gebruiken voor risicoselectie.

Exportfuncties naar een gegevensverzameling of applicaties die signaleren voor een extern selectieproces vallen mogelijk ook binnen deze categorie.

3.       De risicoselectie is systematisch (meer dan 25 subjecten uit massale processen), zonder individuele professionele beoordeling.

4.       De risicoselectie heeft mogelijk nadelige effecten voor de betrokken natuurlijke personen.

5.       De risicosignalering of risicoselectie is gebaseerd op mogelijk subjectieve risicosignalen.

Volgens het KPMG-rapport zijn geen systemen aangetroffen die aan alle vijf criteria voldoen.

12.2   Over met de FSV vergelijkbare lijsten heeft de minister in de schriftelijke beantwoording van vragen van de Afdeling toegelicht dat de Belastingdienst drie criteria heeft ontwikkeld om te beoordelen of lijsten vergelijkbaar zijn met de FSV. Het gaat om de volgende criteria:

1.       Het moet gaan om een van de 39 lijsten die in het interne onderzoek naar lijsten met nationaliteit en/of risico- of fraudesignalen in mailboxen, persoonlijke omgevingen of (lokale) samenwerkingsgebieden (het onderzoek lijsten) als hoog risicovol zijn aangemerkt;

2.       De lijst heeft FSV in de titel, of;

3.       De lijst heeft fraude of een synoniem voor fraude in de titel of is gezien de titel van de lijst anderszins aan fraude te relateren.

De minister heeft toegelicht dat de Belastingdienst 4 lijsten heeft geïdentificeerd die aan deze criteria voldoen, waarvan er 2 niet (meer) vindbaar zijn. De andere 2 bleken bij nader intern onderzoek niet vergelijkbaar te zijn met de FSV.

12.3   De Afdeling constateert dat de afbakening van ‘met de FSV vergelijkbare systemen’ en ‘met de FSV vergelijkbare lijsten’ die in de hierboven genoemde onderzoeken wordt gehanteerd zeer specifiek is en van een hoge mate van vergelijkbaarheid met de FSV uitgaat. Daarmee wordt de reikwijdte van de zoekslag naar aanleiding van een inzageverzoek in de FSV en andere ‘zwarte lijsten’, zoals ook [appellant A] en [appellant B] hebben gedaan, op voorhand sterk beperkt, terwijl duidelijk is dat met een dergelijk verzoek wordt beoogd inzage te verkrijgen in de risico-signalen voor fraude die over de betreffende persoon zijn verwerkt. De minister had deze afbakening daarom niet mogen overnemen in zijn besluitvorming. De Afdeling overweegt dat een redelijke interpretatie van de term ‘zwarte lijsten’ inhoudt dat daaronder alle gegevensbestanden, applicaties en systemen vallen waarin risico-signalen voor fraude met betrekking tot personen zijn of worden verwerkt.

12.4   Gelet op de reikwijdte van het inzageverzoek, had de minister zoekslagen moeten verrichten in alle tot dan toe bekende gegevensbestanden, applicaties en systemen waarin risico-signalen voor fraude met betrekking tot personen waren of werden verwerkt. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de gegevensbestanden, applicaties en systemen die genoemd worden in het KPMG-rapport en waar [appellant A] en [appellant B] terecht op hebben gewezen.

12.5   Omdat de minister zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet kon voldoen aan dit deel van het inzageverzoek, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister dit deel van het verzoek niet heeft mogen afwijzen.

12.6   Het betoog slaagt.

Overschrijding van de redelijke termijn

13.     [appellant A] en [appellant B] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

13.1   De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

13.2   De minister heeft de bezwaarschriften van [appellant A] en [appellant B] ontvangen op 19 maart 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met een jaar en zeven maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.

13.3   De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.

Conclusie

14.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen gegrond verklaren en de besluiten van de minister van 30 juli 2021 vernietigen. Dit betekent dat de minister nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Dit houdt in dat de minister moet zoeken naar de persoonsgegevens van [appellant A] en [appellant B] in alle gegevensbestanden, applicaties en systemen waarin risico-signalen voor fraude met betrekking tot personen zijn of worden verwerkt. Bij deze zoekslagen moet ook de inhoud van de datakluis en, voor zover relevant, de inhoud van andere afgeschermde digitale omgevingen binnen de Belastingdienst worden betrokken. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

14.1   De minister moet de proceskosten vergoeden die [appellant A] en [appellant B] hebben gemaakt voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep. De Staat moet de proceskosten vergoeden die [appellant A] en [appellant B] hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Verzoek om volledige proceskostenvergoeding

15.     [appellant A] en [appellant B] hebben verzocht om een volledige  proceskostenvergoeding, omdat zij door het onzorgvuldig handelen van de minister extra proceskosten hebben moeten maken voor hun rechtsbijstand. Ook voeren zij aan dat zij niet tijdig op de hoogte zijn gesteld van de vragen die de Afdeling aan de minister had gesteld, waardoor zij een tweede aanvulling op de hoger beroepsgronden hebben moeten indienen.

15.1   In artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is bepaald dat de hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief in de bijlage bij dat besluit. Dit is het forfaitaire vergoedingsstelsel. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op gronden van artikel 2, derde lid van het Besluit van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant A] en [appellant B] niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor afwijking van het forfaitaire stelsel. Binnen dit stelsel komen de proceshandelingen die de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B] heeft verricht voor vergoeding in aanmerking, inclusief de schriftelijke reacties op de beantwoording van vragen door de minister. De Afdeling wijst het verzoek van [appellant A] en [appellant B] daarom af.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022 in zaken nrs. 21/5990 en 21/5988;

III.      verklaart de beroepen gegrond;

IV.     vernietigt de besluiten van de minister van Financiën van 30 juli 2021 met kenmerken AVG-[...] en AVG[-...];

V.      draagt de minister van Financiën op om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen;

VI.     bepaalt dat tegen de te nemen nieuwe besluiten alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

VIII.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding aan [appellant A] en [appellant B] ten bedrage van € 2.000,00;

IX.     veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van € 5.442,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI.     gelast dat de minister van Financiën aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 636,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koetsjarjan-de Bie, griffier.

w.g. Den Ouden
voorzitter

w.g. Koetsjarjan-de Bie
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

620-1114

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 15

1.       De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a)       de verwerkingsdoeleinden;

b)       de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c)       de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d)       indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e)       dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f)       dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g)       wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h)       het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

Besluit proceskosten bestuursrecht

Artikel 1

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a.       kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

[…]

Artikel 2

1.       Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

a.       ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief;

[…]

3.       In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.

Persaankondiging

Verzoek om na te gaan of persoonsgegevens op ‘zwarte lijsten’ staan van Belastingdienst

Uitspraak over het verzoek van twee inwoners van Bonaire aan de minister van Financiën op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Zij willen van de minister weten of zij voorkomen op zogenoemde zwarte lijsten van de Belastingdienst. De minister heeft hun verzoek opgevat als een verzoek om na te gaan of hun persoonsgegevens voorkomen in de zogenoemde Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De Belastingdienst gebruikte dit systeem voor het registreren van risicosignalen. Het gebruik van dit systeem voldeed echter niet aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Daarom is de FSV in februari 2020 uitgezet en daarna niet meer gebruikt. Volgens de minister komen de namen van deze personen niet voor in de FSV, maar kon nog niet worden uitgesloten of hun gegevens waren opgenomen in systemen van de Belastingdienst die met het FSV vergelijkbaar zijn. De minister gaf aan daar op een later moment op terug te komen. De twee personen komen tegen de beslissing van de minister in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens hen is niet te controleren of de minister daadwerkelijk in de FSV heeft gezocht. Ook vinden zij dat de minister hun verzoek te beperkt heeft opgevat door alleen te zoeken in de systemen die met de FSV vergelijkbaar zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 7 juli 2025 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon