Uitspraak 202500469/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3279
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] laten weten dat het geen besluit hoeft te nemen op zijn verzoek om openbaarmaking van documenten omdat de gewenste documenten al openbaar zijn en niet bij de gemeente Utrecht berusten. [appellant] heeft - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van historische informatie over kelders in de binnenstad van Utrecht over de periode tot 1990 (UTR 23/85) en alle schetsen/tekeningen/plattegronden die in de jaren negentig zijn gemaakt van kelders aan de Oudegracht in Utrecht (UTR 23/88). Het college heeft de informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank heeft die besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden en dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202500469/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2024 in zaak nr. 23/85 en 23/88 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Procedure 23/85
Bij besluit van 9 februari 2022 heeft het college aan [appellant] laten weten dat het geen besluit hoeft te nemen op zijn verzoek om openbaarmaking van documenten omdat de gewenste documenten al openbaar zijn en niet bij de gemeente Utrecht berusten.
Bij besluit van 1 december 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie alsnog gedeeltelijk toegewezen.
Procedure 23/88
Bij besluit van 16 februari 2022 heeft het college aan [appellant] laten weten dat het geen besluit hoeft te nemen op zijn verzoek om openbaarmaking van documenten omdat de gewenste documenten al openbaar zijn en niet bij de gemeente Utrecht berusten.
Bij besluit van 1 december 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 4 september 2024 heeft het college het besluit van 1 december 2022 gedeeltelijk herroepen en vervangen door het besluit van 4 september 2024. Daarbij heeft het college alsnog besloten om documenten openbaar te maken.
Vervolg beide procedures
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 1 december 2022 in procedure 23/85 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in procedure 23/88 het beroep tegen het besluit van 1 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 4 september 2024 ongegrond.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202500453/1/A3, 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3, 202500507/1/A3 en 202500482/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van historische informatie over kelders in de binnenstad van Utrecht over de periode tot 1990 (UTR 23/85) en alle schetsen/tekeningen/plattegronden die in de jaren negentig zijn gemaakt van kelders aan de Oudegracht in Utrecht (UTR 23/88). Het college heeft de informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank heeft die besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden en dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Gelijktijdige behandeling en nader stuk van 31 januari 2026
2. [appellant] heeft meerdere procedures bij de Afdeling lopen. Zeven andere zaken van hem zijn tegelijk op zitting behandeld. Het gaat om zaak nrs. 202300453/1/A3, 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3, 202500507/1/A3 en 202500482/1/A3. In zes van de acht zaken heeft [appellant] op 31 januari 2026 een nader stuk ingediend. Dat geldt ook voor deze zaak. De Afdeling heeft over dat stuk als volgt besloten.
2.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals is geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:232), onder 1.1.
2.2. Het hogerberoepschrift van [appellant] dateert van 19 februari 2025. Daarin heeft hij de volgende - niet onderbouwde - beroepsgrond aangevoerd:
"Ondergetekende kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. De gronden zijn als volgt. (…) Ten tweede heeft de rechtbank miskend dat verweerder geen nadere informatie hoefde te openbaren. De overwegingen van de rechtbank zijn onjuist. Dit zal nadien worden beargumenteerd."
Op de laatste dag voor het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, dus op 31 januari 2026, heeft [appellant] zijn eerder aangevoerde beroepsgrond onderbouwd. Hij stelt dat de door het college uitgevoerde zoekslag naar documenten niet deugdelijk is onderbouwd en dat het niet geloofwaardig is dat er niet meer documenten onder het college berusten.
2.3. De Afdeling acht de zeer late indiening van het stuk van 31 januari 2026 in strijd met de goede procesorde. Tussen het indienen van het hogerberoepschrift op 19 februari 2025 en de onderbouwing daarvan op 31 januari 2026 is bijna een jaar verstreken. Op 11 februari 2026 zijn acht zaken van [appellant] behandeld. Dezelfde onderbouwing heeft hij - toegespitst op de desbetreffende zaak - ook in vijf andere zaken ingebracht. Er is niet gebleken dat deze onderbouwing niet eerder ingediend had kunnen worden. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat zijn vader in 2025 is overleden en dat hij verstoken was van rechtsbijstand, omdat zijn rechtsbijstandsverlener zich had teruggetrokken. De rechtsbijstandsverlener heeft zich op 19 februari 2025 echter al afgemeld als gemachtigde in deze zaak. [appellant] had dus een geruime periode om een nieuwe rechtsbijstandsverlener in te schakelen. Daarnaast heeft hijzelf de hogerberoepschriften op 19 februari 2025 ingediend. De onderbouwing die op 31 januari 2026 is gevolgd, had [appellant] - in ieder geval voor wat betreft de beschrijving van wat er feitelijk is gebeurd - ook zelf kunnen indienen, mede gelet op het feit dat hij veel procedures bij de Afdeling heeft lopen en van hem in dat opzicht meer verwacht mag worden dan van een gemiddelde burger. In meerdere zaken van [appellant] waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan, procedeerde hij immers ook zelf zonder rechtsbijstandsverlener. Daarbij komt dat nu vlak voor de zitting niet alleen in deze zaak, maar ook in vijf andere zaken een nadere onderbouwing van meerdere pagina’s wordt ingediend. Zonder die onderbouwing is de onder 2.2 weergegeven zeer algemeen geformuleerde beroepsgrond niet goed te begrijpen. De late indiening van de nadere onderbouwing schaadt een goede rechtspleging, omdat, als de indiening van deze onderbouwing in elk van die zaken zou worden ingewilligd, de Afdeling en ook het college zich daardoor onvoldoende op de zitting zou kunnen voorbereiden.
2.4. Aangezien [appellant] in zijn hogerberoepschrift van 19 februari 2025 de andere beroepsgronden minder algemeen heeft geformuleerd en al wel gedeeltelijk heeft onderbouwd, zal de Afdeling zijn nadere onderbouwing van die beroepsgronden in het stuk van 31 januari 2026, ondanks het late tijdstip van indienen, wel meenemen. Het gaat dan om de onderbouwing dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verkeerd is berekend omdat geen sprake is van samenhangende zaken, dat bij de proceskostenvergoeding voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn een verkeerde wegingsfactor is toegepast en dat daarbij ten onrechte niet een proceskostenvergoeding per zaak is toegekend. Daarnaast gaat het om het betoog van [appellant] dat hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend, terwijl het primaire besluit wel is herroepen. De Afdeling zal die beroepsgronden hierna beoordelen.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden en dat de rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft berekend. Volgens [appellant] is de rechtbank er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat zijn zaken samenhangen en heeft hij per zaak recht op een schadevergoeding. [appellant] betoogt verder dat hij voor elke zaak recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte slechts één keer de proceskosten vergoed. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de factor ‘zeer licht’ toegepast. De Afdeling hanteert namelijk de factor ‘licht’. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over de ongegrondverklaring van het bezwaar en de weigering om proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden. Er had een proceskostenvergoeding voor bezwaar moeten worden toegekend, aldus [appellant].
4. De onder 3 genoemde gronden - met uitzondering van de grond over de proceskostenvergoeding in bezwaar - heeft [appellant] ook ingediend in zaak nr. 202500507/1/A3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:3267) een oordeel over die gronden gegeven. Daarom verwijst de Afdeling naar die uitspraak, onder 3, 4, 6 en 7. Gelet daarop slagen de betogen van [appellant] niet.
5. Verder heeft [appellant] over de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in zijn hogerberoepschrift het volgende geschreven:
"Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over de ongegrondverklaring van het bezwaar en de (impliciet) weigering om proceskosten in bezwaar toe te kennen, ook niet in de later gewijzigde beslissing op bezwaar, terwijl het primaire besluit de facto wel is herroepen doordat niet volledig op het verzoek was beslist en alsnog in heroverweging documenten openbaar zijn gemaakt. Er had dan ook een proceskostenvergoeding voor bezwaar moeten worden toegekend."
[appellant] maakt niet duidelijk om welke procedure het gaat. Aangezien [appellant] verwijst naar ‘de latere gewijzigde beslissing op bezwaar’ en er alleen in de procedure met nummer 23/88 een gewijzigd besluit op bezwaar is genomen, gaat de Afdeling ervan uit dat deze beroepsgrond alleen over de procedure met nummer 23/88 gaat. Voor zover [appellant] iets anders heeft beoogd, had het op zijn weg gelegen dit helder in zijn hogerberoepschrift te vermelden.
6. Met het besluit op bezwaar van 1 december 2022 heeft het college het primaire besluit van 16 februari 2022 herroepen. Het college heeft daarom ook een proceskostenvergoeding toegekend. Daarover staat in het besluit van 1 december 2022:
"U heeft verzocht om een proceskostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Awb. Nu het bestreden besluit wordt herroepen, zien wij aanleiding om een vergoeding toe te kennen. Conform het Besluit proceskosten bestuursrecht kennen wij een vergoeding toe van 1 punt, één voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde van 541,- euro per punt. In totaal kennen wij een bedrag van 541,- euro toe."
In het besluit van 4 september 2024 staat dat met het besluit op bezwaar van 1 december 2022 al beslist is op het verzoek van [appellant] om proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Anders dan [appellant] betoogt, heeft hij dus een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ontvangen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Proceskosten
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026