Uitspraak 201011757/1/R1 en 201012728/1/R1


Volledige tekst

201011757/1/R1 en 201012728/1/R1.
Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding met zaaknr. 201012728/1/R1 tussen:
1. [appellante sub 1], wonend te Brunssum,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Landgraaf,
3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Nuth,
4. [appellant sub 4], wonend te Landgraaf,
5. [appellante sub 5], wonend te Kerkrade,
6. [appellante sub 6], gevestigd te Kerkrade, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Kerkrade,
7. [appellanten sub 7], beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
8. [appellanten sub 8], allen wonend te Brunssum,
9. [appellant sub 9], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
10. [appellant sub 10], wonend te Brunssum,
11. [appellant sub 11], wonend te Kerkrade,
appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder,

alsmede in het geding met zaaknr. 201011757/1/R1 tussen
1. [appellant sub 12], wonend te Schinnen,
2. [appellante sub 13], gevestigd te Kerkrade, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]),
3. [appellant sub 14A] en [appellante sub 14B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]), beiden wonend te Landgraaf,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rendamax B.V., gevestigd te Kerkrade,
5. de stichting Stichting Actie Comité Ten Esschen, gevestigd te Heerlen,
6. [appellant sub 15], wonend te Kerkrade,
7. [appellant sub 16], wonend te Kerkrade,
8. [appellanten sub 17], beiden te Landgraaf,
9. [appellant sub 18], wonend te Kerkrade,
10. [appellant sub 19], wonend te Kerkrade,
11. [appellant sub 20], wonend te Kerkrade,
12. [appellanten sub 21], beiden wonend te Kerkrade,
13. [appellant sub 22], wonend te Brunssum,
14. [appellant sub 23], wonend te Landgraaf,
15. [appellant sub 24], wonend te Brunssum,
16. [appellant sub 25], wonend te Kerkrade,
17. [appellante sub 26], wonend te Kerkrade,
18. [appellant sub 27], wonend te Nuth,
19. [appellant sub 28A] en [appellante sub 28B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 28]), beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
20. [appellant sub 29], wonend te Kerkrade,
21. [appellant sub 30], wonend te Kerkrade,
22. [appellant sub 9], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
23. [appellante sub 31], gevestigd te Brunssum,
24. [appellant sub 32A] en [appellante sub 32B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 32]), beiden wonend te Landgraaf,
25. [appellant sub 33], wonend te Kerkrade,
26. [appellant sub 34], wonend te Kerkrade,
27. [appellanten sub 35], beiden wonend te Kerkrade,
28. [appellant sub 36], wonend te Brunssum,
29. [appellant sub 37A] en [appellant sub 37B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 37]), beiden wonend te Kerkrade,
30. [appellante sub 38], wonend te Kerkrade,
31. [appellant sub 39], wonend te Brunssum,
32. [appellant sub 40], wonend te Kerkrade,
33. [appellant sub 41], wonend te Landgraaf,
34. [appellante sub 42], wonend te Brunssum,
35. [appellant sub 43], wonend te Landgraaf,
36. [appellant sub 44], wonend te Merkelbeek, gemeente Onderbanken,
37. [appellant sub 45], wonend te Kerkrade,
38. [appellant sub 11], wonend te Kerkrade,
39. [appellant sub 46], wonend te Brunssum,
40. [appellant sub 47], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
41. [appellant sub 48A] en [appellant sub 48B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 48]), beiden wonend te Nuth,
42. [appellant sub 49], wonend te Kerkrade,
43. [appellant sub 50A] en [appellante sub 50B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 50]), beiden wonend te Schinnen,
44. [appellant sub 51A], [appellante sub 51B] en [appellant sub 51C] (hierna: [appellanten sub 51]), allen wonend te Landgraaf,
45. [appellante sub 52] en andere, alle gevestigd te Landgraaf,
46. [appellante sub 53], wonend te Landgraaf,
47. [appellant sub 54], wonend te Brunssum,
48. [appellante sub 55], wonend te Schinveld, gemeente Onderbanken,
49. de stichting Stichting Leefbaarheid Onderbanken, gevestigd te Schinveld, gemeente Onderbanken,
50. [appellant sub 56], wonend te Brunssum,
51. [appellante sub 1], wonend te Brunssum,
52. [appellant sub 57], wonend te Landgraaf,
53. [appellant sub 58], wonend te Kerkrade,
54. [appellant sub 59], wonend te Brunssum,
55. [appellante sub 60], wonend te Brunssum,
56. [appellant sub 61], wonend te Nuth,
57. [appellant sub 62], wonend te Kerkrade,
58. [appellant sub 63], wonend te Landgraaf,
59. [appellant sub 64], wonend te Brunssum,
60. [appellant sub 65], wonend te Landgraaf,
61. [appellanten sub 2], beiden wonend te Landgraaf,
62. [appellant sub 66], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
63. [appellante sub 67], wonend te Brunssum,
64. [appellanten sub 3], beiden wonend te Nuth,
65. [appellante sub 68], wonend te Maastricht,
66. [appellant sub 69], handelend onder de naam Bon Route, wonend te Brunssum,
67. [appellant sub 70], wonend te Brunssum,
68. [appellanten sub 71], beiden wonend te Brunssum,
69. [appellant sub 72A] en [appellante sub 72B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 72]), beiden wonend te Brunssum,
70. [appellant sub 73], wonend te Brunssum,
71. [appellant sub 74], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
72. [appellant sub 75A] en [appellante sub 75B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 75]), beiden wonend te Brunssum,
73. de stichting Stichting Stop Buitenring, gevestigd te Brunssum,
74. de stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken, gevestigd te Schinnen, gemeente Schinnen,
75. [appellant sub 76] en anderen, allen wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
76. [appellante sub 77], gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
77. [appellant sub 78A] en [appellante sub 78B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 78]), beiden wonend te Brunssum,
78. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Caradon Stelrad B.V., gevestigd te Nuth,
79. [appellanten sub 79], beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
80. [appellant sub 80], wonend te Brunssum,
81. [appellant sub 81], wonend te Heerlen,
82. [appellant sub 4], wonend te Landgraaf,
83. de vereniging Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek, gevestigd te Schinnen,
84. [appellant sub 82], wonend te Nuth,
85. [appellant sub 83A] en [appellante sub 83B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 83]), beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
86. [appellant sub 84], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen, en anderen,
87. [appellante sub 85], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
88. [appellant sub 86], wonend te Brunssum,
89. [appellant sub 87], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
90. de vereniging Fietsersbond, gevestigd te Utrecht,
91. [appellante sub 88], gevestigd te Kerkrade, en anderen,
92. [appellanten sub 89], beiden wonend te Brunssum,
93. [appellant sub 90], wonend te Nuth,
94. de stichting Stichting winkelcentrum Hoensbroek en de stichting Stichting Centrummanagement Hoensbroek, beide gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
95. [appellant sub 91], wonend te Brunssum,
96. [appellanten sub 7] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
97. [appellanten sub 92], beiden wonend te Brunssum,
98. [appellante sub 6], gevestigd te Kerkrade, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Kerkrade,
99. [appellant sub 93], wonend te Brunssum,
100. [appellanten sub 94], beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
101. [appellante sub 5], wonend te Kerkrade,
102. [appellant sub 95], wonend te Brunssum,
103. [appellant sub 96], wonend te Brunssum,
104. [appellante sub 97], wonend te Kerkrade,
105. [appellant sub 98], wonend te Nuth,
106. [appellanten sub 99], beide gevestigd te Brunssum,
107. [appellanten sub 100], gevestigd te Nuth, en anderen,
108. [appellant sub 101], wonend te Kerkrade,
109. [appellant sub 102], wonend te Kerkrade,
110. [appellant sub 103A] en [appellant sub 103 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 103]), beiden wonend te Landgraaf,
111. [appellant sub 104], wonend te Landgraaf,
112. [appellant sub 105], wonend te Landgraaf,
113. [appellante sub 106A] en [appellant sub 106B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 106]), gevestigd te Ubach over Worms, gemeente Landgraaf, onderscheidenlijk wonend te Landgraaf,
114. de vereniging Volkstuinen Dentgenbach, gevestigd te Kerkrade,
115. de stichting Stichting Adelante, gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
116. [appellant sub 107], wonend te Kerkrade,
117. [appellant sub 108], wonend te Lanaken (België),
118. [appellanten sub 8] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), allen wonend te Brunssum,
119. de stichting Stichting Platform Vaesrade, gevestigd te Nuth,
120. de stichting Stichting Milieufederatie Limburg, gevestigd te Roermond, en anderen,
121. de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Nuth (hierna: IVN), gevestigd te Nuth,
122. de vereniging Vereniging Natuurmonumenten, gevestigd te ’s-Graveland, gemeente Wijdemeren,
123. [appellant sub 109A] en [appellant sub 109B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 109]), beiden wonend te Kerkrade,
124. [appellant sub 110], wonend te Landgraaf,

en

provinciale staten van Limburg,
verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2010, kenmerk CAS201000013587 en DOC201000126922, heeft het college van gedeputeerde staten hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het inpassingsplan "Buitenring Parkstad Limburg". Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] beroep ingesteld. Bij besluit van 8 oktober 2010 hebben provinciale staten met toepassing van artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het inpassingsplan "Buitenring Parkstad Limburg" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben ieder voor het geding waarin zij verweerder zijn, een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht in elk geding een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.
Een aantal appellanten heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 12, 13, 14, 16, 19, 21, 22 en 23 september 2011, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Ook het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Het inpassingsplan

2.1. Het inpassingsplan voorziet in de realisering van een ringweg (de BPL) in het gebied van de Stadsregio Parkstad Limburg. Parkstad is een plusregio in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen en omvat de gemeenten Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Onderbanken, Simpelveld en Voerendaal.

Het tracé van de BPL loopt vanaf de aansluiting van de N298 op de A76 bij Nuth tot aan de aansluiting van de N300 op de N281 bij Avantis European Science and Businesspark. Het inpassingsplan voorziet deels in de opwaardering van de bestaande wegen N298, N299 en N300 en deels in de aanleg van nieuwe weggedeelten. Ook maken de aansluiting bij Nuth op de A76 en de aansluiting op de N281 (verkeersplein Avantis) deel uit van het plan. De lengte van het tracé is ongeveer 26 km. Daarvan ligt ongeveer 8 km over bestaande wegen die zullen worden opgewaardeerd tot autoweg. Ongeveer 18 km zal nieuw worden aangelegd. Het tracé loopt door de gemeenten Nuth, Heerlen, Schinnen, Brunssum, Onderbanken, Landgraaf en Kerkrade. De BPL zal worden uitgevoerd met een wegprofiel van 2x2 rijstroken en uitsluitend ongelijkvloerse kruisingen. Er zal een maximaal toegestane snelheid gelden van 100 km/uur.

Het besluit hogere waarden

2.2. Vanwege het geluid van de BPL zijn voor woningen in Brunssum, Hoensbroek, Amstenrade, Kerkrade en Nuth alsmede voor een woonwagenstandplaats in Brunssum hogere waarden vastgesteld. Vanwege de aanleg van de Nutherweg, de reconstructie van de Randweg (N298), de reconstructie van de Schuureikenweg, de reconstructie van de Akerstraat Noord en Allee en de reconstructie van de Nieuwenhagerheidestraat zijn hogere waarden vastgesteld voor woningen in Schinnen, Hoensbroek, Amstenrade en Landgraaf.

Ontvankelijkheid

Het beroep van [appellant sub 109]

2.3. [appellant sub 109] is eigenaar van de woningen op de percelen Alexandereik 9 en Birgittagracht 15 te Kerkrade.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is in afwijking van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.

2.3.2. In het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in samenhang met de kennisgeving van de terinzagelegging is vermeld dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op het besluit van toepassing is en dat de beroepsgronden in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

2.3.3. [appellant sub 109] heeft de gronden van zijn beroep niet in zijn beroepschrift vermeld. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat [appellant sub 109] niet in verzuim is geweest bij het niet binnen de beroepstermijn aanvoeren van zijn beroepsgronden, is het beroep van [appellant sub 109] niet-ontvankelijk.

Het beroep van Stichting Actie Comité Ten Esschen

2.4. De buurtschap Ten Esschen ligt langs de A76 ter hoogte van de Antwerpseweg. De kortste afstand tussen de buurtschap Ten Esschen en de BPL bedraagt ruim 3 km. Het inpassingplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen deze afstand.

Volgens het akoestisch onderzoek zal het verkeer op de A76 tussen Nuth en de Antwerpseweg met 10% afnemen en tussen de Antwerpseweg en Avantis neutraal blijven. Daarnaast zal het verkeer op de Antwerpseweg met 10% afnemen. Voorts staat in het deskundigenbericht dat de verkeersintensiteiten op de Antwerpseweg en de, in de nabijheid van de buurtschap gelegen, Beersdalweg lager zullen worden hetgeen tot een verbetering zal leiden van de luchtkwaliteit.

Gelet hierop en nu Stichting Actie Comité Ten Esschen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanleg van de BPL tot sluipverkeer in dan wel in de nabijheid van de buurtschap zal leiden, is voornoemde afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het inpassingsplan betrokken belang te kunnen aannemen.

Het beroep van Stichting Actie Comité Ten Esschen is niet-ontvankelijk.

ALGEMEEN DEEL

Formele beroepsgronden

Verwijzing naar zienswijzen

2.5. Voor zover appellanten in hun beroepschrift hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen, wordt overwogen dat in de overwegingen van de bestreden besluiten is ingegaan op deze zienswijzen. Voor zover in de onderscheiden beroepschriften noch ter zitting redenen zijn aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in zoverre onjuist zou zijn, kunnen die enkele verwijzingen naar de zienswijzen niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten.

Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet

2.6. Verscheidene appellanten hebben aangevoerd dat de procedurevoorschriften uit de Chw niet op het inpassingsplan van toepassing zijn.

Voorts is volgens verschillende appellanten de omstandigheid dat de Chw halverwege de procedure op het inpassingsplan van toepassing is geworden, in strijd met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (hierna: het Verdrag van Aarhus).

2.6.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 1.5 kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Ingevolge artikel 1.9 vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Ingevolge artikel 1.11, aanhef en onder b, is, indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, artikel 7.26 van die wet niet van toepassing.

Artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus bepaalt dat het betrokken publiek bij openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieu-besluitvormingsprocedure, en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze, wordt geïnformeerd over onder meer:

a. de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen;

b. de aard van mogelijke besluiten of het ontwerpbesluit;

c. de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie;

d. de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt:

i. de aanvang van de procedure;

ii. de mogelijkheden voor inspraak van het publiek;

iii. de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting;

iv. een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd;

v. een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en

vi. een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en

e. het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieu-effectrapportage.

2.6.2. Voor de toepasselijkheid van de Chw is, anders dan is aangevoerd, niet relevant of een project van economisch belang is. Van belang is dat het besluit betrekking heeft op een categorie projecten genoemd in bijlage I of een project genoemd in bijlage II van de Chw.

In bijlage II, onder E.12 (Wegenprojecten), is het project "Buitenring Parkstad (incl. aansluiting Nuth en aansluiting Avantis)" opgenomen. Hiermee wordt onmiskenbaar gedoeld op het thans in het geding zijnde project, bestaande uit de ontwikkeling en aanleg van de BPL, zodat de Chw op het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan van toepassing is.

Ten aanzien van het betoog dat zich strijd met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus voordoet, wordt overwogen dat dit artikel met name betrekking heeft op het in een milieubesluitvormingsprocedure informeren van het publiek omtrent de voorgestelde activiteit en de beoogde procedure. Provinciale staten hebben er terecht op gewezen dat de activiteit en te volgen procedure reeds in de Startnotitie Tracénota/MER-UVS van 27 juni 2006 uitvoerig zijn uiteengezet. De op 31 maart 2010 in werking getreden Chw die van toepassing is op het onderhavige project, heeft voorts geen verandering gebracht in de toepasselijkheid van de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus genoemde aspecten van de procedure. Gezien het vorenstaande is geen sprake van strijd met voormelde bepaling.

Beantwoording zienswijzen

2.7. Verscheidene appellanten hebben bezwaar tegen de manier waarop provinciale staten de ingediende zienswijzen tegen het ontwerpinpassingsplan hebben behandeld. In dit verband is aangevoerd dat niet expliciet op alle onderdelen van de zienswijzen is ingegaan. Bij het beantwoorden van de zienswijzen is volgens appellanten voorts ten onrechte volstaan met algemene antwoorden.

Verder betogen verschillende appellanten dat het inpassingsplan niet in overeenstemming met de Awb is bekendgemaakt, aangezien provinciale staten er ten onrechte van zijn uitgegaan dat een ieder de beschikking heeft over een computer en de daarbij behorende programma’s. Ten onrechte zijn geen schriftelijke afschriften van de beantwoording van de zienswijzen verstrekt, aldus verschillende appellanten.

2.7.1. Provinciale staten stellen dat er, gelet op het zeer grote aantal ingediende zienswijzen tegen het ontwerpinpassingsplan, voor is gekozen om veel zienswijzen van een samenvattende algemene reactie te voorzien, welke kan dienen als reactie voor verschillende indieners van zienswijzen. Bij deze keuze heeft volgens provinciale staten een rol gespeeld dat veel indieners dezelfde onderwerpen aan de orde hebben gesteld en dat bovendien een groot aantal gelijkluidende zienswijzen is ingediend aan de hand van een model dat is opgesteld door een belangenorganisatie of politieke partij. Volgens provinciale staten is ingegaan op de individuele situatie van een appellant wanneer de specifieke situatie daartoe aanleiding gaf.

2.7.1.1. In artikel 3.26, tweede lid, van de Wro, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de vaststelling van een provinciaal inpassingsplan de afdelingen 3.1 en 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor "bestemmingsplan" "inpassingsplan" wordt gelezen en voor "gemeentebestuur" "provinciaal bestuur", en dat met betrekking tot afdeling 3.2 provinciale staten in de plaats treden van de gemeenteraad, en het college van gedeputeerde staten in de plaats treedt van het college van burgemeester en wethouders.

Ingevolge afdeling 3.2, artikel 3.8, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing […].

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, geschiedt de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan binnen twee weken na de vaststelling. Het college van burgemeester en wethouders plaatst de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzendt het de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stelt het het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:

a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan het bestuursorgaan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, kan het bestuursorgaan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten.

2.7.2. Op 8 oktober 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan vastgesteld. Het inpassingsplan heeft van 25 november 2010 tot en met 6 januari 2011 ter inzage gelegen in de bibliotheek van het Gouvernement, de gemeentehuizen van Heerlen, Landgraaf, Schinnen, Brunssum, Kerkrade, Nuth en Onderbanken en het regiokantoor van Parkstad Limburg, alsook op verschillende plaatsen in Duitsland. Het inpassingsplan is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit in enkele regionale dagbladen. Voorts heeft kennisgeving plaatsgevonden in de Staatscourant van 26 november 2010.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, in samenhang met het bepaalde in de artikelen 3:43, eerste lid, en 3:44 van de Awb, kon toezending van het besluit achterwege worden gelaten aangezien meer dan 250 personen zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Provinciale staten hebben de indieners van een zienswijze evenwel bij de brief met de kennisgeving van het besluit een CD-ROM met de nota van zienswijzen van oktober 2010 toegestuurd. In de desbetreffende nota van zienswijzen is ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijzen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 20 april 2011 in de zaken nrs. 201010677/1/R1 en 201010677/3/R1), verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, vormt op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten niet in de besluitvorming zijn betrokken.

Voorts hebben provinciale staten er terecht op gewezen dat de nota van zienswijzen behorende bij het inpassingsplan voor degenen die niet de beschikking hadden over een computer, ter inzage heeft gelegen in voormelde bibliotheek en gemeentehuizen, het regiokantoor van

Parkstad Limburg en op verschillende plaatsen in Duitsland.

Gelet op het voorgaande is het inpassingsplan overeenkomstig het bepaalde in de Awb bekendgemaakt. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de ingediende zienswijzen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken en evenmin dat onvoldoende kennis kon worden genomen van het inpassingsplan.

Terinzagelegging

2.8. Verschillende appellanten hebben bezwaren aangevoerd ten aanzien van de wijze waarop de terinzagelegging van zowel het ontwerpinpassingsplan als het vastgestelde inpassingsplan heeft plaatsgevonden.

De terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan is volgens verscheidene appellanten onvolledig geweest. Bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek is in een latere fase uitsluitend aan de indieners van een zienswijze toegezonden. Degenen die geen zienswijze hebben ingediend, zijn volgens appellanten ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld ten aanzien van voormelde bijlage alsnog een zienswijze in te dienen. Verschillende appellanten stellen dat hun door deze handelwijze bovendien de mogelijkheid is ontnomen een integrale zienswijze in te dienen, zodat is gehandeld in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010 in zaak nr. 200904183/3/R2.

Een aantal appellanten betoogt voorts dat in strijd met artikel 3:11 van de Awb bij de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan niet alle voor de beoordeling van de effecten van het inpassingsplan op de Natura 2000-gebieden van belang zijnde stukken ter inzage zijn gelegd. Verscheidene appellanten betogen verder dat een aantal andere onderzoeken niet bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage is gelegd, dan wel dat deze onderzoeken zijn verricht na de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan en vervolgens niet ter inzage zijn gelegd.

Voorts hebben verschillende appellanten aangevoerd dat de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan ten onrechte in de zomerperiode heeft plaatsgevonden. Ook betogen zij dat de zienswijzetermijn ten onrechte is bekort doordat eerst halverwege deze termijn de informatiemarkt heeft plaatsgevonden.

2.8.1. Ten aanzien van de terinzagelegging van het vastgestelde inpassingsplan hebben verschillende appellanten aangevoerd dat is gebleken dat zestien bladzijden uit bijlage 5 bij het akoestisch rapport ontbraken. In december 2010 is om die reden een aangevuld akoestisch rapport ter inzage gelegd. Hieruit volgt volgens appellanten dat de volledige inhoud van het akoestisch rapport ten tijde van de besluitvorming niet bekend was. De beroepstermijn van zes weken is volgens hen daarom vanaf het moment van terinzagelegging van het aangevulde akoestisch rapport opnieuw gaan lopen.

Verschillende appellanten hebben er tevens op gewezen dat de aan het inpassingsplan ten grondslag liggende rapporten veelal zijn gedateerd op 8 oktober 2010. Volgens hen is uitgesloten dat deze rapporten met het inpassingsplan ter inzage hebben gelegen.

Verder heeft de terinzagelegging van het vastgestelde inpassingsplan volgens verschillende appellanten eveneens op een ongunstig moment, te weten rond de kerstperiode, plaatsgevonden.

Ten slotte betogen enkele appellanten dat enkele op het inpassingsplan betrekking hebbende onderzoeken ten onrechte uitsluitend digitaal ter beschikking zijn gesteld. Zij achten dit in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM.

2.8.2. Het ontwerpinpassingsplan heeft van 17 juni 2010 tot en met 28 juli 2010 ter inzage gelegen. Het akoestisch onderzoek zelf, inclusief de bijlagen, met uitzondering van bijlage 2, heeft gedurende zes weken met het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek niet gedurende de volledige zes weken ter inzage heeft gelegen. Tijdens de terinzageligging is gebleken dat bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek, deelrapport 10a van 4 juni 2010, "Overzicht gehanteerde verkeersgegevens geluid", aanvankelijk niet ter inzage heeft gelegen. Om deze omissie te herstellen, zijn de ontbrekende verkeersgegevens op 3 augustus 2010 alsnog ter inzage gelegd en is aan alle indieners van een zienswijze de ontbrekende bijlage toegezonden. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende vier weken, tot en met 30 augustus 2010, een nadere zienswijze in te dienen. Onbekende belanghebbenden zijn hierdoor naar het oordeel van de Afdeling niet in hun belangen geschaad, aangezien uit de wel reeds vanaf het begin ter inzage gelegde stukken, waaronder het ontwerpinpassingsplan en het akoestisch onderzoek, duidelijk was welk project het provinciebestuur voornemens was te realiseren. Indien iemand op basis van die ter inzage gelegde stukken geen bezwaar had tegen de aanleg van de BPL, dan is niet aannemelijk dat diegene dat bezwaar wel zou hebben na kennisneming van een bijlage betreffende verkeersgegevens in één van de onderliggende onderzoeken. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 1.5 van de Chw te passeren.

Voor zover appellanten betogen dat is gehandeld in strijd met voormelde uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010, wordt overwogen dat het onderhavige geval niet overeenkomt met de situatie in die uitspraak, aangezien in dat geval het gehele akoestisch onderzoek niet met het ontwerpplan ter inzage had gelegen. Nu uit de gegevens in bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek volgt dat de conclusies van dit onderzoek niet zijn gewijzigd, is niet gebleken dat appellanten door het niet alsnog toelaten van een betwisting van het gehele akoestisch onderzoek in hun belangen zijn geschaad.

Voorts hebben provinciale staten uiteengezet dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan alle op dat moment beschikbare rapporten omtrent de effectenbeoordeling ten aanzien van de Natura 2000-gebieden ter inzage zijn gelegd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. In de bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegde rapporten is aangekondigd dat een nadere actuele effectenbeoordeling zou worden gemaakt met de meest recente wetenschappelijke gegevens, die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan nog niet bekend waren. Nu deze nadere effectenbeoordeling ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp nog niet voorhanden was, kon deze beoordeling niet met het ontwerp ter inzage worden gelegd. Niet is gebleken dat belanghebbenden niet op een later tijdstip kennis hebben kunnen nemen van de nadere effectenbeoordeling. Voor zover appellanten betogen dat zij alsnog in de gelegenheid dienden te worden gesteld een zienswijze tegen de aanvulling van de passende beoordelingen naar voren te brengen, overweegt de Afdeling dat een nadere zienswijzeprocedure uitsluitend in de rede ligt indien de aanvullingen zeer omvangrijk zijn en sterk afwijken van het hoofdrapport. Deze omstandigheden doen zich hier niet voor.

Ten aanzien van het betoog dat een aantal andere onderzoeken niet bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage is gelegd, wordt overwogen dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit dat is verricht ten behoeve van het ontwerpinpassingsplan is geactualiseerd en dat de resultaten van dit onderzoek niet zijn gewijzigd. Het onderzoek naar stikstofdepositie dat ten behoeve van het ontwerpinpassingsplan is gedaan, is geactualiseerd, omdat kort voor de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan nieuwe emissiefactoren en achtergrondwaarden bekend zijn gemaakt. Voorts is het onderzoek naar de externe veiligheid van de hogedrukgasleidingen van Gasunie geactualiseerd op basis van het definitieve wegontwerp. Nu al deze nadere onderzoeken dateren van na de periode van de terinzageligging van het ontwerpinpassingsplan, konden deze evenmin met het ontwerpinpassingsplan ter inzage worden gelegd.

Voorts is er geen rechtsregel die provinciale staten verplicht nadere onderzoeksrapporten ter inzage te leggen alvorens het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan ter inzage te leggen. Bovendien hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat alle rapporten die ten grondslag zijn gelegd aan het plan ter inzage zijn gelegd en zijn gepubliceerd op de website www.buitenring.nl. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is geweest.

2.8.3. Het vastgestelde inpassingsplan heeft van 25 november 2010 tot en met 6 januari 2011 ter inzage gelegen. Gebleken is dat bij de terinzagelegging zestien bladzijden uit bijlage 5 bij het akoestisch rapport ontbraken. Provinciale staten hebben deze omissie hersteld door de desbetreffende bladzijden vanaf 25 december 2010 digitaal beschikbaar te stellen op de website www.buitenring.nl en vanaf 27 december 2010 in papieren vorm op een groot aantal locaties ter inzage te leggen. De indieners van een zienswijze zijn hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Het betoog dat de stukken slechts digitaal ter beschikking zijn gesteld mist, gelet op het voorgaande, feitelijke grondslag. Derhalve wordt reeds daarom geen aanleiding gezien voor het oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM dan wel artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM.

De Afdeling stelt voorts vast dat het gaat om de terinzagelegging van het bestreden besluit. Zou met betrekking tot de terinzagelegging van het vastgestelde inpassingsplan van onregelmatigheden, zoals de beweerdelijk niet ter inzage gelegen hebbende rapporten van 8 oktober 2010, sprake zijn, dan kan dit niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Overigens is niet gebleken dat appellanten door voormelde handelwijze van provinciale staten in hun belangen zijn geschaad. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de beroepstermijn vanaf het moment van terinzagelegging van het aangevulde akoestisch rapport opnieuw is gaan lopen.

2.8.4. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat het ontwerpinpassingsplan en het vastgestelde inpassingsplan ten onrechte in vakantieperioden ter inzage hebben gelegen en dat eerst halverwege de zienswijzetermijn de informatiemarkt is gehouden, wordt overwogen dat de Wro noch de Awb zich tegen die handelwijze verzet en dat dit evenmin met zich brengt dat de zienswijzetermijn is bekort.

Onzorgvuldige voorbereiding en totstandkoming plan

2.9. Verschillende appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het inpassingsplan niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij hebben in dit verband aangevoerd dat de keuze voor een ringstructuur door provinciale staten niet is gemotiveerd. Voorts hebben provinciale staten zich volgens verschillende appellanten reeds vanaf een vroeg stadium geconcentreerd op de aanleg van de BPL binnen één bepaalde corridor. Andere mogelijke corridors en de nulplusvariant hebben provinciale staten volgens hen niet serieus overwogen. Voorts is onder verwijzing naar twee alternatieven aangevoerd dat provinciale staten ten onrechte geen corridors tegen elkaar hebben afgewogen.

Enkele appellanten hebben zich verder op het standpunt gesteld dat uit het feit dat provinciale staten in hun vergadering van 8 oktober 2010 een aantal moties hebben aangenomen, kan worden afgeleid dat het vaststellingsbesluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Verschillende appellanten hebben er voorts op gewezen dat de aan het inpassingsplan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten veelal zijn gedateerd op 8 oktober 2010. Volgens hen is het gelet hierop niet aannemelijk dat provinciale staten ten tijde van de vaststelling van het besluit van de inhoud van de desbetreffende rapporten op de hoogte hebben kunnen zijn.

Voorts is aangevoerd dat het rapport "Buitenring Parkstad Limburg Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys Nederland B.V. (hierna: Ecorys) van 8 oktober 2010, dat ten grondslag ligt aan het inpassingsplan, ten onrechte in een zeer laat stadium is opgesteld.

Verder is volgens verschillende appellanten sprake van schending van het fair play-beginsel, aangezien het rapport over het nulplusalternatief van onderzoeksbureau DHV eerst in augustus 2010 is gepubliceerd, voormeld rapport van Ecorys eerst kort voor de terinzagelegging van het inpassingsplan is vrijgegeven en bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek moest worden nagestuurd.

Enkele appellanten hebben ten slotte aangevoerd dat zij geen daadwerkelijke invloed op de inhoud van het plan hebben kunnen uitoefenen, omdat te weinig overleg met de bewoners is gevoerd en bij de informatiebijeenkomsten fundamentele aspecten zoals alternatieven voor de BPL of optimalisaties van het tracé, niet ter discussie stonden.

Keuze voor een ringstructuur en de afweging van alternatieven waaronder het nulplusalternatief

2.9.1. Het betoog van appellanten dat provinciale staten niet hebben gemotiveerd waarom is gekozen voor een ringstructuur, kan niet worden gevolgd. In de startnotitie voor de tracé/MER-studie Buitenring Parkstad Limburg van 7 september 1999 is hieromtrent vermeld dat voor het goed functioneren van het stedelijk gebied van Parkstad een goede ontsluiting op minimaal regionaal niveau is vereist, bij voorkeur in de vorm van een omsluitende ringwegstructuur waarop centrale overstap- en overslagpunten aangesloten kunnen worden. Voorts hebben provinciale staten er onder meer ter zitting op gewezen dat is gekozen voor een ringstructuur vanwege de ontsluiting van het regionale en interregionale verkeer. Met een ringstructuur kan het verkeer uit de kernen worden geweerd, zodat daar minder sprake is van verkeersoverlast, geluidsoverlast en stank. Provinciale staten hebben gezien deze motivering in redelijkheid een ringstructuur als uitgangspunt kunnen nemen voor de aanleg van de BPL.

Provinciale staten hebben voorts toegelicht hoe de besluitvorming omtrent het te kiezen tracé binnen die ringstructuur heeft plaatsgevonden. In dit verband hebben provinciale staten uiteengezet dat in augustus 2000, in de eerste fase van de m.e.r.-procedure, de Tracénota/MER fase 1 is opgesteld, waarbij het gebied van Parkstad is opgedeeld in de segmenten A tot en met F. Deze alternatieve segmenten, ook wel corridors genaamd, zijn in deze fase met elkaar vergeleken. Op basis van de resultaten uit het MER fase 1 is in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2001 (hierna: het POL 2001) een corridor opgenomen voor de realisatie van de BPL.

Volgend op het MER fase 1 zijn in de tweede fase van het MER de verschillende tracé-alternatieven, alsmede de milieugevolgen hiervan, inzichtelijk gemaakt. Deze fase van het MER is gecombineerd met de Umweltsverträglichkeitsstudie (hierna: UVS) voor de Duitse B258n. Er is een integrale MER/UVS-studie uitgevoerd die heeft geresulteerd in de Tracénota/MER-UVS Buitenring Parkstad-B258n (hierna: TN/MER-UVS) van 27 mei 2008. Hierin zijn negentien tracé-alternatieven onderzocht. Voorts zijn binnen het basisontwerp van deze alternatieven variaties onderzocht. In de TN/MER-UVS is een meest milieuvriendelijk alternatief (hierna: mma) opgenomen. Het mma is als uitgangspunt genomen voor de bepaling van het voorkeursalternatief. Bij de bepaling van het voorkeursalternatief zijn naast de thema’s mens en omgeving ook de thema’s verkeer, economie en toerisme afgewogen en zijn bovendien het bestuurlijk en maatschappelijk belang en de kosten meegenomen. Het mma en mogelijke alternatieven zijn aan bovenstaande aspecten getoetst, hetgeen heeft geresulteerd in een bestuurlijk voorkeursalternatief. Zowel de richtlijnen van de Commissie voor de milieu-effectrapportage (hierna: de Commissie m.e.r.) als de zienswijzen hebben volgens provinciale staten geen aanleiding gegeven om andere, geheel nieuwe, alternatieven te onderzoeken.

Mede op basis van de TN/MER-UVS heeft het college van gedeputeerde staten een standpunt ingenomen over het voorkeurstracé. Beide documenten hebben ter inzage gelegen en een ieder heeft zijn zienswijze daarover kenbaar kunnen maken. De Commissie m.e.r. heeft, rekening houdend met de inspraakreacties, op 11 november 2008 een toetsingsadvies uitgebracht over de TN/MER-UVS, inclusief de eerste aanvulling op het MER. In dit toetsingsadvies heeft de Commissie m.e.r. opgemerkt dat in het MER fase 1 de corridor is afgebakend en dat in die fase de alternatieven buiten de corridor zijn onderzocht. Alternatieven behoefden dus niet meer in het MER fase 2 te worden onderzocht. Volgens de Commissie m.e.r. diende uitsluitend aannemelijk te worden gemaakt dat de conclusies uit het MER fase 1 nog steeds golden en ten grondslag konden worden gelegd aan het inpassingsplan. In de tweede aanvulling op het MER van 4 juni 2010 hebben provinciale staten met inachtneming van het advies van de Commissie m.e.r. de ontwikkelingen na het opstellen van het MER fase 1 onderzocht, waarbij is geconcludeerd dat de corridor zoals deze is opgenomen in het POL 2001 en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg van 22 september 2006 (hierna: het POL 2006) nog steeds actueel is en het MER fase 1 mede ten grondslag kan worden gelegd aan het inpassingsplan.

Gezien de hiervoor weergegeven toelichting van provinciale staten bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar alternatieven voor het voorkeurstracé van de BPL. Ter zitting hebben provinciale staten voorts verduidelijkt dat de door appellanten aangevoerde alternatieven reeds in 2001 in het beginstadium van het besluitvormingsproces van het uiteindelijke tracé van de BPL zijn beoordeeld. Provinciale staten hebben bij het bepalen van het definitieve tracé van de BPL in redelijkheid van belang kunnen achten dat bij een omvangrijk project als het onderhavige, waarbij vele varianten een rol spelen, een zekere trechtering gedurende het besluitvormingsproces onvermijdelijk en noodzakelijk is. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit is in zoverre derhalve geen sprake.

Voorts kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun standpunt dat provinciale staten het nulplusalternatief onvoldoende hebben onderzocht. Provinciale staten hebben er op gewezen dat in het kader van de eerste fase van de m.e.r.-procedure reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden naar het nulplusalternatief. Mede gelet op de zienswijzen die zijn ingediend tegen de TN/MER-UVS en het voorkeurstracé van de BPL, heeft de provincie Limburg onderzoeksbureau DHV verzocht dat onderzoek naar het nulplusalternatief te actualiseren en te verdiepen. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Verkeerskundige effecten van een nulplusalternatief voor de Buitenring Parkstad Limburg" van onderzoeksbureau DHV van augustus 2010, waarbij rekening is gehouden met de meest actuele bevolkings- en sociaal-economische gegevens. Van een onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar het nulplusalternatief is, gelet op het vorenstaande, geen sprake.

Moties

2.9.2. Anders dan enkele appellanten stellen kan uit de omstandigheid dat provinciale staten in hun vergadering van 8 oktober 2010 een aantal moties hebben aangenomen niet worden afgeleid dat het vaststellingsbesluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat uit het feit dat voormelde moties gelijktijdig met het vaststellingsplan zijn aangenomen, blijkt dat het in het inpassingsplan opgenomen tracé op zichzelf aanvaardbaar is, maar dat zij een verdere optimalisering daarvan onderzocht willen zien. Hieruit kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden geconcludeerd dat het onderzoek ten behoeve van het inpassingsplan onzorgvuldig is geweest.

Rapport Ecorys

2.9.3. Ten aanzien van het onderzoek door Ecorys hebben provinciale staten opgemerkt dat de datum op het onderzoeksrapport niet de datum is waarop dat rapport is opgesteld. Een eerste versie van het rapport dateert van juni 2010. Het rapport is afgerond in oktober 2010 om zodoende de meest actuele gegevens aan het inpassingsplan ten grondslag te kunnen leggen. De datum op het rapport van Ecorys is volgens provinciale staten na de terinzagelegging slechts aangepast aan de datum van vaststelling van het inpassingsplan, te weten 8 oktober 2010. Uit de nota van wijzigingen blijkt dat het rapport inhoudelijk niet is aangepast. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het desbetreffende rapport van Ecorys op een onzorgvuldig laat moment in de procedure is opgesteld.

Voor zover is aangevoerd dat het ontwerpinpassingsplan zodanig gewijzigd is vastgesteld dat het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 hierdoor achterhaald is en niet meer ziet op het uiteindelijk vastgestelde tracé, wordt als volgt overwogen. In het rapport van 8 oktober 2010 heeft een toetsing van het ontwerpinpassingsplan plaatsgevonden op doelbereik om te onderzoeken of de BPL voldoet aan de verschillende doelstellingen die het provinciebestuur met de verbinding nastreeft en is een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd. Niet is aannemelijk gemaakt dat de afwijkingen van het ontwerpinpassingsplan naar aard en omvang zo groot zijn dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander inpassingsplan voorligt, zodat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat van de uitgangspunten van het rapport van Ecorys kan worden uitgegaan.

Onderzoeksrapporten van 8 oktober 2010

2.9.4. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat veel van de aan het inpassingsplan ten grondslag gelegde rapporten zijn gedateerd op 8 oktober 2010, wordt overwogen dat provinciale staten met het nemen van het vaststellingsbesluit op die datum ook hebben ingestemd met de tekst van de rapporten die aan dat besluit ten grondslag zijn gelegd. Een deel van de rapporten is niet gewijzigd ten opzichte van de rapporten die ten tijde van het ontwerpinpassingsplan beschikbaar waren. Een deel van de rapporten is gewijzigd met inachtneming van de door provinciale staten bij het vaststellingsbesluit aangebrachte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpinpassingsplan. Alle wijzigingen in de rapporten ten opzichte van de conceptrapporten zijn opgenomen in de vastgestelde nota van wijzigingen. Het voorgaande in aanmerking genomen, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten de inhoud van deze rapporten ten tijde van het vaststellen van het besluit op 8 oktober 2010 niet kenden.

Schending van het fair play-beginsel

2.9.5. Ten aanzien van het betoog dat het fair play-beginsel is geschonden, wordt overwogen dat niet is betwist dat het rapport van Ecorys van juni 2010 ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpinpassingsplan, zodat niet valt in te zien dat in zoverre sprake zou zijn van schending van het fair play-beginsel.

Provinciale staten hebben er ten aanzien van het rapport van DHV van augustus 2010 op gewezen dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, het rapport een actualisatie en verdieping betreft van het in het kader van de eerste fase van de m.e.r.-procedure verrichte onderzoek naar het nulplusalternatief. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van schending van het fair play-beginsel door het rapport over het nulplusalternatief eerst in augustus 2010 te publiceren.

Met betrekking tot het betoog dat bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek moest worden nagestuurd, zodat om die reden sprake is van schending van het fair play-beginsel, is hiervoor reeds overwogen dat die bijlage op 3 augustus 2010 alsnog ter inzage is gelegd en aan alle indieners van zienswijzen is toegezonden. Onbekende belanghebbenden zijn hierdoor naar het oordeel van de Afdeling niet in hun belangen geschaad. Appellanten kunnen gezien het vorenstaande niet worden gevolgd in hun standpunt dat het fair play-beginsel is geschonden.

Ontbreken van overleg met bewoners

2.9.6. Voor zover is aangevoerd dat te weinig overleg met de bewoners is gevoerd, wordt overwogen dat aan de bewoners de wettelijke mogelijkheid is geboden hun zienswijze op het ontwerpinpassingsplan naar voren te brengen. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de zienswijzetermijn en het bieden van nadere inspraakmomenten na de zienswijzetermijn maken geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde procedure voor inpassingsplannen. Het schenden van een mogelijke inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de planprocedure en het inpassingsplan. Overigens hebben provinciale staten toegelicht dat onder meer in het kader van het TN/MER-UVS en het voorkeurstracé zeven informatieavonden hebben plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan twee door bewoners aangedragen alternatieven, waaronder een verdiepte ligging van de BPL, zijn onderzocht. Gelet hierop is het plan om deze reden niet vastgesteld in strijd met het recht of de te betrachten zorgvuldigheid.

Algemene inhoudelijke beroepsgronden

Nut, noodzaak, maatschappelijke kosten en baten-analyse (MKBA)

2.10. Verschillende appellanten betwisten de behoefte aan dan wel de noodzaak van de BPL. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat uit het feit dat meer dan 1.000 burgers, een aantal maatschappelijke organisaties alsook overheidsorganen zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpinpassingsplan volgt dat onvoldoende draagvlak bestaat voor de BPL.

Voorts hebben appellanten betwist dat de doelstellingen van de BPL zullen worden gerealiseerd. Zij betwijfelen of de maatschappelijke en verkeerskundige voordelen van de BPL in overwegende mate groter zijn dan de nadelen en de kosten ervan. De verstrekte verkeersprognoses zijn volgens hen onvoldoende onderbouwd en daarmee is onvoldoende aannemelijk dat de weg in deze omvang noodzakelijk is.

Verder twijfelen appellanten aan de effectiviteit van de BPL. De verkorting van de reistijden die als gevolg van de verwezenlijking van de BPL ontstaat, is volgens appellanten dermate gering, dat deze nagenoeg geen bijdrage levert aan de economische en toeristische ontwikkeling van de regio. Bovendien twijfelen appellanten aan het economisch belang dat wordt gediend met een verkorting van de reistijd van en naar Aken, aangezien het grootste deel van de beroepsbevolking van Parkstad Limburg niet in de regio Aken werkt.

Ook andere doelstellingen van het inpassingsplan, zoals het verbeteren van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid, de verkeersleefbaarheid en de wegstructuur, worden met de BPL volgens verscheidene appellanten niet gerealiseerd. Het niveau van de verkeersveiligheid in de regio ligt bovendien niet onder het landelijk gemiddelde, zodat een verbetering hiervan geen dwingende maatschappelijke noodzaak dient.

Het is volgens appellanten bovendien twijfelachtig of de bewoners van Parkstad Limburg de BPL zullen gaan gebruiken in plaats van de hun vertrouwde routes.

2.10.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van nut en noodzaak van de BPL als uitgangspunt moet worden genomen dat de BPL een infrastructuurproject is.

Het doel van de BPL is primair het oplossen van de problemen in de verkeersstructuur van Parkstad Limburg, door functie en gebruik van het wegennet in de regio beter met elkaar in overeenstemming te brengen. De overige doelstellingen moeten volgens provinciale staten niet als afzonderlijke hoofddoelstelling worden beschouwd. Met de BPL wordt een duidelijke en passend ingerichte route voor regionaal en bovenregionaal verkeer gerealiseerd, die de kernen in Parkstad Limburg met elkaar en met andere regio’s op vlotte wijze verbindt. Functie en gebruik van het wegennet in de regio worden door de BPL volgens provinciale staten beter met elkaar in overeenstemming gebracht. Hiertoe worden lokaal en doorgaand verkeer van elkaar gescheiden en wordt het onderliggende wegennet ontlast van het doorgaande verkeer. Dit heeft volgens provinciale staten tevens een verbetering van de bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid in de kernen in Parkstad Limburg tot gevolg.

Daarbij zullen met de BPL ook het ondernemingsklimaat en de toeristisch-recreatieve sector in het gebied een impuls krijgen. De provincie Limburg heeft Ecorys een toetsing op doelbereik laten uitvoeren om te onderzoeken of de BPL voldoet aan de verschillende doelstellingen die het provinciebestuur met de verbinding nastreeft. Daarnaast heeft Ecorys in opdracht van de provincie een MKBA uitgevoerd, waarin is nagegaan of de baten van de BPL opwegen tegen de benodigde investeringen. Ecorys is in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 tot de conclusie gekomen dat de BPL op de meeste punten voldoet aan de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. De BPL verbetert de verkeersstructuur in Parkstad Limburg en daarmee de interne en externe bereikbaarheid alsook de leefbaarheid en verkeersveiligheid aldaar. Daarbij versterkt de BPL de economische structuur, zij het dat het gaat om bescheiden positieve effecten. De MKBA laat volgens provinciale staten voorts zien dat de BPL een efficiënte investering betreft. De maatschappelijke baten zijn hoger dan de maatschappelijke kosten. In een gevoeligheidsanalyse is daarbij ook het uiteindelijk gekozen tracé wat betreft doelbereik en maatschappelijke kosten en baten op globale wijze vergeleken met drie andere alternatieven voor de BPL. Die alternatieven scoren elk minder in doelbereik en hebben een lagere netto-contante waarde en baten-/kostenverhouding.

2.10.2. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van een besluit voor een infrastructureel project als de BPL een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen dat de door het bestuursorgaan te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

De omstandigheid dat een groot aantal zienswijzen is ingediend, is derhalve niet relevant. Provinciale staten hebben voorts het oplossen van de problemen in de verkeersstructuur van Parkstad Limburg als hoofddoel van de BPL kunnen nemen.

2.10.3. In dit verband is van belang dat blijkens de conclusie van de toetsing op doelbereik in het rapport van Ecorys de BPL een effectieve en efficiënte investering is. De BPL voldoet volgens dit rapport op de meeste punten goed aan de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. Het ontwerp van de BPL als een hoogwaardige verbinding met een hoge ontwerpsnelheid, 2x2 rijstroken en uitsluitend ongelijkvloerse kruisingen, draagt hier volgens voormeld rapport van Ecorys aan bij. Voorts is in dat rapport geconcludeerd dat het project vanuit economisch oogpunt wenselijk is. Over de gehele analyseperiode wegen de maatschappelijke baten op tegen de kosten, hetgeen tot uitdrukking komt in de baten-/kostenverhouding die de verhouding tussen de baten en kosten uitdrukt. Die verhouding bedraagt 1,1. Vooral de reistijdwinsten en de verkeersveiligheidseffecten zijn de belangrijkste baten van de BPL. Appellanten hebben niet nader onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersprognoses die aan het rapport van Ecorys ten grondslag liggen onjuist zijn.

Uit het eerdervermelde rapport van Ecorys volgt voorts dat zowel de interne als de externe bereikbaarheid van Parkstad Limburg zal worden verbeterd als gevolg van de realisatie van de BPL. De BPL zorgt voor een substantiële afname van reistijden tussen verschillende locaties binnen Parkstad Limburg en voor substantieel kortere reistijden tussen de oostzijde van Parkstad Limburg en Aken. Dit geldt evenzeer voor reistijden op oost-westverplaatsingen in Parkstad Limburg. Uit deelrapport 4A, "Verkeerskundig Onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg", van 8 oktober 2010 (hierna: het verkeerskundig onderzoek), volgt verder dat tussen Kerkrade en Aken in de ochtend- en avondspits een vermindering van reistijd van onderscheidenlijk 35% en 38% zal optreden. Buiten de ochtend- en avondspits zal een vermindering van 35% optreden.

In het kader van het belang van een verbetering van de externe bereikbaarheid van Parkstad Limburg hebben provinciale staten erop gewezen dat verbetering van de verbinding met het Duitse achterland nieuwe mogelijkheden biedt voor economische ontwikkeling. Er wordt samengewerkt met partners uit de regio Aken en er wordt gestreefd naar samenwerking tussen de academische ziekenhuizen. De BPL leidt tot een verbeterde bereikbaarheid van de RWTH Aken University. In de plantoelichting is in dit verband bovendien vermeld dat in het Regionaal Verkeer- en Vervoersplan, dat Parkstad Limburg in 2004 heeft opgesteld, is bepaald dat de bereikbaarheid van Parkstad Limburg moet zijn gericht op realisering van een concurrerende (EU-)regio Parkstad Limburg en Aken.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de interne en externe bereikbaarheid van Parkstad Limburg als gevolg van de verwezenlijking van de BPL zal verbeteren. Voor zover appellanten in dit verband hebben aangevoerd dat het als gevolg van de verbeterde bereikbaarheid voor de beroepsbevolking aantrekkelijk wordt zich buiten de regio te vestigen, wordt overwogen dat dit een door appellanten niet nader onderbouwd vermoeden betreft, dat bovendien niet afdoet aan de conclusie van het rapport van Ecorys dat de BPL een effectieve en efficiënte investering is.

2.10.4. Ten aanzien van het betoog van appellanten omtrent de marginale effecten van de BPL op de toeristische industrie in de regio, wordt overwogen dat provinciale staten onder verwijzing naar het eerdervermelde rapport van Ecorys het standpunt hebben kunnen innemen dat, hoewel de effecten van kortere reistijden van en naar Zuid-Limburg niet moeten worden overschat, redelijkerwijs mag worden verwacht dat hierdoor een positief effect ontstaat op het aantal dagrecreanten en dat dit een prikkel vormt voor een herhalingsbezoek of het combineren van bezoeken aan diverse attracties op een dag. Bovendien zal de BPL het zoekverkeer naar attracties verminderen aangezien de BPL zorgt voor een betere en meer herkenbare verkeersstructuur in Parkstad Limburg.

Het betoog dat in het rapport van Ecorys ten onrechte rekening is gehouden met de vestiging van de toeristische attractie Megapark op de oostflank van Brunssum mist feitelijke grondslag, nu de BPL volgens het rapport leidt tot een verbetering van het vestigings- en ondernemersklimaat van de toeristisch-recreatieve sector en de daadwerkelijke vestiging van concrete attracties hier niet bij is betrokken. Uit het voorgaande volgt dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de BPL een positieve bijdrage levert aan de toeristische ontwikkeling van de regio. Dat, zoals is aangevoerd, het niet aanleggen van de BPL geen nadelig effect zal hebben op de bezoekersaantallen van toeristische attracties, maakt, wat daarvan ook zij, het voorgaande niet anders.

2.10.5. Met betrekking tot de effecten van de BPL op de economische ontwikkeling in de regio hebben provinciale staten verwezen naar het rapport van Ecorys waarin is geconcludeerd dat de BPL voldoet aan de doelstelling het vestigings- en ondernemersklimaat in Parkstad Limburg te versterken voor zowel bestaande als nieuwe bedrijven.

De BPL resulteert naar verwachting in ongeveer 180 extra arbeidsplaatsen. De werkgelegenheidseffecten van de BPL zijn het gevolg van zowel lagere transportkosten als het licht grotere zoekgebied van werkgevers en werknemers. De werkgelegenheidseffecten zijn volgens voornoemd rapport vooral een gevolg van de lagere transportkosten. Als uitsluitend naar dat effect wordt gekeken resulteert de BPL naar verwachting in ongeveer 180 extra arbeidsplaatsen. Hiervan wordt ongeveer 80% gecreëerd bij bedrijven die direct profiteren van de BPL (de gebruikers van de verbinding) en ongeveer 20% bij bedrijven die weer producten aan deze bedrijven leveren (toeleveranciers). Voorts biedt de BPL, hoewel beperkt, volgens het rapport mogelijkheden voor de ontwikkeling van additionele bedrijventerreinen in Parkstad Limburg.

Het betoog van verscheidene appellanten dat het verbeteren van de wegstructuur een onvoldoende zwaarwegend belang vormt om het bestreden besluit op te baseren, aangezien de nieuwe verkeersstructuur geen aantoonbare bijdrage levert aan de economische ontwikkeling van de regio, kan gezien het vorenstaande niet worden gevolgd. Het verbeteren van de verkeersstructuur leidt tot een betere bereikbaarheid en daarmee tot een verbetering van het ondernemers- en vestigingsklimaat, zodat de economische ontwikkeling van de regio hiermee wordt ondersteund.

Voorts is aangevoerd dat een verbeterd vestigingsklimaat voor bedrijven geen garantie geeft dat bedrijven zich ook daadwerkelijk zullen vestigen en dat geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat het aantal bedrijven ook kan verminderen. Provinciale staten hebben er in dit verband op gewezen dat de BPL naar verwachting zal zorgen voor een betere ontsluiting van bestaande bedrijventerreinen en dat daarmee het vestigingsklimaat op deze terreinen zal worden verbeterd. Uit het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 volgt bovendien dat een goede bereikbaarheid van locaties van belang is voor het ondernemersklimaat en bij locatiekeuzes van bedrijven. Uit verschillende studies volgt dat een duidelijk verband bestaat tussen de kwaliteit van het infrastructuuraanbod en het locatiegedrag van bedrijven. Zo laat het rapport uit 2005 "Kennisassen en kenniscorridors - Over de structurerende werking van infrastructuur in de kenniseconomie" van het Ruimtelijk Planbureau zien dat locaties waarvan de bereikbaarheid onlangs is verbeterd, een functie vervullen bij het behouden van expansieve, vitale bedrijfstypen en bij het aantrekken van dergelijke bedrijven uit andere regio’s. Nieuwe infrastructuur stimuleert op die manier volgens het rapport van Ecorys ruimtelijke ontwikkelingen die anders niet of ergens anders zouden hebben plaatsgevonden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van Ecorys op dit punt ondeugdelijk zou zijn. Verder hebben provinciale staten gewezen op de Vestigingsklimaatmonitor Limburg, die volgens hen het belang aantoont van een goede bereikbaarheid voor het behoud en nieuwvestiging van bedrijven.

Voor zover is aangevoerd dat in de lijn van de verwachtingen ligt dat de Joint Force Command Headquarters en de USAG zullen worden verplaatst, waardoor het aantal bedrijven mogelijk zal verminderen en alternatieve tracés mogelijk zijn, wordt overwogen dat dit niet nader onderbouwde vermoedens zijn, zodat dit betoog reeds hierom niet kan worden gevolgd. Bovendien hebben provinciale staten ter zitting aangegeven dat van verplaatsing geen sprake is.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwachting bestaat dat de aanleg van de BPL, anders dan verscheidene appellanten betogen, een positieve invloed zal hebben op de ontwikkeling van bedrijven(terreinen) langs het tracé en daarmee aan de economische ontwikkeling van de regio.

2.10.6. Voor zover appellanten betwijfelen of de verkeersdeelnemers hun oude routes zullen verlaten en de BPL zullen gaan gebruiken, hebben provinciale staten er voorts terecht op gewezen dat uit de berekeningen in het verkeersmodel volgt dat de BPL een aanzienlijke hoeveelheid verkeer wegtrekt van het onderliggende wegennet. Voorts is niet onaannemelijk het standpunt van provinciale staten dat de algemene praktijk leert dat weggebruikers na openstelling van een nieuwe hoogwaardige infrastructuur, al dan niet na een korte gewenningsperiode, hun route aanpassen en dat de verkeersbelasting op de oude routes als gevolg hiervan daalt. Ter zitting hebben provinciale staten in dit kader bovendien opgemerkt dat weggebruikers zullen kiezen voor de snelste route en niet zozeer voor de kortste route. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

2.10.7. Ten aanzien van het betoog omtrent de verkeersveiligheid hebben provinciale staten hun standpunt dat de BPL voldoet aan de doelstelling om de verkeersveiligheid van Parkstad Limburg te verbeteren, gebaseerd op meergenoemd rapport van Ecorys. In dit rapport is vermeld dat ongelijksoortige verkeersstromen beter van elkaar worden gescheiden en de hiërarchie in het wegennet wordt versterkt, hetgeen leidt tot een verschuiving van verkeer van het onderliggende wegennet naar de BPL. Het aantal verkeersongevallen en -gewonden in Parkstad Limburg zal hierdoor met ongeveer 3% verminderen, aldus het rapport. Voorts is in het verkeerskundig onderzoek geconcludeerd dat uit analyse van het effect van de BPL op de verkeersveiligheid naar voren is gekomen dat een vermindering wordt verwacht van ongeveer 50 verkeersongevallen per jaar ten opzichte van de huidige situatie. Het aantal ziekenhuisgewonden daalt met ongeveer 55 slachtoffers op jaarbasis. Deze vermindering vindt met name plaats op de wegen binnen de bebouwde kom en houdt vooral een verbetering in voor de meest kwetsbare groepen, te weten voetgangers en fietsers. Daarbij dient volgens het verkeerskundig onderzoek te worden opgemerkt dat deze daling wordt bereikt ondanks de absolute toename van het aantal voertuigkilometers binnen Parkstad Limburg. Geconcludeerd wordt dat de komst van de BPL een verbetering betekent voor de hiërarchie en tot een herverdeling van de verkeersstromen van het onderliggende naar het hoofdwegennet leidt. Hierdoor ontstaat per saldo een verkeersveiliger wegennet, zo staat in het verkeerskundig onderzoek.

Het voorgaande vormt naar het oordeel van de Afdeling voldoende motivering voor het standpunt van provinciale staten dat de aanleg van de BPL tot een verbetering van de verkeersveiligheid in de regio leidt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoeksrapport op dit punt ondeugdelijk is. De omstandigheid dat het aantal verkeersongelukken en -slachtoffers in de regio het landelijk gemiddelde niet overstijgt, doet er niet aan af dat, zoals provinciale staten hebben toegelicht, het streven erop is gericht dit aantal verder omlaag te brengen. Uit het vorenstaande volgt dat de verwezenlijking van de BPL hieraan kan bijdragen.

Ten aanzien van het standpunt van enkele appellanten dat verschillende gemeenten kenbaar hebben gemaakt dat de BPL op hun grondgebied tot een achteruitgang van de verkeersveiligheid zal leiden en dat bovendien twijfelachtig is of de gemeenten in staat zullen zijn het onderliggende wegennet zodanig aan te passen dat het verkeer van en naar de BPL op veilige wijze kan worden afgewikkeld, is ter zitting van de zijde van provinciale staten opgemerkt dat alle gemeentebesturen achter het project als zodanig staan en dat overleg plaatsvindt tussen de gemeentebesturen en het provinciebestuur omtrent de uitvoering ervan. In dit verband is voorts toegelicht dat het denkbaar is dat op bepaalde plaatsen voorzieningen worden getroffen zoals de aanleg van rotondes.

2.10.8. Enkele appellanten hebben aangevoerd dat in het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 niet is aangegeven in welke mate met name een combinatie van de in de zogeheten Ladder van Verdaas genoemde maatregelen tot een zodanige afname van de gestelde problematiek kan leiden, dat de noodzaak voor het aanleggen van nieuwe infrastructuur vermindert en/of verdwijnt.

2.10.8.1. Uit het rapport van Ecorys volgt dat alvorens te investeren in een omvangrijk project als de BPL het wenselijk is om eerst te bepalen of de geschetste problemen niet op een andere en/of minder ingrijpende manier kunnen worden opgelost, zodat op globale wijze de Ladder van Verdaas wordt doorlopen. De Ladder van Verdaas is een veelgebruikte methodiek om oplossingsrichtingen voor mobiliteitsproblemen in kaart te brengen. Hierbij wordt op een getrapte wijze naar oplossingsrichtingen gekeken. De gedachte is dat eerst moet worden nagegaan of de doelen van infrastructuurprojecten via minder ingrijpende maatregelen kunnen worden gerealiseerd, alvorens meer ingrijpende maatregelen (zoals aanleg van nieuwe infrastructuur) te overwegen. De realisatie van nieuwe infrastructuur moet pas worden overwogen als beleidsmaatregelen om verkeers- en mobiliteitsgedrag te beïnvloeden en/of het beter benutten van bestaande infrastructuur (eventueel met kleine aanpassingen) geen afdoende oplossing bieden.

De Ladder van Verdaas onderscheidt de volgende zeven maatregelen:

1. ruimtelijke ordeningsmaatregelen;

2. prijsbeleid;

3. mobiliteitsmanagement en fietsbeleid;

4. optimalisatie (bestaand) openbaar vervoer;

5. benutting bestaande infrastructuur;

6. verbreden van bestaande infrastructuur;

7. aanleg van nieuwe infrastructuur.

Als de maatregelen van de Ladder van Verdaas globaal worden doorlopen, lijken volgens het rapport van Ecorys de eerste vier maatregelen niet of onvoldoende effect te hebben om de problemen op te lossen waarop de BPL een antwoord probeert te geven. De BPL is volgens het rapport een combinatie van de laatste drie stappen in de Ladder van Verdaas. Het tracé van de BPL loopt deels over bestaande wegen, waar maatregelen worden genomen om deze beter te benutten en de capaciteit uit te breiden. Daarnaast wordt ook nieuwe infrastructuur gerealiseerd. Door waar redelijkerwijs mogelijk in het ontwerp van de BPL gebruik te maken van de bestaande infrastructuur, wordt ook aangesloten bij het gedachtegoed van de Ladder van Verdaas om de meest zware maatregel, de aanleg van nieuwe infrastructuur, te beperken.

Gelet op het voorgaande hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat in het rapport van Ecorys onvoldoende is gekeken naar een combinatie van de in de Ladder van Verdaas genoemde maatregelen.

2.10.9. Er is verder aangevoerd dat in de uitgevoerde MKBA niet is gekeken naar de aanpassingen van toeleidende wegen, het onderliggende wegennet en de op- en afritten op gemeentelijk grondgebied, zodat niet kan worden gesteld dat de verkeersveiligheid in het gebied volledig is beoordeeld.

2.10.9.1. Uit het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 volgt dat het bestaande wegennet niet overal voldoet aan de basisprincipes van een veilig wegennet overeenkomstig de principes van Duurzaam Veilig, waarin onder meer verschillende soorten verkeer zoveel mogelijk van elkaar zijn gescheiden. Door de aanleg van de BPL wordt volgens het rapport van Ecorys wel voldaan aan de doelstelling om de verkeersveiligheid in Parkstad Limburg te verbeteren. De BPL zorgt voor een verkeersstructuur die beter voldoet aan de uitgangspunten van Duurzaam Veilig, omdat ongelijksoortige verkeersstromen beter van elkaar worden gescheiden, de hiërarchie in het wegennet wordt versterkt en de vormgeving van bestaande wegen wordt opgewaardeerd naar die van een stroomweg waardoor deze wegen beter toegerust zijn voor het veilig afwikkelen van grote en/of doorgaande verkeersstromen. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat in het MKBA onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersveiligheid.

2.10.10. Enkele appellanten betogen dat in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 ten onrechte geen rekening is gehouden met diverse kostensoorten. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat een deel van deze kostensoorten bij de MKBA is meegenomen onder de noemer investeringskosten en dat een deel van deze kosten is meegenomen in het kader van de indirecte en externe effecten. Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat de MKBA is gebaseerd op de meest actuele informatie over de BPL. Voor het overige hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het rapport niet voldoet aan de hiervoor geldende nationale richtlijn Overzicht Effecten Infrastructuur (hierna: de OEI-richtlijn).

Voor zover is aangevoerd dat geen rekening is gehouden met kostenstijgingen overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat bij het opstellen van de MKBA het uitgangspunt was dat alle prijzen gelijk met de inflatie stijgen en dat alleen met kostenstijgingen rekening hoefde te worden gehouden indien voor een kostensoort een hogere stijging wordt verwacht. Niet is gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is. Voorts bestaat in het aangevoerde geen verwachting voor budgetoverschrijdingen als gevolg van projectwijzigingen, zodat hier bij de MKBA geen rekening mee behoefde te worden gehouden.

Anders dan betoogd, is niet aannemelijk dat het rekening houden met directe en indirecte effecten heeft geleid tot dubbeltelling, nu in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 onder meer staat dat de methodiek is toegepast zoals omschreven in de "Werkwijzer OEI bij MIRT Planstudies" van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Voorts staat in het rapport vermeld dat in een MKBA de effecten van een project voor een zo lang mogelijke tijdshorizon in kaart worden gebracht en dat een zichtperiode tot het jaar 2100 gangbaar is. Gelet hierop faalt het betoog dat een te lange tijdshorizon is gehanteerd. Voor zover is aangevoerd dat met kosten na 2025 geen rekening is gehouden, overweegt de Afdeling dat volgens voormeld rapport verondersteld is dat de effecten na 2025 hetzelfde blijven. Onder deze effecten worden ook negatieve effecten verstaan, waaronder de kosten van beheer en onderhoud.

In de uitgevoerde MKBA is, met het oog op de ligging van het project in de grensstreek, gemotiveerd afgeweken van de OEI-richtlijn wat betreft het schaalniveau door de effecten die in Duitsland en België neerslaan eveneens bij de MKBA te betrekken. Voor zover is aangevoerd dat dan ook de buitenlandse alternatieven voor de BPL hadden moeten worden onderzocht overweegt de Afdeling dat dit is gebeurd door de aanleg van de B258n bij de besluitvorming te betrekken.

Met betrekking tot het betoog dat onbegrijpelijk is dat een positief financieel effect is toegekend aan de uitstoot van stikstofdioxide, terwijl deze uitstoot zal toenemen, overweegt de Afdeling dat provinciale staten zich ter zitting onweersproken op het standpunt hebben gesteld dat dit kan worden verklaard door de omstandigheid dat aan deze uitstoot overeenkomstig de hiervoor beschikbare kengetallen uit de OEI-richtlijn binnen de bebouwde kom een zwaarder gewicht toekomt dan buiten de bebouwde kom.

Voor zover is aangevoerd dat onduidelijk is op basis van welke informatie een positieve bedrage van de BPL is berekend voor de geluidsbelasting voor woningen overweegt de Afdeling dat in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 staat dat op basis van de verschuiving in voertuigkilometers en met algemene kengetallen van de waardering van geluid binnen en buiten de bebouwde kom een globale raming is gemaakt van de geluidseffecten. Niet is gebleken dat deze raming onvoldoende nauwkeurig is om aan de MKBA ten grondslag te leggen.

Ten aanzien van het betoog dat het inpassingsplan veel negatieve effecten voor de natuur met zich brengt overweegt de Afdeling dat provinciale staten hebben toegelicht dat in de MKBA slechts van een licht negatief effect wordt gesproken omdat de wettelijke verplichtingen om de negatieve effecten te mitigeren en te compenseren bij de MKBA zijn betrokken.

2.10.11. Gelet op al het vorenstaande is niet aannemelijk gemaakt dat het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 in algemene zin zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

Demografische ontwikkelingen in de regio

2.11. Een groot aantal appellanten heeft aangevoerd dat de verwachte toekomstige bevolkingskrimp in de regio zal leiden tot een afname van de verkeersintensiteiten, waardoor de behoefte aan de BPL zal verminderen. Bovendien is volgens enkele appellanten in het door provinciale staten gehanteerde verkeersmodel Parkstad Limburg uitgegaan van te hoge bevolkingsgroeicijfers.

2.11.1. Onder verwijzing naar het verkeerskundig onderzoek hebben provinciale staten toegelicht dat niet kon worden volstaan met het model uit de Tracénota/MER-UVS Buitenring. Er heeft een herijking van het verkeersmodel plaatsgevonden met inachtneming van de bevolkingsprognosegegevens van januari 2008 van onderzoeksbureau ETIL over de periode 2008-2040. Daarbij is rekening gehouden met de meest recente demografische en ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder de leeftijdsopbouw in de regio.

Uit die geactualiseerde gegevens is volgens provinciale staten gebleken dat het totale verkeersaanbod, in tegenstelling tot de verwachting van een verkeersafname als gevolg van een krimp van de bevolking, zal groeien. Provinciale staten hebben er op gewezen dat bevolkingskrimp niet per definitie tot minder verkeersbewegingen leidt. De verkeersintensiteit zal blijven stijgen als gevolg van onder meer het groeiende, doorgaande vrachtverkeer en de aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen en recreatievoorzieningen die een verkeersaantrekkende werking hebben. Provinciale staten hebben er voorts op gewezen dat oudere mensen steeds langer mobiel blijven en dat een toenemende welvaart tot meer autobezit en -gebruik leidt. Daarnaast is de mobiliteit in een gebied volgens provinciale staten sterk afhankelijk van bevolkingsontwikkelingen in omliggende gebieden. In grote delen van Nederland is geen sprake van krimp, zodat ook in regio’s waar de bevolkingsomvang terugloopt, de mobiliteit per saldo zal toenemen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze aannames niet kunnen worden gehanteerd.

Voorts kan het betoog van verschillende appellanten dat de verschillende verkeersstudies ten onrechte zijn gebaseerd op modellen die slechts de periode tot 2025 beslaan, terwijl de bevolkingsprognosegegevens tot 2040 hadden moeten worden gebruikt, niet slagen. Provinciale staten hebben er in dit verband op gewezen dat het ongebruikelijk is om verkeersmodellen tot 2040 te gebruiken, omdat daarmee de onzekerheid in deze modellen zal toenemen. Ter zitting hebben provinciale staten verder toegelicht dat in het verkeersmodel gebruik is gemaakt van de bevolkingsprognosegegevens van ETIL tot 2025. Nu in het verkeersmodel rekening is gehouden met de verandering van de samenstelling van de bevolking tot 2025, hebben provinciale staten geen aanleiding hoeven zien voor twijfel aan de juistheid van de uitgangspunten van het verkeerskundig onderzoek. Het door enkele appellanten ingenomen standpunt dat in de gehanteerde verkeersmodellen is uitgegaan van te hoge bevolkingsgroeicijfers is voorts niet met nadere gegevens aannemelijk gemaakt. Ook anderszins hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het rapport ondeugdelijk is.

Uit het vorenstaande volgt dat provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hebben behoeven te zien voor het standpunt dat de verwachte bevolkingskrimp de aanleg van de BPL overbodig maakt.

Onderzoek naar alternatieven voor de BPL

2.12. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat de noodzaak voor de aanleg van de BPL ontbreekt omdat de bestaande verkeersproblemen kunnen worden opgelost door het verbeteren van het openbaar vervoer.

Verder is de mogelijkheid van het opwaarderen van het bestaande wegennet in Parkstad Limburg volgens verschillende appellanten onvoldoende onderzocht. In dit verband is onder meer gewezen op de reeds bestaande provinciale wegen.

Voorts betogen appellanten dat de BPL zou kunnen worden uitgevoerd met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur, in plaats van met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur.

Verder is aangevoerd dat in het door DHV opgestelde rapport het alternatief N297-B56n-N274 niet is meegenomen, laat staan de opwaardering ervan tot vier rijstroken.

Opwaarderen bestaand wegennet en verbeteren openbaar vervoer

2.12.1. Provinciale staten hebben zich onder verwijzing naar het eerdervermelde rapport van Ecorys in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande verkeersproblemen in Parkstad Limburg niet kunnen worden opgelost met uitsluitend een verbetering van het openbaar vervoer. In voormeld rapport is geconcludeerd dat het openbaar vervoer geen reëel alternatief vormt voor verplaatsingen van personen. Het openbaar vervoer wordt vaak gebruikt door personen die relatief weinig of niet met de auto reizen. Met uitsluitend openbaar vervoersmaatregelen kunnen volgens dit rapport de (auto)bereikbaarheids- en leefbaarheidsproblemen in de regio niet worden opgelost.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de mogelijkheid van het verbeteren van het bestaande wegennet onvoldoende is onderzocht, hebben provinciale staten verwezen naar het rapport "Verkeerskundige effecten van een nulplusalternatief voor de Buitenring Parkstad Limburg" van onderzoeksbureau DHV van augustus 2010. Hierin staat dat, met inachtneming van de meest actuele bevolkings- en sociaaleconomische gegevens, nader onderzoek is verricht naar de effecten van een nulplusalternatief, bestaande uit doorstromingsmaatregelen op bestaande wegen, ten opzichte van het nulalternatief, te weten de autonome situatie in 2025, en het voorkeursalternatief, de BPL in 2025. In het rapport is vermeld dat bij het nulplusalternatief in Parkstad Limburg verscheidene knelpunten blijven bestaan, met name op de aansluitingen met de N281. Daarnaast zal, aldus dit rapport, de Binnenring van Parkstad bij het realiseren van het nulplusalternatief het verkeersaanbod op verscheidene aansluitingen niet kunnen verwerken, hetgeen tot gevolg heeft dat zowel de Binnenring als de daarop aansluitende wegen een verminderde doorstroming zullen kennen. Verder worden de knelpunten die op sommige locaties worden opgelost, geheel of gedeeltelijk verschoven naar een wegvak of kruispunt in de directe omgeving, dat vervolgens een te beperkte capaciteit kent. Voorts is in het rapport ten aanzien van de reistijden geconcludeerd dat het nulplusalternatief per saldo niet leidt tot een verbetering van de bereikbaarheid, terwijl de reistijden substantieel afnemen bij het alternatief met de BPL. Voor zover is aangevoerd dat ten onrechte niet gekozen is voor het nulplusalternatief, nu de kosten van dit alternatief en de kosten van de knelpunten die hierbij moeten worden opgelost lager zijn dan de kosten van de aanleg van de BPL, wordt overwogen dat uit het door DHV opgestelde rapport volgt dat het nulplusalternatief alleen effectief kan zijn, indien dit alternatief wordt uitgebreid met verscheidene capaciteitsmaatregelen op de (kruisingen van de) Binnenring en de N281. Dit zal volgens het rapport leiden tot hogere kosten voor het nulplusalternatief.

Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de toepassing van het nulplusalternatief met verscheidene capaciteitsmaatregelen niet meer wordt voldaan aan de uitgangspunten van dit alternatief, zijnde een combinatie van een aantal kleine maatregelen en beperkte investeringen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Wat betreft het betoog dat als alternatief had kunnen worden gekozen voor een betere afstemming van de verkeerslichten, wordt overwogen dat niet is onderbouwd waarom dit zou leiden tot een dusdanig betere verkeersdoorstroming dat daardoor de realisering van de BPL overbodig zou zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de mogelijkheid om het bestaande wegennet op te waarderen. Provinciale staten hebben in redelijkheid kunnen concluderen dat het nulplusalternatief geen oplossing biedt voor de bestaande knelpunten in Parkstad Limburg. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek hieromtrent onzorgvuldig dan wel onvolledig is geweest.

Uitvoering met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur

2.12.2. Voor zover is aangevoerd dat de BPL zou kunnen worden uitgevoerd met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur, hebben provinciale staten verwezen naar een door bureau Goudappel Coffeng in opdracht van de provincie Limburg uitgevoerd onderzoek "Verkeersanalyse Buitenring Parkstad Limburg als 80 km/u" van 21 september 2009. Daarbij is onderzocht wat de effecten zijn van de BPL wanneer deze in zijn geheel wordt uitgevoerd met 2x1 rijstrook en als een 80 km/uur-weg. Hierbij is zowel een variant met gelijkvloerse aansluitingen op enkele locaties als een variant met overal ongelijkvloerse aansluitingen onderzocht. In het onderzoek is geconcludeerd dat het gebruik van de BPL in geval van 2x1 rijstrook en een 80 km/uur-alternatief, 20 tot 30% lager ligt dan bij aanleg met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur. Provinciale staten hebben op basis van dit onderzoeksrapport dan ook in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het onderliggende wegennet in de 80 km/uur-variant minder wordt ontlast.

Het door Goudappel Coffeng in opdracht van de gemeente Kerkrade uitgevoerde onderzoek "Toelichting modelresultaten BPL 2x1/80 km/u" van 11 januari 2010 ondersteunt dit standpunt van provinciale staten, nu daarin is gesteld dat bij uitvoering van de BPL als 80 km/uur-variant met 2x1 rijstrook meer verkeer gebruik gaat maken van wegen van een lagere orde dan de BPL, zodat het probleemoplossend vermogen van die variant kleiner is dan wanneer de BPL in zijn geheel als 100 km/uur weg met 2x2 rijstroken wordt uitgevoerd. Voorts zou volgens dit verkeerskundig onderzoek een groot deel van het tracé op basis van het Handboek Wegontwerp, deel Stroomwegen, gelet op de aanzienlijke hoeveelheid verkeer ter plaatse, als 2x2-strooksweg moeten worden uitgevoerd. Provinciale staten hebben toegelicht dat uit verkeerskundig onderzoek is gebleken dat 90% van de BPL een hogere verkeersintensiteit dan 23.000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) te verwerken zal krijgen. Boven dat aantal kan een weg met 2x1 rijstrook het verkeer niet goed afwikkelen. Hiervan uitgaande kan ook het betoog dat ter hoogte van de Brunssummerheide zou kunnen worden volstaan met 2x1 rijstrook niet slagen, aangezien provinciale staten aannemelijk hebben gemaakt dat de verwachte verkeersintensiteit aldaar in 2025 31.400 mvt/etmaal zal zijn en doorstromingsproblemen kunnen ontstaan indien een tweede rijstrook ontbreekt, onder meer vanwege snelheidsverschillen tussen personenauto’s en vrachtverkeer. Dit leidt, aldus provinciale staten, tot minder optimale reistijden dan in de uitvoering met 2x2 rijstroken en bovendien tot een lagere verkeersveiligheid.

Gezien het vorenstaande hebben provinciale staten op het punt van de uitvoering van het tracé met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur voldoende kennis vergaard om deze wijze van uitvoering als verkeerskundig uitgangspunt aan het plan ten grondslag te leggen.

Alternatief N297-B56n-N274

2.12.3. Provinciale staten hebben uiteengezet dat op basis van een berekening in het verkeersmodel Parkstad Limburg, zoals vastgesteld door het college van gedeputeerde staten op 26 mei 2009, het intensiteitsniveau op de BPL is vastgesteld. Ter controle en vergelijking is voorts onderzoek gedaan naar de effecten van verschillende 2x1 rijstrook-80 km/uur-varianten en een nulplusalternatief met maatregelen op het onderliggend wegennet ter vervanging van de BPL. Verder is een detailanalyse verricht ten aanzien van de herkomst en bestemming van het verkeer op het noordelijk deel van de BPL met de vraag of alternatieve routes dit gedeelte van de BPL overbodig zouden kunnen maken. De alternatieve routes zijn opgenomen in het verkeersmodel. Daarin staat dat ook met deze alternatieve routes de BPL nog steeds meer dan 23.000 mvt/etmaal aantrekt. Provinciale staten hebben op basis hiervan toereikend gemotiveerd dat de route via bijvoorbeeld de N274 en B56n niet de functie van het noordelijk deel van de BPL kan overnemen. Voorts volgt uit een verkeerskundige analyse dat het verkeer dat gebruik maakt van het wegvak van de BPL tussen de aansluitingen Allee en N276 in beide richtingen, voornamelijk regionaal verkeer is met een herkomst of bestemming in Parkstad Limburg. Weinig verkeer dat gebruik maakt van de BPL is volgens deze verkeersanalyse afkomstig van of gaat naar de A2 ten noorden van knooppunt Kerensheide. Hieruit hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen concluderen dat de route A2-N297-B56n-N274 nauwelijks een alternatief biedt voor het tracédeel van de BPL van de A76 richting Brunssum.

Review bureau Witteveen en Bos

2.13. Onder verwijzing naar de verkeerskundige review van bureau Witteveen en Bos van 4 januari 2011 is aangevoerd dat de verkeerskundige onderbouwing van het inpassingsplan ontoereikend is.

2.13.1. De Afdeling stelt vast dat het rapport van Witteveen en Bos met name is gebaseerd op het verkeersmodel zoals opgenomen in de Tracénota/MER uit 2008, terwijl het verkeersmodel Parkstad Limburg, zoals vastgesteld door het college van gedeputeerde staten op 26 mei 2009, is geactualiseerd met de meest recente informatie omtrent krimp en vergrijzing van de bevolking in de regio. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat op basis van het rapport van Witteveen en Bos moet worden geconcludeerd dat de verkeerskundige onderbouwing van het inpassingsplan ontoereikend is. In dit verband is het volgende van belang.

In het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 is een tabel opgenomen waaruit volgt dat de tien daarin vermelde wegvakken waar verbeteringen optreden, thans een te hoge I/C-waarde hebben. Dat wil zeggen dat de intensiteit van het verkeer aldaar te hoog is in verhouding tot de capaciteit van het wegvak of kruispunt. Op zeven van de vermelde wegvakken wordt het knelpunt daadwerkelijk opgelost, terwijl de overige drie niet geheel worden opgelost maar wel een vermindering van de capaciteitsdruk zullen hebben. Voorts zijn in een tabel in dat rapport acht kruispunten vermeld waar een te hoge I/C-verhouding na aanleg van de BPL verbetert. Provinciale staten hebben er terecht op gewezen dat Witteveen en Bos in hun rapport ten onrechte gemiddelde I/C-verhoudingen hebben gebruikt, gemeten over alle wegvakken in de tabel, terwijl bij het beoordelen van capaciteitsknelpunten door middel van I/C-verhoudingen een vergelijking per locatie voor meerdere tijdstippen op een dag gebruikelijk is. Voor zover Witteveen en Bos hebben geconcludeerd dat het mogelijk is om met lokale maatregelen de knelpunten op de kruispunten op te lossen, hetgeen als een nulplusalternatief moet worden beschouwd, hebben provinciale staten er terecht op gewezen dat de doelstelling van de BPL niet uitsluitend is gericht op het oplossen van een aantal bereikbaarheidsknelpunten, maar op het oplossen van de problemen in de netwerkstructuur in Parkstad Limburg. Zoals hiervoor is overwogen, hebben provinciale staten onder verwijzing naar het verkeerskundig onderzoek van DHV kunnen concluderen dat het nulplusalternatief geen oplossing biedt voor de bestaande knelpunten in Parkstad Limburg.

Voorts wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de variant met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur, geen aanleiding gezien Witteveen en Bos te volgen voor zover is geconcludeerd dat bij afwaardering van de BPL naar een 2x1-strooksuitvoering over het algemeen geen sprake zal zijn van doorstromingsproblemen.

Provinciale staten hebben er voorts in het kader van de invloed van de BPL op de verkeersveiligheid terecht op gewezen dat Witteveen en Bos in haar rapport is voorbijgegaan aan het feit dat de kans op ernstige verkeersongevallen groter is naarmate meer voertuigkilometers via het onderliggende wegennet worden afgewikkeld. Verschillende typen verkeersstromen dienen zoveel mogelijk te worden afgewikkeld via de daarvoor bedoelde wegen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een wegencategorisering, waarbij de stroomwegen zijn bedoeld voor de betrouwbare afwikkeling van grote hoeveelheden doorgaand verkeer met een hoge snelheid. Een dergelijke stroomweg ontbreekt thans aan de noord- en oostzijde van Parkstad. Het doel van de BPL is om met een dergelijke stroomweg de verkeersstructuur in Parkstad Limburg op orde te brengen.

Ten aanzien van de conclusie in het rapport van Witteveen en Bos dat de BPL op alle noordelijke trajecten disproportioneel veel extra verkeer zal aantrekken, terwijl goede alternatieve routes aanwezig zijn, hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat het intensiteitsniveau op de BPL inzichtelijk is gemaakt op basis van een objectieve doorrekening in het verkeersmodel, waarbij wat betreft het wegennet naast de BPL alle mogelijke parallelle routes zijn meegenomen. Op basis van een berekening in dat model is vervolgens het intensiteitsniveau op de BPL vastgesteld. Ter controle en vergelijking is voorts onderzoek gedaan naar de effecten van verschillende 2x1 rijstrook 80 km/uur-varianten en een nulplusalternatief met maatregelen op het onderliggende wegennet ter vervanging van de BPL. Verder is een detailanalyse gedaan naar de herkomst en bestemming van het verkeer op het noordelijk deel van de BPL en de vraag of alternatieve routes dit gedeelte van de BPL overbodig zouden kunnen maken. Deze onderzoeken zijn niet in het rapport van Witteveen en Bos meegenomen.

Aanleg van de B258n

2.14. Volgens verschillende appellanten worden nut en noodzaak van de BPL verder ondermijnd door de omstandigheid dat de aanleg van de B258n niet zeker is aangezien daartegen veel verzet bestaat, waaronder van de zijde van de gemeente Aken. In de verkeersberekeningen is volgens hen derhalve ten onrechte de B258n opgenomen.

2.14.1. Provinciale staten hebben toegelicht dat in Duitsland het voornemen bestaat een verbinding aan te leggen tussen de aansluiting Aken-Richterich (A4/L232) ten noordwesten van Aken en de Duits-Nederlandse grens bij Kerkrade. Voor deze weg is een Duitse milieu-effectrapportage uitgevoerd, een zogeheten UVS. Deze UVS is gecombineerd met de tweede fase van het MER voor de BPL. In Nederland heeft dat MER/UVS geleid tot het onderhavige inpassingsplan. In Duitsland is op dit moment nog geen keuze gemaakt tussen de verschillende varianten voor de B258n. Het meest waarschijnlijk is, aldus provinciale staten, dat de meest oostelijke variant zal worden aangelegd. Provinciale staten gaan er op basis van mededelingen van de Duitse Bondsregering van uit dat de B258n binnen enkele jaren zal worden aangelegd maar dat alleen het precieze tracé nog niet bekend is. Provinciale staten hebben zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de gemeente Aken tegenstander is van de aanleg van de weg, niet tot de conclusie leidt dat niet aannemelijk is dat de weg binnen afzienbare tijd zal worden aangelegd, aangezien het geen gemeentelijke weg betreft maar een zogeheten Bundesweg en de beslissing omtrent de aanleg daarvan wordt genomen door de Duitse Bondsregering. Ter zitting hebben provinciale staten voorts toegelicht dat zij van de Duitse regering regelmatig de bevestiging krijgen dat de weg zal worden aangelegd.

Provinciale staten hebben gelet op het vorenstaande bij het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in redelijkheid rekening kunnen houden met een aansluiting van de B258n op de BPL. Zij zijn bij het bepalen van de noodzakelijke geluidwerende voorzieningen langs de BPL dan ook terecht uitgegaan van de situatie dat de B258n daadwerkelijk op de BPL is aangesloten.

Provinciale staten hebben verder toegelicht dat uit de berekening van de verkeersintensiteiten voor de BPL ook zonder de aansluiting van de B258n blijkt dat de aanleg van de BPL noodzakelijk is. Uit de berekeningen komt onder meer naar voren dat op het gedeelte van het tracé van de BPL waar de verkeersintensiteit van de BPL met een aansluiting van de B258n de laagste verkeersintensiteit kent, daar zonder aansluiting van de B258n een aanzienlijk hogere verkeersintensiteit zal ontstaan. Provinciale staten hebben hieruit kunnen concluderen dat ook het eventueel achterwege blijven van de aansluiting van de B258n op de BPL niet zal leiden tot andere inzichten ten aanzien van nut en noodzaak van de BPL.

Invloed BPL op langzaam verkeer en openbaar vervoer

2.15. Verscheidene appellanten hebben aangevoerd dat niet is gebleken dat de invloed van de realisatie van de BPL op langzaam verkeer is onderzocht en dat onvoldoende aandacht is besteed aan de instandhouding van veelgebruikte wandel- en fietsverbindingen.

2.15.1. Provinciale staten hebben in dit verband verwezen naar het verkeerskundig onderzoek, waarin is geconcludeerd dat het fietsverkeer zal profiteren van de verdrijving van een deel van het snelle en zware verkeer naar de BPL. Fietsers kiezen volgens dit onderzoek vrijwel altijd de kortste route. Na realisatie van de BPL liggen deze routes niet langer over dezelfde wegen als waarvan het doorgaande gemotoriseerde verkeer gebruik maakt, waardoor ruimte ontstaat voor rustige en veilige langzaam verkeersverbindingen. Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat de met de BPL kruisende langzaam verkeersverbindingen zijn geïnventariseerd en daar waar mogelijk hersteld. Voor de inventarisatie van de verschillende fietsroutes is gebruik gemaakt van het Actieplan Fiets Parkstad Limburg van Grontmij van januari 2009, waarbij voor alle kruisingen van het onderliggende wegennet met de BPL is bezien op welke wijze deze fietsroutes zoveel mogelijk kunnen blijven bestaan. Daar waar de huidige verbinding als gevolg van de aanleg van de BPL niet kan worden hersteld, is in sommige gevallen gekozen voor het herstellen van de verbinding via een viaduct of onderdoorgang verderop, waardoor fietsers en voetgangers soms zullen moeten omrijden of omlopen. De afweging om een route op dezelfde plaats te herstellen of om te leggen is in overleg met de gemeentebesturen gemaakt op basis van de aard en de mate van het gebruik van de desbetreffende fietsverbinding en de fysieke mogelijkheden van de desbetreffende locatie. Wat betreft de kruisingen van fietsverbindingen met de op- en afritten van de BPL is daarnaast in alle gevallen sprake van een duurzaam verkeersveilige oplossing. Er is gekozen voor een ongelijkvloerse kruising voor fietsers, voor rotondes of voor met verkeerslichten geregelde kruispunten. Aanvullend daarop zijn op enkele locaties vrijliggende fietsvoorzieningen getroffen ter verbetering van de verkeersveiligheid voor fietsers. Voor het oordeel dat de invloed van de BPL op het langzaam verkeer onvoldoende is onderzocht en onvoldoende aandacht is besteed aan de instandhouding van veelgebruikte wandel- en fietsverbindingen, bestaat gezien het vorenstaande geen grond.

2.15.2. Voorts hebben enkele appellanten aangevoerd dat niet is aangetoond dat de doorstroming van het openbaar vervoer als gevolg van de BPL wordt bevorderd.

2.15.3. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat geen kwantitatieve gegevens over de verbetering van het openbaar vervoer voorhanden zijn, maar dat zeer aannemelijk is dat deze vervoerswijze profiteert van de aanleg van de BPL. Immers, het voordeel van de beschreven reistijdwinst en de opheffing van de capaciteitsknelpunten op het onderliggende wegennet zijn niet alleen gunstig voor het autoverkeer. Zo zullen volgens het verkeerskundig onderzoek wachttijden voor drukke kruisingen op het onderliggende wegennet afnemen door de verschuiving van verkeer van het onderliggende wegennet naar de BPL. Dienstregelingen voor bussen kunnen daardoor mogelijk worden verkort en de betrouwbaarheid wordt verbeterd. De doorstroming voor de bus zal daardoor verbeteren. Ook kunnen nieuwe impulsen aan het openbaar vervoer worden gegeven door routes op te nemen die juist van de BPL gebruik maken. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van de aanname dat de doorstroming van het openbaar vervoer met de aanleg van de BPL verbetert. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Aansluiting bij Nuth

2.16. Appellanten voeren aan dat de positionering van de aansluiting Nuth gecompliceerd is door de vele, vaak tegenstrijdige, randvoorwaarden. Het provinciebestuur heeft volgens deze appellanten ten onrechte gesteld dat de gekozen oplossing voor het grootste gedeelte van het verkeer een efficiënte oplossing is. Het merendeel moet omrijden. Dit leidt ertoe dat automobilisten andere routes zullen kiezen.

2.16.1. In de Tracénota/MER Aansluiting Nuth van juni 2010 zijn het afwegingsproces en de bijbehorende afwegingscriteria voor de tracékeuze zeer uitvoerig weergegeven. Hieruit volgt dat provinciale staten bij de keuze voor zowel de locatie als de vorm van de aansluiting op de A76 zorgvuldig te werk zijn gegaan. In het verkeerskundig onderzoek zijn voorts de reistijden tussen verschillende kernen met en zonder de BPL vergeleken. Hieruit is geconcludeerd dat de reistijden voor verplaatsingen tussen Nuth en Brunssum beduidend zullen verminderen als gevolg van de BPL. Ook het effect op de reistijd vanuit Parkstad Limburg naar de A76 is aanzienlijk. Provinciale staten hebben verder toegelicht dat rekening is gehouden met de zwaarste toekomstige verkeersintensiteiten tussen de BPL en de A76-noord (van en naar Geleen). Voor de zwaarste verkeersstroom is een zo optimaal mogelijke verbinding gecreëerd zonder omrijbewegingen. Enkele hieraan ondergeschikte verkeersstromen moeten volgens provinciale staten weliswaar soms omrijden, maar dit betreft zeker niet de meerderheid van het verkeer. Gezien het vorenstaande kan het betoog dat de aansluiting van de BPL op de A76 niet efficiënt zou zijn, niet worden gevolgd.

Verkeerskundige onderbouwing

2.17. Er is aangevoerd dat in het akoestisch onderzoek en in het verkeerskundig onderzoek ten onrechte gebruik is gemaakt van verschillende verkeersmodellen. Hierdoor is volgens appellanten uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten bij het vaststellen van de geluidsbelasting op woningen.

Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de verkeersintensiteiten in het rapport van Ecorys afwijken van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

2.17.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de verkeerscijfers die in het akoestisch onderzoek zijn opgenomen verschillen van de cijfers die in het verkeerskundig onderzoek zijn vermeld, omdat aan de onderscheiden onderzoeken niet dezelfde onderzoeksmethode ten grondslag ligt.

2.17.2. In het akoestisch onderzoek zijn de verkeersgegevens die voor de geluidsberekeningen zijn gebruikt, ontleend aan het verkeersmodel Omnitrans van 7 april 2010. In het verkeerskundig onderzoek is het verkeersmodel Regio Parkstad gebruikt om de verkeersprognoses te berekenen.

Weliswaar verschillen de verkeersintensiteiten waarvan is uitgegaan in het verkeersmodel Omnitrans van het verkeersmodel Regio Parkstad dat ten grondslag is gelegd aan het verkeerskundig onderzoek, maar dit betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat in het verkeersmodel Omnitrans van verkeersintensiteiten is uitgegaan die een onvoldoende representatief beeld geven van de te verwachten verkeersaantallen. Hierbij is van belang dat provinciale staten hebben aangegeven dat in het verkeersmodel Regio Parkstad wordt gerekend met werkdaggemiddelden en in verkeersmodel Omnitrans met weekdaggemiddelden. Dit leidt er toe dat de verkeersintensiteiten in het akoestisch onderzoek lager zijn dan die in het verkeerskundig onderzoek.

In de enkele stelling dat de verkeersintensiteiten in het rapport van Ecorys afwijken van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet van de uitkomsten van dit rapport hebben mogen uitgaan.

2.17.3. Voorts is aangevoerd dat met de aanleg van de BPL nieuwe knelpunten en files zullen ontstaan ter plaatse van op- en afritten.

2.17.4. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat ten gevolge van de BPL zowel op kruispunt- als op wegvakniveau een verbetering optreedt ten aanzien van de capaciteitsknelpunten en dat de grootste capaciteitswinst wordt gehaald bij de wegvakken en kruispunten in de directe invloedssfeer van de BPL. Verder zijn in het verkeerskundig onderzoek alle aansluitingen van de BPL op het onderliggende wegennet onderzocht en is voor iedere aansluiting een kruispuntoplossing voorgesteld. Appellanten hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de toekomstige verkeersintensiteiten op de op- en afritten en op het onderliggend wegennet onvoldoende zullen kunnen worden verwerkt.

Verkeersveiligheid

2.18. Een aantal appellanten betoogt dat ten gevolge van de BPL de verkeersveiligheid zal afnemen. In dit verband voeren zij aan dat in de stukken tegenstrijdige conclusies worden getrokken. Uit de Verkeerskundige review van Witteveen en [appellanten sub 35] blijkt volgens hen dat de BPL geen verbetering van de verkeersveiligheid tot gevolg zal hebben. Voorts verwijzen zij naar hetgeen hieromtrent in het MER 2e fase staat vermeld.

2.18.1. In het verkeerskundig onderzoek wordt ingegaan op het aspect verkeersveiligheid. Zoals reeds is overwogen in 2.10.7 volgt uit de analyse van het effect van de BPL op de verkeersveiligheid dat een vermindering wordt verwacht van ongeveer 50 verkeersongevallen per jaar ten opzichte van de situatie zonder de BPL. Het aantal ziekenhuisgewonden daalt met ongeveer 55 slachtoffers op jaarbasis. Deze vermindering vindt vooral plaats op de wegen binnen de bebouwde kom. Dit betekent vooral een verbetering voor de meest kwetsbare groepen. Daarbij dient volgens het verkeerskundig onderzoek te worden opgemerkt dat deze daling wordt bereikt ondanks de absolute toename van het aantal voertuigkilometers binnen Parkstad Limburg. Geconcludeerd wordt dat de komst van de BPL een verbetering betekent voor de hiërarchie en tot een herverdeling van de verkeersstromen van het onderliggende naar het hoofdwegennet leidt. Hierdoor ontstaat per saldo een verkeersveiliger wegennet, zo staat in het verkeerskundig onderzoek. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in het kader van de invloed van de BPL op de verkeersveiligheid terecht op het standpunt gesteld dat Witteveen en [appellanten sub 35] in haar rapport is voorbijgegaan aan het feit dat de kans op ernstige verkeersongevallen groter is naarmate meer voertuigkilometers via het onderliggende wegennet worden afgewikkeld.

Voor zover appellanten aanvoeren dat in het MER 2e fase staat vermeld dat het aantal verkeersslachtoffers in theorie in de autonome situatie kleiner is dan na de aanleg van de BPL, omdat er na de aanleg meer voertuigkilometers worden gemaakt, hebben provinciale staten ter zitting uiteengezet dat dit een theoretische aanname betreft. Nu ten gevolge van de BPL minder verkeer door de kernen en op het onderliggend wegennet zal rijden en op een weg met een ringstructuur minder confrontaties plaatsvinden, zal, naar blijkt uit nader onderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in het verkeerskundig onderzoek, het aantal verkeersslachtoffers na aanleg van de BPL in absolute zin afnemen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de verkeersveiligheid ten gevolge van de BPL zal toenemen.

Milieueffectrapport

2.19. Er is aangevoerd dat het MER in verschillende fasen is uitgevoerd, zodat de resultaten van het onderzoek een onvolledig beeld geven, en dat onvoldoende rekening is gehouden met de adviezen van de Commissie m.e.r.. Verder zijn volgens appellanten ten onrechte de indirecte gevolgen van de weg, zoals de ontwikkeling van het industrieterrein Hendrik, niet in het MER meegenomen. Appellanten voeren voorts aan dat onduidelijk is waarom ten aanzien van de aansluiting bij Nuth de Commissie m.e.r. niet om advies is gevraagd en dat het onderzoek door provinciale staten naar de (in)directe milieueffecten niet onafhankelijk is, temeer nu de Commissie m.e.r. niet betrokken was in de slotfase van het onderzoek.

2.19.1. Provinciale staten hebben er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen de m.e.r.-procedure in verschillende fasen uit te voeren, nu het project van grote omvang is. Niet is aannemelijk gemaakt dat de opgestelde rapporten in het kader van de m.e.r.-procedure onzorgvuldig dan wel onvolledig zijn geweest. Uit de tweede aanvulling op het MER volgt verder dat antwoord is gegeven op vragen die door de Commissie m.e.r. zijn opgeworpen, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat met de adviezen van de Commissie m.e.r. onvoldoende rekening is gehouden.

2.19.2. Niet is gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de verdere ontwikkeling van het industrieterrein Hendrik had plaatsgevonden. Van een concrete ontwikkeling waarmee provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan rekening hadden moeten houden, is daarom wat dit aspect betreft geen sprake. In hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de effecten van de aanleg van de BPL op de N274 onvoldoende zijn onderzocht. Voor zover is aangevoerd dat de verdere ontwikkeling van het voornoemde industrieterrein nadelige gevolgen heeft voor de geluidsbelasting op woningen, de omliggende plaatsen Brunssum en Schinveld en de aanwezige natuur, kunnen deze bezwaren naar het oordeel van de Afdeling in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, omdat niet dat besluit, maar het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan ter beoordeling voorligt.

2.19.3. Nu ingevolge artikel 1.11, aanhef en onder b, van de Chw artikel 7.26 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is, is de verplichting om advies te vragen aan de Commissie m.e.r. komen te vervallen. Gelet hierop hebben provinciale staten ervoor kunnen kiezen de Tracénota/MER Aansluiting Nuth van juni 2010 en de tweede aanvulling op het MER van 4 juni 2010 niet aan de Commissie m.e.r. voor advies voor te leggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan in zoverre op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of dat aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het onderzoeksbureau moet worden getwijfeld. De enkele stelling dat verschillende effecten, zoals de cumulatie van milieueffecten, niet zijn onderzocht, is voorts niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.

Geluidhinder/geluidonderzoek

2.20. Veel appellanten hebben bezwaren aangevoerd met betrekking tot de te verwachten geluidhinder als gevolg van het gebruik van de BPL. Zij stellen dat de geluidsbelasting vanwege de BPL te veel zal toenemen.

Normering Wet geluidhinder

2.20.1. De BPL betreft deels de aanleg van een nieuwe weg en deels een reconstructie - dat wil zeggen een wijziging - van een bestaande weg. Ten behoeve van de aanleg van de BPL worden voorts nieuwe wegen aangelegd en bestaande wegen gewijzigd.

Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder 'reconstructie van een weg' verstaan: één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek […] blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die […] als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

De BPL wordt aangelegd als autoweg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Gelet hierop en het bepaalde in artikel 1 van de Wgh worden de gronden van de zone van de BPL voor de toepassing van de Wgh aangemerkt als buitenstedelijk gebied, ook indien deze gronden binnen de bebouwde kom liggen. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zal het tracé bestaan uit niet meer dan 2x2 rijstroken.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Wgh heeft een weg in buitenstedelijk gebied, bestaande uit vier rijstroken, aan weerszijden een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot 400 m. Deze afstand wordt ingevolge artikel 75, eerste lid, aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1 van de Wgh en artikel 3.26 van de Wro, worden bij de vaststelling van een inpassingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge de artikelen 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, is, behoudens het tweede en derde lid, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

Ingeval eerder bij of krachtens de Wgh […] een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, tweede lid, van de Wgh, de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde.

Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig […] was en niet eerder een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, derde lid, van de Wgh, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd was de heersende waarde.

Ingevolge artikel 110d worden ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een weg bij ministeriële regeling regels vastgesteld voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau. Voorts kunnen ingevolge artikel 110e regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop de akoestisch onderzoeken, bedoeld in de Wgh, worden uitgevoerd. Deze regels zijn neergelegd in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, zoals dit luidt na inwerkingtreding op 1 oktober 2010 van het Besluit van 9 september 2010 tot wijziging van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (Stcrt. 16 september 2010, 14303).

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.

2.20.2. Appellanten betogen dat provinciale staten in aanvulling op dan wel in plaats van de toepassing van Standaardrekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift 2006 ten onrechte geen geluidmetingen hebben verricht. Zij voeren hiertoe aan dat Standaardrekenmethode II onvoldoende adequaat is. In dit verband wijzen zij erop dat de heersende windrichting, de verhoogde ligging van de BPL dan wel de nabijheid van een helling tot gevolg heeft dat vanwege de BPL meer hinder moet worden verwacht dan van andere wegen.

2.20.2.1. Zoals hiervoor is weergegeven wordt Standaardrekenmethode II als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 gehanteerd bij de beoordeling of al dan niet sprake is van onaanvaardbare geluidhinder vanwege een weg. De beroepsgrond dat deze berekeningsmethode ten onrechte is gehanteerd kan slechts doel treffen voor zover het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 in strijd is met hogere regelgeving, in het bijzonder de bepalingen in de Wgh. Hiervan is niet gebleken. Provinciale staten hebben derhalve terecht toepassing gegeven aan de in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 vastgelegde normering.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat Standaardrekenmethode II een niet-valide model is voor de berekening van het equivalente geluidsniveau. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de BPL niet zodanig hoog is gelegen dat Standaardrekenmethode II niet kan worden toegepast. Voorts wordt overwogen dat ingevolge artikel 2.2 van bijlage III behorende bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 bij toepassing van de rekenmethode rekening wordt gehouden met weersinvloeden. Daarnaast wordt ingevolge artikel 2.2, gelezen in samenhang met artikel 2.4, rekening gehouden met een hellingscorrectie indien het hellingspercentage meer bedraagt dan 3.

Hogere waarden

2.20.3. Enkele appellanten betogen dat geen juiste afweging is gemaakt wat betreft de doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen.

2.20.3.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wgh kan in nieuwe situaties voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde […] voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB […] niet te boven mag gaan.

Ingevolge het derde lid, kan met betrekking tot woningen die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, voor zover het woningen in buitenstedelijk gebied betreft voor de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg die nog niet is geprojecteerd een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 58 dB niet te boven mag gaan.

In geval van een te reconstrueren weg kan ingevolge artikel 100a voor de […] gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat:

a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin:

1°. ten gevolge van de reconstructie de geluidsbelasting van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders met een ten minste gelijke waarde zal verminderen, en

2°. de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidsbelasting ondervinden, en

b. ingeval voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of artikel 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of, indien geen toepassing is gegeven aan het betrokken artikel en de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan:

1°. 58 dB bij een reconstructie van een weg in buitenstedelijk gebied en

2°. 63 dB bij een reconstructie van een weg in stedelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid mag de krachtens het eerste lid, onder a, te stellen hogere waarde niet hoger worden gesteld dan 68 dB. Ingevolge het derde lid mag in afwijking van het tweede lid, ingeval eerder bij of krachtens deze wet, [...] een hogere waarde dan 68 dB is vastgesteld, de waarde niet hoger worden gesteld dan de eerder vastgestelde waarde.

2.20.3.2. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met het zevende lid van dit artikel is, ingeval van de aanleg of reconstructie van een weg in beheer van een provincie, het college van gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de weg is gelegen bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Ingevolge het derde lid kan deze waarde ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.

Ingevolge het vijfde lid vindt het eerste en tweede lid slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege [...] de weg [...] van de gevel van de betrokken woningen [...] tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.

Ingevolge het zesde lid geeft het college van gedeputeerde staten, voor zover van belang, indien artikel 110f van toepassing is, slechts toepassing aan het derde lid voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

2.20.3.3. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben bij de beoordeling van de financiële doelmatigheid van maatregelen - de voor rijkswegen verplichte - Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder van 14 december 2009 (hierna: Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh) toegepast. Niet aannemelijk is gemaakt dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten, mede gelet op de beoogde wijze van uitvoering van de BPL, niet in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van deze regeling.

2.20.3.4. Ingevolge artikel 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, wordt onder geluidreductie verstaan het verschil tussen de toekomstige geluidsbelasting, die door geluidsgevoelige objecten zou worden ondervonden vanwege een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen, en de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg in de situatie dat geluidbeperkende maatregelen getroffen zijn.

Ingevolge artikel 3 is een geluidbeperkende maatregel als bedoeld in tabel 1 en tabel 2 van bijlage 1 financieel doelmatig, indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waar de maatregel voor is bedoeld.

Ingevolge het tweede lid is een geluidbeperkende maatregel, in afwijking van het eerste lid, niet financieel doelmatig, indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat:

a. toepassing van de geluidbeperkende maatregel de grootste geluidreductie oplevert voor het cluster,

b. het aantal maatregelpunten voor deze maatregel hoger is dan het aantal maatregelpunten voor een andere geluidbeperkende maatregel die een gelijke of nagenoeg gelijke geluidreductie kan realiseren, en

c. in vergelijking met de andere maatregel de extra maatregelpunten niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie die door het treffen van deze maatregel bereikt kan worden.

2.20.3.5. Uit de toelichting bij de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh volgt dat een uitzondering op de hoofdregel dat een geluidbeperkende maatregel in beginsel financieel doelmatig is als de kosten van de maatregel, uitgedrukt in het totaal aantal maatregelpunten, niet hoger zijn dan het totale budget aan reductiepunten voor geluidsgevoelige bestemmingen die voordeel hebben van de maatregel, de situatie vormt dat een geluidsmaatregel wel binnen het reductiebudget past, maar dat met een alternatieve geluidsmaatregel een nagenoeg gelijke geluidreductie kan worden bereikt. Als de benodigde extra maatregelpunten ten opzichte van de alternatieve geluidsmaatregel niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie, dan is de geluidsmaatregel financieel niet doelmatig. Uit de toelichting van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh volgt dat per geval zal worden beoordeeld wat een nagenoeg gelijke geluidreductie is en dat het doorgaans dient te gaan om een alternatieve maatregel die een geluidreductie moet realiseren van ten minste 95% van de geluidreductie van de maximale maatregel.

2.20.3.6. In het akoestisch onderzoek "Wegverkeerslawaai behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van Arcadis van 8 oktober 2010 staat dat ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid van te nemen maatregelen de geluidsbelastingen in de referentiesituatie en de toekomstige situatie zonder maatregelen zijn berekend en dat het aantal reductiepunten is bepaald. Vervolgens is een maatregelvariant opgesteld en doorgerekend. Hierbij leveren de benodigde maatregelen per cluster of groep van clusters een aantal maatregelpunten op.

In de plantoelichting en het akoestisch onderzoek staat dat in de eerste plaats bronmaatregelen in overweging zijn genomen. Het gaat daarbij om wegdektypen die een hogere geluidreducerende werking hebben dan het referentiewegdek dicht asfaltbeton. Voor diverse locaties van de BPL zijn voldoende reductiepunten aanwezig om het wegdektype tweelaags ZOAB toe te passen, dat meer maatregelpunten kost en een hogere geluidreducerende werking heeft dan het wegdektype dunne deklaag B (hierna: DDB). Gelet hierop is de doelmatigheid van het wegdektype DDB ten opzichte van het wegdektype tweelaags ZOAB beoordeeld, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. In het akoestisch onderzoek is hieromtrent vermeld dat het wegdektype DDB een nagenoeg gelijke geluidreductie kan realiseren als het wegdektype tweelaags ZOAB. Daartoe is in het akoestisch onderzoek een geluidreductie van 95% ten opzichte van de geluidreductie van de maximale maatregel (het wegdektype tweelaags ZOAB) aangemerkt als een nagenoeg gelijke geluidreductie, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. In het akoestisch onderzoek staat als uitkomst vermeld dat het wegdektype DDB op de desbetreffende locaties van de BPL een geluidreductie van ten minste 95% van de geluidreductie van het wegdektype tweelaags ZOAB oplevert, zodat op deze locaties het wegdektype DDB financieel doelmatig en akoestisch effectief is. Hierbij wordt overigens vermeld dat afwisseling van de wegdektypen dicht asfaltbeton en DDB in verband met de aanleg en het beheer niet gewenst is, zodat over de gehele BPL het wegdektype DDB wordt aangelegd.

Overigens is na de afweging met betrekking tot bronmaatregelen nagegaan of het plaatsen van geluidsschermen financieel doelmatig is. In het akoestisch onderzoek staat dat deze afweging niet is gemaakt indien bronmaatregelen niet doelmatig zijn gebleken, omdat schermmaatregelen per definitie duurder zijn.

2.20.3.7. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten bij het bepalen van een nagenoeg gelijke geluidreductie, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh niet in redelijkheid aansluiting hebben kunnen zoeken bij de toelichting bij artikel 3 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, waarin staat dat per geval zal worden beoordeeld wat een nagenoeg gelijke geluidreductie is en dat het doorgaans dient te gaan om een alternatieve maatregel die een geluidreductie moet realiseren van ten minste 95% van de geluidreductie van de maximale maatregel.

Ten aanzien van het betoog van enkele appellanten dat de geluidreductie van het beoogde wegdektype DDB ten opzichte van het wegdektype tweelaags ZOAB volgens de berekeningen die aan het akoestisch onderzoek ten grondslag zijn gelegd slechts 94,6% bedraagt in plaats van 95%, overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een geluidreductie van 94,6% een nagenoeg gelijke geluidreductie betreft, nu dit percentage afgerond 95 bedraagt.

2.20.3.8. Enkele appellanten voeren omtrent de doelmatigheid van de geluidbeperkende maatregelen aan dat de geluidreductie van het beoogde wegdektype DDB ten opzichte van het wegdektype tweelaags ZOAB lager dan 95% is. In dit verband wijzen zij op de volgens het deskundigenbericht te verwachten geluidreducties van beide wegdektypen.

2.20.3.9. In het deskundigenbericht staat dat de in het akoestisch onderzoek berekende geluidreducties afwijken van hetgeen op basis van de vastgestelde wegdekcorrectie en emissiecijfers voor beide wegdektypen verwacht mag worden.

2.20.3.10. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben zich in reactie op het deskundigenbericht en ter zitting op het standpunt gesteld dat de in het deskundigenbericht vermelde geluidreducties voor beide wegdektypen emissiewaarden betreffen en dat in het akoestisch onderzoek de immissiewaarden, dat wil zeggen de geluidreducties op de gevels van de desbetreffende woningen, zijn onderzocht. Voorts hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de geluidreducties van beide wegdektypen een verschillende frequentiekarakteristiek hebben. Doordat de afname van een geluidsbelasting over een bepaalde afstand afhankelijk is van de frequentiekarakteristiek van die geluidsbelasting, zijn geluidreducties van beide wegdektypen uitgedrukt in immissiewaarden niet vergelijkbaar met geluidreducties van beide wegdektypen uitgedrukt in emissiewaarden, aldus het college van gedeputeerde staten en provinciale staten.

Voorts hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten in reactie op het deskundigenbericht toegelicht dat de berekeningsresultaten bij de bepaling van de financiële doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen afwijken van de in de bijlagen van het akoestisch onderzoek weergegeven geluidsbelastingen, omdat bij laatstgenoemde cijfers naast de geluidreductie van het wegdektype ook de geluidreductie van de geluidsschermen is betrokken.

Verder hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ter zitting toegelicht dat de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh bij het bepalen van de reductiepunten geen rekening houdt met geluidsbelastingen onder de voorkeursgrenswaarde. Hieruit volgt volgens het college van gedeputeerde staten en provinciale staten dat de hogere geluidreductie van het wegdektype tweelaags ZOAB ten opzichte van het wegdektype DDB wegvalt voor een groot aantal woningen waarbij reeds met het wegdektype DDB de voorkeursgrenswaarde wordt bereikt.

Gelet op voormelde toelichting van het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat zij zich in zoverre niet op het akoestisch onderzoek hebben kunnen baseren.

2.20.3.11. Enkele appellanten voeren omtrent de doelmatigheid van de geluidbeperkende maatregelen aan dat het wegdektype DDB niet voor de BPL kan worden toegepast nu die maatregel volgens het deskundigenbericht is beperkt tot wegen met een maximumsnelheid van 80 km/uur.

2.20.3.12. Ingevolge artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt, bij een van dicht asfaltbeton afwijkend wegdektype, het effect van het afwijkende wegdektype op de geluidemissie bepaald overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van bijlage III beschreven methode.

In de toelichting van deze bijlage staat dat concrete wegdekcorrectiefactoren niet meer in dit voorschrift zijn opgenomen maar dat in een publicatie van de stichting CROW en op haar website gegevens zijn opgenomen over diverse wegdektypen en dat daarin bronnen zijn opgenomen om aan de wegdekcorrectiefactoren van andere wegdekken te komen.

2.20.3.13. Niet in geschil is dat de BPL geen hoofdweg is als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet, zodat de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh onverplicht is toegepast. Evenmin is in geschil dat de toegelaten rijsnelheid op de BPL nergens meer dan 100 km/uur zal bedragen.

In het akoestisch onderzoek staat dat, voor de bepaling van de financiële doelmatigheid van het voor de BPL gekozen wegdektype DDB als geluidsmaatregel, is aangesloten bij het aantal maatregelpunten voor dunne deklagen uit tabel 1 van bijlage 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Voor de maximale snelheid waarbij dit wegdektype kan worden toegepast en de daarvoor geldende emissieparameters is gebruik gemaakt van de publicaties van de stichting CROW, aldus het akoestisch onderzoek.

Het betoog dat het wegdektype DDB volgens het deskundigenbericht niet als geluidbeperkende maatregel kan worden toegepast bij snelheden boven 80 km/uur ziet, gelet op de bewoordingen van het deskundigenbericht, op tabel 1 van bijlage 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. De Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh ziet evenwel niet op wegdekcorrectiefactoren, maar op de financiële doelmatigheid van geluidsmaatregelen. De vraag onder welke omstandigheden een wegdektype kan worden toegepast als geluidbeperkende maatregel dient naar het oordeel van de Afdeling te worden beoordeeld aan de hand van artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, gelezen in samenhang met de toelichting bij bijlage III, waarin wordt verwezen naar de wegdekcorrectiefactoren uit de publicaties van de stichting CROW. Deze publicaties zijn verwerkt in de tabel "Wegdekcorrectiefactoren voor gebruik in het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2006". Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben toegelicht dat hierin staat dat het wegdektype DDB als geluidmaatregel kan worden toegepast tot maximumsnelheden van 130 km/uur voor lichte motorvoertuigen en 100 km/uur voor zwaar verkeer. Voorts hebben zij toegelicht dat in de publicatie "Stille wegdekken" van de stichting CROW van juni 2010 hieromtrent een positief advies is gegeven. Daarnaast wijzen het college van gedeputeerde staten en provinciale staten op het advies van het Innovatieprogramma Geluid van maart 2008 (hierna: het IPG-advies), waarin staat dat dunne deklagen zonder meer kunnen worden toegepast op niet-autosnelwegen en op autosnelwegen met een lagere intensiteit dan 50.000 mvt/etmaal. In het Verkeerskundig onderzoek staat dat de verkeersintensiteit in 2025 lager is dan dit aantal. Ter zitting hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten dit bevestigd. Voorts staat in het deskundigenbericht dat, afgezien van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, op grond van de publicaties van de stichting CROW en het IPG-advies geen belemmeringen bestaan om het wegdektype DDB toe te passen bij de BPL.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten zich niet op het akoestisch onderzoek konden baseren, voor zover hierin is uitgegaan van het wegdektype DDB.

2.20.3.14. Gelet op het hiervoor overwogene hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde beoordelingsmethodiek, wat betreft de doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen, als zodanig niet in overeenstemming is met het bepaalde in de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de individuele beroepen, voor zover in geschil, nagaan of de afweging wat betreft de financiële doelmatigheid met betrekking tot een specifiek cluster in overeenstemming is met de wettelijke normering. Indien dit het geval is faalt het betoog van appellanten.

Cumulatie

2.20.4. Verscheidene appellanten voeren aan dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting bij hun woningen na aanleg van de BPL in het algemeen en naar het aandeel daarin van AWACS-luchtverkeer dat vliegt van en naar de thuisbasis in de Duitse grensplaats Geilenkirchen in het bijzonder.

Zij betogen meer specifiek dat uitvoeriger onderzoek had moeten worden verricht ter plaatse van woningen, die op korte afstand van de aan- en uitvliegroute zijn gelegen. Naar hun stelling is ten onrechte geen rekening gehouden met het piekgeluid van de AWACS-vliegtuigen. Nu de BPL de rustmomenten verstoort tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen, neemt ten gevolge van de BPL de geluidsbelasting toe. Volgens appellanten klemt het voorgaande temeer, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 in zaak nr. 200806952/1/R1 volgt dat de geluidsbelasting vanwege de AWACS-vliegtuigen in Schinveld en Brunssum reeds zodanig hoog is dat geen enkele toename - hoe gering ook - aanvaardbaar is.

2.20.4.1. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voor woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidsbelasting onder meer is beoordeeld aan de hand van het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten achten in dit verband gecumuleerde geluidsbelastingen tot 58 dB in ieder geval aanvaardbaar. Bij een beperkt aantal woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld is de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger dan de verleende hogere waarde. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het onderliggende wegennet of de AWACS-vliegtuigen. Daar waar de gecumuleerde geluidsbelasting hoger is dan 58 dB is de bijdrage van het inpassingsplan aan de gecumuleerde geluidsbelasting minimaal, aldus het college van gedeputeerde staten en provinciale staten.

Daarnaast stellen provinciale staten zich op het standpunt dat voor woningen waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld, in het kader van het inpassingsplan uit het oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht de gecumuleerde geluidsbelasting is onderzocht.

2.20.4.2. Zoals hiervoor onder het kopje 'Hogere waarden' is overwogen, kan het college van gedeputeerde staten ingevolge artikel 110a, zesde lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met het eerste en het derde lid, indien artikel 110f van toepassing is een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting slechts vaststellen voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten onaanvaardbare geluidsbelasting.

Indien afdeling 2, 2a, 3 en 4 van hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing is op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen gelegen in twee of meer aanwezige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidszones alsmede in een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, dient degene die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek ingevolge artikel 110f, eerste lid, ter plaatse van die woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, overeenkomstig de door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu, gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

Ingevolge het tweede lid draagt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu, zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de te treffen maatregelen indien in een bepaald gebied een of meer van de in het eerste lid genoemde onderdelen van deze wet of van het krachtens die onderdelen bepaalde van toepassing zijn, terwijl voor dat gebied tevens uit anderen hoofde van Rijkswege een saneringsprogramma ter zake van het voorkomen of bestrijden van geluidhinder moet worden opgesteld.

Ingevolge het derde lid zijn het eerste en tweede lid uitsluitend van toepassing indien voor een woning, […]:

a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en

b. voor dezelfde woning […] de geluidsbelasting, vanwege ten minste een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

Ingevolge het vierde lid worden het eerste en tweede lid alleen toegepast ten aanzien van geluidsbronnen als bedoeld in het eerste lid waarvan de geluidsbelasting in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

Ingevolge het vijfde lid kan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minster van Infrastructuur en Milieu, ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid bepalen, dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van de woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en de grens van geluidsgevoelige terreinen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan worden toegepast.

Ingevolge artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt het effect van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen, bedoeld in artikel 110f, bepaald overeenkomstig de in hoofdstuk 2 van bijlage I bij dat besluit beschreven rekenmethode.

2.20.4.3. In bijlage 5, behorend bij het akoestisch onderzoek, staan de berekende gecumuleerde geluidsbelastingen voor alle woningen en geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone van de BPL vermeld. De Afdeling stelt voorop dat de Wgh alleen verplicht tot het verrichten van onderzoek naar de effecten van samenloop van de verschillende geluidbronnen ter plaatse van woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld én die tevens zijn gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108 van de Wgh. Het akoestisch onderzoek, voor zover betrekking hebbend op de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van woningen die niet in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones liggen of waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld moet dan ook worden aangemerkt als een uit hoofde van de Wgh onverplicht, vrijwillig opgesteld onderdeel. Het betoog dat dit onderdeel van het akoestisch onderzoek niet in overeenstemming is met de Wgh kan reeds hierom geen doel treffen.

2.20.4.4. Provinciale staten hebben de gecumuleerde geluidsbelasting uit een oogpunt van zorgvuldigheid ook onderzocht voor woningen waarvoor dit ingevolge artikel 110f, derde lid, van de Wgh niet is vereist omdat geen hogere waarde is vastgesteld of omdat voor dezelfde woning geen andere geluidsbron, als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt. Gelet op de aanwezigheid van hoge gecumuleerde geluidsbelastingen door onder meer de AWACS-vliegtuigen, en de motivering van provinciale staten hieromtrent aan de hand van de gecumuleerde geluidsbelasting, zal de Afdeling de gecumuleerde geluidsbelastingen in voormelde gevallen in het kader van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij haar oordeel betrekken.

De Afdeling acht voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoeft te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop hebben provinciale staten voor de gevallen waarin ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld in beginsel de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

2.20.4.5. Gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde acht de Afdeling voorts het uitgangspunt van het college van gedeputeerde staten en provinciale staten dat gecumuleerde geluidsbelastingen tot 58 dB in het algemeen aanvaardbaar zijn, niet onredelijk.

2.20.4.6. In een aantal gevallen wordt de gecumuleerde geluidsbelasting met name veroorzaakt door AWACS-vliegtuigen. Wat betreft de gevallen waarin ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld en de gevallen waarin dit niet hoefde, overweegt de Afdeling als volgt.

In het akoestisch onderzoek staat dat het geluid van de AWACS-vliegtuigen is betrokken bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting. Daarbij is gebruik gemaakt van berekeningsresultaten, welke ten behoeve van het project BPL door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium zijn aangeleverd. De bijdrage van het luchtvaartverkeer is berekend als Lden-waarde, dat wil zeggen dat de geluidsbelasting is gemiddeld over het jaar. De Afdeling acht dit in overeenstemming met artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 en hoofdstuk 2 van bijlage 1. Voorts is bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting rekening gehouden met het verschil in geluidbeleving tussen piekgeluid en constante geluiden. Daartoe is de bijdrage van de AWACS-vliegtuigen met ongeveer 6 dB verhoogd. Gelet hierop faalt het betoog van appellanten dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het piekgeluid van de AWACS-vliegtuigen in de geluidszone van de BPL. Voorts biedt de wettelijk voorgeschreven rekenmethode geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten niet hebben kunnen afgaan op voormelde berekeningsresultaten van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, maar ten behoeve van de BPL ter plaatse van de woningen van appellanten geluidmetingen hadden moeten verrichten.

Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200806952/1/R1 geoordeeld dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu, met betrekking tot het vrijstellingsbesluit dat in die procedure voorlag, gelet op de bestaande reeds hoge geluidsbelasting in Schinveld en Brunssum vanwege de vliegbasis, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de mogelijke toename van de geluidsbelasting, hoe gering ook, desalniettemin aanvaardbaar is. De bij voormelde uitspraak betrokken omstandigheden, dat de bestaande situatie in ernstige mate overbelast is, dat de wettelijke normen omtrent de maximaal toelaatbare gevelbelasting worden overschreden, dat (verdere) isolatie van de woningen in de betrokken kernen tegen geluidhinder niet mogelijk is gebleken en dat tegen de overschrijding van de geluidnormen niet handhavend kan worden opgetreden, hebben betrekking op het piekgeluid van de AWACS-vliegtuigen. Het inpassingsplan leidt niet tot een toename van dit piekgeluid zodat deze omstandigheden - en de conclusie die de Afdeling daar in voormelde uitspraak aan heeft verbonden - geen gevolgen kunnen hebben voor het wegverkeerslawaai van de BPL en het onderliggende wegennet.

Appellanten stellen met juistheid dat door de BPL de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen toeneemt. De Afdeling ziet in dat betoog geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten het toevoegen van een op zichzelf aanvaardbare geluidsbelasting aanvaardbaar hebben kunnen achten in gevallen waarin een hoge gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze piekgeluiden zijn meegeteld bij de berekening van de hoogte van de gecumuleerde geluidsbelasting, het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde.

2.20.4.7. In een aantal gevallen is voor het inpassingsplan weliswaar een hogere waarde vastgesteld, maar wordt de gecumuleerde geluidsbelasting met name veroorzaakt door de geluidsbelasting vanwege het bestaande wegverkeer op het onderliggende wegennet. In die gevallen hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten in beginsel de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde.

2.20.4.8. Bij sommige woningen, waarvoor ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld, leidt het inpassingsplan tevens tot een intensivering van een andere, reeds hoge geluidsbelasting ten gevolge van het onderliggende wegennet dan waarvoor thans een hogere waarde is vastgesteld. Voor deze situaties waar een directe relatie ligt met het inpassingsplan, hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ter zitting toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde zal plaatsvinden berekend vanuit de (hoogst berekende) gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde.

2.20.4.9. De Afdeling zal zich bij de afdoening van het beroep van de individuele appellanten uitspreken over de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidsbelasting.

2.20.5. Enkele appellanten betogen dat het college van gedeputeerde staten ten aanzien van woningen in Brunssum, Schinnen en Schinveld invulling had moeten geven aan de in artikel 110f, tweede lid, van de Wgh bedoelde afstemming en samenhang.

2.20.5.1. Vaststaat dat voor woningen in Brunssum, Schinnen en Schinveld waarvoor een hogere waarde is vastgesteld geen sprake is van een saneringssituatie. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat artikel 110f, tweede lid, van de Wgh slechts ziet op situaties waarin een hogere waarde wordt vastgesteld en waarin tevens een saneringsprogramma moet worden opgesteld, faalt het betoog.

2.20.5.2. Het betoog van enkele appellanten, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met industrielawaai en railverkeerslawaai, mist feitelijke grondslag, nu in het akoestisch onderzoek van 8 oktober 2010 staat dat met deze geluidbronnen rekening is gehouden bij het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting.

Akoestisch onderzoek

2.20.6. Enkele appellanten betogen dat op de berekende gecumuleerde waarde ten onrechte ingevolge artikel 110g van de Wgh een aftrek van 2 dB is toegepast. Hiertoe stellen zij dat de op 1 oktober 2010 in werking getreden wijziging van de rekenmethode bepaalt dat deze aftrek niet meer mag worden toegepast.

2.20.6.1. In artikel III van de Regeling van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 september 2010, nr. LOK 2010020662, houdende wijziging van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, staat dat de wijziging van de rekenmethode in werking treedt met ingang van 1 oktober 2010. Voorts staat in artikel III dat het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing blijft op een akoestisch onderzoek dat reeds vóór dat tijdstip is ingesteld, tenzij het rapport van dat onderzoek de keuze bevat voor toepassing van de nieuwe regeling. Vaststaat dat het onderzoek dat heeft geleid tot het akoestisch rapport van Arcadis van 8 oktober 2010, is aangevangen voor 1 oktober 2010. Nu dit rapport geen keuze bevat voor de regeling die geldt vanaf 1 oktober 2010, mochten het college van gedeputeerde staten en provinciale staten de aftrek van 2 dB toepassen.

2.20.7. Voorts voeren appellanten aan dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten bij de berekening van de toekomstige geluidsbelasting vanwege de BPL van te lage verkeersintensiteiten zijn uitgegaan. Zij voeren in dit verband aan dat geen rekening is gehouden met de verkeerstoename vanwege de mogelijke vestiging van een pretpark bij Brunssum.

2.20.7.1. Uit artikel 3.1 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 volgt dat in het akoestisch onderzoek uitgegaan moet worden van de verkeersintensiteit in het toekomstig maatgevende jaar. Uit de toelichting bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 volgt dat dit normaliter het tiende jaar is na openstelling van de weg. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten stellen dat nog onzeker is of, en zo ja, wanneer het pretpark bij Brunssum zal worden gerealiseerd. Gelet hierop hoefden het college van gedeputeerde staten en provinciale staten geen rekening te houden met de verkeerstoename ten gevolge van de realisering van een pretpark bij Brunssum.

2.20.8. Appellanten betogen dat de berekende geluidsbelastingen voor de huidige situatie in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het inpassingsplan, verschillen ten opzichte van het Detailrapport Geluid en Lucht van 4 april 2008 van Arcadis dat ten grondslag ligt aan het MER.

2.20.8.1. In het akoestisch onderzoek dat aan het MER ten grondslag ligt staat dat de geluidsberekeningen zijn uitgevoerd zonder toepassing van de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh. Verder staat in het deskundigenbericht dat geen onderzoek op woningniveau is uitgevoerd, maar dat is gerekend met rasterpunten van 50 m bij 50 m. In het verweerschrift staat bovendien dat in het onderzoek ten behoeve van het MER is uitgegaan van het peiljaar 2004, waarin sprake is van andere verkeersintensiteiten dan in het peiljaar 2014, waarvan in het akoestisch onderzoek, behorend bij het inpassingsplan, is uitgegaan. Uit het deskundigenbericht volgt dat de verschillen hierdoor kunnen worden verklaard. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

2.20.9. Enkele appellanten betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet is ingegaan op de gevolgen van de aanleg van de BPL voor de regio Parkstad Limburg als geheel.

2.20.9.1. De Afdeling stelt voorop dat in het MER met betrekking tot het aspect geluid een algehele afweging is gemaakt voor de gehele regio Parkstad Limburg. Het betoog dat in het kader van het akoestisch onderzoek had moeten worden ingegaan op de gevolgen voor de regio als geheel, faalt. Hiertoe wordt overwogen dat de Wgh, afgezien van het bepaalde in artikel 99, tweede lid, slechts verplicht tot het verrichten van akoestisch onderzoek gericht op de geluidsbelasting, welke individuele woningen of andere gevoelige bestemmingen binnen de geluidszones van de BPL of andere aan te leggen of te wijzigen wegen zullen ondervinden.

2.20.10. Enkele appellanten betogen dat ten behoeve van de aanleg van een nieuwe weg ten onrechte geen vergelijking is gemaakt tussen de geluidsbelasting in de huidige situatie en de nieuwe situatie.

2.20.10.1. Uit artikel 82 van de Wgh volgt dat de toekomstige geluidsbelasting vanwege een nieuwe weg bepalend is. De Wgh noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht ertoe een vergelijking te maken tussen de geluidsbelasting in de huidige situatie en de situatie na realisering van de weg.

Voorts volgt uit artikel 100, tweede lid, van de Wgh dat ingeval van een reconstructie de heersende waarde bepalend kan zijn voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de individuele beroepen, indien dit in een dergelijke situatie wordt aangevoerd, nagaan of en in hoeverre het college van gedeputeerde staten en provinciale staten voldoende onderzoek hebben gedaan naar de heersende geluidsbelasting.

2.20.11. Enkele appellanten betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting als gevolg van optrekkend en afremmend verkeer bij kruispunten dan wel de extra geluidsbelasting vanwege een helling.

2.20.11.1. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten stellen dat in de berekeningen, waar nodig, rekening is gehouden met de kruispunttoeslag en de hellingscorrectie als bedoeld in artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Indien dit juist is, is voldoende rekening gehouden met de extra geluidsbelasting als gevolg van optrekkend en afremmend verkeer bij kruispunten en de extra geluidsbelasting vanwege een helling. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de individuele beroepen, voor zover in geschil, nagaan of het college van gedeputeerde staten en provinciale staten met recht betogen dat rekening is gehouden met de kruispunttoeslag en de hellingscorrectie.

Luchtkwaliteit

2.20.12. Een groot aantal appellanten heeft bezwaren aangevoerd ten aanzien van de gevolgen van het inpassingsplan voor de luchtkwaliteit en het ten behoeve van het inpassingsplan verrichte luchtkwaliteitsonderzoek.

2.21. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:

1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of

2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

2.22. Ten behoeve van het inpassingsplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek). In het luchtkwaliteitsonderzoek wordt, samengevat weergegeven, geconcludeerd dat kan worden voldaan aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2).

Weghellingen

2.23. Een aantal appellanten betoogt dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de invloed van weghellingen.

2.23.1. In het luchtkwaliteitsonderzoek is vermeld dat de berekeningen voor de buitenstedelijke wegen binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd met Standaardrekenmethode 2. Bij deze rekenmethode wordt rekening gehouden met hoogteverschillen binnen het onderzoeksgebied. In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit worden geen nadere eisen gesteld ten aanzien van hellingspercentages van wegen. In het deskundigenbericht staat hieromtrent vermeld dat een helling in de weg geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit, omdat de iets hogere emissie van het wegverkeer dat de helling op zal rijden wordt gecompenseerd door de iets lagere emissie van het wegverkeer dat de helling in tegengestelde richting zal afrijden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met weghellingen.

Zeer fijn stof

2.24. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de concentratie zwevende deeltjes (PM2,5) ter plaatse van de Vogelzankweg te Landgraaf.

2.24.1. Ingevolge voorschrift 4.4 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer blijft de grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5) tot 1 januari 2015 buiten toepassing bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ongeacht of de desbetreffende uitoefening of toepassing ook na de genoemde datum gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft of kan hebben. Gelet hierop bestond ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan geen verplichting onderzoek te verrichten naar de gevolgen van het inpassingsplan voor de concentratie zwevende deeltjes (PM2,5). Overigens staat in het deskundigenbericht vermeld dat nu niet is te verwachten dat de grenswaarden voor de concentratie zwevende deeltjes (PM10) ter plaatse van de Vogelzankweg in 2015 en 2020 na aanleg van de BPL zullen worden overschreden, evenmin is te verwachten dat de grenswaarde voor de concentratie zwevende deeltjes (PM2,5) zal worden overschreden.

Piekconcentraties

2.25. Een aantal appellanten voert daarnaast aan dat de piekconcentratie voor stikstofdioxide (NO2) en het aantal etmaaloverschrijdingen van zwevende deeltjes (PM10) niet zijn onderzocht. Niet is gebleken waar en hoe vaak per jaar de uurgemiddelde NO2-concentraties hoger zijn dan de grenswaarde. Voorts is niet duidelijk waar de daggemiddelde waarde voor zwevende deeltjes (PM10) meer dan 35 maal per jaar wordt overschreden, aldus appellanten. In dit verband heeft een groot aantal appellanten aangevoerd dat zij te maken zullen krijgen met piekconcentraties ten gevolge van filevorming. Volgens appellanten zal dit ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden en is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden.

2.25.1. Ingevolge voorschrift 2.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.25.2. In het luchtkwaliteitsonderzoek staat vermeld dat voor stikstofdioxide (NO2) de jaargemiddelde concentratie maatgevend is. De norm voor het aantal overschrijdingen van de uurgemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) wordt pas overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 82 µg/m3. Gezien de hoogste berekende jaargemiddelde concentratie van 32,1 µg/m3, kan worden geconcludeerd dat geen overschrijdingen van de uurgemiddelde norm zullen plaatsvinden, zo staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld. Het deskundigenbericht bevestigt dit. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

Ten aanzien van zwevende deeltjes (PM10) staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld dat voor de berekeningen en beoordeling van de concentraties met name de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie relevant is. Deze grenswaarde is voor zwevende deeltjes (PM10) maatgevend. De grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie wordt overschreden bij jaargemiddelde concentraties hoger dan 32,6 µg/m3. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er direct langs de weg in het onderzoeksgebied geen jaargemiddelde concentraties boven 32,6 µg/m3 zijn. De hoogst berekende jaargemiddelde concentratie bedraagt 26,1 µg/m3. In het luchtkwaliteitsonderzoek wordt dan ook geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) voorkomen. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

Met betrekking tot de filevorming staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld dat de berekende emissies en concentraties zijn gebaseerd op de weekdaggemiddelde verkeersintensiteiten, rijsnelheden en congestiepercentages. Het congestiepercentage wordt gehanteerd als invoerparameter voor de berekeningen. Op basis van de verhouding tussen de intensiteit en capaciteit (I/C-verhouding) van een wegdeel is bepaald in hoeverre filevorming zal optreden, zo staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld. De verkeersgegevens zijn ontleend aan het verkeersmodel dat voor de BPL is opgesteld. Gelet op het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met filevorming. Nu voorts aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zal worden voldaan bestaat geen grond voor het oordeel dat ten gevolge van filevorming ernstige gezondheidsrisico's te verwachten zijn.

Vergelijking huidige en autonome luchtkwaliteit

2.26. Voorts betogen verschillende appellanten dat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit ten onrechte geen vergelijking is gemaakt tussen de huidige luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit in de autonome ontwikkeling. In dit verband voeren zij aan dat voorts onvoldoende inzicht is gegeven in het aantal blootgestelden in en buiten de bebouwde kom.

2.26.1. Vaststaat dat ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek geen berekening is uitgevoerd naar de huidige situatie waarin de BPL nog niet is aangelegd. Wel is de autonome ontwikkeling in het luchtkwaliteitsonderzoek bezien. Met het luchtkwaliteitsonderzoek is bezien in hoeverre na aanleg van de BPL zal kunnen worden voldaan aan de grenswaarden. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat de luchtkwaliteitberekeningen overeenkomstig de Wet milieubeheer zijn uitgevoerd voor het eerste volledige jaar na openstelling van de BPL (2016) en voor het toekomstige peiljaar (2025) voor de autonome situatie zonder BPL en voor de situatie met BPL, zodat de effecten van het inpassingsplan op de luchtkwaliteit in beeld zijn gebracht. De Wet milieubeheer noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht ertoe de huidige situatie met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit in het studiegebied in kaart te brengen.

Ten aanzien van hetgeen appellanten hebben aangevoerd omtrent het aantal blootgestelden in het onderzoeksgebied hebben provinciale staten uiteengezet dat hiernaar geen onderzoek is verricht omdat de grenswaarden nergens worden overschreden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het aantal blootgestelden desondanks in kaart diende te worden gebracht.

Zichtjaren

2.27. Een aantal appellanten brengt daarnaast naar voren dat ten aanzien van de luchtkwaliteit geen berekeningen voor 2025 zijn gemaakt. Voorts hadden voor het zichtjaar 2010 eveneens berekeningen ten aanzien van de effecten van de BPL voor de luchtkwaliteit moeten worden uitgevoerd.

2.27.1. In bijlage 5 tot en met bijlage 8 van het luchtkwaliteitsonderzoek zijn contourenplots opgenomen voor de situatie in 2025. In het luchtkwaliteitsonderzoek staat voorts vermeld dat voor het peiljaar 2025 de hoogste jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide (NO2) 25 µg/m3 bedraagt in de autonome ontwikkeling en 24 µg/m3 in de ontwikkeling met de BPL. Voor zwevende deeltjes (PM10) bedraagt in 2025 de hoogste jaargemiddelde concentratie 22 µg/m3 in zowel de autonome situatie zonder de BPL als de situatie met de BPL. Bij een norm van 40 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide als zwevende deeltjes (PM10) is de conclusie, dat ook voor het peiljaar 2025 ruim wordt voldaan aan de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer. Ook aan de grenswaarde voor het aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 wordt ruim voldaan. De grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)wordt ook niet overschreden. Anders dan appellanten kennelijk veronderstellen zijn derhalve wel berekeningen gemaakt voor de situatie in 2025.

Met betrekking tot de gekozen zichtjaren hebben provinciale staten voorts uiteengezet dat de BPL naar verwachting in 2015 zal worden opengesteld. Nu in dat jaar de BPL nog niet volledig zal worden gebruikt, is dit geen representatief jaar om berekeningen voor uit te voeren en is gekozen voor het jaar 2016. In 2010 is de BPL in het geheel nog niet aangelegd en in gebruik genomen, zodat berekeningen voor dat jaar volgens provinciale staten geen enkele realiteitsgehalte zouden hebben. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist.

Achtergrondconcentraties

2.28. Volgens appellanten gaan provinciale staten er ten onrechte vanuit dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van de grenswaarden, omdat de berekeningen zijn gebaseerd op sterk verouderde achtergrondconcentraties en emissiefactoren. Pas in 2010 zijn juiste gegevens beschikbaar gekomen, zodat bij de vaststelling van het inpassingsplan is uitgegaan van onjuiste, niet actuele, gegevens, zo stellen appellanten.

2.28.1. Uit het deskundigenbericht volgt dat voor zover is gerekend met Standaardrekenmethode 1 gebruik is gemaakt van CAR II, versie 9, en voor zover is gerekend met standaardrekenmethode 2 gebruik is gemaakt van PluimSnelweg, versie 1.5 van mei 2010. In beide softwarepakketten zijn de meest actuele gegevens en achtergrondconcentraties verwerkt, zo staat in het deskundigenbericht vermeld. Provinciale staten hebben voorts uiteengezet dat tussen de terinzagelegging van het ontwerpplan en de vaststelling van het plan een actualisatie van het luchtkwaliteitsonderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens het deskundigenbericht zijn provinciale staten bij de vaststelling van het plan uitgegaan van de op dat moment meest actuele gegevens omtrent verkeersintensiteiten, emissiefactoren en achtergrondconcentraties. Ook is uitgegaan van het meest actuele wegontwerp. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. Gelet op het vorenstaande bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat bij de berekening ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van verouderde achtergrondconcentraties.

Locaties

2.29. Appellanten betogen voorts dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte slechts op een beperkt aantal locaties onderzoek is verricht. Volgens hen geeft het luchtkwaliteitsonderzoek daarom geen representatief beeld van de gevolgen van de BPL voor de luchtkwaliteit. Daarnaast is geen rekening gehouden met kruispunten, viaducten, street canyon en andere knelpunten, aldus appellanten.

2.29.1. In het luchtkwaliteitsonderzoek is vermeld dat ten aanzien van alle binnenstedelijke wegen die binnen een afstand van 1.000 m vanaf de voorziene BPL liggen, berekeningen zijn uitgevoerd volgens Standaardrekenmethode 1 met behulp van CAR II. Provinciale staten hebben uiteengezet dat ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek meer dan 1.000 wegvakken zijn doorgerekend. Omdat de resultaten daarvan zo omvangrijk waren heeft een filtering van de gegevens plaatsgevonden. De resultaten van de berekeningen van de vijf wegen met de grootste afname van intensiteiten, de vijf wegen met de grootste toename van intensiteiten en de vijf wegen met de hoogste absolute intensiteiten zijn in het luchtkwaliteitsonderzoek weergegeven. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de weergave van berekeningsresultaten in het luchtkwaliteitsonderzoek reeds hierom onvoldoende representatief zouden zijn.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het luchtkwaliteitsonderzoek te veel is gebaseerd op berekeningen en te weinig op metingen, overweegt de Afdeling dat het gelet op de omstandigheid dat in het luchtkwaliteitsonderzoek een toekomstige bijdrage aan de luchtkwaliteit wordt onderzocht, onvermijdelijk is dat het onderzoek grotendeels is gebaseerd op berekeningen.

Bij de berekeningen ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van de meest ongunstige situatie. Bij de standaardinvoer voor de berekening van de meest ongunstige benadering wordt rekening gehouden met verslechterende factoren zoals onder meer stagnerend verkeer en street canyon. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze invoergegevens op onjuiste wijze zijn gehanteerd.

Verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit

2.30. Een aantal appellanten betoogt dat de luchtkwaliteit ten gevolge van de aanleg van de BPL zal verslechteren. De stelling van provinciale staten dat de luchtkwaliteit in de bebouwde kom verbetert is volgens hen onjuist. Slechts op een beperkt aantal plaatsen treedt volgens appellanten een verbetering op, maar over het algemeen genomen is binnen de woonkernen sprake van een verslechtering. Voorts liggen ook naast de BPL bebouwde kommen.

2.30.1. In het luchtkwaliteitsonderzoek is bezien of na aanleg van de BPL kan worden voldaan aan de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer. Het onderzoek heeft niet tot doel te bezien in hoeverre de luchtkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie verslechtert. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat de verkeersintensiteiten op de BPL en de toeleidende wegen toenemen waardoor de emissies op de BPL en wegen direct daar omheen toenemen. Doordat het verkeer door de BPL wordt onttrokken aan het onderliggende wegennet nemen op de meeste wegvakken de emissies af. Ondanks de toename van de emissies op diverse wegvakken in het onderzoeksgebied wordt in het gehele plangebied voldaan aan de gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het overschrijdingsoppervlak bedraagt dan ook 0 m². Omdat binnen het gedefinieerde onderzoeksgebied van de BPL geen overschrijdingen van grenswaarden geconstateerd zijn, wordt volgens het luchtkwaliteitsonderzoek voldaan aan artikel 5.16, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

Beoordeling andere grenswaarden

2.31. Een aantal appellanten betoogt voorts dat ten onrechte niet is getoetst aan de grenswaarden voor koolstofmonoxide, lood, zwaveldioxide, benzeen en koolstofdioxide.

2.31.1. Ten aanzien van koolstofmonoxide, lood, zwaveldioxide en benzeen zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd. In het luchtkwaliteitsonderzoek is uitsluitend getoetst aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Hieromtrent staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld dat deze stoffen gerelateerd aan de grenswaarden de hoogste concentraties hebben. Daarnaast is de verkeersbijdrage voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) significant. Omdat de achtergrondconcentraties van de andere stoffen in Nederland niet sterk variëren wordt algemeen aangenomen dat deze grenswaarden niet worden overschreden. De Afdeling komt dit uitgangspunt niet onjuist voor. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval anders zou zijn.

Voor koolstofdioxide is geen wettelijke grenswaarde bepaald, zodat ook geen verplichting bestond de gevolgen van de BPL voor de concentraties van deze stof te bezien.

Bijdrage AWACS-vliegtuigen

2.32. Een groot aantal appellanten betoogt voorts dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijdrage van de AWACS-vliegtuigen aan de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Volgens hen zal de emissie van deze vliegtuigen in combinatie met de emissie ten gevolge van de BPL een overschrijding van de grenswaarden tot gevolg hebben.

2.32.1. In het deskundigenbericht staat vermeld dat in het rapport "Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland rapportage 2010" van het Planbureau voor de leefomgeving is beschreven op welke wijze de grootschalige concentratiekaarten voor de luchtverontreiniging worden vastgesteld. Uit het desbetreffende rapport blijkt volgens het deskundigenbericht dat de bijdrage van vliegtuigen aan de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) beperkt is. Uit het rapport "Milieuonderzoeken NAVO vliegbasis Geilenkirchen" van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium blijkt volgens het deskundigenbericht dat de maximale bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in het onderzoeksgebied ten gevolge van AWACS-vliegverkeer in 2007 0,06 µg/m3 bedroeg. Voor zwevende deeltjes (PM10) bedroeg deze bijdrage 0,008 µg/m3. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat de bijdrage van de AWACS-vliegtuigen aan de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) dermate hoog is dat niet aan de grenswaarden kan worden voldaan.

Conclusie luchtkwaliteit

2.33. Gelet op het vorenstaande en aangezien appellanten ook anderszins niet aannemelijk hebben gemaakt dat het luchtkwaliteitsonderzoek gebreken of leemten in kennis bevat, hebben provinciale staten dit aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd hebben zij terecht geen aanleiding gezien voor het standpunt dat het inpassingsplan in strijd is met de krachtens de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen.

Natura 2000

2.34. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge artikel 1, onder n, sub 3, van de Nbw 1998 wordt onder een Natura 2000-gebied onder meer verstaan een gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG (hierna: Habitatrichtlijn).

2.34.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening:

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstelling, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 19j, kan een inpassingsplan in beginsel slechts worden vastgesteld indien provinciale staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college van gedeputeerde staten, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.

Ingevolge het tweede lid worden als schadelijke handelingen in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.

2.34.2. Het gebied Brunssummerheide is bij besluit van 15 december 1995 (kenmerk N-95-9988) aangewezen als beschermd natuurmonument. Tevens is de Brunssummerheide overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aangemeld als speciale beschermingszone.

Het gebied Kathagerbeemden is bij besluit van 30 maart 1990 (kenmerk NMF-90-3425) aangewezen als beschermd natuurmonument. Dit gebied is onder de naam Geleenbeekdal overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aangemeld als speciale beschermingszone.

Bij beschikking van 7 december 2004 heeft de Europese Commissie de gebieden Brunssummerheide en Geleenbeekdal geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang. Voor beide gebieden heeft een ontwerpbesluit tot aanwijzing als Habitatrichtlijngebied ter inzage gelegen.

Daarnaast is het Duitse Natura 2000-gebied Teverener Heide gelegen in de nabijheid van het plangebied.

Stikstofdepositie

2.35. Een aantal appellanten betoogt dat de vereiste zekerheid dat met de aanleg van de BPL de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide niet zullen worden aangetast ontbreekt. In dit verband voeren zij, onder verwijzing naar het in opdracht van hen door Alterra opgestelde rapport "Passende beoordeling Natura 2000-gebieden Brunssummerheide en Geleenbeekdal, second opinion over de mogelijke effecten van de geplande Buitenring Parkstad Limburg" van januari 2011 (hierna: de second opinion van Alterra), aan dat de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL zal toenemen. Voorts wijzen appellanten erop dat de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitats ter plaatse van de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide reeds in ruime mate worden overschreden. Uit de passende beoordelingen blijkt volgens appellanten ten onrechte niet wat de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL is. Voorts hebben provinciale staten ten onrechte volstaan met de conclusie dat de afname van de depositie in de autonome ontwikkeling groter is dan de toename ten gevolge van het onderhavige inpassingsplan, aldus appellanten.

2.35.1. Provinciale staten hebben uiteengezet dat in de autonome ontwikkeling sprake is van een daling van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. Het inpassingsplan zal weliswaar leiden tot een toename van de stikstofdepositie op deze gebieden, maar de autonome ontwikkeling laat een afname zien die groter is dan de toename ten gevolge van de BPL, aldus provinciale staten. De afname in de autonome ontwikkeling is onder meer het gevolg van het schoner worden van de automotoren. Daarnaast zullen ter plaatse van de gebieden beheermaatregelen worden uitgevoerd om de schadelijke effecten van de stikstofdepositie te verminderen, aldus provinciale staten. Nu de stikstofdepositie zal afnemen worden de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen volgens provinciale staten niet in gevaar gebracht. Het inpassingsplan zal volgens provinciale staten, wat betreft het aspect stikstof, dan ook geen significante effecten hebben op de natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden. In dit verband verwijzen provinciale staten naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, zaak nr. 201009980/1/M2, waaruit volgens provinciale staten volgt dat indien de afname van de depositie in de autonome ontwikkeling groter is dan de toename ten gevolge van een bestemmings- of inpassingsplan, zonder meer kan worden geconcludeerd dat de natuurlijke kenmerken van een gebied niet worden aangetast.

2.35.2. Het inpassingsplan voorziet ter plaatse van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in een uitbreiding van het bestaande tracé van de N298 en de N299 naar 2x2 rijstroken. Daarnaast is de aansluiting bij Nuth in de nabijheid van het gebied Geleenbeekdal gelegen.

Ten behoeve van het inpassingsplan zijn twee passende beoordelingen opgesteld. De passende beoordelingen zijn neergelegd in de rapporten "Passende beoordeling Natura 2000-gebied Geleenbeekdal" (hierna: passende beoordeling Geleenbeekdal) en "Passende beoordeling Natura 2000-gebieden Brunssummerheide en Teverener Heide" (hierna: passende beoordeling Brunssummerheide), beide van 8 oktober 2010. In de passende beoordelingen zijn onder meer de gevolgen van de BPL voor de stikstofdepositie op deze gebieden bezien.

2.35.3. Binnen het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal komen de voor stikstof gevoelige habitattypen kalkmoerassen (H7230), beuken-eikenbossen met hulst (H9120), eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) (H9160B) en vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (H91EOC) voor, zo staat in de passende beoordeling Geleenbeekdal vermeld. Binnen het Natura 2000-gebied Brunssummerheide komen de voor stikstof gevoelige habitattypen zandverstuivingen (H2330), zure vennen (H3160), vochtige heide (H4010), droge Europese heide (H4030), soortenrijke heischrale graslanden (H6230), actief hoogveen (H7110), pioniervegetaties met snavelbies (H7150) en veenbossen (H91D0) voor, zo volgt uit de passende beoordeling Brunssummerheide. Voor voornoemde habitattypen is in de conceptbesluiten tot aanwijzing van de gebieden als Natura 2000-gebied een doelstelling tot uitbreiding van oppervlak of verbetering van kwaliteit, dan wel is een doelstelling tot uitbreiding van oppervlak en verbetering van kwaliteit opgenomen. Uit de conceptaanwijzingsbesluiten volgt daarnaast dat de habitattypen vochtige alluviale bossen, soortenrijke heischrale graslanden, actief hoogveen en veenbossen de status van prioritair habitattype hebben.

2.35.4. In de passende beoordeling Geleenbeekdal wordt geconcludeerd dat na de aanleg van de BPL sprake zal zijn van een afname van de stikstofdepositie ten opzichte van 2004, omdat de BPL een betere doorstroming en een ontlasting van het onderliggend wegennet tot gevolg zal hebben. Daarnaast wordt deze positieve bijdrage vooral toegeschreven aan het schoner worden van de automotoren. In de passende beoordeling Brunssummerheide wordt eveneens geconcludeerd dat sprake zal zijn van een afname van de stikstofdepositie na aanleg van de BPL ten gevolge van een betere doorstroming en schonere automotoren. In beide passende beoordelingen is de stikstofdepositie op de gebieden in 2004 vergeleken met de verwachte depositie in 2015 na aanleg van de BPL. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een afname van de totale stikstofdepositie op deze gebieden.

2.35.5. In het deskundigenbericht staat vermeld dat in de bestaande situatie de N299 verreweg de belangrijkste bron is voor stikstofdepositie op de Brunssummerheide. Volgens het deskundigenbericht speelt een betere doorstroming van het verkeer op het onderliggende wegennet van de regio Parkstad in de toekomst, na ingebruikname van de BPL, dan ook geen belangrijke rol voor kwetsbare habitattypen op de Brunssummerheide. Voorts staat in het deskundigenbericht vermeld dat uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat ten gevolge van de aanleg van de BPL aanzienlijk meer gemotoriseerd verkeer wordt verwacht dan in de autonome ontwikkeling. Volgens het deskundigenbericht heeft dit tot gevolg dat de stikstofemissie ten gevolge van het wegverkeer na aanleg van de BPL per kilometer drie maal zo hoog zal liggen als voorheen. Volgens het deskundigenbericht zal de BPL dan ook een toename van de stikstofdepositie op de Brunssummerheide tot gevolg hebben. Ten aanzien van het Geleenbeekdal staat in het deskundigenbericht vermeld dat ten gevolge van de aanleg van de BPL het onderliggende wegennet deels zal worden ontlast. Ter plaatse van het Geleenbeekdal zal de betere verkeersdoorstroming volgens het deskundigenbericht mogelijk enig dempend effect hebben. Evenwel is aannemelijk dat de BPL ter plaatse van het Geleenbeekdal eveneens een toename van de stikstofdepositie tot gevolg zal hebben, zo staat in het deskundigenbericht vermeld.

2.35.6. In reactie op het deskundigenbericht heeft Arcadis in opdracht van provinciale staten het nadere memo "Stikstofdepositie BPL Brunssummerheide/Geleenbeekdal" van 28 juli 2011 (hierna: het memo van Arcadis) opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat de BPL op zichzelf een toename van de stikstofdepositie op de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide tot gevolg zal hebben. De autonome ontwikkeling laat volgens het memo evenwel een afname zien die groter is dan de toename als gevolg van de BPL. Dit komt onder meer door algemene ontwikkelingen zoals het schoner worden van automotoren, zo staat in het memo van Arcadis vermeld. Daarnaast wordt er in het memo van Arcadis op gewezen dat de schadelijke gevolgen van stikstofdepositie in de gebieden met algemene beheermaatregelen worden verminderd. Voorts staat in het memo dat een manege in de nabijheid van de Brunssummerheide de bedrijfsvoering zal beëindigen, hetgeen een verlaging van de stikstofdepositie tot gevolg zal hebben.

2.35.7. De Afdeling wijst erop dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02 (Kokkelvisserij; www.curia.europa.eu) heeft overwogen dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, een passende beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied. De nationale autoriteiten geven slechts toestemming indien zij de zekerheid hebben verkregen dat het plan of project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. Dit is het geval wanneer wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.

2.35.8. Gelet op het vorenstaande is niet in geschil dat ten gevolge van de BPL de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide op zichzelf zal toenemen. Nu niet duidelijk is hoe hoog de toename ten gevolge van de BPL zal zijn en hoe deze toename zich verhoudt tot de achtergrondconcentratie, is de Afdeling van oordeel dat op grond van de aan haar bekende gegevens niet kan worden geconcludeerd dat de zekerheid bestaat dat het inpassingsplan de natuurlijke kenmerken van de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide niet zal aantasten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitattypen in de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in ruime mate worden overschreden. Voorts is hierbij van belang dat voor de gevoelige habitattypen in de ontwerpbesluiten tot aanwijzing van het Geleenbeekdal en de Brunssummerheide verbeterdoelstellingen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling is niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL zal hebben voor het behalen van deze verbeterdoelstellingen. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat het inpassingsplan volgens het deskundigenbericht een forse verkeersaantrekkende werking zal hebben.

Het betoog van provinciale staten dat de autonome ontwikkeling een afname laat zien die groter is dan de toename ten gevolge van de BPL leidt, daargelaten de vraag naar de zekerheid van de mate van die afname in de komende jaren, niet tot een ander oordeel. Nu de effecten van de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL in relatie tot het behalen van de verbeterdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitattypen niet inzichtelijk zijn gemaakt, is niet duidelijk in hoeverre de BPL het behalen van deze verbeterdoelstellingen zal vertragen dan wel aan het behalen daarvan in de weg zal staan.

In de uitspraak van 6 juli 2011, nr. 201009980/1/M2, met betrekking tot het tracébesluit A4 Delft-Schiedam waar provinciale staten in dit kader naar hebben verwezen, heeft de Afdeling als volgt overwogen:

"2.44.3 De afstand van het gebied Meijendel en Berkheide tot de A4 bedraagt circa 14 km. Tussen het tracé en het gebied bevinden zich de bebouwde kommen van de gemeenten Delft, Leidschendam-Voorburg en Den Haag. Uit het door Arcadis B.V. opgestelde rapport "Natuurtoets/ Compensatievisie/ Compensatieplan" van september 2010 blijkt dat als gevolg van de aanleg van de A4 sprake is van een geringe toename van de verkeersintensiteiten op de Landscheidingsweg. Tevens blijkt uit dit rapport dat er na realisatie van de A4 (2016-2020) geen toename is van de depositie ten opzichte van de situatie in 2010. Dit komt omdat de autonome ontwikkeling tot 2016-2020 een afname laat zien ten opzichte van de situatie in 2010 die groter is dan de beperkte toename als gevolg van de aanleg van de A4. Gelet hierop is niet vereist dat een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 werd gemaakt.".

Deze uitspraak heeft betrekking op een situatie waarbij de voorziene weg op ongeveer 14 km van het desbetreffende Natura 2000-gebied is gelegen. Nu het een indirecte en beperkte toename betrof kon in dat geval worden geoordeeld dat significante effecten op het desbetreffende Natura 2000-gebied waren uitgesloten. Uit voornoemde uitspraak kan niet worden afgeleid dat in iedere situatie waarin sprake zou zijn van een autonome afname van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die groter is dan de toename ten gevolge van een bepaald plan of project, zonder meer kan worden geoordeeld dat geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat gebied. Daarbij acht de Afdeling tevens van belang dat in het onderhavige geval na de afname van de stikstofdepositie in de autonome ontwikkeling de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitattypen bij de ingebruikname van de weg toch nog in ruime mate zullen worden overschreden. Voorts doorkruist de BPL de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide en staat vast dat de BPL een forse verkeersaantrekkende werking zal hebben.

Voor zover provinciale staten daarnaast hebben gewezen op de beëindiging van de bedrijfsvoering van de manege en de maatregelen die in de Natura 2000-gebieden zullen worden uitgevoerd om de effecten van stikstofdepositie op de gebieden te verminderen, overweegt de Afdeling dat provinciale staten slechts in algemene zin hebben verwezen naar maatregelen die zullen worden opgenomen in het beheerplan. Onvoldoende duidelijk is in hoeverre met deze maatregelen de gevolgen van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL kunnen worden gemitigeerd. Ook dit betoog van provinciale staten leidt niet tot een ander oordeel.

2.35.9. Uit het voorgaande volgt dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat uit de passende beoordelingen de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide niet zullen worden aangetast. Gelet hierop is het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide, vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van deze wet.

Hydrologische effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden

2.36. Verschillende appellanten betogen voorts dat onvoldoende gedetailleerd onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de BPL voor de hydrologie ter plaatse van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Volgens appellanten houdt het gehanteerde model onvoldoende rekening met de complexe hydrologische situatie ter plaatse, omdat te weinig meetpunten zijn gehanteerd. Door de aanleg van de BPL zullen de bestaande grondwaterstromen worden beïnvloed, hetgeen invloed heeft op de waterhuishouding in het Geleenbeekdal en de Kathagerbeemden. Appellanten betogen voorts dat onduidelijk is wat de effecten van afstromend wegwater zullen zijn. Toestroom van verontreinigd water vanaf de weg richting kwetsbare habitattypen is gelet hierop niet uit te sluiten. Dit kan volgens hen een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. In dit verband verwijzen zij naar de "Hydrologische systeemanalyse hellingveen Kathagerbroek in Zuid Limburg, afstudeeronderzoek vakgroep hydrologie en kwantitatief waterbeheer, Wageningen" van S. Bus uit 2011 (hierna: systeemanalyse Bus).

2.36.1. In de passende beoordeling Geleenbeekdal zijn onder meer de mogelijke hydrologische effecten ten gevolge van de BPL ten aanzien van dit gebied bezien. Daarnaast is ten behoeve van de BPL een hydrologisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Geohydrologisch onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 (hierna: het geohydrologisch onderzoek). In de passende beoordeling en het geohydrologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat de grondwaterstanden in het gebied en het kwetsbare habitattype Kalkmoeras (H7230) zullen worden beïnvloed ten gevolge van de BPL. Daarnaast wordt de afwatering van het achterliggende gebied gewaarborgd en is de zetting als gevolg van het grondlichaam niet van dien aard dat deze invloed zal hebben op de grondwaterstroming, zo staat in de passende beoordeling Geleenbeekdal en het geohydrologisch onderzoek vermeld. Croonen Adviseurs en Deltares hebben aanvullend onderzoek gedaan naar onder meer de hydrologische gevolgen voor het Geleenbeekdal. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in de rapportages "Nadere rapportage Natuur Provinciaal inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 12 augustus 2011 (hierna: de rapportage van Croonen) en "Effecten van de Buitenring Parkstad Limburg op de natuurwaarden" van 19 juli 2011 (hierna: de rapportage van Deltares).

2.36.2. Met betrekking tot het gehanteerde aantal meetpunten en het grondwatermodel hebben provinciale staten uiteengezet dat voor de grondwatermodellering gebruik is gemaakt van gegevens en het modelinstrumentarium van het Integraal Water- en nitraatmodel Heuvelland. Het grondwatermodel dat is gebaseerd op het rekenmodel Groundwater Vistas 5 is volgens provinciale staten toegespitst op het aandachtsgebied. Met dit model kunnen veranderingen ten opzichte van de bestaande situatie in beeld worden gebracht. In de rapportage van Deltares staat vermeld dat dit model weliswaar niet is bedoeld om in detail de verschillende grondwaterstromen te bezien, maar dat het model voldoende zekerheid geeft omtrent de globale grondwaterstromen. Voor zover volgens appellanten uit de systeemanalyse Bus volgt dat de grondwaterstromen door provinciale staten onjuist zijn vastgesteld, is ter zitting namens provinciale staten door dr. G. van Wirdum, werkzaam als hydroloog bij Deltares, uiteengezet dat de verbanden die worden gelegd tussen de verschillende meetpunten in de systeemanalyse Bus niet logisch zijn, omdat de getekende grondwaterstromen naar de meetpunten worden toegetrokken. Het is gelet hierop, anders dan appellanten stellen, niet aannemelijk dat er een grondwaterstroom richting het Jeugrubbebos en de Kathagerbeemden loopt, aldus Van Wirdum. Appellanten hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Voorts staat in de rapportage van Croonen vermeld dat de constructie en de aanleg van de BPL grotendeels boven de grondwaterspiegel zullen plaatsvinden. Provinciale staten hebben dit ter zitting bevestigd. Gelet hierop zal de beïnvloeding van de grondwaterstromen door de aanleg van de BPL gering zijn. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het gehanteerde grondwatermodel niet aan de besluitvorming ten grondslag mochten leggen. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondwaterstromen door de aanleg van de BPL dusdanig zullen worden beïnvloed dat niet is uitgesloten dat de natuurwaarden van het Geleenbeekdal zullen worden aangetast.

2.36.3. Met betrekking tot de mogelijke gevolgen van afstromend wegwater hebben provinciale staten aangegeven dat door de toepassing van geluidreducerend asfalt en de aanleg van kleibodems in infiltratiesloten verspreiding van verontreiniging zo veel mogelijk zal worden voorkomen. In het afwateringsplan dat ten behoeve van de BPL is opgesteld, is nog een aantal maatregelen opgenomen waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheid van kwetsbare gebieden. Zo wordt het afstromende regenwater via gesloten buizen of leidingen onder de weg geleid. De neerslag die op het verharde oppervlak zal vallen wordt grotendeels via een opvangsysteem voorgereinigd, waarna de neerslag lokaal kan infiltreren, zo staat in de rapportage Croonen vermeld. Voorts blijven volgens deze rapportage verontreinigingen in afstromend wegwater binnen een afstand van enkele tientallen meters van de weg in de bodem gebonden en bereiken deze het grondwater niet. Een uitzondering hierop zou chloride uit strooizout kunnen zijn. Op 100 m afstand van de weg zal de bijdrage van chloride van het strooizout evenwel opgaan in de achtergrondbelasting in het gebied. De kwetsbare habitattypen bevinden zich op een grotere afstand van de weg, aldus de rapportage van Croonen. Ten behoeve van de waterkwaliteit worden kolken met slibvang toegepast en wordt voor de monding in de Geleenbeek een afzonderlijke bezinkput aangelegd. Het waterschap heeft hiermee ingestemd. Voor zover appellanten hebben gewezen op mogelijke effecten op de waterhuishouding ter plaatse van het Leeuwenbos, hetgeen weer effect zou kunnen hebben op de waterhuishouding in de overige gebieden, hebben provinciale staten ter zitting uiteengezet dat ter plaatse van de turborotonde bij Nuth een opslagbassin zal worden gerealiseerd in de bocht van de weg. In dit opslagbassin zal het afstromend wegwater worden opgevangen, zodat er geen gevolgen optreden voor de grondwaterstand. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat ten gevolge van het afstromend wegwater de natuurwaarden van het Geleenbeekdal niet zullen worden aangetast.

Verstoring door licht

2.37. Enkele appellanten betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met mogelijke lichtverstoring van soorten in de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide ten gevolge van de BPL. Met betrekking tot het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal wordt in de passende beoordeling geconcludeerd dat maatregelen zullen worden getroffen, zonder dat duidelijk wordt in hoeverre dit ook daadwerkelijk zal gebeuren. Voorts wordt er in de passende beoordeling Brunssummerheide ten onrechte van uitgegaan dat ten gevolge van de lichtstraling van auto's geen lichtverstoring zal optreden, omdat ter plaatse geen bochten aanwezig zijn. Volgens appellanten is autoverlichting asymmetrisch en kan gelet hierop verstoring door licht optreden.

2.37.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de mogelijke verstoring ten gevolge van licht. Zowel de habitatsoorten als de habitattypen bevinden zich op een dusdanige afstand van de BPL dat geen negatieve effecten zijn te verwachten ten gevolge van lichtverstoring.

2.37.2. In de passende beoordeling Geleenbeekdal en de passende beoordeling Brunssummerheide is aandacht besteed aan de mogelijke effecten van licht ten gevolge van de BPL. In de passende beoordeling Geleenbeekdal wordt geconcludeerd dat de wegverlichting ter hoogte van de Kathagerbeemden niet substantieel zal wijzigen. Ook in de huidige situatie is de N298 verlicht. Er zullen dan ook geen wezenlijke effecten optreden met betrekking tot het Geleenbeekdal. Indien nieuwe verlichting de omgeving zal beschijnen, is een beperkt negatief effect volgens de passende beoordeling niet uit te sluiten. Indien een aantal in de passende beoordeling genoemde mitigerende maatregelen wordt getroffen zal de BPL de natuurlijke kenmerken van het Geleenbeekdal niet aantasten. Zo dient ter plaatse van de Geleenbeek geen verlichting te worden geplaatst en dient de verlichting op het overige gedeelte van het traject te worden gericht op de weg om uitstraling op de omgeving te voorkomen. Het plan biedt hiertoe ruimte. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de benodigde mitigerende maatregelen in het inpassingsplan dienden te worden opgenomen hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de benodigde maatregelen zich naar hun aard en mede gelet op de omvang van het project meer lenen om te worden opgenomen in de vergunning op grond van de Nbw 1998. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de natuurlijke kenmerken in het Geleenbeekdal niet zullen worden aangetast ten gevolge van verstoring door licht.

2.37.3. In de passende beoordeling Brunssummerheide wordt geconcludeerd dat lichtverstoring als gevolg van passerende auto's geen effect zal hebben op de Brunssummerheide. Autolampen schijnen recht vooruit en belichten daardoor alleen in bochten de wegbermen. Het weggedeelte bij de Brunssummerheide loopt recht waardoor er geen effect zal zijn van lichtverstoring ten gevolge van passerende auto's.

Volgens het deskundigenbericht hebben auto's een sterke lichtbundeling naar rechts, zodat niet zonder meer kan worden gesteld dat bij een rechte weg in het geheel geen verstoring door licht optreedt. Appellanten hebben op zichzelf dan ook terecht naar voren gebracht dat deze constatering in de passende beoordeling niet volledig juist is. Voorts wordt in de passende beoordeling Brunssummerheide evenwel geconcludeerd dat de soorten waarvoor het gebied volgens het ontwerpaanwijzingsbesluit zal worden aangewezen als Habitatrichtlijngebied, te weten de kamsalamander en de spaanse vlag, niet gevoelig zijn voor verstoring door licht. Daarnaast zijn volgens de passende beoordeling Brunssummerheide de habitattypen in het gebied gelegen op een dusdanige afstand van de BPL dat ook ten aanzien daarvan geen negatieve effecten zijn te verwachten. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat ten aanzien van de natuurwaarden in het gebied Brunssummerheide geen verstoring door licht zal optreden.

Verstoring door geluid

2.38. Appellanten betogen dat onvoldoende zekerheid bestaat omtrent het antwoord op de vraag of de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide zijn aangemeld, zullen worden verstoord door geluid. Volgens hen is ten behoeve van de passende beoordeling Geleenbeekdal ten onrechte gebruik gemaakt van de methode Reijnen en Foppen. Inmiddels wordt deze methode volgens hen niet meer toegepast.

2.38.1. Provinciale staten hebben uiteengezet dat in het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal geen negatieve effecten zijn te verwachten ten gevolge van geluid. Nu de BPL zal worden aangelegd met stil asfalt zal er ten aanzien van de Brunssummerheide zelfs een verbetering optreden, zo stellen provinciale staten.

2.38.2. In de passende beoordeling Geleenbeekdal en in de passende beoordeling Brunssummerheide wordt geconcludeerd dat de habitattypen en -soorten in deze gebieden geen negatief effect ondervinden ten gevolge van geluid. Van belang hierbij is dat de BPL ter plaatse van het Geleenbeekdal en de Brunssummerheide zal worden aangelegd met stil asfalt. Daarnaast is bezien in hoeverre de soorten die in de aanwijzingsbesluiten tot beschermd natuurmonument van de gebieden Kathagerbeemden en Brunssummerheide zijn genoemd, effecten ondervinden ten gevolge van geluid. Ook deze soorten ondervinden volgens de passende beoordelingen geen negatieve effecten. In de passende beoordelingen is hiervoor de methode Reijnen en Foppen gehanteerd. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat deze methode ten onrechte is toegepast, staat in het deskundigenbericht vermeld dat de methode Reijnen en Foppen een algemeen geaccepteerde methode is om de effecten van geluid op broedvogels te beoordelen. Nu voor andere soortgroepen geen afzonderlijke methodiek bestaat om geluidverstoring te berekenen, is aangesloten bij de methode Reijnen en Foppen. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in de enkele stelling van appellanten dat de methode Reijnen en Foppen doorgaans niet meer wordt toegepast geen aanleiding voor het oordeel dat deze methode bij de passende beoordeling niet mocht worden gehanteerd. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat ten aanzien van de natuurwaarden in de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide geen verstoring door geluid zal optreden.

Gecumuleerde effecten

2.39. Appellanten betogen voorts dat de beoordeling van de mogelijke gecumuleerde effecten ten aanzien van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal ontoereikend is. Andere plannen en projecten zijn ten onrechte maar ten dele meegenomen bij de beoordeling, zodat uitsluitend de gevolgen van de aansluiting Nuth zijn bezien.

2.39.1. In de passende beoordeling Geleenbeekdal staat met betrekking tot mogelijke cumulatie van effecten opgenomen dat andere (concrete) plannen of projecten die mogelijk significante effecten hebben bij de beoordeling zijn betrokken. In de passende beoordeling zijn hoofdzakelijk de effecten van de aansluiting Nuth bezien. Uit de passende beoordeling volgt dat daarnaast de aanleg van het overige deel van het tracé van de BPL in de passende beoordeling is bezien. Voorts zijn de mogelijke gecumuleerde effecten van twee in de nabijheid van het Geleenbeekdal gelegen bedrijventerreinen beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van de aansluiting Nuth en de aanleg van de BPL in combinatie met andere plannen en ontwikkelingen, niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Appellanten hebben voorts niet nader geconcretiseerd welke plannen en projecten ten onrechte niet bij de beoordeling zijn betrokken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door provinciale staten gemaakte beoordeling van de gecumuleerde effecten ontoereikend is.

Mitigatie/compensatie

2.40. Een aantal appellanten betoogt voorts dat provinciale staten zich het onderscheid tussen mitigerende en compenserende maatregelen onvoldoende hebben gerealiseerd. Ten onrechte zijn bepaalde maatregelen aangemerkt als mitigerende maatregelen, terwijl sprake is van compenserende maatregelen. Deze maatregelen mochten volgens appellanten niet bij de passende beoordelingen worden betrokken. Daarnaast is de tijdigheid van de compensatie als bedoeld in artikel 19h, vierde lid, van de Nbw 1998 onvoldoende verzekerd.

2.40.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat zij wel degelijk rekening hebben gehouden met het onderscheid tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Mitigerende maatregelen mogen bij de passende beoordeling worden betrokken.

2.40.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 mei 2008 in zaak nr. 200604924/1), kunnen mitigerende maatregelen bij de passende beoordeling worden betrokken. Appellanten hebben niet nader geconcretiseerd welke bij de passende beoordelingen betrokken maatregelen volgens hen ten onrechte zijn aangemerkt als mitigerende maatregelen en derhalve niet bij de beoordelingen mochten worden meegenomen. Voor zover de Vereniging Natuurmonumenten verwijst naar de maatregelen ten aanzien van de Kattekoelenvijver, overweegt de Afdeling dat dit gebied geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten ten onrechte bepaalde maatregelen hebben aangemerkt als mitigerende maatregelen. Nu compenserende maatregelen in de zin van de Nbw 1998 in dit licht bezien niet aan de orde zijn, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de tijdigheid van deze compensatie onvoldoende is verzekerd.

Teverener Heide

2.41. Een aantal appellanten betoogt dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt van de effecten op het in Duitsland gelegen Natura 2000-gebied Teverener Heide.

2.41.1. In hoofdstuk 6 van de passende beoordeling Brunssummerheide en Teverener Heide is een specifieke beoordeling van de effecten op het Natura 2000-gebied Teverener Heide gemaakt. Appellanten hebben niet nader geconcretiseerd op welke punten de beoordeling van de effecten op de Teverener Heide volgens hen tekort zou schieten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in zoverre dusdanige gebreken kleven aan de passende beoordeling dat provinciale staten deze niet aan hun besluitvorming ten grondslag konden leggen.

Meest actuele gegevens

2.42. Appellanten betogen voorts dat bij het opstellen van de passende beoordelingen ten behoeve van het inpassingsplan niet is uitgegaan van de meest actuele gegevens. In dit verband wijzen appellanten erop dat niet de meest actuele informatie van de website www.rijksoverheid.nl is gebruikt en dat de recente vegetatiekartering van de Brunssummerheide niet bij de beoordeling is betrokken.

2.42.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat alle ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan bekende gegevens bij de beoordeling zijn betrokken. Voor beide passende beoordelingen is, anders dan appellanten stellen, onder meer gebruik gemaakt van de meest recente informatie van de website van de rijksoverheid. Ten aanzien van het betoog van appellanten omtrent de vegetatiekartering hebben provinciale staten uiteengezet dat deze dateert van eind 2010, zodat deze informatie ten tijde van het opstellen van de passende beoordeling Brunssummerheide nog niet voorhanden was. Dit is niet gemotiveerd betwist. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het opstellen van de passende beoordelingen desondanks niet is uitgegaan van de meest actuele gegevens. Voor zover een aantal appellanten voorts heeft betoogd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat in de gebieden prioritaire habitattypen voorkomen, overweegt de Afdeling dat in de passende beoordelingen is onderkend dat in de gebieden prioritaire habitattypen voorkomen. Appellanten hebben niet nader geconcretiseerd waarom zij de passende beoordelingen op dit punt ontoereikend achten.

Zeggekorfslak

2.43. Daarnaast betogen verschillende appellanten dat de BPL ter plaatse van het Geleenbeekdal een te grote barrière zal vormen voor de zeggekorfslak. Gelet hierop stellen provinciale staten zich volgens appellanten ten onrechte op het standpunt dat geen sprake zal zijn van significante effecten ten aanzien van deze soort.

2.43.1. De zeggekorfslak is opgenomen in het ontwerpbesluit tot aanwijzing van het gebied Geleenbeekdal als Natura 2000-gebied. Voor deze soort is een doelstelling tot behoud van omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor behoud van de populatie opgenomen. In de passende beoordeling Geleenbeekdal zijn de effecten van de BPL met betrekking tot de zeggekorfslak bezien. Deze slakkensoort is volgens de passende beoordeling gebonden aan moerassen met moeraszegge. Het leefgebied is begrensd als habitattype Alluviale bossen (H91E0C). Verlies van dit habitattype zou een evenredig verlies van leefgebied van de zeggekorfslak betekenen. Ten aanzien van mogelijke barrièrevorming staat in de passende beoordeling vermeld dat de reeds bestaande weg N298 bestaat uit 2x1 rijstrook. De bestaande weg is ongeveer 20 m breed. De BPL zal ter plaatse bestaan uit 2x2 rijstroken. Om ruimtebeslag op het habitattype H91E0C te vermijden wordt geen flauw talud aangelegd, maar is gekozen voor een gewapende grondkering. Hierdoor kan de weg op een dijklichaam worden gerealiseerd met aan de noordzijde een nagenoeg verticaal talud. De versnipperende effecten ten gevolge van de verbreding blijven hierdoor beperkt, zo staat in de passende beoordeling vermeld. Van verlies van areaal van het habitattype H91EOC is gelet op de hiervoor aangegeven wijze waarop de weg zal worden aangelegd evenmin sprake, zodat geen leefgebied van de zeggekorfslak verloren gaat. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de passende beoordeling in zoverre niet bij de besluitvorming hebben kunnen betrekken, noch dat provinciale staten op grond hiervan niet hebben kunnen concluderen dat ten aanzien van de zeggekorfslak geen significante effecten zullen optreden.

Breukberg

2.44. De Vereniging Natuurmonumenten betoogt daarnaast dat het gebied Breukberg ten onrechte geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide.

2.44.1. Vaststaat dat het gebied Breukberg geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Ten aanzien van het betoog dat dit gebied ten onrechte niet als Habitatrichtlijngebied is of zal worden aangewezen overweegt de Afdeling dat dit gebied niet is aangemeld bij de Europese Commissie en evenmin op de lijst van gebieden van communautair belang staat. De werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn gaat gelet op artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn niet zover dat dat regime van toepassing is op mogelijk ten onrechte niet aangemelde of aangewezen gebieden. Voornoemd bezwaar kan eventueel in het kader van de procedure omtrent aanwijzing van het gebied Brunssummerheide als Habitatrichtlijngebied aan de orde komen. Provinciale staten zijn er bij de vaststelling van het inpassingsplan evenwel terecht van uitgegaan dat het gebied Breukberg geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide.

Beschermde natuurmonumenten

2.45. Verschillende appellanten betogen dat bij de beoordeling van het inpassingsplan voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide ten onrechte is voorbij gegaan aan de omstandigheid dat binnen deze Natura 2000-gebieden als beschermd natuurmonument aangewezen gebieden zijn gelegen. Bij de effectenbeoordeling diende volgens appellanten eveneens te worden getoetst aan de nationale doelen zoals opgenomen in de besluiten tot aanwijzing van deze gebieden.

2.45.1. De gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide waren ten tijde van het vaststellen van het plan nog niet aangewezen als Natura 2000-gebied. Derhalve was ten tijde van de vaststelling van het plan de aanwijzing van de verschillende in deze gebieden gelegen beschermde natuurmonumenten nog van kracht. Nu artikel 19j van de Nbw 1998 geen beoordelingskader biedt ten aanzien van de als beschermd natuurmonument aangewezen gebieden, behoefden provinciale staten in het kader van de vaststelling van het inpassingsplan op grond van dit artikel niet te beoordelen in hoeverre de natuurwaarden van de als beschermd natuurgebied aangewezen gebieden door het inpassingsplan worden aangetast.

Evenwel zal voor de aanleg van de BPL een vergunning op grond van artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998 benodigd zijn. De vraag in hoeverre deze vergunning kan worden verleend komt in beginsel aan de orde in de procedure op grond van de Nbw 1998. Dat doet er niet aan af dat provinciale staten het inpassingsplan niet hadden kunnen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat artikel 16 van de Nbw 1998 aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat.

In de passende beoordeling is naast de effecten van het inpassingsplan op de Natura 2000-gebieden eveneens de mogelijke aantasting van de natuurwaarden op grond waarvan de gebieden zijn aangewezen als beschermd natuurmonument bezien. Geconcludeerd wordt dat geen aantasting zal plaatsvinden van deze natuurwaarden. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in redelijkheid hadden moeten inzien dat artikel 16 van de Nbw 1998 aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.

Flora en fauna

2.46. Een aantal appellanten betoogt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. Zij betogen dat het leefgebied van verschillende beschermde soorten wordt aangetast. In dit verband verwijzen zij naar het in opdracht van provinciale staten door Natuurbalans Limes Divergens B.V. verrichte onderzoek "Flora- en faunaonderzoek Buitenring parkstad Limburg" van januari 2011 (hierna: het Flora- en faunaonderzoek). Uit dit onderzoek volgt volgens appellanten dat de gunstige staat van instandhouding van verschillende soorten in het geding is.

Daarnaast betogen appellanten dat een aantal soorten dat voorkomt in het gebied Breukberg, te weten de gevlekte orchis en de veenorchis, niet bij de natuuronderzoeken is betrokken. Voorts wijzen zij erop dat in de omgeving van de BPL recent veldhamsters zijn uitgezet. In de stukken wordt hier volgens hen ten onrechte geen aandacht aan besteed. Tevens zijn de bever, de juchtleerkever, het vliegend hert en de gladde slang ten onrechte niet bij het natuuronderzoek betrokken, aldus appellanten.

Voorts betogen verschillende appellanten dat de in het kader van de Ffw benodigde maatregelen onvoldoende zijn gewaarborgd. In dit kader verwijzen zij naar het in opdracht van de Vereniging Natuurmonumenten door Witteveen en Bos opgestelde rapport "Review mitigatie- en compensatieplannen inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg". Volgens appellanten is het treffen van de maatregelen te veel overgelaten aan de aannemer. In dit verband wijzen appellanten er voorts op dat onvoldoende duidelijk is waar de faunapassages zullen worden geplaatst. Daarnaast betogen zij dat een deel van de faunapassages die door provinciale staten als mitigerende maatregelen worden aangemerkt reeds bestaande passages zijn. Bovendien zal een deel van de passages door de verbreding van het wegtracé op een aantal punten te lang en te donker zijn, aldus appellanten.

2.46.1. Uit de verrichte onderzoeken volgt volgens provinciale staten dat ten aanzien van de ter plaatse voorkomende soorten dusdanige maatregelen kunnen worden getroffen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Op grond van het mitigatie- en compensatieplan is voorts voldoende gewaarborgd dat de maatregelen daadwerkelijk zullen worden getroffen. De Ffw staat volgens provinciale staten derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Ter zitting hebben provinciale staten voorts uiteengezet dat om zekerheid te verkrijgen ten aanzien van een aantal soorten ontheffing op grond van de Ffw is gevraagd. Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie besloten dat voor een deel van de soorten ontheffing kan worden verleend en voor een deel van de soorten geen ontheffing benodigd is.

2.46.2. De vraag of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat provinciale staten het inpassingsplan niet hadden mogen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.46.3. Niet in geschil is dat in en in de nabijheid van het plangebied dier- en plantensoorten voorkomen die op grond van de Ffw worden beschermd. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van planten- en diersoorten in het plangebied en in de omgeving van het plangebied. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in de rapporten "Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan BPL", "Natuurtoets aansluiting Nuth" en "Natuurtoets Avantis" van 8 oktober 2010. In deze onderzoeken wordt geconcludeerd dat ten gevolge van het plan het functioneel leefgebied van een groot aantal soorten wordt aangetast. Ten aanzien van de meeste soorten wordt in voornoemde rapporten geconcludeerd dat dusdanige mitigerende en compenserende maatregelen zijn te treffen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.46.4. Voor zover appellanten betogen dat de gevlekte orchis en de veenorchis voorkomen in het gebied Breukberg en derhalve ten onrechte niet bij de onderzoeken zijn betrokken, hebben provinciale staten uiteengezet dat deze soorten niet in het gebied Breukberg zijn aangetroffen. Indien deze soorten toch in dit gebied mochten voorkomen, ondervinden deze plantensoorten geen negatieve gevolgen van de BPL, omdat het tracé van de BPL langs dit gebied zal lopen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist zou zijn. Overigens heeft de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij besluit van 30 augustus 2011 de aanvraag voor een ontheffing op grond van de Ffw voor de gevlekte orchis afgewezen, omdat geen ontheffing benodigd is.

Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte niet is bezien of het leefgebied van de veldhamster zal worden aangetast, staat in de Natuurtoets Avantis vermeld dat tussen de verschillende instanties overeenstemming is bereikt omtrent het voorkomen van aantasting van het leefgebied van deze soort. Voorts hebben provinciale staten uiteengezet dat een ontheffing niet noodzakelijk is, omdat de functionaliteit van het hamsterleefgebied niet wordt aangetast en de hamsters niet worden verplaatst. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

Met betrekking tot de bever hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat deze soort tijdens de ten behoeve van het plan verrichte veldonderzoeken niet is aangetroffen. De beek waar deze soort is waargenomen door de Vereniging Natuurmonumenten is voorts gelegen op 300 m van het tracé van de BPL, zodat deze soort geen effecten zal ondervinden van de BPL, aldus provinciale staten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

Ten aanzien van de juchtleerkever wordt in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan geconcludeerd dat uit onderzoek is gebleken dat binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen voortplantingsbomen van deze soort aanwezig zijn. Het leefgebied van de juchtleerkever wordt dan ook niet aangetast, zo staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan vermeld. Indien uit aanvullende monitoring mocht blijken dat er wel voortplantingsbomen op of direct nabij het tracé aanwezig zijn, zullen maatregelen worden getroffen, aldus provinciale staten. Met betrekking tot de mogelijke extra verkeersslachtoffers onder de juchtleerkever hebben provinciale staten uiteengezet dat er op verschillende plaatsen hop-overs zullen worden gerealiseerd waarvan deze soort zal kunnen profiteren.

Met betrekking tot het vliegend hert staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan en de Natuurtoets aansluiting Nuth vermeld dat deze soort nabij Vaesrade in de Jeugrubbe veel voorkomt. De functionaliteit van het leefgebied wordt aangetast ten gevolge van het plan, aldus de Natuurtoets aansluiting Nuth. In de Natuurtoets aansluiting Nuth wordt een aantal maatregelen genoemd waarmee aantasting van de gunstige staat van instandhouding van het vliegend hert ten gevolge van de BPL kan worden voorkomen. Onder meer het realiseren van ontsluitende voorzieningen, het handhaven van koloniebomen en het optimaliseren van leefgebied in de directe omgeving zullen een positief effect hebben op deze soort. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal volgens de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan de gunstige staat van instandhouding van het vliegend hert niet in gevaar komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze maatregelen onvoldoende effectief zullen zijn. Overigens heeft de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij besluit van 30 augustus 2011 een ontheffing verleend voor het vliegend hert.

Ten aanzien van de gladde slang hebben provinciale staten uiteengezet dat een aantal exemplaren van deze soort is aangetroffen buiten het tracé van de BPL. Deze soort heeft een beperkte reikwijdte, waardoor de gevolgen van de BPL voor deze soort zeer beperkt zullen zijn, aldus provinciale staten. Voorts zal de gladde slang volgens provinciale staten gebruik kunnen maken van de faunavoorzieningen die zullen worden getroffen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is.

Voor zover appellanten voorts hebben verwezen naar het Flora- en faunaonderzoek overweegt de Afdeling dat zij voor het overige slechts in algemene zin naar dit onderzoek hebben verwezen en niet nader hebben geconcretiseerd ten aanzien van welke soorten volgens hen op basis van dit onderzoek, anders dan provinciale staten hebben gesteld, dient te worden geconcludeerd dat de Ffw op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

2.46.5. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende duidelijk is waar de verschillende faunapassages zullen worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat in de verbeelding op verschillende plaatsen de functieaanduiding "specifieke vorm van natuur - faunapassage" is opgenomen. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, aanhef en onder b, van de planregels mogen op de voor "Verkeer" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van faunapassages en ecoducten binnen de aanduiding "specifieke vorm van natuur - faunapassages" maximaal 8 m mag bedragen. Het plan biedt op de in de verbeelding aangegeven plaatsen derhalve ruimte voor het realiseren van de faunapassages. Voor zover appellanten hebben betoogd dat de faunapassages die worden aangemerkt als maatregel in het kader van het inpassingsplan reeds bestaande passages zijn, hebben provinciale staten uiteengezet dat het merendeel van de maatregelen nieuwe passages betreft. Op sommige locaties zullen de bestaande passages worden verbeterd en uitgebreid om deze passages na de wegverbreding bruikbaar te houden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de faunapassages voldoende effectief zullen zijn.

2.46.6. Met betrekking tot het betoog van appellanten dat niet alle maatregelen die in het kader van de Ffw worden getroffen in het inpassingsplan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat in de onderhavige procedure ter beoordeling staat of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. Niet is vereist dat alle in het kader van de Ffw te treffen maatregelen in het inpassingsplan worden vastgelegd. Provinciale staten hebben voorts uiteengezet dat het gelet op de omvang van het project onmogelijk is alle maatregelen in het plan op te nemen. Op grond van het mitigatie- en compensatieplan achten provinciale staten voldoende gewaarborgd dat de benodigde maatregelen zullen worden getroffen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Bronnenbos

2.47. Een aantal appellanten betoogt dat de natuurwaarden ter plaatse van het zogenoemde Bronnenbos zullen worden aangetast. In dit verband voeren zij aan dat in het Bronnenbos een nestlocatie van de buizerd aanwezig is. Daarnaast zal ter plaatse verstoring van broedvogels door geluid plaatsvinden. Voorts wijzen appellanten erop dat het Bronnenbos tot het leefgebied van de ree behoort. Ten gevolge van de aanleg van de BPL zal volgens appellanten aantasting van het leefgebied van deze soorten plaatsvinden.

2.47.1. Gebleken is dat er voor is gekozen het tracé ter hoogte van het Bronnenbos in zuidelijke richting te verschuiven, zodat dit gebied niet door de BPL zal worden doorkruist. Gelet hierop is geen sprake van fysieke aantasting van het bos en daarmee van het leefgebied van de ter plaatse voorkomende soorten. Provinciale staten hebben voorts uiteengezet dat ter plaatse van het Bronnenbos, anders dan appellanten betogen, geen buizerd of een nest van een buizerd is aangetroffen.

Ten aanzien van de ree in het Bronnenbos hebben provinciale staten erop gewezen dat het een soort betreft die voorkomt in tabel 1 van de Ffw, zodat een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen uit deze wet. Bovendien is rekening gehouden met deze soort in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan. De ree zal kunnen profiteren van de verschillende faunapassages en ecoducten en de verschillende andere mitigerende en compenserende maatregelen die worden getroffen ten behoeve van onder meer de das.

Ten aanzien van de mogelijke verstoring van vogelsoorten door een toename van de geluidsbelasting staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan vermeld dat bij een toename van de geluidsbelasting tot 47 dB(A) wordt uitgegaan van 20% kwaliteitsafname binnen het leefgebied. Bij een toename van de geluidsbelasting groter dan 47 dB(A) wordt uitgegaan van een kwaliteitsafname van 50%. Voor deze kwaliteitsafname vindt compensatie van het leefgebied van de verstoorde vogelsoorten plaats. Ter zitting hebben provinciale staten uiteengezet dat ook ten aanzien van het Bronnenbos leefgebied voor vogels in de nabije omgeving zal worden gecompenseerd. Appellanten hebben dit niet gemotiveerd bestreden.

2.47.2. Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Ecologische hoofdstructuur

2.48. Verschillende appellanten betogen dat ten gevolge van de aanleg van de BPL een wezenlijke aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) plaatsvindt. Provinciale staten hebben het "nee, tenzij-principe" onjuist toegepast, aldus appellanten. Voorts zullen de kwaliteit en de samenhang van de EHS door areaalverlies en barrièrewerking ernstig worden aangetast. Volgens appellanten is onvoldoende duidelijk in hoeverre deze aantasting kan worden voorkomen of kan worden gecompenseerd. Benodigde maatregelen om aantasting van de EHS zo veel mogelijk te compenseren zijn voorts onvoldoende gewaarborgd, aldus appellanten.

2.48.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het beleidskader met betrekking tot de EHS. Volgens provinciale staten vindt voldoende compensatie plaats met betrekking tot de aantasting van de natuurdoelen. De gronden die ter compensatie zullen worden gebruikt zijn ook als zodanig bestemd.

2.48.2. Het provinciale beleid met betrekking tot de EHS is neergelegd in het POL 2006. Volgens het POL 2006 is het beleid voor de EHS gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, het "nee, tenzij-principe". Binnen de EHS zijn nieuwe plannen, projecten of handelingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Alleen bij een groot openbaar belang en het ontbreken van reële alternatieven zal per geval beoordeeld worden of het belang van een activiteit opweegt tegen het belang van de te beschermen waarden. Als dergelijke activiteiten toch worden toegestaan dient compensatie plaats te vinden overeenkomstig de provinciale beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden. Uitgangspunt hierbij is dat de schade zoveel mogelijk dient te worden beperkt door mitigerende maatregelen. Resterende schade dient te worden gecompenseerd, zo staat vermeld in het POL 2006.

2.48.3. Vaststaat dat het in het inpassingsplan opgenomen tracé de EHS deels doorkruist. Derhalve is het in het POL 2006 opgenomen "nee, tenzij-principe" van toepassing.

Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen alternatieve ringwegstructuren zijn die geen ruimtebeslag hebben op de EHS. Zelfs het nulplusalternatief leidt volgens provinciale straten tot aantasting van de EHS bij de lokaal benodigde infrastructurele aanpassingen, zodat geen realistische alternatieven bestaan die de EHS niet zullen aantasten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. In het POL 2006 worden voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het bestaan van een alternatief dat een minder grote aantasting van de EHS tot gevolg heeft, betekent dat niet meer zou worden voldaan aan het "nee, tenzij-principe".

Ten aanzien van het groot openbaar belang in het kader van het EHS-beleid staat in de plantoelichting vermeld dat ten gevolge van de BPL de leefbaarheid en de verkeersveiligheid in de kernen van de regio Parkstad zullen toenemen. Voorts wordt met de BPL de bereikbaarheid van deze regio verbeterd, zo staat in de plantoelichting vermeld. Nu voorts sprake is van nut en noodzaak bij de realisering van het in het inpassingsplan opgenomen tracé van de BPL hebben provinciale staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een groot openbaar belang als hiervoor bedoeld.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het inpassingsplan niet voldoet aan het "nee, tenzij-principe" zoals opgenomen in het POL 2006.

2.48.4. Ten aanzien van de door appellanten gevreesde barrièrewerking staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan vermeld dat barrièrewerking optreedt op de locaties waar de BPL over een bestaand tracé loopt. De barrière wordt op deze locaties groter door verbreding van de weg of het plaatsen van schermen. Versnippering is het effect dat optreedt op plekken waar nog geen bestaand tracé ligt. Vaststaat dat ten gevolge van de BPL versnippering en barrièrewerking optreden. Om versnippering en barrièrewerking ten gevolge van de BPL zo veel mogelijk te voorkomen worden zogenoemde ontsnipperende voorzieningen gerealiseerd. Deze voorzieningen worden gerealiseerd gelijktijdig met de aanleg van de BPL. Er zal een groot aantal verbindingen, te weten ecoducten, faunapassages, tunnels en hop-overs, worden gerealiseerd om te voorkomen dat de EHS-gebieden geïsoleerd komen te liggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze maatregelen onvoldoende zijn.

2.48.5. Het areaalverlies van de EHS ten gevolge van de BPL wordt gecompenseerd via het compensatieplan. In dit plan zijn de zoekgebieden opgenomen waar de compensatie kan plaatsvinden. Daarbij is overeenkomstig de provinciale beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden een kwaliteitstoeslag toegepast. De compensatietaakstelling zal voor zover de gronden niet in eigendom zijn van de provincie, langs minnelijke grondverwervingen, dan wel beheersovereenkomsten worden ingevuld en vastgelegd. Daarnaast zijn de compensatiegronden zo veel mogelijk vastgelegd op de verbeelding en als zodanig bestemd. Ter zitting hebben provinciale staten voorts onweersproken gesteld dat meer natuur zal worden gecompenseerd dan strikt genomen op grond van het POL 2006 noodzakelijk is. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de aantasting van de EHS onvoldoende zal worden gecompenseerd, dan wel dat de compensatie onvoldoende is gewaarborgd.

Aantasting nationaal landschap en rijksbufferzone

2.49. Een aantal appellanten betoogt voorts dat onvoldoende rekening is gehouden met het toetsingskader voor nationale landschappen en de rijksbufferzone.

2.49.1. In de Nota Ruimte is het rijksbeleid neergelegd met betrekking tot nationale landschappen. Dit beleid houdt onder meer in dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt. In de Nota Ruimte is een aantal nader te begrenzen nationale landschappen weergegeven, waaronder het gebied Zuid-Limburg, met uitzondering van de sterk verstedelijkte regio Parkstad. Daarnaast behoort een deel van dit gebied tot de rijksbufferzone. Blijkens de Nota Ruimte betreft het een globale begrenzing en dienen provincies een gedetailleerde begrenzing van de nationale landschappen in hun streekplan op te nemen. De grens van het nationaal landschap en de rijksbufferzone Zuid-Limburg wordt gevormd door de grens stedelijke dynamiek van Parkstad Limburg, zoals deze is vastgelegd in het POL 2006. In de POL-aanvulling Nationaal Landschap Zuid-Limburg is, met instemming van het rijk, vastgelegd dat met de vaststelling van het tracé van de BPL de grens van het gebied stedelijke dynamiek Parkstad komt te liggen ter plaatse van het tracé van de BPL. Het tracé valt derhalve buiten het nationaal landschap en de rijksbufferzone. Voorts wordt de BPL volgens de plantoelichting zodanig ingepast dat aantasting van het nationaal landschap en de rijksbufferzone tot een minimum beperkt blijft. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten desondanks onvoldoende rekening hebben gehouden met het toetsingskader voor nationale landschappen en de rijksbufferzone.

Archeologie

2.50. Enkele appellanten hebben aangevoerd dat de aanleg van de BPL negatieve gevolgen heeft voor de archeologische waarden in het plangebied.

2.50.1. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Ingevolge lid 15.2.1 is het in het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het college van gedeputeerde staten op of in gronden met dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

[…].

Ingevolge lid 15.2.3, aanhef en onder a, b en c, zijn de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in lid 15.2.1, slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten in voldoende mate is vastgesteld en door de aanvrager van de omgevingsvergunning in het geval van vastgestelde archeologische waarden (geselecteerde vindplaatsen) blijkens de aanvraag en naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten de verplichting is aangenomen om deze waarden ex situ, door middel van een (beperkte) opgraving met bijbehorende rapportage, te behouden.

2.50.1.1. In de plantoelichting is uiteengezet dat bureau Akkerman eind 2006 in opdracht van de provincie Limburg een archeologisch bureauonderzoek heeft uitgevoerd om voor de Tracénota/MER-UVS "Buitenring Parkstad Limburg/B258n" inzicht te geven in de archeologische situatie. Vervolgens heeft bureau Van der Gauw in 2009 een Plan van Aanpak (hierna: PvA) opgesteld, waarin het wetenschappelijk kader, de onderzoekslocaties en de beoogde werkwijze zijn aangegeven. Dit PvA bouwt voort op de bureaustudie van Akkerman. Verder is gebruik gemaakt van de archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten van Parkstad Limburg uit 2007 en die van de gemeente Nuth die meer recentelijk is opgesteld. Op basis van het PvA heeft veldwerk - waaronder proefsleuvenonderzoek - plaatsgevonden. Tijdens de tot nu toe uitgevoerde onderzoeken door middel van proefsleuven zijn negentien archeologische vindplaatsen aangetroffen, waarvan er zes zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Op die terreinen zal vervolgonderzoek dienen te worden uitgevoerd dan wel behoud in situ te worden nagestreefd. Voor de plaatsen en terreindelen waar mogelijk compenserende dan wel mitigerende maatregelen zijn vereist, is voorzien in de dubbelbestemming

"Waarde-Archeologie". Om de archeologische waarden te borgen is deze dubbelbestemming gekoppeld aan een aanlegvergunningstelsel dat is opgenomen in artikel 15 van de planregels. De dubbelbestemming is van toepassing daar waar binnen het ruimtebeslag van het tracé en daaraan gerelateerde terreindelen een middelhoge of hoge verwachtingswaarde geldt en daar waar na het inventariserend en waarderend veldonderzoek behoudenswaardige vindplaatsen zijn vastgesteld, aldus de toelichting.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plangebied aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn beschermd door de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" en artikel 15 van de planregels. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Externe veiligheid

2.51. Enkele appellanten betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat uit de toelichting bij het ontwerpplan volgt dat de risicoberekeningen van Gasunie pas in augustus 2010, en daarmee na het verstrijken van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen, worden verwacht.

2.51.1. De Afdeling overweegt dat aan het vastgestelde plan het rapport "Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van Arcadis van 8 oktober 2010 ten grondslag ligt. De enkele omstandigheid dat dit rapport ten tijde van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen nog niet beschikbaar was, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu dit rapport aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, hadden appellanten dit in beroep kunnen bestrijden.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de risicoberekeningen al ten tijde van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen beschikbaar hadden moeten zijn.

2.51.2. Wat betreft de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de BPL wordt overwogen dat in het rapport "Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van Arcadis van 8 oktober 2010 staat dat voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de BPL wordt voldaan aan de norm van het plaatsgebonden risico, omdat er geen kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risico 10-6-contour liggen. Het groepsrisico neemt in beperkte mate toe, maar blijft onder de oriëntatiewaarde. Gezien deze beperkte toename van het groepsrisico zijn de voorgeschreven stappen van de Verantwoordingsplicht Groepsrisico doorlopen. Op basis hiervan hebben provinciale staten besloten de externe veiligheidsrisico's als gevolg van de BPL tot een minimum te beperken door een plasbrandaandachtsgebied (hierna: PAG) in te stellen langs de BPL. Het PAG houdt in dat het daartoe bevoegde gezag binnen een effectzone van 30 m van het tracé ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldig moet afwegen. Voorts volgt uit het verweerschrift dat de brandweer heeft verklaard dat aldus met de BPL een beheersbare situatie wordt gecreëerd. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de veiligheid in het geding is door de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de BPL.

Uitvoerbaarheid inpassingsplan

2.52. Appellanten betogen dat de financiële positie van de gemeenten dusdanig slecht is dat de benodigde aanpassingen van het onderliggende wegennet onzeker zijn. Verder is er op gewezen dat de kostenraming voor de BPL inmiddels is aangepast van € 62 miljoen naar € 300 miljoen. Ten slotte is aangevoerd dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan als gevolg van het vergoeden van planschade niet zeker is gesteld.

2.52.1. Uit de plantoelichting volgt dat het niet ondenkbaar is dat zich op het onderliggende wegennet en in de directe omgeving van de BPL knelpunten zullen voordoen, zodat maatregelen worden voorgesteld worden om deze knelpunten op te lossen. De Afdeling overweegt dat provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat zij, ten aanzien van de wegen waarvoor de provincie als wegbeheerder verantwoordelijk is, in overleg zullen treden met de desbetreffende gemeente om te voorzien in maatregelen. Op de plaatsen waar geen knelpunten zullen ontstaan en/of de provincie niet de verantwoordelijke wegbeheerder is, is het volgens provinciale staten aan de desbetreffende gemeente dan wel Rijkswaterstaat om de voorgestelde maatregelen al dan niet toe te passen. In overleg met de betrokken gemeenten zullen provinciale staten onderzoeken op welke wijze eventuele kosten die gemeenten in dit verband moeten maken, gezamenlijk gedragen kunnen worden. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aanpassing van het onderliggende wegennet is gewaarborgd.

In de plantoelichting staat verder dat bestuurlijke besluitvorming en gesloten overeenkomsten tezamen garant staan voor de kostendekking van de aanleg van de BPL. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het inpassingsplan, voor zover betwist, is gewaarborgd. De omstandigheid dat de aanleg van de BPL tot waardedaling van woningen zou kunnen leiden, betekent voorts niet dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

Conclusies algemene beroepen

Het beroep van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen

2.53. De beroepsgronden van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.

2.53.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.35 tot en met 2.35.9 ziet de Afdeling in hetgeen Stichting Milieufederatie Limburg en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in strijd is met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet. Het beroep van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met deze bepalingen te worden vernietigd.

Het beroep van de Vereniging Natuurmonumenten

2.54. De beroepsgronden van de Vereniging Natuurmonumenten tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.

2.54.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.35 tot en met 2.35.9 ziet de Afdeling in hetgeen de Vereniging Natuurmonumenten heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in strijd is met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet. Het beroep van de Vereniging Natuurmonumenten is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met deze bepalingen te worden vernietigd.

Het beroep van Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken

2.55. De beroepsgronden van Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.

2.55.1. In hetgeen Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken is ongegrond.

Het beroep van Stichting Stop Buitenring

2.56. Het beroep van Stichting Stop Buitenring is gericht tegen de vaststelling van het plan. Haar meeste beroepsgronden zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.

2.56.1. Stichting Stop Buitenring heeft voorts het beroep van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen ingelast. Hiervoor is in 2.53.1 overwogen dat hetgeen Stichting Milieufederatie Limburg en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide wegens strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet dient te worden vernietigd. Gelet hierop is het beroep van Stichting Stop Buitenring om die reden gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met voornoemde bepalingen te worden vernietigd.

LOCATIESPECIFIEK DEEL

Het beroep van de Fietsersbond

2.57. Ter zitting heeft de Fietsersbond de beroepsgrond die ziet op het kruispunt Dentgenbachweg - Kaalheidersteenweg ingetrokken.

2.57.1. De Fietsersbond betoogt dat ten onrechte geen rapport is opgesteld met een weergave van de effecten van het plan voor het fietsverkeer en de oplossingen die daarvoor worden geboden.

Voorts stelt de Fietsersbond dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties voor fietsers. Hiertoe voert zij aan dat het plan niet waarborgt dat de voorziene wegen en het onderliggende wegennet, met inbegrip van de kruispunten, worden ingericht volgens het principe Duurzaam Veilig. Zij stelt verder dat het plan enkele andere nadelige gevolgen heeft voor fietsers. In dit verband wijst zij erop dat fietsers ten opzichte van de bestaande situatie langere routes zullen moeten afleggen van de ene locatie naar de andere locatie. Voorts stelt zij dat niet zeker is dat fietsers niet langer dan één minuut op een kruispunt hoeven te wachten voor een rood verkeerslicht. Zij kan zich evenmin verenigen met de keuze om de BPL aan te leggen als weg met 2x2 rijstroken, omdat hierdoor ruimte verloren gaat die nodig is voor de aanleg van goede fietsvoorzieningen. Ook betoogt zij dat de landschapsbeleving van fietsers zal afnemen en dat moet worden gevreesd dat natuurgebieden niet meer bereikbaar zijn met de fiets.

Het voorgaande in aanmerking genomen betoogt de Fietsersbond, kort weergegeven, dat de veiligheid van fietsers verslechtert op de Reijmersbekerweg en de Naanhofsweg omdat het plan niet garandeert dat op deze wegen een vrijliggend fietspad wordt aangelegd.

Met betrekking tot de fietsverbinding Schuureikenweg-Naanhofsweg betoogt zij dat niet duidelijk is of bij de op- en afritten van de BPL die langs deze fietsverbinding zijn voorzien, veilige oversteekplaatsen worden gerealiseerd. Verder stelt zij dat op deze route sprake is van onaanvaardbare omrijbewegingen. Dit klemt volgens de Fietsersbond temeer, nu deze fietsverbinding in een gebied met hoogteverschillen en veel bochten ligt, hetgeen de verkeersveiligheid en gebruiksvriendelijkheid van fietspaden extra nadelig beïnvloedt.

De Fietsersbond betoogt met betrekking tot de Allee dat niet duidelijk is hoe fietsers veilig kunnen oversteken op de weglocatie waar het fietspad aan weerszijden van de weg overgaat in een fietspad met twee rijrichtingen aan één kant van de weg. Zij betoogt voorts dat niet duidelijk is of de voorziene turborotonde op de kruising Allee-Trichterweg-Akerstraat-Noord Patersweg, wordt ingericht volgens het principe Duurzaam Veilig. Zij acht het ook onwenselijk dat fietsers op deze kruising geen voorrang zullen krijgen.

Verder betoogt zij met betrekking tot de Dentgenbachweg en de Hamstraat dat deze wegen zullen worden gebruikt als ontsluitingsweg voor het industrieterrein Dentgenbachweg onderscheidenlijk nabijgelegen woonwijken en industriegebied. Gelet hierop wordt volgens haar ten onrechte geen vrijliggend fietspad aangelegd. Dit leidt tot een gevaarlijke vermenging van fietsers en gemotoriseerd verkeer, waaronder vrachtverkeer. Voor zover provinciale staten zich met betrekking tot deze wegen op het standpunt stellen dat wordt voorzien in fietsstroken, stelt zij dat dit geen adequate oplossing is. Verder betoogt de Fietsersbond dat niet valt in te zien waarom deze wegen worden ingericht als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom.

Met betrekking tot de fietsverbinding Esschenweg-Brommelen-Hellebroek-Nuth en de fietsverbinding Esschenweg-Terlindenweg-Klinkerstraat betoogt de Fietsersbond dat het gemotoriseerd verkeer op de wegen op deze routes zal toenemen en dat daarom vrijliggende fietspaden of fietsstroken noodzakelijk zijn. Ten onrechte voorziet het plan hier niet in. Dit klemt temeer nu in de bestaande situatie reeds sprake is van een onaanvaardbare verkeersdruk.

Met betrekking tot de Hoogstraat en de Kantstraat betoogt de Fietsersbond dat het verkeer op deze wegen zal toenemen en dat daarom een vrijliggend fietspad of een fietsstrook moet worden aangelegd. Ten onrechte voorziet het plan hier niet in. Dit klemt temeer nu in de bestaande situatie reeds sprake is van een onaanvaardbare verkeersdruk op deze wegen.

De Fietsersbond betoogt voorts dat het plan ten behoeve van de gebruiksvriendelijkheid voor fietsers ten onrechte niet voorziet in een fietsverbinding vanaf het NS-station in Kerkrade-centrum langs het miljoenenlijntje naar Simpelveld en een fietsverbinding via het viaduct van de BPL over de Torenstraat. Hiertoe stelt zij dat dit juist in overeenstemming is met het gedachtegoed van de zogenoemde Ladder van Verdaas.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat aanzienlijke kosten zijn gemoeid met de verwezenlijking van gebruiksvriendelijke en verkeersveilige fietsverbindingen acht de Fietsersbond aannemelijk dat de aanleg van de BPL leidt tot dusdanig hoge kosten dat de voordelen van de BPL, anders dan in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys van 8 oktober 2010 staat, niet opwegen tegen de baten, temeer nu vanwege vergrijzing en dalende bevolkingscijfers moet worden getwijfeld aan het nut van de BPL. Het tegendeel volgt ook niet uit de kosten baten-analyse van Ecorys, aldus de Fietsersbond.

2.57.2. Provinciale staten stellen dat de belangen van fietsers voldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Voorts stellen zij dat de veiligheid van fietsers niet verslechtert als gevolg van het plan. Zij achten de fietspaden ook voldoende gebruiksvriendelijk.

2.57.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor langzaamverkeersverbindingen zoals voet- en fietspaden.

2.57.4. De Afdeling overweegt dat in deelrapport 4a, behorend bij het inpassingsplan, is beschreven op welke wijze bij de inrichting van wegen rekening wordt gehouden met fietsverkeer. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een nader rapport had moeten worden opgesteld met een weergave van de effecten van het plan voor het fietsverkeer, omdat de beschrijving in deelrapport 4a onvoldoende gedetailleerd zou zijn. Dat niet tot in detail duidelijk is welke verkeersmaatregelen op een specifieke locatie worden genomen, is voor dit oordeel niet relevant. Hiertoe wordt overwogen dat concrete verkeersmaatregelen niet in een inpassingsplan worden geregeld. De beroepsgrond dat maatregelen, zoals het plaatsen van verkeerslichten bij kruispunten, een voorrangsregeling en te nemen veiligheidsmaatregelen bij een overgang in het plan moeten worden opgenomen kan derhalve in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

2.57.5. In deelrapport 4a staat dat de Reijmersbekerweg wordt opgewaardeerd tot gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Gelet hierop worden de bestaande fietssuggestiestroken vervangen door een vrijliggend fietspad met twee rijrichtingen aan de oostzijde van de Reijmersbekerweg. Het plan maakt dit ook mogelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor twijfel over de aanleg van het fietspad. Het voorgaande in aanmerking genomen volgt de Afdeling het betoog van de Fietsersbond niet dat ten onrechte geen vrijliggend fietspad langs deze weg wordt aangelegd.

2.57.6. In deelrapport 4a staat dat het plan ertoe leidt dat de verkeersintensiteiten op de Naanhofsweg beperkt zullen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie tot ongeveer 2.000 mvt/etmaal. Provinciale staten stellen dat de Naanhofsweg derhalve kan worden gekwalificeerd als een erftoegangsweg met een maximale capaciteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Volgens het principe Duurzaam Veilig zijn vrijliggende fietspaden op een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/uur, zoals op de Naanhofsweg zal gelden, niet noodzakelijk. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de Naanhofsweg vanuit het oogpunt van veiligheid desondanks een vrijliggend fietspad zou moeten worden aangelegd.

Voorts staat in het verweerschrift dat de rotondes bij de op- en afritten van de BPL op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg van een vrijliggend fietspad worden voorzien, zodat fietsers ter plaatse veilig kunnen oversteken. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg desondanks moet worden gevreesd voor een verkeersonveilige situatie bij de op- en afritten van de BPL. Wat betreft de door de Fietsersbond gestelde achteruitgang van de kwaliteit van deze fietsverbinding, mede gelet op de hoogteverschillen en bochten, wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de kwaliteit daarvan als gevolg van het plan ernstig verslechtert. Met betrekking tot het betoog dat fietsers op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg ten opzichte van de bestaande situatie zullen moeten omfietsen, wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze omrijbeweging zodanig is dat fietsers op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg hierdoor ernstig worden benadeeld.

2.57.7. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat fietsers op de Allee gebruik kunnen maken van een tweezijdig fietspad en dat de kruising Allee-Trichterweg-Akerstraat-Noord Patersweg dusdanig wordt ingericht dat fietsers veilig kunnen oversteken. De nadere detaillering komt in het kader van de inpassing aan de orde, aldus provinciale staten. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd dat de Allee dan wel de kruising Allee-Trichterweg-Akerstraat-Noord Patersweg niet veilig wordt ingericht.

2.57.8. Voorts staat in het verweerschrift dat de Dentgenbachweg en de Hamstraat zullen fungeren als parallelwegen die alleen bestemmingsverkeer van en naar bedrijventerreinen zullen afwikkelen. Provinciale staten stellen dat de verkeersintensiteiten op deze wegen zodanig laag zijn dat deze niet boven de landelijke streefwaarde voor een erftoegangsweg uitkomen. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de wegen niet binnen de bebouwde kom zijn gelegen, hebben provinciale staten de Dentgenbachweg en de Hamstraat terecht aangemerkt als erftoegangswegen met een maximale capaciteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal. Zij hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de keuze om deze wegen niet van een vrijliggend fietspad te voorzien, niet in strijd is met het principe Duurzaam Veilig. De Fietsersbond heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat dit anderszins leidt tot een verkeersonveilige situatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verkeersintensiteit op deze wegen in de toekomstige situatie maximaal 2.000 mvt/etmaal zal bedragen en de maximumsnelheid 30 km/uur binnen de bebouwde kom en 60 km/uur buiten de bebouwde kom is.

2.57.9. Volgens het principe Duurzaam Veilig zijn vrijliggende fietspaden op een erftoegangsweg met een maximale snelheid van 60 km/uur niet noodzakelijk. In het verweerschrift staat dat de verkeersintensiteiten op de route Esschenweg-Brommelen-Hellebroek-Nuth en de route Esschenweg-Terlindenweg-Klinkerstraat niet zodanig zullen zijn dat de maximale capaciteit van 6.000 mvt/etmaal voor een erftoegangsweg wordt overschreden. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop hebben provinciale staten zich ten aanzien van de wegen op deze routes, voor zover de maximale snelheid lager is dan 60 km/uur, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen vrijliggend fietspad hoeft te worden aangelegd. Met betrekking tot de delen van de Brommelen en de Esschenweg die als ontsluitingsweg met een maximale snelheid van 80 km/uur fungeren, worden wél vrijliggende fietspaden aangelegd, aldus provinciale staten. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan desondanks leidt tot een verkeersonveilige situatie op de route Esschenweg-Brommelen-Hellebroek-Nuth of de route Esschenweg-Terlindenweg-Klinkerstraat.

2.57.10. Met betrekking tot de Kantstraat hebben provinciale staten toegelicht dat de verkeersintensiteit in de huidige situatie ongeveer 9.000 mvt/etmaal bedraagt en dat deze als gevolg van de aanleg van de BPL toeneemt tot ruim 14.000 mvt/etmaal. De snelheid binnen de bebouwde kom zal 50 km/uur bedragen, aldus provinciale staten. Zij stellen dat het plan fietsstroken op de Kantstraat mogelijk maakt en dat in overleg met de gemeente Landgraaf zal worden bezien of de aanleg daarvan nodig is. Met betrekking tot de Hoogstraat hebben provinciale staten ter zitting verklaard dat de situatie op deze weg als gevolg van de aanleg van de BPL niet wijzigt en dat het bestaande fietspad en de fietsstroken behouden blijven. De Afdeling is van oordeel dat de Fietsersbond niet aannemelijk heeft gemaakt dat provinciale staten de veiligheid van fietsers op de Kantstraat en de Hoogstraat onvoldoende in de besluitvorming hebben betrokken.

2.57.11. In hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen afzien van een fietsverbinding vanaf het NS-station in Kerkrade-centrum langs het miljoenenlijntje naar Simpelveld en een verbinding via het viaduct van de BPL over de Torenstraat. Daarbij hebben zij van belang kunnen achten dat deze routes in de bestaande situatie niet aanwezig zijn en dat de BPL in zoverre niet leidt tot wijzigingen in de fietsstructuur ten opzichte van de bestaande situatie. Het betoog dat de aanleg van deze fietsverbindingen in overeenstemming is met het - hiervoor in 2.10.8.1 beschreven - gedachtegoed van de Ladder van Verdaas, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat provinciale staten in beginsel beleidsvrijheid hebben bij de keuze om al dan niet een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken.

2.57.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de Fietsersbond niet aannemelijk gemaakt dat de belangen van fietsers op de door haar genoemde fietsverbindingen, wegen of kruispunten onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. In hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de belangen van fietsers anderszins onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Zij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de keuze om de BPL aan te leggen als weg met 2x2 rijstroken leidt tot ruimtegebrek voor de verwezenlijking van fietsvoorzieningen.

De betogen dat de landschapsbeleving van fietsers zal afnemen en dat moet worden gevreesd dat natuurgebieden niet meer bereikbaar zijn per fiets, zijn niet nader onderbouwd en treffen derhalve geen doel.

Ten slotte hebben provinciale staten ter zitting verklaard dat voldoende financiële middelen voorhanden zijn om fietsvoorzieningen te realiseren en dat tevens met deze kosten rekening is gehouden in de kosten baten-analyse van Ecorys. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Voor zover zij twijfelt aan het nut van de BPL wordt met verwijzing naar het algemene deel van deze uitspraak overwogen dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het nut voldoende is aangetoond.

2.57.13. In hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Fietsersbond is ongegrond.

Tracékeuze verbeelding - bladen 1 en 2

2.58. Enkele appellanten kunnen zich niet verenigen met de keuze die in het MER "Buitenring Parkstad Limburg, Deel A-1: Hoofdnota-Noord" is gemaakt voor het noordelijk trajectdeel. Zij betogen dat niet valt in te zien waarom voor het tracé langs Vaesrade, gelegen ten noorden van het Jeugrubbebos, is gekozen en niet voor het Randwegtracé. Deze keuze leidt tot een grote aantasting van het landschap, de bodem, natuurwaarden en een aantasting en versnippering van het EHS-gebied, aldus appellanten. Zij voeren aan dat de natuurwaarden alleen kunnen worden aangetast, indien hiertoe een dwingende noodzaak bestaat, geen alternatieven voorhanden zijn en daarnaast een volledige compensatie wordt geboden voor de natuur die verloren gaat, de zogenoemde ADC-toets. Daarvan is volgens hen echter geen sprake. Voorts betogen zij dat sprake is van strijd met het "Nee, tenzij-principe", de zorgplicht in artikel 2 van de Ffw en het provinciaal beleid dat op de plaatsen waar eerder insnijdingen zijn gemaakt in de natuur - zoals in dit geval met de aanleg van de Randweg in de jaren '80 - voor de aanleg van infrastructuur gebruik wordt gemaakt van de bestaande infrastructuur. Appellanten voeren verder aan dat de inwoners van Vaesrade door de keuze voor het tracé langs Vaesrade worden achtergesteld ten opzichte van de inwoners van Hoensbroek. Voorts is betoogd dat de voor- en nadelen van het tracé langs Vaesrade ten onrechte zijn vergeleken met de voor- en nadelen van het Randwegtracé en niet met het woon- en leefklimaat in de bestaande situatie.

2.58.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in die afweging te worden meegenomen.

Wat betreft de gestelde aantasting van EHS-gebied en het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent in het algemene deel van de uitspraak is overwogen.

Volgens het MER, Deel A-1 - Hoofdrapport Tracédeel Noord leidt het Randwegtracé in mindere mate tot een versnippering van de natuur, een aantasting van het landschap en de bodem dan het tracé langs Vaesrade. Provinciale staten stellen echter dat het Randwegtracé dichter langs de bebouwde kom van Hoensbroek loopt, hetgeen leidt tot een hogere geluidsbelasting in woongebied dan het tracé langs Vaesrade. Gelet hierop is de keuze voor het tracé langs Vaesrade gemaakt. Het besluit van provinciale staten om doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het woon- en leefmilieu van inwoners van Hoensbroek is niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de verschillen wat betreft het aspect natuur en omgeving niet groot zijn in vergelijking met het Randwegtracé en dat bovendien mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. Het voorgaande in aanmerking genomen wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 2 van de Ffw.

Voorts wordt overwogen dat uit het MER volgt welke gevolgen de keuze voor het Randwegtracé met zich brengt ten opzichte van het bestaande woon- en leefklimaat. Vervolgens zijn de voor- en nadelen van het tracé langs Vaesrade ten opzichte van het Randwegtracé inzichtelijk gemaakt. Hierdoor is, anders dan appellanten betogen, ook inzichtelijk welke gevolgen het tracé langs Vaesrade heeft voor het woon- en leefklimaat in de bestaande situatie. Met betrekking tot het betoog dat de keuze voor het Vaesradetracé in strijd is met het provinciaal beleid dat op de locaties waar eerder insnijdingen zijn gemaakt in de natuur voor de aanleg van infrastructuur gebruik wordt gemaakt van de bestaande infrastructuur, wordt overwogen dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat het noodzakelijk is dat het tracé van de BPL op enige locatie afbuigt van het tracé van de Randweg, zodat een tweede insnijding niet kan worden vermeden. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist.

Verbeelding - blad 1

Het beroep van [appellant sub 12]

2.59. [appellant sub 12] vreest voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn bedrijfswoning aan de Vloedsgraaf 1a te Schinnen vanwege de A76 die met de aansluiting van de BPL op de A76 wordt gewijzigd en de Nutherweg die ten behoeve van de BPL hernieuwd wordt aangelegd.

2.59.1. De gronden van [appellant sub 12] liggen in de geluidszone van de A76 die met de aansluiting van de BPL op de A76 wordt gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting van de A76 op de gevel van de woning van [appellant sub 12] in de huidige situatie 50,10 dB en in de toekomstige situatie 50,28 dB bedraagt. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 12] door een toename van de geluidsbelasting met 0,18 dB niet ernstig wordt aangetast.

Voor zover [appellant sub 12] vreest dat ten gevolge van de nieuwe Nutherweg ernstige geluidhinder optreedt wordt als volgt overwogen. Omdat de Nutherweg wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning vanwege de nieuwe Nutherweg 41 dB zal bedragen. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de Nutherweg ter hoogte van de woning van [appellant sub 12] niet leidt tot ernstige geluidhinder.

2.59.2. [appellant sub 12] voert verder aan dat het tracé van de BPL dat wordt aangelegd ter hoogte van zijn grondverzetbedrijf aan de Vloedsgraaf 1a te Schinnen, leidt tot een afname van de bereikbaarheid van zijn bedrijf voor zware landbouwvoertuigen. Hiertoe stelt hij dat deze voertuigen niet langer gebruik kunnen maken van de bestaande randwegen, omdat deze wegen hernieuwd worden aangelegd of gewijzigd ten behoeve van de BPL en langzaam verkeer op die wegen in de toekomstige situatie niet meer is toegestaan. [appellant sub 12] stelt dat evenmin gebruik kan worden gemaakt van de wegen in de dorpskern, omdat deze wegen niet zijn berekend op zwaar landbouwverkeer.

2.59.2.1. Provinciale staten stellen dat het bedrijf van [appellant sub 12] minder goed bereikbaar zal zijn voor zwaar landbouwverkeer dan in de bestaande situatie, maar dat geen sprake is van een ernstige verslechtering.

2.59.2.2. Niet in geschil is dat de bereikbaarheid van het bedrijf voor zwaar landbouwverkeer afneemt als gevolg van het plan. De Afdeling is evenwel van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanige afname dat [appellant sub 12] daardoor ernstig in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bereikbaarheid van het bedrijf voor zwaar landbouwverkeer uit westelijke richting niet afneemt. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de bereikbaarheid van het bedrijf vanuit oostelijke richting blijft gewaarborgd via de route door de kern van Vaesrade. Het betoog van [appellant sub 12] dat deze route vanwege verkeersdrempels en de breedte van de wegen niet is berekend op zwaar landbouwverkeer, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang de verklaring van provinciale staten ter zitting dat de route door de kern van Vaesrade voor zwaar landbouwverkeer toegankelijk is en dat de gemeente Nuth als beheerder van de weg met het gebruik van die route heeft ingestemd.

2.59.3. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 50]

2.60. [appellant sub 50] vreest voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning aan de Nutherweg 43 te Schinnen vanwege de Nutherweg die ten behoeve van de BPL hernieuwd wordt aangelegd. Hij stelt dat de weg ter beperking van geluidsoverlast verdiept moet worden aangelegd. Verder betoogt hij dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om geluidsoverlast te voorkomen. Voor zover ter hoogte van zijn woning geen geluidsscherm wordt geplaatst - hetgeen volgens hem niet duidelijk is -, betoogt hij dat dit ten onrechte is. Hij vreest verder voor een waardedaling van zijn monumentale woning.

2.60.1. De gronden van [appellant sub 50] liggen in de geluidszone van de Nutherweg. Omdat de Nutherweg wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de toekomstige geluidsbelasting 43 dB bedraagt als geen maatregelen worden genomen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het ten behoeve van andere woningen langs de Nutherweg doelmatig is om de weg te voorzien van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B. Daardoor neemt de geluidsbelasting ter hoogte van de boerderij van [appellant sub 50] verder af tot 41 dB. De geluidsbelasting vanwege deze weg blijft derhalve ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de Nutherweg niet leidt tot ernstige geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 50]. In hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd hebben zij dan ook geen aanleiding hoeven zien om aanvullende maatregelen te nemen dan wel de Nutherweg verdiept aan te leggen om op die manier de geluidsbelasting vanwege de Nutherweg verder terug te dringen.

Voor zover [appellant sub 50] zich op het standpunt stelt dat niet duidelijk is of ter hoogte van zijn woning een geluidsscherm wordt geplaatst, wordt overwogen dat uit de verbeelding en hetgeen provinciale staten ter zitting hebben verklaard, volgt dat een geluidsscherm met een hoogte van 3 m en een lengte van 180 m zal worden geplaatst. Dit scherm wordt geplaatst, omdat dit ter beperking van het geluid van de A76 - ten behoeve van andere woningen dan de woning van [appellant sub 50] - doelmatig is geacht.

2.60.2. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 50] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.60.3. [appellant sub 50] betoogt verder dat de bestaande bomenhaag ter hoogte van zijn woning zal moeten verdwijnen door de aanleg van de nieuwe weg. Hiermee kan hij zich niet verenigen.

2.60.3.1. Hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten aan de aanleg van de Nutherweg niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 50] bij het behoud van de bestaande bomenhaag. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat ter hoogte van de woning van [appellant sub 50] een groengebied wordt ingericht en dat daarbij de bereidheid bestaat om een nieuwe bomenhaag te planten. De bestemming "Natuur" maakt dit ook mogelijk.

2.60.4. In hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 50] is ongegrond.

Het beroep van Caradon Stelrad

2.61. Caradon Stelrad richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor een gedeelte van haar bedrijfsgronden aan de Kathagen 50 te Nuth, voor zover op minder dan 2 m afstand van haar fabrieksgebouwen de aansluiting van de BPL op de Kathagen, met inbegrip van een talud boven het maaiveld, mogelijk wordt gemaakt. Zij betoogt dat een ruimere afstand moet worden aangehouden. Zij vreest voor hinder en gevaar voor het verkeer als gevolg van verontreinigde fabrieksemissies op korte afstand van het verkeer. In dit verband stelt zij dat de emissiepunten van haar fabriek zich op slechts 2 m afstand van de openbare weg zullen bevinden en onvoldoende boven het talud zullen reiken. Dit leidt bovendien tot een belemmering in haar bedrijfsvoering, omdat niet langer kan worden voldaan aan het voorschrift in de milieuvergunning dat geen hinder mag worden veroorzaakt buiten de inrichting.

Caradon Stelrad voert verder aan dat de productie gedurende enkele maanden stil kan komen te liggen als een voertuig van het verhoogd aan te leggen weggedeelte raakt en op de bedrijfshallen van Caradon Stelrad terechtkomt. In dit verband vreest zij tevens voor een afname van de verkeersveiligheid en de veiligheid van haar werknemers.

Zij betoogt voorts dat de aanleg van de weg op een dusdanig korte afstand in strijd is met de richtlijnen zoals vermeld in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure).

Caradon Stelrad betoogt verder dat provinciale staten in de besluitvormingsprocedure onvoldoende bereidheid hebben getoond om met haar in overleg te treden. Zij stelt zich ten slotte op het standpunt dat provinciale staten ten onrechte geen financiële compensatie hebben aangeboden.

2.61.1. Provinciale staten stellen dat Caradon Stelrad door de aanleg van de BPL niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Hiertoe wijzen zij erop dat haar bedrijfsgebouwen niet verloren gaan en dat de afstand van de emissiepunten tot de openbare weg slechts een paar meter kleiner wordt dan in de bestaande situatie. Verder achten provinciale staten de kans klein dat zich calamiteiten zullen voordoen vanwege een auto die van de weg raakt. Hiertoe stellen zij dat de verkeersdruk op dit weggedeelte niet hoog is en dat bovendien een maatregel wordt getroffen om de weg van het bedrijf af te schermen.

2.61.2. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden van Caradon Stelrad de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen, met niet meer dan 2x2 rijstroken, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten en de daarbij behorende bermen en taluds ingericht volgens de op de verbeelding aangeduide dwarsprofielen.

2.61.3. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de fabriek van Caradon Stelrad vanuit het oogpunt van gevaar verantwoord is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat volgens het deskundigenbericht geen sprake zal zijn van een ongebruikelijke fabrieksemissie langs een weg en dat vanwege die emissie geen hinder of gevaar voor het verkeer hoeft te worden verwacht. Caradon Stelrad heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop faalt ook het betoog - wat daarvan ook zij - dat sprake is van strijd met de milieuvergunning, omdat het voorschrift dat buiten de inrichting geen hinder mag worden veroorzaakt niet kan worden nageleefd.

Verder wordt overwogen dat provinciale staten volgens het verweerschrift en hun verklaring ter zitting voornemens zijn een maatregel te treffen, zoals het plaatsen van geleiderails, die de weg van het bedrijf afschermt. Het plan maakt dit ook mogelijk. Caradon Stelrad heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor een onveilige situatie.

Ten aanzien van het betoog dat op grond van de VNG-brochure een ruimere afstand moet worden aangehouden tussen het tracé en het bedrijf van Caradon Stelrad, wordt overwogen dat de richtafstanden in de VNG-brochure zijn geschreven voor een woonwijk. Daarvan is in dit geval geen sprake.

2.61.4. Wat betreft het niet aanbieden van een financiële compensatie hebben provinciale staten verklaard dat Caradon Stelrad in het kader van de grondverwerving een volledige schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt en tevens een vergoeding voor eventueel noodzakelijke aanpassingen aan de resterende eigendommen en waardevermindering van de resterende gronden. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten de belangen van Caradon Stelrad hiermee voldoende in de besluitvorming hebben betrokken.

2.61.5. In hetgeen Caradon Stelrad heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Caradon Stelrad is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 68]

2.62. [appellante sub 68] is eigenares van de woning aan de Breinder 11 te Schinnen. Zij betoogt dat het geluidsscherm in de nabijheid van haar woning verder moet worden doorgetrokken in de richting van haar woning ter beperking van het geluid van de A76.

2.62.1. Provinciale staten stellen dat op grond van de Wgh geen verplichting bestaat om vanwege de A76 onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante sub 68]. Zij achten het daarom evenmin noodzakelijk om het geluidsscherm door te trekken in de richting van haar woning.

2.62.2. Ter hoogte van de gronden van [appellante sub 68] wordt de A76 gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Niet in geschil is dat de berekende geluidsbelasting vanwege de A76 op de gevel van de woning van [appellante sub 68] ten opzichte van de geluidsbelasting van 65,07 dB in de bestaande situatie ten gevolge van geluidsbeperkende maatregelen afneemt tot 64,40 dB. Reeds hierom hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellante sub 68] door de wijziging van de A76 niet ernstig wordt aangetast. Gelet hierop hebben zij maatregelen ter hoogte van de gronden van [appellante sub 68] in redelijkheid niet noodzakelijk hoeven achten. Voor zover [appellante sub 68] stelt dat het geluidsscherm moet worden doorgetrokken omdat de geluidsbelasting in de bestaande situatie reeds hoog is, wordt overwogen dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen besluiten geen verdere maatregelen te nemen dan die op grond van het nu voorliggende plan noodzakelijk zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van provinciale staten ter zitting dat hoge kosten zijn gemoeid met het doortrekken van het geluidsscherm in de richting van de woning van [appellante sub 68].

2.62.3. In hetgeen [appellante sub 68] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 68] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 98]

2.63. [appellant sub 98], die de boerderij met bijbehorende gronden op landgoed Reijmersbeek te Nuth pacht, betoogt dat het plan leidt tot een belemmering van zijn agrarische bedrijfsvoering op het landgoed, omdat de gronden waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend niet meer kunnen worden aangewend voor zijn veehouderij.

2.63.1. Vaststaat dat de agrarische bedrijfsvoering, voor zover dit de veehouderij op landgoed Reijmersbeek betreft, moet worden verplaatst. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat zij streven naar een algehele verplaatsing van de veehouderij naar gronden elders op landgoed Reijmersbeek en voortzetting van de pachtverhouding tussen [appellant sub 98] en [appellanten sub 3] als eigenaren van het landgoed. Zij hebben voorts verklaard dat een andere oplossing zal worden geboden, waarbij een rendabele bedrijfsuitoefening mogelijk blijft, als gewijzigde voortzetting van de pachtverhouding op landgoed Reijmersbeek niet mogelijk is. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten dit aspect voldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.

2.63.2. In hetgeen [appellant sub 98] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 98] is ongegrond.

De beroepen van [appellanten sub 3]

Besluit hogere waarden

2.64. De woning aan de Reijmersbekerweg 30 te Nuth is gelegen binnen de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de geluidsbelasting 51 dB bedraagt op de gevel van de woning aan de Reijmersbekerweg 30. Nu deze geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is een hogere waarde van 51 dB vastgesteld.

2.64.1. [appellanten sub 3] richten zich, kort weergegeven, tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 51 dB voor de woning aan de Reijmersbekerweg 30.

2.64.2. Het college van gedeputeerde staten heeft met verwijzing naar een memo van Arcadis van 30 maart 2011 verklaard dat de geluidsbelasting voor deze woning minder zal bedragen dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, vanwege het geluidreducerend effect van een geleidebarrier die vanuit verkeerskundig oogpunt zal worden geplaatst. Hierdoor had voor deze woning geen hogere waarde hoeven worden vastgesteld, aldus het college van gedeputeerde staten. Nu het college van gedeputeerde staten zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb is voorbereid. Het beroep van [appellanten sub 3] tegen het besluit hogere waarden is gegrond. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden dient te worden vernietigd voor zover het betreft de hogere waarde voor de woning Reijmersbekerweg 30.

Inpassingsplan

2.64.3. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 3] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betogen verder dat op grond van het inpassingsplan onvoldoende visueel inzichtelijk is wat op grond daarvan feitelijk mogelijk wordt gemaakt.

2.64.3.1. Ingevolge artikel 1.2.1, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 1.1.1, tweede lid, van het Bro, omvat een inpassingsplan een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van het plan. De Wro, het Bro noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht ertoe dat ten behoeve van het plan een nadere visualisatie wordt gemaakt.

2.64.4. [appellanten sub 3] betogen dat de inhoud van het Omgevingsplan van Arcadis van 8 oktober 2010 ten onrechte geen juridisch bindende regeling heeft gevonden in het inpassingsplan.

2.64.4.1. In het Omgevingsplan staat dat daarin de vormgeving en het gebruik van de geplande werken op hoofdlijnen zijn vastgelegd. Het fungeert als kwaliteitskader voor de uitvoering en ten aanzien van kunstwerken als toetsingskader voor vergunningen. De Afdeling overweegt dat in een inpassingsplan in beginsel geen welstandseisen worden opgenomen. Het toetsen van gebouwen of bouwwerken aan de welstandseisen is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot de aan te vragen omgevingsvergunning. Derhalve hoefden provinciale staten de inhoud van het Omgevingsplan niet te vertalen in de planregels.

2.64.5. [appellanten sub 3] betogen voorts dat de dwarsprofielen niet duidelijk op de verbeelding staan. Dit geldt volgens hen ook voor de waterloop die loopt op landgoed Reijmersbeek vanaf het Bronnenbos richting de vijvers.

2.64.5.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ter plaatse van de A76 en ter hoogte van landgoed Reijmersbeek de dubbelbestemming "Waterstaat - Primair water" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Primair water" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden: het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem en ondergeschikt de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden.

2.64.5.2. Vaststaat dat de waterloop, voor zover deze in het plangebied is gelegen, op de verbeelding is weergegeven. Voorts zijn op de verbeelding dwarsprofielen aangegeven. Hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de weergave daarvan op de verbeelding onduidelijk is.

2.64.6. [appellanten sub 3] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" op en in de nabijheid van landgoed Reijmersbeek, voor zover op een afstand van ongeveer 75 m vanaf de monumentale boerderij en het kasteel op het landgoed een verhoogd aan te leggen turborotonde voor de aansluiting van de BPL op de A76 mogelijk wordt gemaakt. Zij betogen dat hierdoor het landschappelijk en cultuurhistorisch karakter van het landgoed verloren gaat dan wel wordt aangetast. Het voorgaande in aanmerking genomen valt volgens [appellanten sub 3] niet in te zien dat de aansluiting niet op een andere plaats kan worden aangelegd.

2.64.6.1. Provinciale staten stellen dat de keuze voor het voorziene tracé is gemaakt na een zorgvuldige afweging van verschillende alternatieven die in het MER "Aansluiting Nuth" inzichtelijk is gemaakt.

2.64.6.2. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden van [appellanten sub 3] en de gronden die daaraan grenzen de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen, met niet meer dan 2x2 rijstroken, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten en de daarbij behorende bermen en taluds ingericht volgens de op de verbeelding aangeduide dwarsprofielen.

Ingevolge die aanhef en onder h, zijn de gronden bestemd voor rotondes.

2.64.6.3. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben zij beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in die afweging te worden meegenomen. Volgens het verweerschrift en het MER "Aansluiting Nuth" is de keuze voor het tracé door het Geleenbeekdal over de bestaande N298/Naanhofsweg, de zogenoemde POL-corridor gemaakt, omdat dit tracé in vergelijking met twee andere alternatieven, de zogeheten noordelijke en zuidelijke corridor, de minst nadelige gevolgen heeft voor natuur en milieu. Vervolgens is de keuze voor de realisering van de variant met een turboverkeersplein gemaakt na een beoordeling van een aantal alternatieven naar hun effecten op de aspecten verkeer en leefmilieu, water, bodem en natuur, ruimtelijke leefomgeving en fysieke inpasbaarheid. Uit het MER volgt dat het landschappelijk en cultuurhistorisch karakter van het gebied in deze beoordeling is meegenomen en meer specifiek de landschappelijke structuur en beleving nabij kasteel Reijmersbeek. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

Provinciale staten hebben voorts het belang van de ontwikkeling van de BPL van zwaarder gewicht kunnen achten dan het landschappelijk en cultuurhistorisch belang. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het monumentale kasteel, de hoeve, de stal en het Bronnenbos op het landgoed behouden kunnen blijven.

2.64.7. [appellanten sub 3] betogen dat het woon- en leefklimaat van de gezinnen die op het landgoed in het kasteel of de boerderij aan de Reijmersbekerweg 28, 29 of 30 wonen zal verslechteren als gevolg van de aansluiting van de BPL op de A76. Zij betogen voorts dat het leefklimaat van degenen die op het landgoed werken zal verslechteren. Zij vrezen voor een vermindering van het uitzicht en geluidhinder. Ten aanzien van het aspect geluid betogen zij dat de omstandigheid dat wordt voldaan aan de normering in de Wgh niet betekent dat de geluidsbelasting ter plaatse aanvaardbaar is. Hiertoe stellen zij dat de bouwkundige staat van de woningen zodanig is, dat het geluid van de weg daarin intens zal doordringen en de situatie onleefbaar wordt. Dit klemt temeer, omdat de kans klein is dat dit met bouwkundige aanpassingen kan worden verholpen, omdat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed daarvoor waarschijnlijk geen toestemming verleent.

2.64.7.1. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht ter plaatse van de woningen in enige vorm kan worden aangetast door de ter plaatse verhoogd aan te leggen infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein op een afstand van ongeveer 75 m tot de woningen op het landgoed. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht niet dusdanig zal zijn dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen de omstandigheid dat de turborotonde verhoogd moet worden aangelegd, omdat de A76 daar onderdoor zal lopen. Voorts wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat maatregelen worden genomen die de aantasting van het uitzicht beperken. Hierbij kan worden gedacht aan een talud beplant met bomen.

2.64.7.2. Ten aanzien van de gestelde geluidhinder stelt de Afdeling voorop dat [appellanten sub 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat voor de woningen aan de Reijmersbekerweg 28, 29 en 30 niet van de conclusies in het akoestisch onderzoek kan worden uitgegaan.

De gronden ter plaatse van deze woningen liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Teneinde geluidhinder te beperken wordt ter hoogte van de woningen een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. In het akoestisch onderzoek is berekend dat de geluidsbelasting vanwege de weg op de gevel van de woningen aan de Reijmersbekerweg 28 en 29 niet meer dan 48 dB zal bedragen. In eerste instantie is voor de woning Reijmersbekerweg 30 uitgegaan van een geluidsbelasting van 51 dB. Nu die waarde de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg staat. Zoals hiervoor onder 'Besluit hogere waarden' staat, heeft een aanvullende berekening inmiddels uitgewezen dat de geluidsbelasting vanwege de BPL ook ter plaatse van de woning aan de Reijmersbekerweg 30 de voorkeursgrenswaarde niet zal overschrijden. Gelet hierop hebben provinciale staten zich ten aanzien van deze drie woningen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van deze woningen niet leidt tot ernstige geluidhinder.

Ter hoogte van de woningen aan de Reijmersbekerweg 28, 29 en 30 wordt voorts de A76 gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de A76 op de gevel van de woningen in de huidige situatie 58,84 dB en in de toekomstige situatie 54,83 dB bedraagt. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat vanwege de geluidsbelasting van de A76 niet ernstig wordt aangetast, temeer nu de geluidsbelasting afneemt. Gelet hierop hebben zij aanvullende maatregelen ter hoogte van de gronden vanwege het geluid van de A76 in redelijkheid niet noodzakelijk hoeven achten.

[appellanten sub 3] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat provinciale staten in dit geval uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening maatregelen hadden moeten nemen om de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen aan de Reijmersbekerweg 28, 29 en 30 verder terug te dringen. De enkele stelling dat de staat van de woningen slecht is, zodat het geluid in de woningen meer intens zal doordringen, is hiervoor onvoldoende.

2.64.7.3. Het voorgaande in aanmerking genomen, wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het leefklimaat van degenen die op het land werken ernstig zal worden aangetast.

2.64.8. [appellanten sub 3] betogen dat het plan leidt tot een belemmering van de agrarische bedrijfsvoering op het landgoed, omdat de gronden waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend niet meer kunnen worden aangewend voor de bedrijfsvoering. Zij betogen dat de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is voor het onderhoud en de instandhouding van het monumentale complex en dat de belemmering daarvan derhalve tot blijvende schade leidt. Zij voeren in dit verband ook aan dat de aanleg van de BPL zal leiden tot vervuiling van de gewassen door een verslechtering van de luchtkwaliteit.

2.64.8.1. Zoals hiervoor bij de bespreking van de beroepsgronden van [appellant sub 98] is overwogen staat vast dat de agrarische bedrijfsvoering, voor zover dit de veehouderij op het landgoed betreft, moet worden verplaatst. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat zij streven naar een algehele verplaatsing van de veehouderij naar gronden elders op het landgoed en gewijzigde voortzetting van de pachtverhouding tussen [appellant sub 98] en [appellanten sub 3]. Indien voortzetting van de pachtverhouding evenwel niet mogelijk is, wordt het verlies aan inkomsten voor de instandhouding van het monument verdisconteerd in de schade die wordt vergoed, aldus provinciale staten. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten dit aspect voldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.

Voorts wordt in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat moet worden gevreesd voor een ernstige vervuiling van de gewassen door een verslechtering van de luchtkwaliteit.

2.64.9. [appellanten sub 3] betogen dat het inpassingsplan, mede gelet op hun bedrijfsbelangen, ten onrechte niet voorziet in een verruiming van de tunnel die het bedrijventerrein de Horsel verbindt met de boerderij. Verder stellen zij dat het plan moet voorzien in een oplossing voor het tegengaan van graffiti- en drugsgebruik in deze tunnel.

2.64.9.1. Provinciale staten achten de bestaande tunnel toereikend voor het gebruik door landbouwverkeer. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Provinciale staten stellen verder dat een verruiming van de tunnel bovendien te ingrijpende gevolgen heeft, omdat daardoor de A76 aanzienlijk moet worden aangepast. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Verder wordt overwogen dat het tegengaan van overlastveroorzakende activiteiten in de tunnel een kwestie van handhaving is, hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.64.10. [appellanten sub 3] vrezen dat de onverharde ontsluitingsweg die parallel loopt aan de A76 en als gevolg van de aanleg van de BPL moet worden verplaatst, niet opnieuw zal worden aangelegd. Hiertoe stellen zij dat de particuliere eigendom van de gronden daaraan in de weg staat. Zij stellen dat de gronden waarop de heraanleg is voorzien in het plan hadden moeten worden opgenomen.

2.64.10.1. In het verweerschrift staat dat de weg opnieuw wordt aangelegd en dat deze is voorzien langs de nieuwe toerit richting Schinnen. De grond waarop deze ontsluitingsweg wordt aangelegd is gedeeltelijk eigendom van de provincie en gedeeltelijk eigendom van [appellanten sub 3] en kan ook hun eigendom blijven. Provinciale staten hebben verklaard dat het verlies aan agrarische grond dat daardoor wordt geleden, zal worden betrokken bij de vaststelling van de onteigeningsschadeloosstelling. Zij hebben voorts verklaard dat de kosten die zijn gemoeid met de aanleg van de weg voor rekening van de provincie komen. Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten dit punt onvoldoende in de besluitvorming hebben betrokken. Dat de gronden waarop de weg is voorzien niet in het plan zijn opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de realisering van de ontsluitingsweg reeds mogelijk is op grond van de bestemming in het desbetreffende bestemmingsplan.

2.64.11. [appellanten sub 3] voeren aan dat het kapelletje op landgoed Reijmersbeek als gevolg van de aanleg van de weg onbereikbaar wordt. Provinciale staten hebben hiervoor ten onrechte geen oplossing geboden.

2.64.11.1. In het verweerschrift staat dat het kapelletje niet kan worden gehandhaafd op de huidige locatie, maar dat dit na overleg met belanghebbenden zal worden verplaatst. Daarbij zal ook het aspect van de bereikbaarheid aan de orde komen. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten deze kwestie hiermee voldoende in de besluitvorming hebben betrokken.

2.64.12. [appellanten sub 3] betogen dat ten onrechte niet in het plan is geregeld dat waterhuishoudkundige voorzieningen worden aangelegd op het gedeelte van de gronden van het landgoed waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend. Zij achten dit noodzakelijk voor de instandhouding van de waterhuishouding op het landgoed.

2.64.12.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, eerste lid, aanhef en onder k, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor (bergings)sloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

2.64.12.2. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de waterhuishouding op het landgoed met voorzieningen, zoals de bestaande waterloop voor de toestroom van water naar het Bronnenbos, in stand kan worden gehouden. Het plan maakt die voorzieningen op grond van artikel 7, lid 7.1, eerste lid, aanhef en onder k, en artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels ook mogelijk. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor een verstoring van de waterhuishouding op het landgoed. Dat de gronden waarop een gedeelte van de bestaande waterloop is gelegen niet in het plan zijn opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de bestemming in het desbetreffende bestemmingsplan de aanwezigheid van de waterloop toelaat.

2.64.13. [appellanten sub 3] betogen dat ter plaatse van hun gronden met de bestemming "Verkeer" onvoldoende onderzoek is verricht. Zij voeren aan dat in strijd met de Wet op de archeologische monumentenzorg geen archeologisch onderzoek is verricht. Verder voeren zij aan dat op de gronden ten onrechte geen bodemonderzoek en onderzoek naar de aanwezige flora en fauna is verricht.

2.64.13.1. In de zienswijzenota staat dat veldonderzoek op de hier aan de orde zijnde gronden nog niet heeft plaatsgevonden, omdat de eigenaar hiervoor geen toestemming gaf. Mede gezien het feit dat op basis van de archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten van Parkstad Limburg uit 2007 en voor de gemeente Nuth is gebleken dat moet worden verwacht dat de gronden archeologische waarde hebben is daaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toegekend. Provinciale staten stellen dat daarmee voldoende recht wordt gedaan aan de potentiële waarden van de desbetreffende gronden. Gelet op hetgeen in het algemene deel van deze uitspraak over archeologie is overwogen wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten dit standpunt niet in redelijkheid hebben kunnen innemen.

Ten aanzien van het aspect bodem staat in de zienswijzenota dat een alternatief bodemonderzoek is uitgevoerd voor de locaties waar geen toestemming is verkregen voor het betreden van de percelen. Met dit alternatieve onderzoek is vastgesteld of eventueel aanwezige verontreinigingen ter plaatse van de BPL perceelsoverschrijdend zijn. Dit onderzoek is op twee locaties waar het perceel niet mocht worden betreden niet verricht, omdat onderzoek ter plaatse niet zinvol is geacht, nu de bodembedreigende activiteiten op meer dan 10 m van de perceelsgrens worden uitgevoerd. In de zienswijzenota staat verder dat voor niet onderzochte locaties bureauonderzoek is verricht. Provinciale staten stellen voorts dat eventueel verontreinigde locaties worden gesaneerd, dat inzichtelijk is gemaakt welke kosten daarmee zijn gemoeid en dat hiervoor voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar het aspect bodem. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat.

Voorts wordt overwogen dat in het onderzoek "Mitigatie- en compensatieplan BPL" staat dat het Bronnenbos, gelegen naast landgoed Reijmersbeek, deel uitmaakt van het onderzoeksgebied naar de flora en fauna. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten voor hun gronden zonder het verrichten van veldonderzoek op die gronden niet hebben kunnen uitgaan van de conclusies die betrekking hebben op het Bronnenbos.

2.64.14. [appellanten sub 3] betogen dat niet duidelijk is wat de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" toelaat. Zij vrezen dat een verslechtering van de externe veiligheid optreedt als de bestaande gasleiding op het landgoed wordt verplaatst in de richting van de boerderij en het kasteel. Indien de bestaande gasbuisleidingen worden verplaatst naar de buitenste rand van het plandeel met de bestemming "Verkeer" is ten onrechte niet een extra strook grond met een breedte van 5 m in het plan opgenomen waarmee kan worden voldaan aan het bepaalde in het Besluit externe veiligheid buisleidingen dat aan weerszijden van de leiding een bebouwingsvrije zone van 5 m moet worden aangehouden, aldus [appellanten sub 3].

2.64.14.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten westen van de A76 en ter hoogte van landgoed Reijmersbeek de dubbelbestemming "Leiding - Leidingenstrook" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Leiding - Leidingenstrook" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en onderhoud van de leidingenstrook en/of leidingen met de daarbij behorende leidingzone en overige voorzieningen.

2.64.14.2. [appellanten sub 3] hebben hun betoog dat niet duidelijk is wat de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" toelaat, niet nader onderbouwd. Reeds hierom faalt dit.

2.64.14.3. Provinciale staten hebben bij de beoordeling van de externe veiligheid de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de circulaire risiconormering) tot uitgangspunt genomen. Op grond van de circulaire risiconormering dient, kort gezegd, bij een nieuwe situatie - zoals in dit geval - het plaatsgebonden risico bij kwetsbare objecten kleiner te zijn dan 10-6 per jaar en moet het bestuursorgaan verantwoording afleggen bij het nemen van het besluit wanneer het groepsrisico boven de in de circulaire gegeven oriëntatiewaarden ligt of wanneer het groepsrisico toeneemt.

2.64.14.4. In het deelrapport "Externe veiligheid behorende bij het Inpassingsplan Buitenring parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat dat uit de risicoberekeningen van Gasunie volgt dat nieuw aan te leggen leidingenstroken voldoen aan de norm voor het plaatsgebonden risico als deze worden aangelegd in de strook grond waaraan op de verbeelding de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" is toegekend. [appellanten sub 3] hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voor zover zij vrezen dat niet aan weerszijden van de leiding een bebouwingsvrije zone van 5 m wordt aangehouden, wordt overwogen dat provinciale staten hebben toegelicht dat de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" breder is dan de daadwerkelijke leiding. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Nu provinciale staten ter zitting hebben verklaard dat op landgoed Reijmersbeek geen leidingenstrook buiten deze strook wordt aangelegd, wordt in zoverre voldaan aan de in de circulaire risiconormering genoemde grenswaarde. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten het inpassingsplan vanwege de gevolgen inzake de externe veiligheid op landgoed Reijmersbeek niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen.

2.64.15. [appellanten sub 3] vrezen voor schade, veroorzaakt gedurende de werkzaamheden die met de aanleg van de BPL gepaard gaan. In dit verband wijzen zij erop dat het monumentale complex langzaam kan afbreken door trillingen. Verder voeren zij aan dat schade kan ontstaan, omdat de bodem ter plaatse moerassig is. Ten onrechte is hier geen onderzoek naar verricht. Gelet hierop is ook niet zeker dat kan worden voldaan aan het verbod in de Monumentenwet 1988 dat geen schade aan een beschermd monument mag worden toegebracht. Daarbij komt dat provinciale staten, gelet op de reële kans op schade, reeds navraag hadden moeten doen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of toestemming wordt verleend voor het uitvoeren van de noodzakelijke verbouwing ten behoeve van herstel. Dit is echter ten onrechte niet gebeurd, aldus [appellanten sub 3].

2.64.15.1. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de aanlegwerkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat dit niet leidt tot onherstelbare beschadiging van het monumentale complex en dat eventuele schade wordt vergoed. Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten dit aspect onvoldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.

2.64.16. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 3] tegen het inpassingsplan is ongegrond.

Het beroep van Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek

2.65. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer", voor zover daarmee de aansluiting van de BPL op de A76 bij Nuth mogelijk wordt gemaakt. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betoogt verder dat deze aansluiting niet nodig is, omdat het nut en de noodzaak van de BPL ontbreken. Zij kan zich daarmee evenmin verenigen, omdat een deel van het hellinglandschap in het Geleenbeekdal op de grens van Schinnen en Nuth en het zicht op dit landschap verloren gaan. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek stelt met verwijzing naar de visie "Ontwikkeling hellinglandschap Spaubeek-Schinnen" van Heusschen Copier van 13 juli 2010 dat het gebied ter hoogte van kasteel Reijmersbeek nog de enige aanwezige open ruimte is die kan worden gebruikt om een goede ecologische en recreatieve verbinding te maken tussen de noordelijke en zuidelijke helling van het Geleenbeekdal. Veel van de plannen in voornoemde visie kunnen niet worden verwezenlijkt als de aansluiting bij Nuth wordt gerealiseerd, aldus Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek. Zij betoogt dat onvoldoende compensatie wordt geboden voor het verlies van dit natuurgebied. Verder betoogt zij dat de aansluiting bij Nuth onnodig veel ruimte in beslag neemt.

2.65.1. Zoals in het algemene deel van deze uitspraak over nut en noodzaak is overwogen, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nut en de noodzaak van de BPL voldoende zijn aangetoond. Derhalve faalt het betoog dat de aansluiting van de BPL op de A76 niet nodig is, omdat het nut en de noodzaak van de BPL ontbreken.

2.65.2. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in die afweging te worden meegenomen. Volgens het verweerschrift en het MER "Aansluiting Nuth" is de keuze voor het tracé door het Geleenbeekdal over de N298/Naanhofsweg gemaakt, omdat dit tracé in vergelijking met twee andere alternatieven de minst nadelige gevolgen heeft voor natuur en milieu. Vervolgens is de keuze voor de realisering van de variant met een turboverkeersplein gemaakt na een beoordeling van een aantal alternatieven naar hun effecten op de aspecten verkeer en leefmilieu, water, bodem en natuur, ruimtelijke leefomgeving en fysieke inpasbaarheid. Uit het MER volgt dat het landschappelijke karakter van het gebied en het aspect natuur in deze beoordeling zijn meegenomen. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

Provinciale staten hebben voorts het belang van de ontwikkeling van de BPL met inbegrip van de aansluiting daarvan op de A76 bij Nuth van zwaarder gewicht kunnen achten dan een volledig behoud van het bestaande landschappelijke karakter en de natuurwaarden in het gebied. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat wordt voorzien in compensatie van natuur alsmede ecologische verbindingen.

2.65.3. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek vreest voor een onaanvaardbare verkeersdruk in de buurtschap Nagelbeek, met name op de locatie waar de vernieuwde Nutherweg, de Hegge en de Nagelbeek bij elkaar komen.

2.65.3.1. In het MER "Aansluiting Nuth" staat dat het mma voorziet in de aansluiting van de BPL op de A76 door een verkeersplein aan de noordzijde van bedrijventerrein de Horsel. Dit alternatief leidt tot 8.000 verkeersbewegingen per etmaal in 2025 op de vernieuwde Nutherweg. Voorts treedt met dit alternatief een afname op van de verkeersdrukte door de kern van Schinnen. Ten slotte staat in het MER "Aansluiting Nuth" dat een klein deel van het verkeer dat in Spaubeek moet zijn, niet meer de A76 zal kiezen, maar via de Hegge zal rijden. Dit leidt tot 1.800 verkeersbewegingen per etmaal in 2025 op de Hegge.

2.65.3.2. In het verweerschrift en de zienswijzenota staat met verwijzing naar het MER dat weliswaar op enkele wegen in de buurtschap Nagelbeek, zoals de vernieuwde Nutherweg en de Hegge, sprake zal zijn van een verkeerstoename, maar dat dit niet leidt tot verkeersproblemen. Hiertoe hebben provinciale staten ter zitting onweersproken verklaard dat de wegen waarop voornoemde verkeerstoename is voorzien voldoende capaciteit hebben om de verkeersstromen te verwerken.

2.65.4. In hetgeen Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek is ongegrond.

Het beroep van Stichting Platform Vaesrade

2.66. Een deel van de beroepsgronden van Stichting Platform Vaesrade is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betoogt verder dat de aanleg van de BPL op een afstand van ongeveer 200 m tot de St. Servatiusschool in Vaesrade schadelijk is voor de gezondheid van de kinderen op deze basisschool. Zij betoogt dat niet wordt voldaan aan de wettelijke normen voor luchtkwaliteit en tevens dat de wettelijke normen onvoldoende waarborgen dat geen schadelijke gezondheidseffecten optreden. In dit verband wijst zij op het briefadvies van de Gezondheidsraad met de titel "Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" van 24 april 2008 en het briefrapport "Invloed van de afstand tot een drukke verkeersweg op de lokale luchtkwaliteit en de gezondheid: een quick scan" van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) van 23 november 2007.

2.66.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder autoweg: weg, aangeduid door bord G3 van bijlage 1.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt in dit besluit […] verstaan onder:

provinciale weg: autoweg […] voor zover in beheer bij een provincie;

rijksweg: autoweg of autosnelweg […] voor zover in beheer bij het rijk.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, vindt, indien de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift betrekking heeft op een geval dat behoort tot een bij artikel 3 aangewezen categorie waarvan de locatie geheel of gedeeltelijk is of zal zijn gelegen op een afstand van:

a. minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg, of

b. minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg,

en op die locatie sprake is van een overschrijding van of dreigende overschrijding op of na het daarbij behorende tijdstip van een in voorschrift 2.1 of 4.1 van bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, de uitoefening of toepassing op een zodanige wijze plaats dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen.

2.66.2. Vaststaat dat de BPL een provinciale weg is als bedoeld in artikel 1 van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Gelet hierop dient in dit geval uitgegaan te worden van de afstand van 50 m.

2.66.3. In het briefrapport van het RIVM staat dat er voldoende wetenschappelijke basis is om het zitten op scholen die in de nabijheid van snelwegen gelegen zijn ongezonder te karakteriseren dan situaties waarin een grotere afstand is tussen schoollocaties en drukke verkeerswegen. Hierbij lijkt de slechtere luchtkwaliteit een grote rol te spelen. Op basis van de in het briefrapport gebruikte studies kan echter geen wiskundig verband worden afgeleid waarmee met behulp van de afstand tot een drukkere weg het effect op de gezondheid kan worden vastgesteld. Er zijn op dit moment geen studies bekend op basis waarvan een acceptabele afstand kan worden afgeleid. Dezelfde conclusie staat in het briefadvies van de Gezondheidsraad.

2.66.4. De Afdeling overweegt dat het briefadvies van de Gezondheidsraad en het briefrapport van het RIVM zijn gebruikt in de besluitvormingsprocedure die heeft geleid tot vaststelling van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) ten behoeve van de gedachtevorming over de afstand die dient te worden aangehouden tussen onder meer een basisschool en de rand van een rijksweg of provinciale weg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

In de Nota van Toelichting bij het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) staat dat buiten genoemde zones uit dit besluit geen (onderzoeks-)verplichtingen of beperkingen ten aanzien van de realisering van gevoelige bestemmingen voortvloeien, maar dat ook buiten die zones het beginsel van een goede ruimtelijke ordening onverkort van kracht blijft en het bevoegd bestuursorgaan ook buiten die zones zorgvuldig moet omgaan met de belangen van mensen die blootgesteld worden aan eventuele luchtverontreiniging.

Voorts staat in de Nota van Toelichting dat het op zichzelf beschouwd denkbaar zou kunnen zijn om enkel uit gezondheidskundige overwegingen ook in bepaalde situaties, waarin geen sprake is van een normoverschrijding, een grotere afstand aan te houden tussen gevoelige bestemmingen en drukke infrastructuur. Het advies dat de Gezondheidsraad op 24 april 2008 heeft uitgebracht, duidt ook in die richting. Indien van dergelijke (aanvullende) gezondheidskundige overwegingen sprake is, dienen deze dan ook een plek te krijgen in de integrale afweging die het bevoegde bestuursorgaan maakt in het kader van het al eerder genoemde beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheidskundige overwegingen zijn uiteraard belangrijk, maar het zijn niet de enige relevante overwegingen in een ruimtelijke afweging.

2.66.5. De Afdeling stelt voorop dat het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in dit geval niet van toepassing is, nu de St. Servatiusschool is gelegen op een afstand van meer dan 50 m vanaf de rand van de BPL. De omstandigheid dat dit besluit niet van toepassing is rechtvaardigt evenwel niet zonder meer de conclusie dat het plan uit een oogpunt van luchtkwaliteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, hetgeen ook volgt uit de Nota van Toelichting. Echter, niet aannemelijk is gemaakt dat het plan leidt tot een zodanige verslechtering van de luchtkwaliteit dat dit leidt tot gezondheidsrisico’s voor de kinderen op de St. Servatiusschool. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het luchtkwaliteitsonderzoek staat dat de concentraties voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) na de aanleg van de BPL in het gehele onderzoeksgebied voldoen aan de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de school is gelegen op een afstand van ongeveer 277 m van de wegrand, zodat reeds een fors ruimere afstand is aangehouden dan in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in dit geval is opgenomen. Dat uit het briefadvies van de Gezondheidsraad en het briefrapport van het RIVM volgt dat gezondheidsrisico’s, ook indien het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) niet van toepassing is, niet kunnen worden uitgesloten leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat uit de Nota van Toelichting volgt dat niet in alle gevallen aan gezondheidskundige overwegingen een doorslaggevende betekenis hoeft te worden toegekend en dat in de planprocedure ruimte blijft voor een nadere afweging. Gelet hierop faalt het betoog.

2.66.6. Stichting Platform Vaesrade betoogt dat niet zeker is of Vaesrade na de aanleg van de BPL en het opheffen van de oude afrit van de A76 bij Nuth voldoende bereikbaar zal zijn voor hulpdiensten.

2.66.6.1. In het verweerschrift staat dat een verkeerskundige rijtijdenanalyse is gedaan naar de reistijden vanaf het Atriumziekenhuis naar Nuth. Uit deze analyse is gebleken dat de hulpdiensten na aanleg van de BPL een omrijbeweging moeten maken van ongeveer 4 km. De reistijd naar Nuth blijft echter onder de 10 minuten. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de reistijd naar Vaesrade ongeveer vergelijkbaar is en dat aan de norm voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten wordt voldaan. Stichting Platform Vaesrade heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Derhalve hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bereikbaarheid van Vaesrade voor hulpdiensten blijft gewaarborgd.

2.66.7. Stichting Platform Vaesrade betoogt dat een voetbalveld van RKVV Vaesrade te dicht bij de BPL zal zijn gelegen. Zij stelt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het voorziene sportveld slecht is en acht het nadelig voor de gezondheid van kinderen als zij op die locatie sporten.

2.66.7.1. Zoals in het algemene deel van deze uitspraak is overwogen volgt uit het onderzoek "Luchtkwaliteit behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 dat in het plangebied aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) wordt voldaan. Stichting Platform Vaesrade heeft niet aannemelijk gemaakt dat het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Het voorgaande in aanmerking genomen wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten de luchtkwaliteit ter plaatse van het voorziene sportveld niet in redelijkheid aanvaardbaar hebben kunnen achten.

2.66.8. Stichting Platform Vaesrade vreest dat de bewoners van Vaesrade geïsoleerd raken. Zij stelt hiertoe dat niet zeker is dat de aanleg van de BPL geen nadelige invloed heeft voor de verbindingen van het openbaar vervoer dat rijdt van en naar Vaesrade.

2.66.8.1. Provinciale staten stellen dat in het kader van het "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan" van 8 oktober 2010 en het rapport "Buitenring Parkstad Limburg - Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys onderzoek is gedaan naar de invloed van de BPL op de reistijden. Zij stellen dat tevens overleg is gevoerd met Veolia, de concessiehouder. Volgens provinciale staten volgt daaruit dat de gemiddelde reistijd op het traject Van Eijnattenweg - Schuureikenweg toeneemt met drie minuten. De langere reistijden worden echter gecompenseerd met reistijdwinst op andere trajecten. Het voorgaande in aanmerking genomen wordt in hetgeen Stichting Platform Vaesrade heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat moet worden gevreesd dat de inwoners van Vaesrade geïsoleerd raken.

2.66.9. In hetgeen Stichting Platform Vaesrade heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Platform Vaesrade is ongegrond.

Het beroep van IVN

2.67. De beroepsgronden van IVN tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel over de tracékeuze, behorend bij de verbeelding - bladen 1 en 2, aan de orde geweest. In 2.35 tot en met 2.35.9 is ten aanzien van de mede door IVN ingebrachte beroepsgrond inzake stikstofdepositie geoordeeld dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in strijd is met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet. Het beroep van IVN is om die reden gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met genoemde bepalingen te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 90]

2.68. [appellant sub 90] heeft in zijn beroepschrift enkel verwezen naar de inhoud van de zienswijze. De Afdeling verwijst hieromtrent naar hetgeen in het algemene deel van deze uitspraak is overwogen over het inlassen van zienswijzen. Het beroep van [appellant sub 90] is ongegrond.

Verbeelding - blad 2

Het beroep van [appellant sub 27]

2.69. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 27] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Hij betoogt verder dat de milieusituatie in de gehele regio Parkstad zal verslechteren. Gelet op hetgeen in het algemene deel van deze uitspraak is overwogen faalt dit betoog.

2.69.1. [appellant sub 27] betoogt voorts dat de milieusituatie ter plaatse van zijn woning zal verslechteren door de BPL. Dit standpunt heeft hij niet nader onderbouwd. Reeds hierom kan dit niet slagen.

2.69.2. In hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 27] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 48]

2.70. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 48] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Hij betoogt verder dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Burgemeester Ritzenstraat 12 te Vaesrade zal verslechteren als gevolg van de aanleg van de BPL. Hij vreest voor geluidhinder. Hij voert aan dat de weg verdiept moet worden aangelegd, zodat de nadelige gevolgen in mindere mate optreden. Ten aanzien van het aspect geluidhinder wijst hij erop dat in Vaesrade extra geluidsoverlast optreedt als gevolg van het geluid dat weerkaatst tegen het voorziene geluidsscherm ter hoogte van Vaesrade. [appellant sub 48] voert verder aan dat het plan leidt tot een waardevermindering van zijn woning.

2.70.1.1. De gronden van [appellant sub 48] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.

Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 48] vanwege de BPL 44 dB bedraagt als geen geluidbeperkende maatregelen worden genomen. Teneinde geluidhinder voor andere woningen te beperken wordt ter hoogte van de woning van [appellant sub 48] een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Hierdoor zal de geluidsbelasting vanwege de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 48] 40 dB bedragen. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 48] niet leidt tot ernstige geluidhinder. In hetgeen [appellant sub 48] heeft aangevoerd hebben zij voorts geen aanleiding hoeven zien om aanvullende maatregelen te nemen. Zij hebben daarin evenmin aanleiding hoeven zien de BPL verdiept aan te leggen. Voorts wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het geluidsscherm ter hoogte van Vaesrade leidt tot een verdere verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weerkaatsing van geluid. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat in het geluidmodel rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de weerkaatsing van geluid. Overigens hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat de schermen met absorberend materiaal worden uitgevoerd, zodat bijna geen geluid wordt weerkaatst.

Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidsbelasting wordt met verwijzing naar het algemene deel van deze uitspraak overwogen dat hiernaar slechts onderzoek hoeft te worden verricht als sprake is van een woning waarvoor in het kader van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het akoestisch onderzoek is echter uit een oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 48]. Uit dit onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning maximaal 54 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op de bij de aanleg van de BPL betrokken belangen.

2.70.1.2. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 48] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.70.2. [appellant sub 48] vreest verder voor een toename van sluipverkeer in Vaesrade.

2.70.2.1. In het verweerschrift staat dat de verkeersintensiteit op de wegen in Vaesrade en de Kathagen afneemt. Op de Naanhofsweg is weliswaar sprake van een toename van het verkeer, maar provinciale staten stellen dat deze niet wordt veroorzaakt door sluipverkeer. Zij stellen dat de verkeerscapaciteit van de wegen in Vaesrade bovendien in alle gevallen toereikend is om het verkeersaanbod op de wegen af te wikkelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 48] niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor ernstige overlast van sluipverkeer in Vaesrade.

2.70.3. [appellant sub 48] stelt dat een oude holle weg, die wordt gebruikt als wandelpad, zal moeten verdwijnen als gevolg van de aanleg van de BPL. Hij betoogt dat niet duidelijk is of, en zo ja, welk alternatief hiervoor wordt geboden.

2.70.3.1. In het verweerschrift staat met verwijzing naar het "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan buitenring" van 8 oktober 2010 dat de holle weg wordt doorsneden, maar dat deze bij de nieuw aan te leggen ongelijkvloerse kruising bij de Rozenstraat zal worden hersteld. Niet is gebleken dat dit onjuist is. [appellant sub 48] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangegeven waarom het plan in zoverre desondanks tot ernstige bezwaren leidt.

2.70.4. [appellant sub 48] betoogt dat de inwoners van Vaesrade na de aanleg van de BPL 4 km moeten omrijden naar Heerlen en 3 km naar Hoensbroek. Hij vraagt zich af in hoeverre hiermee rekening is gehouden in het rapport "Buitenring Parkstad Limburg Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys van 8 oktober 2010.

2.70.4.1. Niet valt uit te sluiten dat de inwoners van Vaesrade moeten omrijden om bepaalde plaatsen te bereiken. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige omrijbewegingen dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het slechts korte omrijbewegingen betreft en dat ook bepaalde routes worden verkort.

2.70.5. In hetgeen [appellant sub 48] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 48] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 61]

2.71. [appellant sub 61] betoogt dat ten onrechte geen papieren exemplaar van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan aan hem is toegezonden. Hij stelt dat dit pas na verscheidene verzoeken aan hem is toegezonden.

2.71.1. Gelet op hetgeen in het algemene gedeelte van deze uitspraak over de beantwoording van zienswijzen is overwogen, hoefden provinciale staten geen papieren exemplaar van het bestreden besluit toe te zenden. Reeds hierom faalt het betoog.

2.71.2. [appellant sub 61] betoogt dat hij na de aanleg van het tracé bij Vaesrade te veel zal moeten omrijden.

2.71.2.1. Niet valt uit te sluiten dat de inwoners van Nuth moeten omrijden om bepaalde plaatsen te bereiken. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige omrijbewegingen dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het slechts korte omrijbewegingen betreft en dat ook bepaalde routes worden verkort.

2.71.3. In hetgeen [appellant sub 61] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 61] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 79]

2.72. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 79] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betogen verder dat provinciale staten onzorgvuldig met hun belangen zijn omgegaan. Hiertoe stellen zij dat provinciale staten hebben toegezegd dat zij hen regelmatig op de hoogte zouden stellen van de voortgang van het BPL-project en de gevolgen daarvan voor hen. Dit is echter niet gebeurd, aldus [appellanten sub 79].

2.72.1. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de reden dat [appellanten sub 79] regelmatig op de hoogte zouden worden gesteld was gelegen in de aanname dat hun woning gesloopt zou moeten worden. Toen bleek dat hun woning niet behoefde te worden gesloopt, zijn zij derhalve niet regelmatig persoonlijk op de hoogte gesteld van de voortgang van het project. De Afdeling is van oordeel dat deze miscommunicatie niet reeds leidt tot het oordeel dat provinciale staten onzorgvuldig met de belangen van [appellanten sub 79] zijn omgegaan. Dit betoog faalt.

2.72.2. [appellanten sub 79] vrezen voor ernstige geluidhinder ter plaatse van hun woning aan de Jeugrubbe 2 te Hoensbroek vanwege de aanleg van de BPL. Zij stellen daarvan overlast te ondervinden en tevens dat dit leidt tot een aantasting van de natuurwaarden. Verder voeren zij aan dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting. Zij vrezen tevens voor een waardevermindering van hun woning.

2.72.2.1. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt de waarde van het door berekening of door meting verkregen equivalente geluidsniveau afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het even getal.

2.72.2.2. De gronden van [appellanten sub 79] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.

Teneinde geluidhinder te beperken wordt ter hoogte van de woning van [appellanten sub 79] een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning vanwege de BPL 48,38 dB zal bedragen. Ingevolge artikel 1.3 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt deze waarde afgerond naar 48 dB. Daarmee voldoet de geluidsbelasting vanwege deze weg aan de voorkeursgrenswaarde. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de woning van [appellanten sub 79] niet leidt tot ernstige geluidhinder. Ook gelet hierop hebben [appellanten sub 79] niet aannemelijk gemaakt dat de natuurwaarden in het gebied worden aangetast.

Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidsbelasting wordt met verwijzing naar het algemene deel over geluid in deze uitspraak overwogen dat hiernaar slechts onderzoek hoeft te worden verricht als sprake is van een woning waarvoor in het kader van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het akoestisch onderzoek is echter uit een oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellanten sub 79]. Uit dit onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning maximaal 55 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op de bij de aanleg van de BPL betrokken belangen.

2.72.2.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plandeel op de waarde van de woning van [appellanten sub 79] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plandeel aan de orde zijn.

2.72.3. [appellanten sub 79] voeren voorts aan dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in hun zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie.

2.72.3.1. Daargelaten of het gestelde in de door [appellanten sub 79] ingediende zienswijze moet worden opgevat als beroepsgrond, volgt uit de nota van zienswijzen dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellanten sub 79] feitelijke grondslag.

2.72.4. In hetgeen [appellanten sub 79] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 79] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 77]

2.73. [appellante sub 77] voert aan dat het voorziene tracé van de BPL het uitzicht vanaf de weg op haar café-restaurant aan de Schuureikenweg 115 te Hoensbroek belemmert, hetgeen een nadelige invloed heeft op haar bedrijfsvoering. Zij betoogt dat in het plan dan wel anderszins moet worden verzekerd dat wordt voorzien in een goede bewegwijzering, zowel vanuit oostelijke als westelijke richting. Zij acht het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat dit niet is gebeurd.

[appellante sub 77] vreest verder voor schade, veroorzaakt tijdens de werkzaamheden die met de aanleg van de BPL gepaard gaan. Zij voert hiertoe aan dat het café-restaurant mogelijk maandenlang onbereikbaar zal zijn. Ten onrechte is hier geen regeling voor getroffen.

2.73.1. Vaststaat dat de huidige directe verbinding vanaf de Randweg naar het café-restaurant aan de Schuureikenweg niet kan worden gehandhaafd. Het verkeer vanuit oostelijke en westelijke richting zal na de aanleg van de BPL via de rotonde onder aan de afrit van de BPL moeten rijden om het restaurant te bereiken. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat het restaurant zichtbaar blijft vanaf de BPL alsmede de rotonde onder aan de afrit van de BPL. [appellante sub 77] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het restaurant voldoende bereikbaar en zichtbaar blijft. Voorts wordt overwogen dat het plan het treffen van maatregelen ten behoeve van een goede bewegwijzering niet uitsluit. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat hieraan bij de daadwerkelijke uitvoering van het plan ook aandacht zal worden besteed. In de planprocedure kunnen uitvoeringsaspecten niet aan de orde komen.

Verder staat in het verweerschrift dat het restaurant gedurende de periode waarin de BPL wordt aangelegd bereikbaar zal blijven en dat afspraken zullen worden gemaakt om de overlast zoveel als mogelijk te beperken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de inkomstenderving zodanig zal zijn dat provinciale staten hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. Voor eventuele vergoeding van planschade bestaat een eigen procedure met rechtsbeschermingsmogelijkheden.

2.73.2. In hetgeen [appellante sub 77] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 77] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 66]

2.74. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 66] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 66] betoogt voorts dat ten onrechte geen papieren exemplaar van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan aan hem is toegezonden. Hij stelt dat dit pas na meerdere verzoeken aan hem is toegezonden.

2.74.1. Gelet op hetgeen in het algemene gedeelte van deze uitspraak over de beantwoording van zienswijzen is overwogen, hoefden provinciale staten geen papieren exemplaar van het bestreden besluit toe te zenden. Reeds hierom faalt het betoog.

2.75. [appellant sub 66] vreest voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning aan de Voorstraat 18 te Hoensbroek vanwege de BPL. Hij betoogt dat hij in de bestaande situatie reeds ernstige geluidsoverlast heeft van de AWACS-vliegtuigen, hetgeen provinciale staten onvoldoende in hun afweging hebben betrokken.

2.75.1. De gronden van [appellant sub 66] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL daar wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de BPL zonder maatregelen 40 dB bedraagt ter plaatse van de woning van [appellant sub 66], zodat reeds zonder maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan.

Voorts wordt ter hoogte van de woning een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 66] vanwege de BPL daardoor 35 dB zal bedragen. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 66] niet leidt tot ernstige geluidhinder.

Ten aanzien van het betoog dat geen rekening is gehouden met de cumulatie van het geluid vanwege de BPL en het geluid vanwege de AWACS-vliegtuigen wordt met verwijzing naar het algemene deel over geluid in deze uitspraak overwogen dat slechts onderzoek naar de gecumuleerde geluidsbelasting hoeft te worden verricht als sprake is van een woning waarvoor in het kader van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het akoestisch onderzoek is echter uit een oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 66]. Uit dit onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning maximaal 50 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op de bij de aanleg van de BPL betrokken belangen. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.75.2. In hetgeen [appellant sub 66] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 66] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 82]

2.76. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 82] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 82] vreest verder voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning aan de Rozenstraat 55 te Vaesrade vanwege de aanleg van de BPL. Hij wijst erop dat in Vaesrade extra geluidsoverlast optreedt als gevolg van het geluid dat weerkaatst tegen het voorziene natuurscherm met een hoogte van 3 m aan de zuidzijde van de woonkern. Verder voert hij aan dat ernstige geluidsoverlast optreedt, omdat Vaesrade in een dal ligt en de BPL ter plaatse niet verdiept wordt aangelegd. Hij voert aan dat het plan daarom ten onrechte niet voorziet in aanvullende maatregelen. [appellant sub 82] vreest verder voor een waardevermindering van zijn woning.

2.76.1. Provinciale staten stellen dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning niet onaanvaardbaar zal toenemen.

2.76.2. De gronden van [appellant sub 82] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.

De toekomstige geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 82] bedraagt 44 dB als geen geluidbeperkende maatregelen worden genomen. Teneinde geluidhinder te beperken wordt ten behoeve van de woningen in cluster 3 een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de BPL daardoor 38 dB zal bedragen ter plaatse van de woning. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 82] niet leidt tot ernstige geluidhinder. In hetgeen [appellant sub 82] heeft aangevoerd hebben zij voorts geen aanleiding hoeven zien om de BPL verdiept aan te leggen dan wel aanvullende geluidbeperkende maatregelen te nemen. Voorts wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de aanleg van het natuurscherm met een hoogte van 3 m aan de zuidzijde van de woonkern van Vaesrade leidt tot een verdere verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weerkaatsing van geluid. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat in het geluidmodel rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de weerkaatsing van geluid. Voorts is van belang de toelichting van provinciale staten dat de schermen met absorberend materiaal worden uitgevoerd, zodat vrijwel geen geluid wordt weerkaatst.

2.76.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 82] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.76.4. In hetgeen [appellant sub 82] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 82] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 94]

2.77. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 94] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij vrezen verder dat de BPL ter hoogte van Vaesrade verdiept zal worden aangelegd, omdat als gevolg van een motie die is aangenomen bij de vaststelling van het inpassingsplan onderzoek zal plaatsvinden naar de waterhuishoudkundige gevolgen van een verdiepte ligging van het tracé ter hoogte van Vaesrade.

2.77.1. Provinciale staten hebben het plan in de nu voorliggende vorm vastgesteld. Aan een motie die bij de vaststelling daarvan is aangenomen komt in het kader van het inpassingsplan geen juridisch bindende betekenis toe. Reeds hierom faalt dit betoog.

2.77.2. [appellanten sub 94] betogen dat het nut en de noodzaak van de BPL ontbreken. Zij stellen in dit verband onder meer dat de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 25 november 2010 in zaak nr. 201009220/2/R3 met betrekking tot een met de BPL vergelijkbaar feitencomplex heeft geoordeeld dat twijfel bestaat over het nut en de noodzaak van het infrastructurele project de Centrale As dat in die zaak voorlag.

2.77.3. De BPL betreft een ander infrastructureel project dan de Centrale As. Aan deze projecten liggen verschillende rapporten ten grondslag. Reeds hierom treft de vergelijking met de uitspraak van 25 november 2010 geen doel, nog daargelaten dat die uitspraak van de voorzitter van de Afdeling een voorlopig karakter heeft.

2.77.4. In hetgeen [appellanten sub 94] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 94] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 9]

Besluit hogere waarden

2.78. De woning van [appellant sub 9] is gelegen aan de Hommerterweg 243 te Amstenrade in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Gelet op het geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B en de geluidwerende voorziening met een hoogte van 2 m die ter hoogte van de woning van [appellant sub 9] wordt opgericht, is berekend dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 9] 52 dB zal bedragen. Nu deze geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is een hogere waarde van 52 dB vastgesteld.

2.78.1. [appellant sub 9] richt zich tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 52 dB, omdat hij ernstige geluidhinder vreest ter plaatse van zijn woning aan de Hommerterweg 243 te Amstenrade vanwege de aanleg van de BPL. Hij stelt met verwijzing naar het akoestisch rapport van HMB van 11 december 2010 dat niet van de berekening in het akoestisch onderzoek van Arcadis van 8 oktober 2010 mocht worden uitgegaan, omdat geen meetpunten zijn opgenomen op de derde verdieping van zijn woning. Verder voert hij in dit verband aan dat in de berekening ten onrechte rekening is gehouden met de geluidsafschermende werking van de woning aan de Hommerterweg 241, nu deze zal worden geamoveerd. [appellant sub 9] betoogt voorts dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om geluidsoverlast te voorkomen. Hij stelt ook dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting.

2.78.2. In het standpunt dat ten onrechte geen meetpunten op de derde verdieping zijn opgenomen, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet van de juistheid van de berekende geluidswaarde mocht uitgaan. Hiertoe wordt overwogen dat [appellant sub 9] ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat op de derde verdieping thans geen geluidgevoelige ruimte aanwezig is, zodat het college van gedeputeerde staten geen meetpunt op de derde verdieping hoefde op te nemen. Voorts mist het betoog dat de geluidsafschermende werking van de woning aan de Hommerterweg 241 ten onrechte in de geluidsberekeningen is betrokken feitelijke grondslag. Hiertoe wordt overwogen dat uit het deskundigenbericht het tegendeel volgt.

De vastgestelde hogere waarde van 52 dB gaat de maximaal toegestane waarde van 58 dB als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Wgh niet te boven. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich ten aanzien van deze woning in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd heeft het voorts geen aanleiding hoeven zien om een geluidsscherm met een hoogte van 5 m op te richten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat met toepassing van de 95%-regel als bedoeld in het algemene deel van de uitspraak over geluid is berekend dat een scherm van 5 m hoog niet effectief is, omdat een alternatieve maatregel - in dit geval een scherm met een hoogte van 2 m - een geluidreductie oplevert van ten minste 95% van de maximale maatregel.

Voorts faalt het betoog van [appellant sub 9] dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van zijn woning. Uit het akoestisch onderzoek volgt immers dat wel onderzoek is verricht en dat deze geluidsbelasting maximaal 57 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen heeft het college van gedeputeerde staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde.

2.78.3. Het beroep van [appellant sub 9] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.

Inpassingsplan

2.78.4. [appellant sub 9] voert aan dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in zijn zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie.

2.78.5. Daargelaten of het gestelde in de door van [appellant sub 9] ingediende zienswijze moet worden opgevat als een beroepsgrond, volgt uit de nota van zienswijzen dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 9] feitelijke grondslag.

2.78.6. De beroepsgronden van [appellant sub 9] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan, voor zover betrekking hebbend op het aspect geluid, zijn gelijkluidend aan de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde.

2.78.6.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat geen ernstige geluidhinder optreedt als gevolg van de BPL.

2.78.6.2. Gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is overwogen heeft [appellant sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten niet hebben kunnen uitgaan van de juistheid van de berekende geluidsbelasting van 52 dB. Nu deze geluidsbelasting de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, staat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg.

2.78.7. [appellant sub 9] betoogt voorts dat het inpassingsplan leidt tot een waardevermindering van zijn woning.

2.78.7.1. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 9] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.78.8. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] tegen het inpassingsplan is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 7]

Besluit hogere waarden

2.79. De woning van [appellant sub 7] is gelegen aan de Hommerterweg 235 te Hoensbroek in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Met inachtneming van de juiste maaiveldhoogte, uitgaande van een steil talud met daarop een 2 m hoge wal en de aanleg van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B is berekend dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 7] 52 dB zal bedragen. Nu deze geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is een hogere waarde van 52 dB vastgesteld.

2.79.1. [appellant sub 7] betoogt dat ten onrechte een hogere waarde is vastgesteld van 52 dB voor zijn woning aan de Hommerterweg 235. Hij vreest voor ernstige geluidsoverlast. In dit verband stelt hij dat geen rekening is gehouden met de toename van de geluidsbelasting in zijn tuin en op zijn dakterras. Daarnaast is ten onrechte slechts rekening gehouden met de geluidsbelasting op de voorgevel, terwijl ook de zij- en achtergevel worden belast. Verder voert hij aan dat niet duidelijk is welke geluidbeperkende maatregelen zullen worden genomen. [appellant sub 7] betoogt voorts dat in het ontwerpplan is uitgegaan van een andere gecumuleerde geluidsbelasting dan in het vastgestelde plan. Niet duidelijk is hoe dit verschil kan worden verklaard. Hij vreest verder voor een waardevermindering van zijn woning.

2.79.2. De Afdeling stelt voorop dat een besluit tot het vaststellen van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wgh betrekking heeft op de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. De bezwaren van [appellant sub 7] met betrekking tot het wooncomfort in zijn tuin en serre en op zijn dakterras en de beroepsgrond die ziet op een eventuele waardevermindering, kunnen hierbij geen rol spelen.

2.79.3. Wat betreft het betoog dat niet duidelijk is welke geluidbeperkende maatregelen worden genomen, wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft verklaard dat een geluidsvoorziening van 600 m lang en 2 m hoog wordt opgericht. Teneinde geluidhinder te beperken wordt ter hoogte van de woning ook een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd.

2.79.4. Voorts staat in het verweerschrift dat in het akoestisch onderzoek behorend bij het ontwerpinpassingsplan bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting niet is uitgegaan van de juiste bijdrage van het luchtverkeerslawaai. De gecumuleerde geluidsbelasting in het akoestisch onderzoek behorend bij het vastgestelde plan is echter juist en bedraagt 62 dB, aldus het college van gedeputeerde staten. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet van deze gecumuleerde geluidsbelasting kan worden uitgegaan. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Hiertoe wordt overwogen dat uit het akoestisch onderzoek, het deskundigenbericht en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name wordt veroorzaakt door het bestaande wegverkeerslawaai en slechts in geringe mate door het inpassingsplan. Het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en de gecumuleerde geluidsbelasting is zodanig groot dat de Afdeling, onder verwijzing naar het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie', met het college van gedeputeerde staten aannemelijk acht dat het inpassingsplan niet in belangrijke mate bijdraagt aan de gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop, het garanderen van de wettelijke binnenwaarde voor de geluidsbelasting vanwege het inpassingsplan en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in dit geval de gecumuleerde geluidsbelasting niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Voorts wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft verklaard dat het gehanteerde rekenpunt op de voorgevel representatief is te achten voor de hoogste geluidsbelasting op de gevel van de woning. Het deskundigenbericht bevestigt dat de geluidsbelasting op de zij- en achtergevel lager is dan de geluidsbelasting op de voorgevel. Bovendien heeft het college van gedeputeerde staten in reactie op het deskundigenbericht een nadere berekening gemaakt met betrekking tot de achtergevel. Daaruit volgt dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de achtergevel 43 dB bedraagt en dat de gecumuleerde waarde op die gevel 56 dB bedraagt. Voorts is berekend dat de geluidsbelasting op de zijgevel ter plaatse van de serre 48 dB bedraagt. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

2.79.5. Het beroep van [appellant sub 7] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.

Inpassingsplan

2.79.6. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 7] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. De beroepsgronden van [appellant sub 7] met betrekking tot het aspect geluid zijn gelijkluidend aan de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde.

2.79.7. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] geen ernstige geluidhinder optreedt als gevolg van de BPL.

2.79.8. Gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is overwogen heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten niet hebben kunnen uitgaan van de juistheid van de berekende geluidsbelasting van 52 dB vanwege de BPL op de gevel van zijn woning. Nu deze geluidsbelasting de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, staat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg.

Zoals hiervoor in het deel over de hogere waarde is vermeld, bedraagt de geluidsbelasting vanwege de BPL op de achtergevel - gelegen aan de tuinzijde - 43 dB. De geluidsbelasting op de zijgevel - gelegen aan de zijde van de serre - bedraagt 48 dB. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat ook ter hoogte van het dakterras is gemeten en dat de geluidsbelasting daar 52 dB bedraagt. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Voorts staat vast dat de gecumuleerde geluidswaarde op de zij- en achtergevel lager is dan de gecumuleerde geluidswaarde van 62 dB op de voorgevel. Het voorgaande in aanmerking genomen hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het geluid ter plaatse van de tuin, de serre en het dakterras niet ernstig toeneemt. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat hij als gevolg van de aanleg van de BPL geen geluidluwe gevel meer heeft - wat daarvan ook zij - wordt overwogen dat provinciale staten zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat dit niet is vereist. Hiertoe wordt overwogen dat de aanwezigheid van een geluidluwe gevel in de Wgh niet verplicht is voorgeschreven. Provinciale staten hebben verklaard dat zij ook geen beleid hebben dat daartoe verplicht.

2.79.9. [appellant sub 7] vreest voorts voor een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van trillinghinder en lichthinder, veroorzaakt door autolampen. Verder voert hij aan dat het uitzicht vanuit zijn woning zal worden aangetast.

2.79.10. Niet valt uit te sluiten dat lichthinder optreedt dan wel dat het uitzicht ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] in enige vorm kan worden aangetast door de voorziene infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein op een afstand van ongeveer 40 m tot de woning van [appellant sub 7]. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht dan wel de overlast van lichthinder niet dusdanig zal zijn dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat in het kader van de uitvoering van het plan de mogelijkheden aan de orde zullen komen voor het beperken van de aantasting van het uitzicht en lichthinder met beplanting. Het plan maakt dit ook mogelijk. In het niet nader onderbouwde standpunt dat als gevolg van de BPL moet worden gevreesd voor trillinghinder, wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten het ontstaan van ernstige trillinghinder hadden moeten aannemen.

2.79.11. [appellant sub 7] voert verder aan dat het plan leidt tot een waardevermindering van zijn woning. Hij betoogt tevens dat zijn woning onverkoopbaar zal worden.

2.79.12. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 7] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. [appellant sub 7] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zijn woning onverkoopbaar zal worden als gevolg van het plan.

2.79.13. [appellant sub 7] vreest ten slotte voor overlast en schade als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanleg van de BPL.

2.79.14. Provinciale staten stellen dat de werkzaamheden niet zullen leiden tot ernstige overlast ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] dan wel aanzienlijke schade aan de woning. Zij stellen voorts dat met de aannemer afspraken zullen worden gemaakt om trillinghinder vanwege de aanleg zoveel mogelijk te beperken.

2.79.15. De Afdeling stelt voorop dat dit aspect ziet op de uitvoering van het plan, hetgeen in beginsel in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zal leiden tot aanzienlijke schade aan zijn woning en overlast ter plaatse van zijn woning. Daarbij komt dat provinciale staten ter zitting hebben toegezegd dat een nulmeting zal worden uitgevoerd.

2.79.16. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 7] tegen het inpassingsplan is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 108]

2.80. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 108] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 108] voert verder aan dat hij zich niet kan verenigen met de keuze om het noordelijk trajectdeel aan te leggen langs Vaesrade, omdat hij hierdoor een gedeelte van zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Hoensbroek, sectie A, nummer 5892, verliest. Hiertoe stelt hij dat een gedeelte van het tracé op deze gronden is voorzien.

2.80.1. Provinciale staten stellen met verwijzing naar het MER "Buitenring Parkstad Limburg, Deel A-1: Hoofdnota-Noord" dat een ander tracé dan het tracé langs Vaesrade leidt tot een hogere geluidsbelasting in de woonwijk Mariagewanden en Mariarade in Hoensbroek. Daarnaast leidt dit mogelijk tot een grotere aantasting van de EHS ter plaatse van het Jeugrubbebos, aldus provinciale staten.

2.80.2. In hetgeen [appellant sub 108] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten aan het woon- en leefklimaat van inwoners van Hoensbroek en het behoud van natuurwaarden in het EHS-gebied niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 108] bij het behoud van zijn gronden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat hij vanwege het verlies aan gronden een schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt.

2.80.3. In hetgeen [appellant sub 108] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 108] is ongegrond.

Het beroep van Adelante Zorggroep

2.81. Adelante Zorggroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" op en in de nabijheid van haar gronden, voor zover ter plaatse de aanleg van de BPL mogelijk wordt gemaakt. Zij betoogt dat zij hierdoor bouwgronden verliest, zodat zij wordt beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden. Dit belemmert ook haar mogelijkheden om samen te werken met aan haar gelieerde organisaties. Verder betoogt zij dat niet duidelijk is in hoeverre de aanleg van de BPL, mede gelet op de hoogteligging, gevolgen heeft voor de ontsluiting van haar resterende gronden.

2.81.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten ter zitting hebben uiteengezet dat de keuze voor het tracé op deze locatie het resultaat is van een afweging van belangen en dat de keuze voor een ander tracé zou leiden tot een groter ruimtebeslag op het terrein van Adelante Zorggroep dan bij het nu voorliggende tracé. In hetgeen Adelante Zorggroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten aan het belang bij de aanleg van de BPL niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van Adelante Zorggroep bij het behoud van haar gronden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat zij vanwege het verlies aan gronden een schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt dan wel dat het verlies van gronden wordt gecompenseerd met andere gronden met daarop bouwmogelijkheden. Provinciale staten hebben ter zitting voorts toegezegd dat een oplossing wordt geboden voor de ontsluiting van het terrein van Adelante Zorggroep. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft Adelante Zorggroep niet aannemelijk gemaakt dat zij desondanks ernstig wordt benadeeld.

2.81.2. Adelante Zorggroep richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor haar gronden. Zij betoogt dat daarmee ten onrechte niet dezelfde bouwmogelijkheden als in het vorige plan zijn toegekend.

2.81.2.1. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de bestemming "Agrarisch met waarden" ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime niet is gewijzigd. Deze bestemming is toegekend ten behoeve van de realisering van een migratieroute voor klein wild. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten deze bestemming in redelijkheid hebben kunnen toekennen aan de desbetreffende gronden. Adelante Zorggroep heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel.

2.81.3. In hetgeen Adelante Zorggroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Adelante Zorggroep is ongegrond.

Het beroep van Stichting winkelcentrum Hoensbroek en Stichting Centrummanagement Hoensbroek

2.82. Stichting winkelcentrum Hoensbroek en Stichting Centrummanagement Hoensbroek vrezen dat het centrum van Hoensbroek onbereikbaar zal worden voor het verkeer vanuit Nuth en omstreken en het verkeer vanaf de A76 richting Eindhoven als gevolg van de aansluiting van de BPL op de A76 bij Nuth. In dit verband wijzen zij erop dat de aansluiting te veel in de richting van Schinnen zal worden gesitueerd en dat tevens de bestaande spoorbrug zal worden gesaneerd. Dit leidt volgens hen tot dalende inkomsten voor de ondernemers in Hoensbroek. Zij voeren verder aan dat de route via de Randweg en de Pastoorskuilenweg naar Hoensbroek moet blijven bestaan.

2.82.1. De route via de Randweg en de Pastoorskuilenweg naar Hoensbroek ligt buiten het plangebied. In het verweerschrift staat dat Hoensbroek vanuit Nuth bereikbaar blijft via de Reijmersbekerweg en de BPL. Hoensbroek blijft verder bereikbaar vanaf de A76 uit noordelijke richting via de aansluiting Nuth, de BPL en vervolgens de Randweg en de Pastoorskuilenweg. Gelet op hetgeen hiervoor onder het kopje 'Aansluiting bij Nuth' is overwogen wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aansluiting bij Nuth mogelijk hebben kunnen maken. Voorts wordt in het aangevoerde geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bereikbaarheid van Hoensbroek ernstig wordt beperkt.

2.82.2. In hetgeen Stichting winkelcentrum Hoensbroek en Stichting Centrummanagement Hoensbroek hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting winkelcentrum Hoensbroek en Stichting Centrummanagement Hoensbroek is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 100] en anderen

2.83. [appellanten sub 100] en anderen richten zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor hun perceel Naanhofsweg 3-5 te Nuth en de gronden met deze bestemming in de nabijheid van dit perceel. Zij betogen dat Versboerderij Naanhof, hun groot- en detailhandel in verse producten, daardoor in haar bedrijfsvoering en -ontwikkeling wordt belemmerd.

Zij voeren in dit verband aan dat hun in- en uitritten aan de Naanhofsweg aan de zuidzijde van het bedrijventerrein moeten verdwijnen als gevolg van het plan. Dit leidt ertoe dat Versboerderij Naanhof ten opzichte van de bestaande situatie moeilijker bereikbaar is voor het bedrijfsverkeer vanaf de Randweg en vice versa. Verder heeft dit tot gevolg dat een hinderlijke vermenging van consumentenverkeer en bedrijfsverkeer optreedt. Het bedrijfsverkeer dat nu gebruik maakt van de in- en uitritten op de Naanhofsweg aan de zuidzijde zal dan immers gebruik moeten maken van de ontsluiting op de Naanhofsweg aan de oostzijde die nu voornamelijk door consumentenverkeer wordt gebruikt. Het voorgaande klemt temeer, nu de realisering van een nieuwe ontsluiting aan de achterzijde van het bedrijf niet mogelijk is in verband met de aanwezigheid van een Natura 2000-gebied.

[appellanten sub 100] en anderen voeren verder aan dat zij een deel van hun parkeer-, laad-, los- en manoeuvreerruimte zullen verliezen, omdat voor de verwezenlijking van het plan een gedeelte van hun gronden is benodigd. Zij betogen voorts dat als gevolg van de aanleg van de BPL onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden op hun gronden resteren.

Verder stellen zij dat het zicht vanaf de weg op hun bedrijf wordt belemmerd, omdat de BPL ter plaatse verhoogd wordt aangelegd. Gelet hierop is het noodzakelijk dat zij beschikken over de mogelijkheid een goede bewegwijzering en reclame-uitingen te realiseren.

2.83.1. Provinciale staten stellen dat [appellanten sub 100] en anderen niet ernstig worden belemmerd in hun bedrijfsvoering of -ontwikkeling als gevolg van het plan.

2.83.2. Vaststaat dat de twee in- en uitritten aan de zuidzijde van het bedrijf op de Naanhofsweg die met name door bedrijfsverkeer worden gebruikt, moeten verdwijnen als gevolg van de aanleg van de BPL. Vaststaat tevens dat het bedrijventerrein ook aan de oostzijde een ontsluiting heeft op de Naanhofsweg. Niet in geschil is dat de Randweg na de realisering van de BPL bereikbaar is via deze ontsluiting aan de oostzijde en de nabijgelegen rotonde waarin het plan voorziet. Evenmin is in geschil dat met gebruikmaking van deze route moet worden omgereden ten opzichte van de route via de huidige ontsluitingen aan de zuidzijde van het bedrijventerrein. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een dusdanige omrijbeweging dat dit leidt tot een ernstige aantasting van de bedrijfsvoering.

Voorts staat vast dat zowel het bedrijfs- als het consumentenverkeer in de toekomstige situatie gebruik moet maken van de Naanhofsweg aan de oostzijde. Het betoog dat dit leidt tot een hinderlijke vermenging van verkeerstromen faalt. Hierbij is van belang de onweersproken verklaring van provinciale staten ter zitting dat op het oostelijk gelegen deel van de Naanhofsweg weinig verkeer zal plaatsvinden, nu dit een doodlopende weg wordt.

Voorts staat vast dat [appellanten sub 100] en anderen een gedeelte van hun gronden die thans worden gebruikt voor parkeer-, laad-, los- en manoeuvreerruimte niet kunnen behouden als gevolg van het plan. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet leidt tot een ernstige belemmering van hun bedrijfsvoering of -ontwikkeling. Hierbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van provinciale staten ter zitting dat in overleg met de gemeente Heerlen wordt gezocht naar een oplossing als compensatie voor de gronden die verloren gaan. Voor het geval daarover geen overeenstemming wordt bereikt, hebben provinciale staten ter zitting toegezegd dat zij een oplossing bieden die ervoor zorgt dat het bedrijf blijft beschikken over voldoende parkeergelegenheid en tevens dat het bedrijfsterrein toegankelijk blijft voor vrachtwagens. De Afdeling acht de belangen van [appellanten sub 100] en anderen in zoverre voldoende gewaarborgd.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogteligging van de BPL ertoe zal leiden dat het zicht op het bedrijf vanaf de openbare weg wordt belemmerd. Hierbij is van belang de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de BPL vanaf de nabije op hoogte gelegen rotonde zichtbaar zal zijn. [appellanten sub 100] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

2.83.3. [appellanten sub 100] en anderen vrezen verder voor ernstige geluidsoverlast ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Naanhofsweg 3 als gevolg van de aanleg van de BPL. Zij betogen verder dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting ter plaatse van de bedrijfswoning als gevolg van de verkeerstoename vanwege het plan op de Naanhofsweg. [appellanten sub 100] en anderen voeren voorts aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekenpunt is gehanteerd aan de zuidzijde van de woning, aangezien zich daar een geluidgevoelige ruimte bevindt en de zuidgevel dichter bij de BPL ligt dan het nu gehanteerde rekenpunt aan de oostzijde van de woning.

2.83.3.1. De gronden ter plaatse van de bedrijfswoning liggen ter hoogte van de bestaande Randweg die tussen de Kathagen en de Schuureikenweg wordt gereconstrueerd en na de reconstructie BPL heet. De bedrijfswoning ligt in de geluidszone van de BPL. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting van de Randweg op de gevel van de woning aan de Naanhofsweg 3 in de huidige situatie 50,29 dB bedraagt en dat de geluidsbelasting van de BPL in de toekomstige situatie 51,23 dB bedraagt. Ter hoogte van de woning wordt een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. De geluidsbelasting zal daardoor afnemen tot 46,72 dB. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning niet wordt aangetast, nu de geluidsbelasting afneemt. Wat betreft het betoog dat ten onrechte geen rekenpunt is gehanteerd aan de zuidzijde van de woning - wat daarvan ook zij - hebben provinciale staten ter zitting onweersproken verklaard dat de geluidsbelasting aan deze zijde van de woning door de toepassing van stil asfalt zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie met de Randweg. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat de geluidssituatie hier verslechtert.

Voor zover [appellanten sub 100] en anderen betogen dat moet worden gevreesd voor ernstige geluidsoverlast vanwege de Naanhofsweg, faalt dit betoog. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in deelrapport 4a staat dat het plan ertoe leidt dat de verkeersintensiteit op de Naanhofsweg beperkt zal toenemen tot ongeveer 2.000 mvt/etmaal. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze etmaalintensiteit geen ernstige geluidsoverlast veroorzaakt. Daarbij is van belang dat de etmaalintensiteit ruim onder de maximale capaciteit van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen voor een erftoegangsweg blijft.

2.83.4. [appellanten sub 100] en anderen vrezen voorts dat hun landbouwgronden aan de Randweg in Nuth onbereikbaar worden als gevolg van de aanleg van de BPL.

2.83.4.1. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de bereikbaarheid van de landbouwgronden als gevolg van de aanleg van de BPL weliswaar verslechtert, maar dat de landbouwgronden bereikbaar blijven. Zij hebben voorts toegezegd dat de bereikbaarheid van de gronden zal worden verbeterd. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat dit aspect onvoldoende in de besluitvorming is betrokken.

2.83.5. In hetgeen [appellanten sub 100] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 100] en anderen is ongegrond.

Verbeelding - blad 3

Het beroep van [appellant sub 28]

2.84. Het beroep van [appellant sub 28] is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de natuurgebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. In dit verband vraagt hij zich af of op basis van de passende beoordelingen nog de zogenoemde ADC-toets nodig is.

2.84.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 28] op een afstand van ongeveer 2 km van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en op een afstand van ongeveer 3,5 km van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide woont. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de daar voorziene BPL noch op de gebieden zelf. De afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang bij deze gedeelten van de BPL ter hoogte van deze gebieden te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 28] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft deze gedeelten van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 28] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 28] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.84.2. Het beroep van [appellant sub 28] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 28] vreest dat vanwege de aanleg van de BPL zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van deze weg leidt tot een toename van geluidhinder. Voorts betoogt [appellant sub 28] dat de aanleg van de ovatonde bij de aansluiting van de Allee op de BPL zal leiden tot een toename van het verkeer op het kruispunt bij de Patersweg, dat hij in de spits vanuit de Van Hövell tot Westerflierhof de Patersweg niet meer kan bereiken en dat de verkeersveiligheid in zijn buurt sterk zal afnemen. Verder betoogt hij dat het voorziene fietspad achter zijn woning onveiligheid en extra geluidsoverlast met zich brengt. Ten slotte betoogt [appellant sub 28] dat de aantrekkelijkheid van zijn woonomgeving zal worden aangetast doordat de BPL op korte afstand gerealiseerd zal worden. De aanleg van de BPL zal volgens hem leiden tot een sterke waardedaling en onverkoopbaarheid van zijn woning.

2.84.3. De woning van [appellant sub 28] op het perceel Van Hövell tot Westerflierhof 24 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 28] maximaal 54 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 710 m en de plaatsing van een scherm van 600 m lang en 2 m hoog, maximaal 45 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 28] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 28] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 28] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 53 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.84.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd met betrekking tot geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.84.5. Uit het onderzoek "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat de aansluiting van de Allee op de BPL zorgt voor een sterke verkeersaantrekkende werking en daardoor voor een grote verkeersdruk op de Allee. Vanwege de beperkt beschikbare ruimte en de nabijgelegen kruising van de Allee met de Patersweg is gekozen voor een ‘geknepen’ Haarlemmermeeraansluiting met een verlengde spiraalrotonde (ovatonde). De verkeersaantrekkende werking van de aansluiting Allee veroorzaakt verhoogde intensiteiten op de Akerstraat Noord door verkeer dat vanuit Heerlen de BPL wil bereiken. De Patersweg en de Trichterweg kennen volgens het verkeerskundig onderzoek juist een verlaging van intensiteiten doordat het daar aanwezige verkeer voor een deel via de BPL afgewikkeld gaat worden. Ter zitting hebben provinciale staten te kennen gegeven dat als gevolg van deze verlaging van intensiteiten sprake is van een verbeterde verkeersveiligheid op de Patersweg en deze weg goed bereikbaar zal blijven vanuit de naastgelegen wijken. [appellant sub 28] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verkeerskundig onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bereikbaarheid van de Patersweg vanuit de Van Hövell tot Westerflierhof niet zal verslechteren en de verkeersveiligheid niet zal worden aangetast. In hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

2.84.6. De stelling van [appellant sub 28] dat het voorziene fietspad achter zijn woning leidt tot een toename van onveiligheid en tot onaanvaardbare geluidhinder, is niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt. Voorts hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat een fietspad geen zoneringsplichtige weg is als bedoeld in artikel 74 van de Wgh, zodat voor de aanleg van het desbetreffende fietspad geen akoestisch onderzoek hoefde te worden uitgevoerd.

2.84.7. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 28] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Niet is aannemelijk gemaakt dat de woning onverkoopbaar zal worden.

2.84.8. In hetgeen [appellant sub 28] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 28] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 47]

2.85. Het beroep van [appellant sub 47] is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de natuurgebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. In dit verband vraagt hij zich af of op basis van de passende beoordelingen nog de zogenoemde ADC-toets nodig is.

2.85.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 47] op een afstand van ongeveer 2 km van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en op een afstand van ongeveer 3,5 km van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide woont. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de daar voorziene BPL noch op de gebieden zelf. De afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang bij deze gedeelten van de BPL ter hoogte van deze gebieden te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 47] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft deze gedeelten van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 47] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 47] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.85.2. Het beroep van [appellant sub 47] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 47] vreest dat vanwege de aanleg van de BPL zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van deze weg leidt tot een toename van geluidhinder. Voorts betoogt [appellant sub 47] dat de aantrekkelijkheid van zijn woonomgeving zal worden aangetast doordat de BPL op korte afstand gerealiseerd zal worden. Hij wijst er in dit verband op dat de Oudestraat een beeldbepalende straat is binnen het beschermd dorpsgezicht Amstenrade. Het kappen van de bomen langs de Allee en de verhoging van de Allee leiden volgens [appellant sub 47] tot een vermindering van zijn uitzicht en een waardedaling van zijn woning. Verder voert [appellant sub 47] aan dat hij door de wijzigingen van de infrastructuur ter plaatse een langere afstand moet afleggen om het gezondheidscentrum of het centrum van Hoensbroek te bereiken. Ten slotte betoogt hij dat het dorp Amstenrade onevenredig wordt belast door een verdubbeling van het verkeer midden in het dorp waardoor de Hoofdstraat als winkelstraat minder goed te bereiken is en de parkfeesten geen doorgang meer kunnen vinden.

2.85.3. Blijkens de verbeelding is aan het gedeelte van de Allee ten noorden van de BPL en de omringende gronden de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend. Aan weerszijden van de Allee ten westen van de Oudestraat is de bestemming "Verkeer" met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - laanbeplanting" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder r, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - laanbeplanting" tevens bestemd voor de realisering en vervolgens het behouden van een laanbegeleidende bomenrij.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen(en), bestemd voor het behoud en herstel van de hoogwaardige ruimtelijke, esthetische en functionele kwaliteiten van de openbare ruimte en onbebouwde gronden en de beleving van de karakteristieke bebouwing van het beschermd dorpsgezicht.

Ingevolge lid 16.3.1 is het ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden […] verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning […] de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het rooien van bomen […];

b. het aanbrengen van bomen en opgaande beplanting zoals hagen en heggen, anders dan in het kader van vervangende herplant en anders dan het aanbrengen van laanbegeleidende bomen ter plaatse van de binnen de bestemming "Verkeer" opgenomen aanduiding "specifieke vorm van groen - laanbeplanting".

2.85.3.1. Bij besluit van 31 maart 1969 is een deel van Amstenrade aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Bij besluit van 15 december 1997 is het aangewezen gebied uitgebreid.

Volgens de plantoelichting bestaat het beschermd dorpsgezicht uit het kasteel Amstenrade, de dorpskerk, de historische dorpskern, de Allee met laanbomen, het omliggende open agrarisch cultuurlandschap en de stadsrand van Brunssum. Van belang is onder meer het behoud van de zichtlijnen vanaf het kasteel op het omringende open agrarisch cultuurlandschap en de openheid van het landschap zelf.

2.85.3.2. Provinciale staten hebben zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL geen onaanvaardbare afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht van Amstenrade en niet leidt tot een ernstig verlies van uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 47] op het perceel Oudestraat 1 te Amstenrade. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de BPL ter plaatse ongeveer 4 m verdiept wordt aangelegd, zodat de BPL zelf en het verkeer dat hiervan gebruik maakt niet of nauwelijks vanuit de omgeving waarneembaar zijn. De taluds worden vervangen door steile wanden en een versmald profiel wordt toegepast waardoor het ruimtebeslag van de BPL tot een minimum wordt beperkt. Dat de aansluiting van de Allee op de BPL ongeveer 2 m boven het maaiveld ligt, maakt het voorgaande niet anders, nu provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat het maaiveld in zuidelijke richting oploopt zodat de aansluiting niet duidelijk als verhoging herkenbaar is en de ovatonde zelf niet waarneembaar is vanuit de woning van [appellant sub 47]. Voorts is niet in geschil dat vanwege de aanleg van de BPL en de aansluiting van de Allee hierop een aantal bomen langs de Allee moet worden gekapt. Uit de plantoelichting volgt echter dat na de aanleg van de BPL de historische laanbeplanting langs de Allee hersteld en gecompleteerd zal worden. Dit is ter zitting desgevraagd door provinciale staten bevestigd.

2.85.4. De woning van [appellant sub 47] ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 47] maximaal 45 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 400 m, maximaal 42 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

De woning van [appellant sub 47] ligt voorts in de geluidszone van de te wijzigen Akerstraat Noord/Allee. Niet in geschil is dat bij de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee zonder geluidbeperkende maatregelen de heersende geluidswaarde van 54,04 dB ter plaatse van de woning van [appellant sub 47] met meer dan 2 dB zal worden verhoogd, zodat sprake is van een reconstructie. Nu ter zitting is gebleken dat niet eerder een hogere waarde is vastgesteld, moet ingevolge artikel 100, tweede lid, van de Wgh worden uitgegaan van de heersende geluidswaarde. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m de geluidsbelasting vanwege de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee bij zijn woning wordt teruggebracht tot maximaal 51,70 dB en derhalve de heersende waarde niet te boven zal gaan.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee niet leiden tot ernstige geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 47]. [appellant sub 47] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor zover [appellant sub 47] ter zitting heeft betoogd dat ten onrechte gekozen is voor het asfalttype SMA 0/6 (slijtvast asfalt) in plaats van dunne deklaag B op de op- en afritten van de BPL nabij zijn woning en de ovatonde, overweegt de Afdeling dat provinciale staten te kennen hebben gegeven dat deze wijziging van het type asfalt is doorgevoerd in het akoestisch onderzoek en dat uit de nieuwe berekeningen volgt dat geen verslechtering van de geluidsbelasting optreedt. In hetgeen [appellant sub 47] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Voor de woning van [appellant sub 47] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 57 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.85.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 47] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van zijn woning en het verlies van uitzicht, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.85.6. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 47] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.85.7. Voorts verslechtert weliswaar voor [appellant sub 47] als voetganger de bereikbaarheid van het gezondheidscentrum en het dorp Hoensbroek door de aanleg van de BPL, maar provinciale staten hebben, gelet op hetgeen hierna in 2.87.7 is overwogen, in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de verkeersveiligheid dan aan het belang van [appellant sub 47] bij het afleggen van een kortere afstand.

2.85.8. De stelling van [appellant sub 47] dat het dorp Amstenrade onevenredig wordt belast door een verdubbeling van het verkeer midden in het dorp waardoor de Hoofdstraat als winkelstraat minder goed te bereiken is en de parkfeesten geen doorgang meer kunnen vinden, is niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.

2.85.9. In hetgeen [appellant sub 47] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 47] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 59]

2.86. Het beroep van [appellant sub 59] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 59] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder. Ten slotte betoogt [appellant sub 59] dat de aanleg van de BPL leidt tot een waardedaling van zijn woning.

2.86.1. De woning van [appellant sub 59] op het perceel Sperwerdreef 6 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 59] maximaal 45 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 1.000 m, maximaal 40 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 59] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 59] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 59] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 51 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.86.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 59] heeft aangevoerd met betrekking tot geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.86.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 59] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.86.4. In hetgeen [appellant sub 59] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 59] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 76] en anderen

2.87. [appellant sub 76] en anderen hebben in hun nader ingekomen stukken van 24 en 31 augustus 2011 onder meer aangevoerd dat gronden die jarenlang bestemd waren als industriegebied ten onrechte in het inpassingsplan zijn bestemd als natuurcompensatiegebied en dat het handhaven van het kruispunt ter plaatse van de wegen Patersweg, Allee, Trichterweg en Akerstraat Noord in plaats van het realiseren van een rotonde zal leiden tot meer verkeersproblemen. Zij hebben daarmee de omvang van het geding uitgebreid door na afloop van de beroepstermijn ook nog plandelen met de bestemming "Natuur" en de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de kruising van de wegen Patersweg, Allee, Trichterweg en Akerstraat Noord aan te vechten. Binnen de beroepstermijn dient vast te staan waartegen het beroep is gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geding na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot genoemde plandelen naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

2.87.1. Het beroep van [appellant sub 76] en anderen is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van hun woonomgeving. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 76] en anderen vrezen verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg hun woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder en een waardedaling van hun woningen. Zij voeren verder aan dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de bestaande Randweg langs de woonwijk Mariagewanden (hierna: het Randwegtracé), maar dat er voor gekozen is de BPL dichter bij Vaesrade aan te leggen. Zij stellen dat het beschermd dorpsgezicht Amstenrade hierdoor wordt aangetast en enkele woonwijken te maken krijgen met geluidhinder, terwijl de woonwijk Mariagewanden zal worden ontzien. [appellant sub 76] en anderen betogen voorts dat de afsluiting van de Oudestraat aan de zuidzijde leidt tot een mindere bereikbaarheid van de straat voor hulpdiensten. Ten slotte voeren zij aan dat de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers verslechtert door de BPL.

2.87.2. Volgens de plantoelichting is gekozen om het tracé meer naar het zuiden in de richting van onder meer de wijk Amstenraderveld te verplaatsen, omdat dit tracé in vergelijking met twee andere alternatieven minder nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuur, zoals het Bronnenbos, het landgoed Amstenrade en het beschermd dorpsgezicht en ook de voetbalvelden van het sportpark Klingelsberg worden ontzien. Daarnaast is het volgens de plantoelichting vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gewenst om de aanwezige stedelijke functies te bundelen, waardoor de weg een scheidslijn wordt tussen de stedelijke functies (bebouwing en infrastructuur) en het open landschap (landgoed Amstenrade). Uit de plantoelichting volgt verder dat het Randwegtracé een ingrijpende invloed zou hebben op het woon- en leefklimaat van de bewoners van de woonwijk Mariagewanden. Nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat in de wijk Amstenraderveld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt na het nemen van geluidbeperkende maatregelen, wordt in hetgeen [appellant sub 76] en anderen hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de belangen van de bewoners van laatstgenoemde wijk onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Gelet op al het voorgaande hebben provinciale staten er in redelijkheid voor kunnen kiezen het tracé op voornoemde wijze te situeren.

Voor zover [appellant sub 76] en anderen hebben betoogd dat door de aanleg van de BPL het beschermd dorpsgezicht Amstenrade wordt aangetast, hebben provinciale staten zich, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL geen onaanvaardbare afbreuk doet aan dit beschermd dorpsgezicht. In hetgeen [appellant sub 76] en anderen hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

2.87.3. De woningen van [appellant sub 76] en anderen op de percelen Oudestraat 3, Oudestraat 5, Oudestraat 5a en Oudestraat 5b te Amstenrade en op het perceel Aan de Kerk 1 te Amstenrade liggen alle in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woningen van [appellant sub 76] en anderen maximaal 48 dB, onderscheidenlijk 48 dB, 54 dB, 54 dB en 41 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 400 m, maximaal 43 dB onderscheidenlijk 43 dB, 44 dB, 44 dB en 37 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

De woningen van [appellant sub 76] en anderen op de percelen Oudestraat 3, Oudestraat 5, Oudestraat 5a en Oudestraat 5b liggen voorts in de geluidszone van de te wijzigen Akerstraat Noord/Allee. Niet in geschil is dat bij de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee zonder geluidbeperkende maatregelen de heersende geluidswaarde van 54,13 dB ter plaatse van de woning op het perceel Oudestraat 3, de heersende geluidswaarde van 54,09 dB ter plaatse van de woning op het perceel Oudestraat 5, de heersende geluidswaarde van 54,28 dB ter plaatse van de woning op het perceel Oudestraat 5a en de heersende geluidswaarde van 54,51 dB ter plaatse van de woningen op het perceel Oudestraat 5b, met meer dan 2 dB zullen worden verhoogd, zodat sprake is van een reconstructie. Nu ter zitting is gebleken dat niet eerder hogere waarden zijn vastgesteld, moet ingevolge artikel 100, tweede lid, van de Wgh worden uitgegaan van de heersende geluidswaarden. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m de geluidsbelasting vanwege de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee bij deze woningen wordt teruggebracht tot maximaal 52,26 dB onderscheidenlijk 52,30 dB, 52,14 dB en 52,67 dB en derhalve de heersende waarden niet te boven zal gaan. Uit het akoestisch onderzoek volgt verder dat ter plaatse van de woning op het perceel Aan de Kerk 1 door de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m de geluidsbelasting vanwege de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee bij deze woning wordt teruggebracht tot maximaal 42,43 dB, zodat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee ter plaatse van de woningen van [appellant sub 76] en anderen niet leiden tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 76] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woningen van [appellant sub 76] en anderen is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse maximaal 58 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting van 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.87.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 76] en anderen hebben aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van hun woningen, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locaties een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.87.5. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 76] en anderen betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.87.6. Wat betreft het betoog van [appellant sub 76] en anderen dat de afsluiting van de Oudestraat aan de zuidzijde leidt tot een mindere bereikbaarheid van de straat voor hulpdiensten, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noordzijde van de Oudestraat na de aanleg van de BPL aangesloten blijft op de Allee, de straat goed bereikbaar zal blijven voor gemotoriseerd verkeer en deze bereikbaarheid voldoende is gewaarborgd. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de Oudestraat slechts van geringe lengte is en dat uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat overleg is gevoerd met de hulpdiensten over de toekomstige verkeerssituatie. Dat gemotoriseerd verkeer op de Oudestraat moet keren om terug te rijden naar de Allee, maakt het voorgaande niet anders.

2.87.7. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt verder dat de Allee een belangrijke route voor fietsverkeer is van voornamelijk schoolgaande jeugd en dat een verkeersveilige oplossing bij de aansluiting voor deze verkeersvorm van groot belang is. Vanwege de hoge intensiteiten van het gemotoriseerd verkeer is volgens het verkeerskundig onderzoek besloten het fietsverkeer een vrijliggende structuur over de BPL te bieden waardoor fietsverkeer geen gebruik hoeft te maken van de ovatonde. Ter zitting hebben provinciale staten te kennen gegeven dat op korte afstand, ten westen van de aansluiting van de BPL op de Allee, een nieuwe fietsbrug zal worden gerealiseerd waardoor fietsers een minder groot hoogteverschil hoeven te overwinnen. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt voorts dat het bestaande vrijliggende voetpad ten westen van de Allee zal worden aangesloten op het fietspad, zodat ook voetgangers gebruik kunnen maken van de voorziene fietsbrug.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersveiligheid voor voetgangers en fietsers niet zal worden aangetast. Voor zover [appellant sub 76] en anderen betogen dat de bereikbaarheid van het centrum van Hoensbroek voor fietsverkeer verslechtert door de aanleg van de BPL, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan de verkeersveiligheid dan aan het belang van fietsers en voetgangers bij het afleggen van een kortere afstand.

2.87.8. In hetgeen [appellant sub 76] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 76] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 75]

2.88. [appellant sub 75] heeft ter zitting zijn beroepsgrond inzake het ontbreken van een taludverhouding van 2:1 aan de woonwijkzijde van de BPL ter hoogte van de Roekenveldweg ingetrokken.

2.88.1. Het beroep van [appellant sub 75] is gericht tegen de vaststelling van het inpassingsplan ter hoogte van zijn woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Verder voert hij aan dat in strijd met artikel 10:3 van de Awb in het vaststellingsbesluit onder punt 7 een mandaat aan gedeputeerde Driessen is gegeven om redactionele of taalkundige tekstwijzigingen in de nota van zienswijzen aan te brengen.

2.88.2. In het vaststellingsbesluit staat onder punt 7 dat provinciale staten besluiten gedeputeerde Driessen te machtigen redactionele of taalkundige tekstwijzigingen in de nota van zienswijzen van 5 oktober 2010 aan te brengen.

2.88.3. Ingevolge artikel 10:1 van de Awb wordt onder mandaat verstaan de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Anders dan [appellant sub 75] veronderstelt, is de machtiging aan gedeputeerde Driessen tot het aanbrengen van redactionele of taalkundige tekstwijzigingen in de nota van zienswijzen geen mandaatverlening in de zin van artikel 10:1 van de Awb omdat dergelijke wijzigingen geen besluiten zijn in de zin van de Awb. Strijd met artikel 10:3 van de Awb doet zich daarom niet voor. Hetgeen [appellant sub 75] heeft betoogd, faalt derhalve reeds om die reden.

2.88.4. [appellant sub 75] betoogt voorts dat provinciale staten in afwijking van artikel 3:11, tweede lid, van de Awb geen mededeling hebben gedaan omtrent het niet ter inzage leggen met het ontwerpplan van enkele overeenkomsten op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

2.88.4.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge het tweede lid is artikel 10 van de Wob van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

2.88.4.2. Het ontwerpplan is met ingang van 17 juni 2010 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Vaststaat dat daarbij de gesloten overeenkomst met DHV B.V. inzake het project "Verkeerskundige effecten van een nulplusalternatief voor de BPL" en een gesloten overeenkomst met Arcadis B.V. inzake het project BPL niet ter inzage zijn gelegd. Voormelde overeenkomsten staan evenwel niet in een zodanig verband tot het ontwerpplan dat deze dienen te worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan. Er bestond dan ook geen verplichting de overeenkomsten op de voet van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpplan ter inzage te leggen, zodat het tweede lid niet van toepassing is.

2.88.5. [appellant sub 75] betoogt verder dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan ten onrechte het Omgevingsplan als welstandsnota/beeldkwaliteitsplan hebben vastgesteld.

2.88.5.1. In het Omgevingsplan staat dat daarin de vormgeving en het gebruik van de geplande werken op hoofdlijnen zijn vastgelegd. Het fungeert als kwaliteitskader voor de uitvoering en ten aanzien van kunstwerken als toetsingskader voor vergunningen. Het behoort tot de bevoegdheid van provinciale staten om bij de vaststelling van een inpassingsplan een bijbehorend omgevingsplan vast te stellen. Het Omgevingsplan is op zich geen bindend element van het plan.

2.88.6. Voorts betoogt [appellant sub 75] dat provinciale staten in strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb hebben gehandeld, nu de rapportages van Arcadis zonder meer aan de besluitvorming ten grondslag hebben gelegen. Daarbij voert hij onder meer aan dat Arcadis door de overeengekomen succesfee van 5% van de aanneemsom en een bonus/malus-regeling betreffende het aanleveren van de rapportages een financieel belang heeft bij het inpassingsplan, zodat aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het onderzoeksbureau moet worden getwijfeld.

2.88.6.1. Ingevolge artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

2.88.6.2. Provinciale staten stellen in het verweerschrift dat het gebruikelijk is dat rapporten en ontwerpplannen door onderzoeksbureaus worden opgesteld en dat zij de juistheid van de bevindingen van de door Arcadis opgestelde stukken en de onderbouwingen hiervan getoetst hebben voordat het inpassingsplan is vastgesteld.

Hetgeen [appellant sub 75] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet van de juistheid van de onderzoeksrapporten hebben kunnen uitgaan en dat zij in strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb hebben gehandeld. Dat met Arcadis een succesfee is afgesproken en een bonus/malus-regeling is opgenomen, brengt niet mee dat om die reden aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van Arcadis getwijfeld moet worden.

2.88.7. Voorts voert [appellant sub 75] aan dat de toegekende bestemming "Agrarisch met waarden" de mogelijkheid biedt om achter zijn woning een voetpad te realiseren, terwijl de aanduiding "langzaam verkeersverbinding" naar aanleiding van zijn zienswijze wel uit het verkeerskundig onderzoek is verwijderd.

2.88.7.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten noordwesten van het perceel Roekenveldweg 12 de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder f, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" onder meer bestemd voor onverharde wegen.

2.88.7.2. Vaststaat dat het inpassingsplan de mogelijkheid biedt om aan de achterkant van de woning van [appellant sub 75] onverharde wegen te realiseren zoals een voetpad. De Afdeling acht de realisatie van onverharde wegen binnen de bestemming "Agrarisch met waarden" niet ongebruikelijk en ziet in hetgeen [appellant sub 75] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het mogelijk maken van onverharde wegen binnen deze bestemming onredelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de woning van [appellant sub 75] op een afstand van ongeveer 34 m ligt van gronden met voornoemde bestemming. Overigens hebben provinciale staten ter zitting aangegeven dat de provincie eigenaar is van de gronden, en toegezegd dat ter plaatse geen voetpad zal worden aangelegd.

2.88.8. [appellant sub 75] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van deze weg leidt tot een toename van geluidhinder. Hij betoogt dat ten onrechte gekozen is om in afwijking van het voorkeurstracé de BPL dichter bij zijn woonwijk aan te leggen. Verder betoogt hij dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gezondheidsaspecten als gevolg van de aanleg van de BPL. Uit het rapport "Beoordeling van gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan geluiden van AWACS-vliegtuigen" van de GGD Zuid-Limburg van oktober 2010 en de quick scan "Invloed van de afstand tot een drukke verkeersweg op de lokale luchtkwaliteit en de gezondheid" die in opdracht van het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is gemaakt, volgt volgens [appellant sub 75] dat het op deze afstand van zijn woning realiseren van de BPL kan leiden tot gezondheidsschade.

2.88.8.1. De woning van [appellant sub 75] op het perceel Roekenveldweg 12 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 75] maximaal 52 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 1.000 m, maximaal 47 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 75] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 75] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Voor zover hij vreest voor een echowerking van het geluid tussen de twee steile taluds aan weerszijden van de BPL, volgt uit het deskundigenbericht dat in het rekenmodel rekening is gehouden met het optreden van reflecties tegen objecten en dat taluds het geluid slechts in beperkte mate reflecteren. De steilheid van de taluds heeft volgens het deskundigenbericht weinig invloed op de mate van reflectie. In hetgeen [appellant sub 75] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Voor de woning van [appellant sub 75] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 53 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover [appellant sub 75] wijst op het rapport "Beoordeling van gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan geluiden van AWACS vliegtuigen" van de GGD Zuid-Limburg van oktober 2010, overweegt de Afdeling dat dit rapport enkel betrekking heeft op de geluidhinder van de AWACS-vliegtuigen en niet op de aanleg van de BPL.

2.88.9. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 75] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.88.10. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om het tracé meer naar het zuiden richting onder meer de wijk Amstenraderveld te verplaatsen omdat dit minder nadelige gevolgen heeft voor onder meer de aanwezige natuur en het landgoed Amstenrade. Nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat in de wijk Amstenraderveld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt na het nemen van geluidbeperkende maatregelen, wordt in hetgeen [appellant sub 75] heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de belangen van de bewoners van deze wijk onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

2.88.11. In hetgeen [appellant sub 75] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 75] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 74]

2.89. Het beroep van [appellant sub 74] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 74] betoogt verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder en een waardedaling van zijn woning. Hij stelt voorts dat wat betreft de gehanteerde bodemfactoren en de voor de geluidsschermen gehanteerde reflectiefactoren in het akoestisch onderzoek niet is aangegeven van welke waarden is uitgegaan en dat in het akoestisch onderzoek evenmin is aangegeven voor welke weggedeelten en voor welke kruisingen onderscheidenlijk een hellingscorrectie en een kruispunttoeslag is gehanteerd. [appellant sub 74] betoogt voorts dat de aanleg van de BPL leidt tot een mindere bereikbaarheid van zijn straat voor hulpdiensten en afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht Amstenrade. Ten slotte voert hij aan dat de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers verslechtert door de aanleg van de BPL.

2.89.1. De woning van [appellant sub 74] op het perceel Achter den Hof 50 te Amstenrade ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 74] maximaal 45 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 420 m en de plaatsing van een scherm van 230 m lang en 2 m hoog, maximaal 40 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 74] niet leidt tot ernstige geluidhinder.

Provinciale staten hebben voorts in reactie op het deskundigenbericht aangegeven dat voor de bodemfactor voor het gehele gebied standaardfactor 1 is ingevoerd en dat de gebieden die niet als absorberend zijn aan te merken, specifiek zijn opgenomen in het model en dat hiervoor waarde 0 is ingevoerd. Ter zitting hebben zij te kennen gegeven dat voor elk individueel scherm geldt dat aan de zijde van de weg en aan de zijde van de bebouwing een reflectiefactor van 0,2 is gehanteerd en dat een hellingscorrectie en kruispunttoeslag zijn toegepast overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Het voorgaande is ter zitting niet door [appellant sub 74] betwist. Gelet hierop heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 74] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 53 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover [appellant sub 74] wijst op het rapport "Beoordeling van gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan geluiden van AWACS-vliegtuigen" van de GGD Zuid-Limburg van oktober 2010, overweegt de Afdeling dat dit rapport enkel betrekking heeft op de geluidhinder van de AWACS-vliegtuigen en niet op de aanleg van de BPL.

2.89.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 74] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.89.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 74] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.89.4. Voor zover [appellant sub 74] betoogt dat de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers verslechtert door de aanleg van de BPL, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de verkeersveiligheid voor voetgangers en fietsers niet zal worden aangetast. In hetgeen [appellant sub 74] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Daarbij is in aanmerking genomen dat provinciale staten ter zitting hebben toegezegd dat op het onderliggend wegennet in overleg met de gemeente extra oversteekplaatsen gecreëerd zullen worden voor voetgangers. Daarbij zal de provincie zich flexibel opstellen wat betreft het kostenaspect, zo hebben provinciale staten ter zitting aangegeven.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 74] dat de aanleg van de BPL afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht Amstenrade, is de Afdeling van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van de BPL hieraan geen onaanvaardbare afbreuk doet. In hetgeen [appellant sub 74] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel.

2.89.5. De stelling van [appellant sub 74] dat de aanleg van de BPL leidt tot een verslechterde bereikbaarheid van zijn woonwijk, is voorts niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.

2.89.6. In hetgeen [appellant sub 74] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 74] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 72]

2.90. Het beroep van [appellant sub 72] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 72] betoogt verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder en een waardedaling van zijn woning. Voorts betoogt hij dat zijn belang onvoldoende is meegewogen door provinciale staten, omdat de BPL dichter bij zijn woonwijk wordt aangelegd om het landgoed Amstenrade te ontzien. Ten slotte voert [appellant sub 72] aan dat provinciale staten in strijd hebben gehandeld met het vertrouwensbeginsel doordat het college van gedeputeerde staten op 27 juni 2000 het bestemmingsplan "Amstenraderveld" heeft goedgekeurd waarin hoogwaardig wonen in groen en rust centraal stond terwijl nu het inpassingsplan is vastgesteld waardoor zijn woongenot wordt aangetast.

2.90.1. De woning van [appellant sub 72] op het perceel Sperwerdreef 8 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 72] maximaal 45 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 1.000 m, maximaal 40 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 72] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 72] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 72] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 51 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.90.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 72] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.90.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 72] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.90.4. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om het tracé meer naar het zuiden richting onder meer de wijk Amstenraderveld te verplaatsen omdat dit minder nadelige gevolgen heeft voor onder meer de aanwezige natuur en het landgoed Amstenrade. Nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat in de wijk Amstenraderveld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt na het nemen van geluidbeperkende maatregelen, wordt in hetgeen [appellant sub 72] heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat dit aspect onvoldoende in de besluitvorming is betrokken.

2.90.5. Voor zover [appellant sub 72] betoogt dat provinciale staten in strijd met het vertrouwensbeginsel hebben gehandeld, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Indien sprake is van provinciale belangen kunnen provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen een inpassingsplan vaststellen dat afwijkt van uitgangspunten die in een geldend bestemmingsplan zijn opgenomen. Strijd met het vertrouwensbeginsel doet zich derhalve reeds om die reden niet voor.

2.90.6. In hetgeen [appellant sub 72] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 72] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 83]

2.91. Het beroep van [appellant sub 83] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 83] voert voorts aan dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in zijn zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie.

2.91.1. Daargelaten of het gestelde in de door [appellant sub 83] ingediende zienswijze moet worden opgevat als beroepsgrond, volgt uit de nota van zienswijzen dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 83] feitelijke grondslag.

2.91.2. In hetgeen [appellant sub 83] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 83] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 84] en anderen

2.92. Het beroep van [appellant sub 84] en anderen is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van hun woonomgeving. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 84] en anderen betogen verder dat de toeristische attracties ten tijde van de aanleg van de BPL minder goed bereikbaar zullen zijn.

2.92.1. Ter zitting hebben provinciale staten desgevraagd te kennen gegeven dat de bereikbaarheid van attracties tijdens de aanleg van de BPL gegarandeerd zal blijven en dat met de attractieparken hierover afspraken worden gemaakt. In hetgeen [appellant sub 84] en anderen hieromtrent hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor de verwachting dat zich in zoverre bereikbaarheidsproblemen zullen voordoen.

2.92.2. [appellant sub 84] en anderen betogen verder dat de verkeerssituatie rondom de aansluiting van de Allee op de BPL tot een onhoudbare situatie leidt. Daarbij voeren zij aan dat het wegdeel tussen de ovatonde bij de aansluiting van de Allee op de BPL en de Patersweg/Trichterweg de toename van verkeer niet kan verwerken en dat bovendien de maximumsnelheid op de ovatonde wordt aangepast naar 30 km/uur, zodat de overgang van en naar de BPL, waar de maximumsnelheid 100 km/uur is, te groot is.

2.92.2.1. Vast staat dat in het akoestisch onderzoek voor de Akerstraat Noord/Allee wordt uitgegaan van een maximumsnelheid van 50 km/uur. In de nota van wijzigingen hebben provinciale staten aangegeven dat de maximumsnelheid op de ovatonde 30 km/uur wordt. Ter zitting hebben provinciale staten desgevraagd bevestigd dat op het onderliggende wegennet, behoudens de ovatonde zelf, wordt uitgegaan van een maximumsnelheid van 50 km/uur. Niet valt in te zien dat niet met verkeersmaatregelen kan worden voorzien in een adequate aansluiting van de BPL op de ovatonde.

2.92.2.2. Uit bijlage 3 behorend bij het verkeerskundig onderzoek volgt dat de ovatonde het toekomstige verkeer kan afwikkelen wanneer deze wordt aangevuld met een bypass vanuit Amstenrade naar de toerit van de BPL in westelijke richting. [appellant sub 84] en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het wegdeel tussen de ovatonde bij de aansluiting van de Allee op de BPL en de Patersweg/Trichterweg de toename van verkeer niet kan verwerken. Voor zover zij wijzen op de voorziene turborotonde bij de Patersweg en de afstand hiervan tot aan de ovatonde, overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben verklaard dat uit nader uitgevoerd onderzoek is gebleken dat het voorziene verkeer op de kruising van de wegen Patersweg, Allee, Trichterweg en Akerstraat Noord op goede wijze kan worden afgewikkeld indien het huidige kruispunt met enkele aanpassingen, zoals extra opstelstroken, wordt gehandhaafd. Gelet hierop achten provinciale staten het realiseren van de rotonde ter plaatse niet meer noodzakelijk. [appellant sub 84] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat het verkeerskundig onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. De stelling van [appellant sub 84] en anderen dat op de voorziene kruising te weinig ruimte aanwezig is voor fietsers, is niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt. Voor zover zij betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de voorziene kruising ter plaatse, overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht volgt dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de huidige kruising en van de nieuw ontworpen kruising.

2.92.3. Verder betogen [appellant sub 84] en anderen dat de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder, temeer nu de BPL deels binnen de bebouwde kom wordt gerealiseerd.

2.92.3.1. Nu de BPL wordt aangelegd als autoweg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, hebben provinciale staten, gelet hierop en op het bepaalde in artikel 1 van de Wgh, de gronden van de zone van de BPL voor de toepassing van de Wgh terecht aangemerkt als buitenstedelijk gebied, ook indien deze gronden binnen de bebouwde kom liggen. Derhalve gelden voor de aanleg van de BPL de geluidsnormen voor het buitenstedelijk gebied.

De woningen van [appellant sub 84] en anderen op de percelen Van Hövell tot Westerflierhof 4, 6, 7, 8, 10a, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 25, 27, 29, 30, 31a, 31b, 34, 35, 35a, 36, 37, 37a, 38 en 39 te Hoensbroek liggen in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Enkele van de woningen van [appellant sub 84] en anderen liggen ook in de geluidszone van de te wijzigen Akerstraat Noord/Allee.

Voor zover [appellant sub 84] en anderen betogen dat door de reflectievakken van de geluidsschermen de geluidsbelasting op de gevels van de woningen hoger zal uitvallen dan de voorkeursgrenswaarde of de vastgestelde hogere waarde, volgt uit het deskundigenbericht dat in het rekenmodel rekening is gehouden met het optreden van reflecties tegen objecten. In hetgeen [appellant sub 84] en anderen hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. De enkele stelling dat een scherm van 2 m hoog niet het effect zal hebben waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan, is niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.

Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevels van de woningen van [appellant sub 84] en anderen maximaal 55 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 710 m en de plaatsing van een scherm van 600 m lang en 2 m hoog, maximaal 48 dB. Dit is gelijk aan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Niet in geschil is dat bij de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee zonder geluidbeperkende maatregelen de heersende geluidswaarden ter plaatse van voornoemde woningen zullen worden overschreden. Uit het akoestisch onderzoek volgt echter dat door de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m de geluidsbelasting vanwege de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee bij deze woningen, behoudens bij de woning op het perceel Van Hövell tot Westerflierhof 30, wordt teruggebracht tot maximaal 48 dB, zodat de geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Voor de woning op het perceel Van Hövell tot Westerflierhof 30 is een hogere waarde vastgesteld van 49 dB waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Nu de in het akoestisch onderzoek berekende waarde de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, staat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de wijziging van de Akerstraat Noord/Allee ter plaatse van de woningen van [appellant sub 84] en anderen niet leiden tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 84] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Zoals hiervoor is overwogen is ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde van 49 dB vastgesteld voor één van de woningen van [appellant sub 84] en anderen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 55 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.92.4. Voorts betogen [appellant sub 84] en anderen dat door de aanleg van de BPL afbreuk wordt gedaan aan het beschermd dorpsgezicht Amstenrade en dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar alternatieven om dit te voorkomen.

2.92.4.1. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL geen onaanvaardbare afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht Amstenrade. In hetgeen [appellant sub 84] en anderen hebben aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Voor zover zij ter zitting hebben betoogd dat door de verdiepte ligging van de BPL de zichtlijnen in het gebied worden aangetast, hebben provinciale staten aangegeven dat na de aanleg van de BPL de historische laanbeplanting langs de Allee hersteld en gecompleteerd zal worden zodat de zichtlijnen aanwezig blijven.

2.92.5. Voorts betogen [appellant sub 84] en anderen dat zich reistijdverlies zal voordoen in plaats van reistijdwinst.

2.92.5.1. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat een reistijdentoets is uitgevoerd en dat hieruit volgt dat de BPL zorgt voor substantieel kortere reistijden tussen de oostzijde van de regio Parkstad en Aken en dat dit uiteraard niet alleen geldt voor het verkeer uit Kerkrade, maar ook effect heeft voor de kernen Brunssum en Landgraaf. Ook de oost-westverplaatsingen gaan er gezien de reistijd sterk op vooruit. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de BPL een vermindering van de reistijd tot gevolg heeft.

2.92.6. In hetgeen [appellant sub 84] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 84] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 85]

2.93. Het beroep van [appellante sub 85] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar woonomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellante sub 85] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg haar woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder en een waardedaling van haar woning vanwege het verdwijnen van landschapsbeleving.

2.93.1. De woning van [appellante sub 85] op het perceel Brunssummerweg 2 te Amstenrade ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellante sub 85] maximaal 51 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 400 m, maximaal 46 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellante sub 85] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellante sub 85] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellante sub 85] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 48 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.93.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 85] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van haar woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.93.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 85] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.93.4. [appellante sub 85] betoogt voorts dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de Brunssummerweg leidt tot een verminderde bereikbaarheid van haar woning voor hulpdiensten en dat zij een omweg van 4 km moet maken om haar woning te bereiken.

2.93.4.1. Niet in geschil is dat als gevolg van een 'knip' voor gemotoriseerd verkeer de Brunssummerweg in de huidige situatie een functie heeft als langzaamverkeersverbinding. De knip is gesitueerd recht voor de woning van [appellante sub 85], zodat zij de mogelijkheid heeft om aan beide zijden van de knip met de auto het erf te bereiken en te verlaten. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat ook na realisatie van de BPL de Brunssummerweg de functie van langzaamverkeersverbinding behoudt, maar dat haar woning voor gemotoriseerd verkeer alleen nog rechtstreeks vanaf Amstenrade te bereiken is omdat de knip in zuidelijke richting zal worden verplaatst. Die verplaatsing is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk, nu provinciale staten ter zitting hebben verklaard dat de Brunssummerweg ten zuiden van de woning van [appellante sub 85] met een kunstwerk over de BPL heen gaat en dat dit kunstwerk ongeschikt is voor gemotoriseerd verkeer. De kosten die gemoeid zijn met het aanpassen van het voornoemde kunstwerk voor gemotoriseerd verkeer, staan volgens provinciale staten niet in verhouding tot de mate waarin gebruik hiervan zal worden gemaakt door gemotoriseerd verkeer. Dit uitgangspunt komt de Afdeling niet onredelijk voor.

De Afdeling is voorts van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de woning van [appellante sub 85] goed bereikbaar zal blijven voor gemotoriseerd verkeer in het algemeen en voor hulpdiensten in het bijzonder. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat overleg is gevoerd met de hulpdiensten over de toekomstige verkeerssituatie en dat provinciale staten ter zitting hebben verklaard dat aan de geldende norm voor aanrijtijden wordt voldaan. In hetgeen [appellante sub 85] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Aan de omstandigheid dat [appellante sub 85] voortaan met haar auto een omweg moet maken om haar woning te bereiken, behoefden provinciale staten, gelet op de door hen af te wegen belangen, in redelijkheid geen overwegende betekenis toe te kennen bij de vaststelling van het plan.

2.93.5. [appellante sub 85] betoogt voorts dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van het Randwegtracé, maar dat ervoor gekozen is de BPL dichter bij Vaesrade aan te leggen. Zij stelt dat het beschermd dorpsgezicht Amstenrade hierdoor wordt aangetast en enkele woonwijken te maken krijgen met geluidhinder, terwijl de woonwijk Mariagewanden zal worden ontzien.

2.93.5.1. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om het tracé meer naar het zuiden richting onder meer de wijk Amstenraderveld te verplaatsen omdat dit minder nadelige gevolgen heeft voor onder meer de aanwezige natuur en het landgoed Amstenrade. Uit de plantoelichting volgt verder dat het Randwegtracé een ingrijpende invloed zou hebben op het woon- en leefklimaat van de bewoners van de woonwijk Mariagewanden. Nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat in de wijk Amstenraderveld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt na het nemen van geluidbeperkende maatregelen, wordt in hetgeen [appellante sub 85] heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de belangen van de bewoners van deze wijk onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

Wat betreft het betoog van [appellante sub 85] dat de aanleg van de BPL afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht Amstenrade, is de Afdeling van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van de BPL hieraan geen onaanvaardbare afbreuk doet. In hetgeen [appellante sub 85] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel.

2.93.6. In hetgeen [appellante sub 85] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 85] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 93]

2.94. Het beroep van [appellant sub 93] is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de natuurgebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. In dit verband vraagt hij zich af of op basis van de passende beoordelingen nog de zogenoemde ADC-toets nodig is.

2.94.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 93] op een afstand van ongeveer 3 km van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en op een afstand van ongeveer 2,7 km van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide woont. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de daar voorziene BPL noch op de gebieden zelf. De afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang bij deze gedeelten van de BPL ter hoogte van deze gebieden te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 93] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft deze gedeelten van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 93] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 93] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.94.2. Het beroep van [appellant sub 93] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Voor zover [appellant sub 93] betoogt dat op enkele kaarten behorende bij het Omgevingsplan de woonwijk Amstenraderveld niet is ingetekend, kan dit in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan ter toetsing voorligt.

2.94.3. [appellant sub 93] betoogt verder dat provinciale staten ten onrechte aan de bescherming van het landgoed Amstenrade een zwaarder gewicht hebben toegekend dan aan zijn belang. Daarbij voert hij aan dat de aanwijzing als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 niet beoogt de gronden te beschermen en dat aan het landgoed geen bijzondere en beschermde status is toegekend op grond van de aanwijzing van het nationaal landschap Zuid-Limburg en de aanduiding als rijksbufferzone.

2.94.3.1. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, maakt het landgoed Amstenrade, dat bestaat uit het kasteel Amstenrade en de historisch en ruimtelijk hiermee samenhangende gebieden, deel uit van het beschermd dorpsgezicht Amstenrade. Uit de plantoelichting volgt dat het doel is van de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht om de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit te onderkennen als zwaarwegend belang bij verdere ontwikkeling binnen het gebied. Uit het POL 2006 volgt voorts dat naast fysieke instandhouding en economische ontwikkeling van onder meer een beschermd dorpsgezicht evenzeer een zorgvuldige planologische omgang met beschermde historische buitenplaatsen en beschermde dorpsgezichten noodzakelijk is om de kwalitatieve samenhang tussen waardevolle historische bouwkunst en ruimtelijke context te bewaren.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan de bescherming van het beschermd dorpsgezicht Amstenrade, waaronder het landgoed Amstenrade, dan aan het belang van [appellant sub 93] bij een ongestoord woongenot. Dat, zoals [appellant sub 93] terecht stelt, de aanwijzing als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 niet zozeer beoogt de gronden te beschermen, maakt het voorgaande niet anders. Voor zover [appellant sub 93] wijst op de aanwijzing van onder meer het landgoed Amstenrade als nationaal landschap en stelt dat deze aanduiding geen bijzondere en extra beschermde status kan geven, overweegt de Afdeling dat uit de Nota Ruimte volgt dat een nationaal landschap een gebied is met internationaal zeldzame en nationaal kenmerkende kwaliteiten op landschappelijk, cultuurhistorisch en natuurlijk gebied en dat deze kwaliteiten moeten worden behouden, duurzaam beheerd en waar mogelijk versterkt. Gelet hierop hebben provinciale staten de aanwijzing tot nationaal landschap in redelijkheid bij hun beoordeling kunnen betrekken.

2.94.4. Verder voert [appellant sub 93] aan dat bij het akoestisch onderzoek gebruik is gemaakt van ondeugdelijk kaartmateriaal, omdat op de kaart in bijlage 2 behorende bij dit onderzoek de afstand tussen de BPL en zijn kavelgrens ongeveer 100 m is en deze afstand op ander kaartmateriaal ongeveer 50 m is.

2.94.4.1. Uit de kaart in bijlage 2 behorende bij het akoestisch onderzoekt volgt dat de afstand van de gevel van de woning van [appellant sub 93] tot het midden van de twee geschematiseerde rijlijnen ongeveer 125 m bedraagt. In hetgeen [appellant sub 93] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat deze afstand onjuist is. Gelet hierop hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de geluidsberekening voor zijn woning is uitgegaan van een juiste afstand.

2.94.5. [appellant sub 93] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder, een vermindering van zijn uitzicht en een waardedaling van zijn woning.

2.94.5.1. De woning van [appellant sub 93] op het perceel Roekenveldweg 4 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 93] maximaal 46 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 1.000 m, maximaal 41 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 93] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 93] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 93] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 51 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover [appellant sub 93] wijst op het rapport "Beoordeling van gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan geluiden van AWACS-vliegtuigen" van de GGD Zuid-Limburg van oktober 2010 waarin wordt gewezen op de gevolgen van geluidhinder voor de gezondheid, overweegt de Afdeling dat dit rapport enkel betrekking heeft op de geluidhinder van de AWACS-vliegtuigen en niet op de aanleg van de BPL.

2.94.5.2. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 93] in enige mate kan worden aangetast door de voorziene infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat dit verlies geen aanzienlijke beperking van het woongenot van [appellant sub 93] tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en de BPL op een afstand van ongeveer 110 m tot de woning op het perceel Roekenveldweg 4 zal worden aangelegd.

2.94.6. Gelet op al het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 93] heeft aangevoerd met betrekking tot geluidhinder en verlies aan uitzicht ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.94.7. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 93] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.94.8. In hetgeen [appellant sub 93] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 93] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 89]

2.95. [appellanten sub 89] hebben ter zitting bezwaren kenbaar gemaakt tegen het handhaven van het kruispunt ter plaatse van de wegen Patersweg, Allee, Trichterweg en Akerstraat Noord, nu de kosten voor dit kruispunt volgens hen niet in het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 zijn meegenomen en een kruispunt ter plaatse zal leiden tot meer verkeersproblemen dan een rotonde. Zij hebben daarmee de omvang van het geding uitgebreid door na afloop van de beroepstermijn ook nog het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de kruising van de wegen Patersweg, Allee, Trichterweg en Akerstraat Noord aan te vechten. Binnen de beroepstermijn dient vast te staan waartegen het beroep is gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geding na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot genoemd plandeel naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

2.95.1. Het beroep van [appellanten sub 89] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van hun directe woonomgeving. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellanten sub 89] betogen verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg de milieusituatie ter plaatse van hun woning verslechtert, nu de aanleg van de BPL leidt tot onder meer een toename van geluidhinder en een vermindering van hun uitzicht. Voorts voeren [appellanten sub 89] aan dat ten onrechte gekozen is om in afwijking van het voorkeurstracé de BPL dichter bij de woonwijk Amstenraderveld aan te leggen.

2.95.2. De woning van [appellanten sub 89] op het perceel Roekenveldweg 2 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellanten sub 89] maximaal 49 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 1.000 m, maximaal 44 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellanten sub 89] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellanten sub 89] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellanten sub 89] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 52 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover [appellanten sub 89] wijzen op het rapport "Beoordeling van gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan geluiden van AWACS-vliegtuigen" van de GGD Zuid-Limburg van oktober 2010 waarin wordt gewezen op de gevolgen van geluidhinder voor de gezondheid, overweegt de Afdeling dat dit rapport enkel betrekking heeft op de geluidhinder van de AWACS-vliegtuigen en niet op de aanleg van de BPL.

2.95.3. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om het tracé meer naar het zuiden richting onder meer de wijk Amstenraderveld te verplaatsen omdat dit minder nadelige gevolgen heeft voor onder meer de aanwezige natuur en het landgoed Amstenrade. Nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat in de wijk Amstenraderveld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt na het nemen van geluidbeperkende maatregelen, wordt in hetgeen [appellanten sub 89] hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de belangen van de bewoners van deze laatstgenoemde wijk onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

2.95.4. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellanten sub 89] in enige mate kan worden aangetast door de voorziene infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat dit verlies geen aanzienlijke beperking van het woongenot van [appellanten sub 89] tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en de BPL op een afstand van ongeveer 110 m tot de woning op het perceel Roekenveldweg 2 zal worden aangelegd.

2.95.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 89] hebben aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder en het uitzicht ter plaatse van hun woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.95.6. Voor zover [appellanten sub 89] ter zitting hebben betoogd dat de aanleg van de BPL leidt tot waardevermindering van hun woning, bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het inpassingsplan aan de orde zijn.

2.95.7. In hetgeen [appellanten sub 89] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 89] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 87]

2.96. Het beroep van [appellant sub 87] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 87] betoogt dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van het Randwegtracé langs de woonwijk Mariagewanden, maar dat ervoor gekozen is de BPL dichter bij Vaesrade aan te leggen. Hij stelt dat het beschermd dorpsgezicht Amstenrade hierdoor wordt aangetast en enkele woonwijken te maken krijgen met geluidhinder, terwijl de woonwijk Mariagewanden zal worden ontzien.

2.96.1. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om het tracé meer naar het zuiden in de richting van onder meer de wijk Amstenraderveld te verplaatsen omdat dit minder nadelige gevolgen heeft voor onder meer de aanwezige natuur en het landgoed Amstenrade. Uit de plantoelichting volgt verder dat het Randwegtracé een ingrijpende invloed zou hebben op het woon- en leefklimaat van de bewoners van de woonwijk Mariagewanden. Nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat in de wijk Amstenraderveld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt na het nemen van geluidbeperkende maatregelen, wordt in hetgeen [appellant sub 87] heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de belangen van de bewoners van deze wijk onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 87] dat de aanleg van de BPL afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht Amstenrade, is de Afdeling van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant sub 47] is overwogen, provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van de BPL hieraan geen onaanvaardbare afbreuk doet. In hetgeen [appellant sub 87] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel.

2.96.2. [appellant sub 87] vreest dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder, een vermindering van zijn uitzicht en een waardedaling van zijn woning. Ten slotte voert hij aan dat zijn woning door de aanleg van de BPL minder goed bereikbaar zal zijn.

2.96.3. De woning van [appellant sub 87] op het perceel De Kloes 9 te Amstenrade ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 87] maximaal 49 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 860 m en de plaatsing van een grondwal van 230 m lang en 2 m hoog, maximaal 40 dB. Dit is lager dan aan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 87] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 87] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 87] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 53 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

2.96.4. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht ter plaatse van de woning van [appellant sub 87] in enige vorm kan worden aangetast door de voorziene infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein op een afstand van ongeveer 70 m tot de woning op het perceel De Kloes 9. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht niet dusdanig zal zijn dat hieraan in de afweging van de belangen een zwaar gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat met het oog op de landschappelijke inpassing van de BPL, die ter plaatse verdiept wordt aangelegd, de geluidwerende voorziening wordt uitgevoerd als grondwal en tussen de woning van [appellant sub 87] en deze wal nog een andere woning is gelegen.

2.96.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 87] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder ter plaatse van zijn woning en de gevolgen voor het uitzicht geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.96.6. Voor zover [appellant sub 87] betoogt dat provinciale staten niet in redelijkheid het plan hebben kunnen vaststellen vanwege de waardedaling van zijn woning, wordt overwogen dat geen grond voor de verwachting bestaat dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.96.7. De enkele stelling van [appellant sub 87] dat door de aanleg van de BPL zijn woning minder goed bereikbaar zal zijn, is voorts niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.

2.96.8. In hetgeen [appellant sub 87] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 87] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 86]

2.97. Het beroep van [appellant sub 86] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 86] betoogt voorts dat provinciale staten in strijd hebben gehandeld met het vertrouwensbeginsel doordat het college van gedeputeerde staten het bestemmingsplan "Amstenraderveld" heeft goedgekeurd waarin hoogwaardig wonen in groen en rust centraal stond terwijl nu het inpassingsplan is vastgesteld waardoor zijn woongenot wordt aangetast. Verder merkt hij op dat in het voornoemde bestemmingsplan en in het door het college van gedeputeerde staten goedgekeurde bestemmingsplan "Buitengebied" geen tracé van de BPL is opgenomen.

2.97.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Indien sprake is van provinciale belangen kunnen provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen een inpassingsplan vaststellen dat afwijkt van de uitgangspunten die in een geldend bestemmingsplan zijn opgenomen. Strijd met het vertrouwensbeginsel doet zich reeds om deze reden niet voor.

2.97.2. [appellant sub 86] betoogt verder dat door de aanleg van de BPL het bestaande wandelgebied van het landgoed Amstenrade niet meer goed toegankelijk is en dat de aanleg van de BPL ten onrechte de afsluiting van de Akkerweg met zich brengt, zodat de verbinding tussen het dorp Merkelbeek en Brunssum-West wordt afgesneden.

2.97.2.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben zij beoordelingsvrijheid. Provinciale staten hebben het belang van de ontwikkeling van de BPL van zwaarder gewicht kunnen achten dan het belang bij een ongewijzigde toegankelijkheid van het landgoed Amstenrade. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat het landgoed Amstenrade voor wandelaars uit onder meer de omliggende wijken na de aanleg van de BPL goed toegankelijk zal blijven via de Brunssummerweg en Hagendorenweg, maar dat het niet mogelijk is gebleken om alle voetpaden en landbouwwegen te vervangen door viaducten. Aan de omstandigheid dat inwoners van de wijken Brunssum-Noord en Brunssum-West voortaan een omweg moeten maken om het landgoed te bereiken, behoefden provinciale staten, gelet op de door hen af te wegen belangen, geen overwegende betekenis toe te kennen bij de vaststelling van het plan.

2.97.2.2. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat de Akkerweg wordt doorsneden door de BPL, maar dat herstel van de recreatieve route mogelijk is via de nieuw aan te leggen veldweg richting de Brunssummerweg, waar de BPL via een fiets- en voetgangersviaduct kan worden gekruist. Gelet hierop hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen kiezen de BPL op voornoemde wijze te situeren. Daarbij wordt verder van belang geacht dat de wandelroute tussen Merkelbeek en Brunssum, weliswaar met een omweg, ook na aanleg van de BPL nog steeds toegankelijk is en dat aan weerszijden van de BPL nieuwe natuur wordt gerealiseerd, zodat deze wandelroute op een goede manier kan worden ingepast.

2.97.3. [appellant sub 86] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL en de verkeersaantrekkende werking van deze weg zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van de BPL leidt tot een toename van geluidhinder.

2.97.3.1. De woning van [appellant sub 86] op het perceel Keep 2 te Amstenrade ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 86] maximaal 44 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B, maximaal 39 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 86] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 86] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 86] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 51 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover [appellant sub 86] wijst op het rapport "Beoordeling van gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan geluiden van AWACS-vliegtuigen" van de GGD Zuid-Limburg van oktober 2010 waarin wordt gewezen op de gevolgen van geluidhinder voor de gezondheid, overweegt de Afdeling dat dit rapport enkel betrekking heeft op de geluidhinder van de AWACS-vliegtuigen en niet op de aanleg van de BPL.

2.97.3.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 86] heeft aangevoerd met betrekking tot geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.97.4. In hetgeen [appellant sub 86] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 86] is ongegrond.

Verbeelding - blad 4

Algemeen deel blad 4

2.98. Enkele appellanten betogen dat geen eenduidigheid bestaat over de hoogte van de op te richten geluidwerende voorziening met de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 7" in geluidcluster 54, gelegen ten zuidoosten van de BPL in Brunssum. Hiertoe stellen zij onder meer dat in het akoestisch onderzoek bij de berekening van de geluidsbelastingen is uitgegaan van een geluidwerende voorziening van 6 m hoog, terwijl op bladzijde 56 van het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van een geluidwerende voorziening van 5 m hoog.

2.98.1. Het plan voorziet, voor zover van belang, ter hoogte van geluidcluster 54 in de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 7".

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, van de planregels mogen op de voor "Verkeer" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen maximaal 5 m ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 7" mag bedragen.

2.98.2. Op bladzijde 56 van het akoestisch onderzoek staat dat in cluster 54 met een dunne deklaag B en een geluidwerende voorziening van 730 m lang en 5 m hoog ter plaatse van alle woningen, behalve de woning aan de Merkelbeekerstraat 59 te Brunssum, de voorkeursgrenswaarde wordt bereikt en dat bij verhoging van de geluidwerende voorziening tot 6 m bij alle woningen in dat cluster de voorkeursgrenswaarde wordt bereikt.

Voor zover voor de berekende geluidswaarden in de bijlage van het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een geluidwerende voorziening van 6 m hoog, overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat dezelfde berekeningen zijn uitgevoerd voor een voorziening van 5 m hoog. De resultaten hiervan zijn weliswaar niet neergelegd in de bijlagen bij het akoestisch onderzoek, maar zijn wel neergelegd in voormelde conclusie van het akoestisch onderzoek dat met een voorziening van 5 m hoog, op de woning aan de Merkelbeekerstraat 59 te Brunssum na, voor alle woningen in geluidcluster 54 de voorkeursgrenswaarde wordt behaald. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek in zoverre zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat provinciale staten zich daar niet in redelijkheid op hebben kunnen baseren.

2.98.3. Ter zitting hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat wordt overwogen om bij een nader besluit de geluidwerende voorziening gedeeltelijk tot 6 m te verhogen, waardoor de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ook voor de woning aan de Merkelbeekerstraat 59 te Brunssum wordt behaald. Voorts hebben provinciale staten ter zitting aannemelijk gemaakt dat het in de macht van het provinciebestuur ligt om indien nodig de woonfunctie aan de woning aan de Merkelbeekerstraat 59 te ontnemen. Gelet op het standpunt van provinciale staten ter zitting dat, indien niet tot verhoging van de geluidwerende voorziening wordt besloten, het provinciebestuur de woonfunctie aan deze woning zal ontnemen, acht de Afdeling in dit geval aanvaardbaar dat niet reeds het inpassingsplan voorziet in een geluidwerende voorziening voor geluidcluster 54 dat gedeeltelijk 6 m hoog is.

2.99. Enkele appellanten betogen dat provinciale staten voor het trajectdeel bij Brunssum ten onrechte hebben gekozen voor de variant Brunssum-Noord.

Zij voeren aan dat onvoldoende is onderzocht of de doelstellingen die met de aanleg van de BPL worden nagestreefd, kunnen worden gerealiseerd met de varianten Brunssum-Midden of Brunssum-Zuid, tevens mma.

Voorts voeren zij aan dat de voorziene variant Brunssum-Noord zodanig dicht bij woonbebouwing ligt, dat dit leidt tot een ernstige verslechtering van het woon- en leefklimaat van de inwoners van Brunssum.

Voorts betogen zij dat de gekozen variant in de nabijheid van de Merkelbeekerbeek ligt en dat de EHS-gebieden, de Provinciale Ontwikkelingszone Groen en de landschapswaarden met de voorziene variant Brunssum-Noord ernstig worden aangetast. Ook stellen zij dat deze keuze leidt tot een sterkere toename van de emissie van stikstofdioxide (NO2) dan de varianten Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid.

Voor zover provinciale staten zich op het standpunt stellen dat bij de Parkstadgemeenten en het waterschap Roer en Overmaas onvoldoende draagvlak bestaat voor de aanleg van de variant Brunssum-Zuid, betogen appellanten dat signalen bestaan die erop wijzen dat dit niet juist is. Voorts betogen appellanten dat juist te veel gewicht is toegekend aan het bestuurlijk draagvlak in de regio Parkstad en aan de belangen van Afcent - het hoofdkwartier van de NATO in Brunssum - bij de aanleg van de gekozen variant Brunssum-Noord.

Tot slot voeren zij aan dat de keuze voor de variant Brunssum-Noord niet in overeenstemming is met het uitgangspunt dat voor de uitvoering van het tracédeel wordt gekozen voor soberheid en eenvoud.

2.99.1. In de plantoelichting en het MER "Buitenring Parkstad Limburg, Deel A-1: Hoofdnota-Noord" staat dat voor de aanleg van het tracé bij Brunssum drie mogelijkheden zijn onderzocht: de varianten Brunssum-Noord, Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid. In het MER is voorts vermeld dat vier noordelijke varianten, twee midden-varianten met een tunnel door Brunssum en twee zuidelijke varianten zijn onderzocht. Voorts staat in het MER dat alle varianten zijn beoordeeld op de aspecten verkeer en economie, ruimtelijke ordening, woon- en leefmilieu, flora en fauna, bodem en water, landschap, cultuurhistorie en archeologie. Op basis hiervan is gekozen voor de variant Brunssum-Noord 1.8. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat onvoldoende alternatieven in de besluitvorming zijn betrokken of dat onvoldoende is onderzocht of de doelstellingen die met de aanleg van de BPL worden nagestreefd niet kunnen worden gerealiseerd met de in het MER genoemde varianten Brunssum-Midden of Brunssum-Zuid.

2.99.2. Uit het MER volgt dat de varianten Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid minder nadelige gevolgen hebben voor de landschaps- en natuurwaarden dan de variant Brunssum-Noord 1.8. Provinciale staten hebben hieraan echter geen doorslaggevende betekenis behoeven toe te kennen nu zij de effecten van de variant Brunssum-Noord 1.8 voor de landschaps- en natuurwaarden aanvaardbaar hebben kunnen achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen in het algemene deel van de uitspraak is overwogen ten aanzien van onder meer de flora en fauna, de EHS-gebieden, de nationale landschappen en meer specifiek het Bronnenbos. Voorts staat in de plantoelichting dat de variant Brunssum-Noord 1.8 mede in zuidelijke richting is verschoven om de gevolgen voor de Merkelbeekerbeek te beperken. De betogen omtrent de gevolgen voor de Merkelbeekerbeek en het ruimtebeslag op de Provinciale Ontwikkelingszone Groen zijn niet nader onderbouwd, zodat de Afdeling hierin geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het plan leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor deze waarden. Het betoog dat de variant Brunssum-Noord 1.8 leidt tot een sterkere toename van de emissie van stikstofdioxide (NO2) ten opzichte van de varianten Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid mist feitelijke grondslag, nu de variant Brunssum-Noord 1.8 behoort tot de minst nadelige varianten ten aanzien van de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

2.99.3. Uit het MER volgt dat de varianten Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid voor het woon- en leefklimaat, wat betreft de geluidsbelasting en de sociale aspecten, minder nadelige gevolgen hebben dan de variant Brunssum-Noord 1.8. Voor de appellanten die nabij de gekozen variant wonen zal het inpassingsplan in enige of meerdere mate een verslechtering van het woon- en leefklimaat met zich brengen. Hier staat tegenover dat het tracé Brunssum-Noord 1.8 het doorgaande verkeer uit de kern van Brunssum vermindert, hetgeen volgens de plantoelichting een positief effect heeft op de leefbaarheid aldaar. Voorts heeft de variant Brunssum-Noord 1.8 voor het woon- en leefklimaat, wat betreft de externe veiligheid en de stedenbouwkundige structuur, minder nadelige gevolgen dan de varianten Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid.

2.99.4. Uit het MER volgt voorts dat de variant Brunssum-Noord 1.8 de meest positieve effecten heeft voor de aspecten verkeer en economie. In dit verband wijzen provinciale staten erop dat hiermee een daling van de verkeersdruk op de wegen, een afname van de reistijden en een sterke verbetering voor het openbaar vervoer kunnen worden bereikt, omdat Brunssum bij deze keuze binnen de ring zal komen te liggen. Provinciale staten hebben toegelicht dat dit de doorstroming ten goede komt van het verkeer dat zich vanuit Brunssum richting het centrumgebied van de regio Parkstad zal verplaatsen. Zij stellen voorts dat de variant Brunssum-Noord 1.8 meer mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van de economie dan de varianten Brunssum-Midden en Brunssum-Zuid. In dit verband wijzen zij erop dat een kwalitatief hoogwaardig vestigingsgebied voor bedrijven aan de oostflank van Brunssum kan worden ontwikkeld en dat het toerisme kan worden uitgebouwd.

Uit de plantoelichting volgt voorts dat provinciale staten niet hebben gekozen voor de variant Brunssum-Midden, omdat de aanleg van een tunnel een erg dure oplossing is. Voor de variant Brunssum-Zuid is niet gekozen, omdat daarmee het streven wordt geblokkeerd om te komen tot een verplaatsing van voorzieningen uit de oostflank van Brunssum naar het kazernegebied. Bovendien zou bij deze variant op een deel van de BPL een maximumsnelheid van 50 km/uur moeten worden ingevoerd. Provinciale staten hebben dit uit verkeerskundig oogpunt in redelijkheid niet wenselijk kunnen achten.

2.99.5. Het betoog dat, anders dan provinciale staten stellen, voldoende bestuurlijk draagvlak aanwezig is voor de variant Brunssum-Zuid - wat hiervan ook zij - kan niet leiden tot een ander oordeel, nu het ontbreken van draagvlak voor de variant Brunssum-Zuid niet als doorslaggevend argument ten grondslag is gelegd aan de keuze voor de variant Brunssum-Noord 1.8. Overigens hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat de betrokken gemeente- en waterschapsbesturen hebben ingestemd met de variant Brunssum-Noord-1.8.

2.99.6. Voorts ziet de Afdeling in de niet nader onderbouwde betogen, dat onevenredig veel gewicht is toegekend aan het bestuurlijk draagvlak in de Parkstadgemeenten voor de variant Brunssum-Noord 1.8 dan wel aan de belangen van Afcent, geen aanleiding voor het oordeel dat de desbetreffende keuze niet op basis van een zorgvuldige belangenafweging tot stand is gekomen.

Het standpunt dat de keuze voor de variant Brunssum-Noord 1.8 niet in overeenstemming is met het uitgangspunt dat voor de uitvoering van het tracédeel wordt gekozen voor soberheid en eenvoud is evenmin nader onderbouwd en faalt derhalve.

2.99.7. De Afdeling acht de keuze van provinciale staten om doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de aspecten verkeer en economie niet onredelijk. De Afdeling zal zich bij de afdoening van de beroepen van de individuele appellanten uitspreken over de aanvaardbaarheid van de gevolgen van de BPL en de variant Brunssum-Noord 1.8 voor het woon- en leefklimaat van die appellanten.

Het beroep van [appellant sub 24]

2.100. Het beroep van [appellant sub 24] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene gedeelte van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 24] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat door geluidsoverlast ter plaatse van zijn woning aan de Klingbemden 189 te Brunssum ernstig zal worden aangetast.

2.100.1. De woning van [appellant sub 24] op het perceel Klingbemden 189 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 24] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellant sub 24] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellant sub 24] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 34 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Voor de woning van [appellant sub 24] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 24] 61 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 24] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.100.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.100.3. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 24] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 22]

2.101. Het beroep van [appellant sub 22] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 22] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Montgomerystraat 12 te Brunssum door geluidsoverlast en uitzichthinder ernstig zal worden aangetast.

Verder voert hij aan dat bij de aanleg van de woonwijk Brunssum-Noord in de periode 1968-1971 de verwachting is gewekt dat een 8 m verdiepte weg met twee rijstroken zou worden aangelegd en niet de thans voorziene BPL. Daarnaast bestaat de tot dusver vigerende groenbestemming ruim 40 jaar en heeft de provincie de gronden aan de bewoners in bruikleen gegeven om daarop veeteelt en bijenteelt te verrichten en tuinen aan te leggen, zodat hij de bestemmingswijziging die de aanleg van de BPL mogelijk maakt niet behoefde te verwachten, aldus [appellant sub 22].

[appellant sub 22] betoogt ook dat de BPL dient te worden verlaagd of voor een gedeelte van het tracé nabij zijn woning in noordelijke richting te worden verplaatst om de overlast te beperken.

2.101.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat een verdere verlaging van de BPL ter plaatse niet mogelijk is en dat verplaatsing van het tracé in noordelijke richting niet wenselijk is vanwege het Bronnenbos en de Merkelbeekerbeek.

2.101.2. De woning van [appellant sub 22] op het perceel Montgomerystraat 12 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 22] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

Voor de woning van [appellant sub 22] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 22] 58 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 22] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.101.3. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 22] in enige mate kan worden aangetast door de BPL en de daarvoor voorziene geluidwerende voorziening. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de geluidwerende voorziening als een grondwal met een natuurlijke uitstraling zal worden aangelegd.

2.101.4. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.101.5. Ten aanzien van het betoog dat de BPL dient te worden verdiept overweegt de Afdeling dat uit de lengteprofielenkaart bij het referentieontwerp volgt dat de BPL met een viaduct over de Europalaan heen loopt en ten noordoosten daarvan in hoogte zal afdalen richting de Merkelbeekerstraat. De BPL zal hierdoor tussen de Europalaan en de Merkelbeekerstraat gedeeltelijk verdiept liggen. Voorts staat in de plantoelichting dat de BPL ten opzichte van het bestuurlijk voorkeurstracé is verlaagd. Het verder verdiepen van de BPL ter hoogte van de wijk Klingbemden zou een grotere helling dan 5,4% met zich brengen, hetgeen volgens provinciale staten meer is dan is vermeld in de richtlijnen voor het ontwerpen van wegen. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verdieping van de BPL ter plaatse niet mogelijk is.

2.101.6. Voor zover [appellant sub 22] heeft aangevoerd dat de BPL in noordelijke richting dient te worden verschoven, overweegt de Afdeling dat provinciale staten hebben toegelicht dat dit niet wenselijk is vanwege het daar gelegen Bronnenbos en de daar gelegen Merkelbeekerbeek. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hebben kunnen toekennen aan het behoud hiervan.

2.101.7. Ten aanzien van het betoog dat bij de aanleg van de woonwijk Brunssum-Noord in de periode 1968-1971 is medegedeeld dat een 8 m verdiepte weg met twee rijstroken zou worden aangelegd, en niet de thans voorziene BPL, overweegt de Afdeling, daargelaten of provinciale staten destijds een dergelijke mededeling hebben gedaan, dat die mededeling in dit geval zeer gedateerd is en dat provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kunnen vaststellen.

Voor zover [appellant sub 22] aanvoert dat de gronden ten noorden van zijn woning ruim 40 jaar een groenbestemming hebben gehad en dat de provincie deze gronden aan de bewoners in bruikleen heeft gegeven om daarop veeteelt en bijenteelt te verrichten of tuinen aan te leggen, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een vigerend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Provinciale staten hebben geen zwaarwegend gewicht behoeven toe te kennen aan het belang bij het behoud van de groenbestemming voor [appellant sub 22].

2.101.8. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 22] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 42]

2.102. Het beroep van [appellante sub 42] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar directe woonomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellante sub 42] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van haar woning aan de Klingstraat 10 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast.

2.102.1. De woning van [appellante sub 42] op het perceel Klingstraat 10 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellante sub 42] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellante sub 42] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellante sub 42] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 34 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Voor de woning van [appellante sub 42] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante sub 42] 60 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellante sub 42] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.102.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 42] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van haar woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.102.3. In hetgeen [appellante sub 42] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 42] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 39]

2.103. Het beroep van [appellant sub 39] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 39] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Klingbemden 155 te Brunssum door geluidsoverlast, lichthinder en uitzichthinder ernstig zal worden aangetast.

De nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat worden volgens [appellant sub 39] versterkt doordat het plan ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat voorziet in een brug over de BPL. Hierbij voert hij aan dat het verkeer over een helling zal rijden, dat de maximumsnelheid wordt verhoogd, dat onder meer onduidelijk is van welk hellingspercentage van de brug in het akoestisch onderzoek is uitgegaan en dat dit hellingspercentage niet bindend is vastgelegd.

Ook betoogt [appellant sub 39] dat over de komst van die brug onvoldoende is gecommuniceerd, dat onduidelijk is of na de realisatie van de brug de toegang tot zijn garage en oprit nog wel gewaarborgd is en dat verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan.

Voorts gaat het akoestisch onderzoek ten onrechte uit van geluidsschermen rond de lokale wegen, aldus [appellant sub 39].

Verder betoogt hij dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen.

2.103.1. De woning van [appellant sub 39] op het perceel Klingbemden 155 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 39] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellant sub 39] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellant sub 39] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 42 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onder meer het hellingspercentage van het beoogde ontwerp van de brug over de BPL ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat en dat bij het akoestisch onderzoek de verhoging van de maximumsnelheid van 30 km/uur naar 50 km/uur is betrokken. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat de brug met het beoogde ontwerp niet leidt tot een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen van de rechtszekerheid met zich brengen dat het beoogde brugontwerp dwingend in het plan moet worden vastgelegd.

Ten aanzien van het betoog dat het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgaat van geluidsschermen rond de lokale wegen overweegt de Afdeling dat dit niet uit het akoestisch onderzoek volgt, zodat het betoog feitelijke grondslag mist.

Voor de woning van [appellant sub 39] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 39] 61 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 39] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.103.2. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 39] in enige mate kan worden aangetast door de BPL, de daarvoor voorziene geluidwerende voorziening en de brug ten behoeve van de omlegging van de Merkelbeekerstraat. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de geluidwerende voorziening als een grondwal met een natuurlijke uitstraling zal worden aangelegd. Voorts ziet de Afdeling in het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 39] omtrent lichtoverlast geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan leidt tot onaanvaardbare lichtoverlast.

2.103.3. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 39] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.103.4. Ook faalt het betoog dat over de komst van de brug onvoldoende is gecommuniceerd. Het plan voorziet ter plaatse van de kruising van de BPL met de Merkelbeekerstraat, voor zover van belang, in een plandeel met de bestemming "Verkeer" met de aanduiding "specifieke vorm van natuur - faunapassages".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels voorziet het plan ter plaatse in:

a. wegen […];

[…]

e. faunapassages en ecoducten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - faunapassages";

[…]

g. onderdoorgangen, viaducten en andere kunstwerken;

h. rotondes;

i. bruggen.

Aangezien de BPL en de Merkelbeekerstraat elkaar kruisen, in de plantoelichting staat dat de Merkelbeekerstraat hiertoe wordt omgelegd en het plan voor gronden met de bestemming "Verkeer" onder meer voorziet in bruggen, is duidelijk dat het plan ter plaatse voorziet in een brug. [appellant sub 39] had zich hiervan op de hoogte kunnen stellen.

2.103.5. Ten aanzien van de garage en oprit van [appellant sub 39] overweegt de Afdeling dat provinciale staten hebben toegelicht dat deze bereikbaar blijven, nu de omlegging van de Merkelbeekerstraat over de Klingbemden op maaiveldniveau zal plaatsvinden.

Voorts is met het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 39] omtrent de verkeersveiligheid niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van de omlegging van de Merkelbeekerstraat.

2.103.6. Voor zover [appellant sub 39] betoogt dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen overweegt de Afdeling, wat daar verder ook van zij, dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen bij de BPL dan aan het belang bij het behoud van de speelweide.

2.103.7. In hetgeen [appellant sub 39] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 39] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 60]

2.104. Het beroep van [appellante sub 60] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar directe woonomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellante sub 60] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van haar woning aan de Klingstraat 12 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast. Hierbij voert zij aan dat onduidelijk is of de verschuiving van de BPL in zuidelijke richting in het plan is verwerkt, zodat de situatie mogelijk nog ongunstiger wordt en onteigening van haar perceel gerechtvaardigd is. [appellante sub 60] betoogt ook dat de BPL voor een gedeelte van het tracé nabij haar woning in noordelijke richting dient te worden verplaatst om de overlast te beperken.

Voorts betoogt [appellante sub 60] dat ten onrechte in de BPL is voorzien, nu in 1974 is medegedeeld dat een destijds ingetekende weg niet zou worden aangelegd.

2.104.1. De woning van [appellante sub 60] op het perceel Klingstraat 12 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellante sub 60] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellante sub 60] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellante sub 60] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 26 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Voor de woning van [appellante sub 60] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante sub 60] 60 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellante sub 60] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.104.2. Gelet op de relatief korte afstand van de woning van [appellante sub 60] tot de voorziene grondwal, is te verwachten dat het uitzicht vanuit de woning in enige mate zal worden aangetast door de BPL en de daarvoor voorziene geluidwerende voorziening. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de geluidwerende voorziening als een grondwal met een natuurlijke uitstraling zal worden aangelegd.

2.104.3. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 60] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van haar woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Nu haar gronden voor de verwezenlijking van het plan niet nodig zijn, bestaat voor onteigening van haar perceel geen aanleiding.

2.104.4. Voor zover [appellante sub 60] heeft aangevoerd dat de BPL in noordelijke richting dient te worden verschoven overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen zij hieromtrent heeft overwogen bij het beroep van [appellant sub 22], dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hebben kunnen toekennen aan het behoud van het noordelijk gelegen Bronnenbos en de daar gelegen Merkelbeekerbeek.

Ten aanzien van het betoog dat onduidelijk is of de verschuiving van de BPL in zuidelijke richting, om de gevolgen voor het Bronnenbos te beperken, in het plan is verwerkt, overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting blijkt dat deze wijziging ten opzichte van het ontwerpplan in het plan is verwerkt.

2.104.5. Voor zover in 1974 is medegedeeld dat een destijds ingetekende weg niet zou worden aangelegd overweegt de Afdeling, daargelaten of provinciale staten destijds een dergelijke mededeling hebben gedaan, dat die mededeling in dit geval zeer gedateerd is en dat provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kunnen vaststellen.

2.104.6. In hetgeen [appellante sub 60] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 60] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 78]

2.105. Het beroep van [appellant sub 78] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 78] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Klingbemden 151 te Brunssum door geluidsoverlast en uitzichthinder ernstig zal worden aangetast.

De nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat worden volgens [appellant sub 78] versterkt doordat het plan ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat voorziet in een brug over de BPL. Hierbij voert hij aan dat het verkeer over een helling zal rijden. Ook is volgens hem onduidelijk van welk hellingspercentage van de brug het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Voorts gaat het akoestisch onderzoek ten onrechte uit van geluidsschermen rond de lokale wegen, aldus [appellant sub 78].

[appellant sub 78] betoogt ook dat de BPL dient te worden verlaagd om de overlast te beperken.

Verder betoogt hij dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen. Daarnaast leidt het plan tot waardedaling van zijn woning, hogere ziektekosten en emotionele schade, aldus [appellant sub 78].

Ook betoogt hij dat de kans op verzakking, scheurvorming en grondwateroverlast bij zijn perceel en woning onvoldoende is onderzocht.

2.105.1. De woning van [appellant sub 78] op het perceel Klingbemden 151 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 78] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellant sub 78] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellant sub 78] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 37 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Zoals bij het beroep van [appellant sub 39] is overwogen, hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onder meer het hellingspercentage van het beoogde ontwerp van de brug over de BPL ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat en dat daarmee voldoende is vast komen te staan dat de brug met het beoogde ontwerp niet leidt tot overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Voorts heeft de Afdeling daar overwogen dat het betoog dat het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgaat van geluidsschermen rond de lokale wegen feitelijke grondslag mist.

Voor de woning van [appellant sub 78] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 78] 62 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 78] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.105.2. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 78] in enige mate kan worden aangetast door de BPL, de daarvoor voorziene geluidwerende voorziening en de brug ten behoeve van de omlegging van de Merkelbeekerstraat. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de geluidwerende voorziening als een grondwal met een natuurlijke uitstraling zal worden aangelegd.

Ten aanzien van het betoog dat over de uitvoering van de geluidsschermen niet met [appellant sub 78], als omwonende, is overlegd, overweegt de Afdeling dat dit betoog geen betrekking heeft op het bestreden besluit zelf maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.105.3. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 78] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gelet hierop heeft [appellant sub 78] niet aannemelijk gemaakt dat het inpassingsplan leidt tot hogere ziektekosten voor omwonenden. Evenmin heeft [appellant sub 78] aannemelijk gemaakt dat het besluitvormingsproces heeft geleid tot onevenredige emotionele gevolgen.

2.105.4. Ten aanzien van het betoog dat de BPL dient te worden verdiept overweegt de Afdeling, zoals bij het beroep van [appellant sub 22] is overwogen, dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat verdieping van de BPL ter plaatse niet mogelijk is.

2.105.5. Voor zover [appellant sub 78] betoogt dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen overweegt de Afdeling, wat daar verder ook van zij, dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen bij de BPL dan aan het belangen bij het behoud van de speelweide.

2.105.6. Ten aanzien van het betoog dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 78] kans op verzakking en scheurvorming bestaat, overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat bij de aanleg van de BPL rekening zal worden gehouden met de stabiliteit van de gronden. In hetgeen [appellant sub 78] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor de verwachting dat de aanleg van de BPL zal leiden tot verzakking en scheurvorming.

2.105.7. Voor zover [appellant sub 78] betoogt dat de kans op wateroverlast als gevolg van de omlegging van de Merkelbeekerstraat, over de Klingbemden en met een brug over de BPL, onvoldoende is onderzocht, overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat deze omlegging bij het afwateringsplan, behorend bij het inpassingsplan, is betrokken. Voorts staan in het afwateringsplan voor traject K, ter hoogte van De Kling, maatregelen genoemd, waaronder de aanleg van een (infiltratie)riool ten zuiden van de geluidsschermen en de aanleg van een riool ter hoogte van het viaduct van de Merkelbeekerstraat. [appellant sub 78] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van de BPL en de omlegging van de Merkelbeekerstraat, na het treffen van de in het afwateringsplan genoemde maatregelen, leiden tot wateroverlast.

2.105.8. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 78] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.105.9. In hetgeen [appellant sub 78] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 78] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 95]

2.106. Ter zitting heeft [appellant sub 95] de beroepsgrond, dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat zijn woning drie bouwlagen heeft, ingetrokken.

2.106.1. [appellant sub 95] betoogt onder meer dat het plan ten onrechte de realisatie van het Heide Natuurpark, zijnde een aaneensluiting van de Schinveldse bossen, de Brunssummerheide, de Teverener Heide en het Schutterspark, onmogelijk maakt. Voorts betoogt hij dat het plan leidt tot een aantasting van het Bronnenbos en de Kattekoelenvijvers.

2.106.2. De BPL is ter hoogte van de door [appellant sub 95] genoemde gebieden voorzien op een afstand van minimaal ongeveer 750 m van zijn woning. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de BPL noch op de gebieden. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang, bij de delen van de BPL ter hoogte van deze gebieden, te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 95] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft die delen van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 95] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 95] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.106.3. Het beroep van [appellant sub 95] is verder gericht tegen het plandeel voor de BPL ter hoogte van zijn directe woningomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 95] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Klingbemden 163 te Brunssum door geluidsoverlast, uitzichthinder, verstoring van rust en privacy en lichthinder ernstig zal worden aangetast en dat het plan gezondheidsrisico’s met zich brengt.

De nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat worden volgens [appellant sub 95] versterkt doordat het plan ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat voorziet in een brug over de BPL. Hierbij voert hij aan dat het verkeer over een helling zal rijden, dat de maximumsnelheid wordt verhoogd, dat onder meer onduidelijk is van welk hellingspercentage van de brug in het akoestisch onderzoek is uitgegaan en dat dit hellingspercentage niet bindend is vastgelegd. Verder is volgens [appellant sub 95] voor de Merkelbeekerstraat uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten.

Ook betoogt [appellant sub 95] dat over de komst van die brug onvoldoende is gecommuniceerd, dat onduidelijk is of na de realisatie van de brug de toegang tot zijn garage en oprit nog wel gewaarborgd is en dat verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan.

Indien een verlaagde aanleg van de BPL ter hoogte van de Merkelbeekerstraat en een kruising van deze straat over de BPL op maaiveldniveau niet mogelijk zijn, dan dient de Merkelbeekerstraat, om de met voormelde omlegging gepaard gaande overlast te voorkomen, volgens [appellant sub 95] te worden afgesloten.

Voorts voert [appellant sub 95] aan dat onduidelijk is hoe de geluidwerende voorziening wordt uitgevoerd. Voorts gaat het akoestisch onderzoek volgens hem ten onrechte uit van geluidsschermen rond de lokale wegen. Tevens leidt het inpassingsplan volgens hem tot een onevenredige aantasting van het bestaand dorpsgezicht. Daarnaast leidt de verlegging van de Merkelbeekerstraat volgens [appellant sub 95] tot wateroverlast, nu de opnamecapaciteit in zijn omgeving reeds thans onvoldoende is.

Voorts betoogt hij dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen.

Verder voert hij aan dat zijn woning minder waard en onverkoopbaar zal worden.

2.106.4. De woning van [appellant sub 95] op het perceel Klingbemden 163 te Brunssum ligt in cluster 54 van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 95] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellant sub 95] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellant sub 95] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 47 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Zoals bij het beroep van [appellant sub 39] is overwogen hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onder meer het hellingspercentage van het beoogde ontwerp van de brug over de BPL ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat en dat de verhoging van de maximumsnelheid van 30 km/uur naar 50 km/uur bij het akoestisch onderzoek is betrokken. Hiermee is komen vast te staan dat de brug met het beoogde ontwerp niet leidt tot overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Voorts heeft de Afdeling bij het beroep van [appellant sub 39] overwogen dat het betoog dat het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgaat van geluidsschermen rond de lokale wegen feitelijke grondslag mist. In het door [appellant sub 95] aangevoerde ziet de Afdeling, gelet op hetgeen hieromtrent ter zitting naar voren is gekomen, geen aanleiding voor het oordeel dat voor de Merkelbeekerstraat is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten.

Voor de woning van [appellant sub 95] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 95] 62 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 95] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.106.5. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 95] in enige mate kan worden aangetast door de BPL, de daarvoor voorziene geluidwerende voorziening en de brug ten behoeve van de omlegging van de Merkelbeekerstraat. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de geluidwerende voorziening als een grondwal met een natuurlijke uitstraling zal worden uitgevoerd. Voorts ziet de Afdeling in het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 95] omtrent lichtoverlast en privacy geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan op deze punten leidt tot onaanvaardbare gevolgen.

2.106.6. Ten aanzien van het betoog dat onduidelijk is hoe de geluidwerende voorzieningen worden uitgevoerd, wordt overwogen dat dit betoog geen betrekking heeft op het bestreden besluit zelf maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Overigens hebben provinciale staten, zoals hiervoor is overwogen, ter zitting toegelicht dat de geluidwerende voorzieningen ter hoogte van cluster 54 als een grondwal worden uitgevoerd.

2.106.7. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 95] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gelet hierop heeft [appellant sub 95] niet aannemelijk gemaakt dat het inpassingsplan leidt tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

2.106.8. Zoals bij het beroep van [appellant sub 39] is overwogen faalt het betoog dat over de komst van de brug onvoldoende is gecommuniceerd, gelet op de mogelijkheden van het plan, gelezen in samenhang met de plantoelichting. [appellant sub 95] had zich hiervan op de hoogte kunnen stellen.

2.106.9. Ten aanzien van het betoog dat de BPL dient te worden verdiept overweegt de Afdeling, zoals bij het beroep van [appellant sub 22] is overwogen, dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat verdieping van de BPL ter plaatse niet mogelijk is. De door [appellant sub 95] voorgestane kruising van de Merkelbeekerstraat over de BPL op maaiveldhoogte is daarmee niet mogelijk. Voor zover [appellant sub 95] in dat geval pleit voor de afsluiting van deze weg overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat het gemeentebestuur van Brunssum de Merkelbeekerstraat wil behouden als ontsluiting van de kernen Merkelbeek en Bingelrade richting Brunssum. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 95] geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een bepalend gewicht hebben kunnen toekennen aan de ontsluiting van de kernen Merkelbeek en Bingelrade richting Brunssum over de Merkelbeekerstraat.

2.106.10. Voor zover [appellant sub 95] betoogt dat de geluidsschermen leiden tot een aantasting van het dorpsgezicht, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het dorpsgezicht ter plaatse bijzondere bescherming toekomt. Gelet hierop en op hetgeen in het algemene deel van de uitspraak omtrent het nut en de noodzaak van de BPL aan de orde is geweest ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 95] hieromtrent heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de aanleg van de BPL dan aan de gevolgen hiervan voor het bestaand dorpsgezicht.

2.106.11. Ten aanzien van de garage en oprit van [appellant sub 95] overweegt de Afdeling dat provinciale staten hebben toegelicht dat deze bereikbaar blijven, nu de omlegging van de Merkelbeekerstraat over de Klingbemden op maaiveldniveau zal plaatsvinden.

Voorts is met het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 95] omtrent de verkeersveiligheid niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van de omlegging van de Merkelbeekerstraat.

2.106.12. Voor zover [appellant sub 95] betoogt dat de kans op wateroverlast als gevolg van de omlegging van de Merkelbeekerstraat over de Klingbemden en met een brug over de BPL onvoldoende is onderzocht, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent bij het beroep van [appellant sub 78] is overwogen, dat deze omlegging bij het afwateringsplan, behorend bij het inpassingsplan, is betrokken. [appellant sub 95] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van de BPL en de omlegging van de Merkelbeekerstraat, na het treffen van de in het afwateringsplan genoemde maatregelen, leiden tot wateroverlast.

2.106.13. Voor zover [appellant sub 95] betoogt dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen overweegt de Afdeling, wat daar verder ook van zij, dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen bij de BPL dan aan het belang bij het behoud van de speelweide.

2.106.14. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 95] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Onverkoopbaarheid van de woning is niet aannemelijk gemaakt.

2.106.15. In hetgeen [appellant sub 95] heeft voor het overige aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 95] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 92]

2.107. [appellanten sub 92] betogen dat het inpassingsplan voor een gedeelte van de omlegging van de Merkelbeekerstraat over de Klingbemden betrekking heeft op de gronden van hun perceel Klingbemden 191 te Brunssum, zodat zij ten onrechte geen persoonlijke kennisgeving hebben ontvangen. Hierbij voeren zij aan dat ten behoeve van de omlegging een deel van hun gronden wordt onteigend.

2.107.1. Ter zitting hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de gronden van [appellanten sub 92] bij nader inzien niet nodig zijn voor de verwezenlijking van de omlegging van de Merkelbeekerstraat over de Klingbemden, zodat het inpassingsplan onnodig voorziet in de bestemming "Verkeer" op een deel van hun gronden.

2.107.2. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het inpassingsplan in zoverre niet is voorbereid met de vereiste zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 92] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op het perceel Klingbemden 191 te Brunssum.

2.107.3. Het beroep van [appellanten sub 92] is voor het overige gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van hun directe woonomgeving. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellanten sub 92] vrezen verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woning door geluidsoverlast en uitzichthinder ernstig zal worden aangetast.

De nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat worden volgens [appellanten sub 92] versterkt doordat het plan ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat voorziet in een brug over de BPL. Hierbij voeren zij aan dat het verkeer over een helling zal rijden, dat de maximumsnelheid wordt verhoogd, dat onder meer onduidelijk is van welk hellingspercentage van de brug in het akoestisch onderzoek is uitgegaan en dat dit hellingspercentage niet bindend is vastgelegd. Verder is volgens [appellanten sub 92] voor de Merkelbeekerstraat uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten.

Indien een verlaagde aanleg van de BPL ter hoogte van de Merkelbeekerstraat en een kruising van deze straat over de BPL op maaiveldniveau niet mogelijk zijn, dan dient de Merkelbeekerstraat, om de met voormelde omlegging gepaard gaande overlast te voorkomen, volgens [appellanten sub 92] te worden afgesloten.

Voorts voeren [appellanten sub 92] aan dat onduidelijk is hoe de geluidwerende voorziening wordt uitgevoerd. Verder gaat het akoestisch onderzoek volgens hen ten onrechte uit van geluidsschermen rond de lokale wegen.

Daarnaast betogen zij dat de kans op verzakking, scheurvorming en wateroverlast bij hun perceel en woning onvoldoende is onderzocht.

2.107.4. De woning van [appellanten sub 92] op het perceel Klingbemden 191 te Brunssum ligt in cluster 54 van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellanten sub 92] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

De woning van [appellanten sub 92] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellanten sub 92] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 46 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Zoals bij het beroep van [appellant sub 39] is overwogen hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onder meer het hellingspercentage van het beoogde ontwerp van de brug over de BPL ten behoeve van de verlegging van de Merkelbeekerstraat en dat de verhoging van de maximumsnelheid van 30 km/uur naar 50 km/uur bij het akoestisch onderzoek is betrokken. Hiermee is komen vast te staan dat de brug met het beoogde ontwerp niet leidt tot overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Voorts heeft de Afdeling bij het beroep van [appellant sub 39] overwogen dat het betoog dat het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgaat van geluidsschermen rond de lokale wegen feitelijke grondslag mist. In het door [appellanten sub 92] aangevoerde ziet de Afdeling, gelet op hetgeen hieromtrent ter zitting naar voren is gekomen, geen aanleiding voor het oordeel dat voor de Merkelbeekerstraat is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten.

Voor de woning van [appellanten sub 92] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellanten sub 92] 61 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellanten sub 92] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.107.5. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellanten sub 92] in enige mate kan worden aangetast door de BPL en de daarvoor voorziene geluidwerende voorziening. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de geluidwerende voorziening als een grondwal met een natuurlijke uitstraling zal worden uitgevoerd.

2.107.6. Ten aanzien van het betoog dat onduidelijk is hoe de geluidwerende voorzieningen worden uitgevoerd, wordt overwogen dat dit betoog geen betrekking heeft op het bestreden besluit zelf maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Overigens hebben provinciale staten, zoals hiervoor is overwogen, ter zitting toegelicht dat de geluidwerende voorzieningen ter hoogte van cluster 54 als een grondwal worden uitgevoerd.

2.107.7. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 92] hebben aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.107.8. Ten aanzien van het betoog dat de BPL dient te worden verdiept overweegt de Afdeling, zoals bij het beroep van [appellant sub 22] is overwogen, dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat verdieping van de BPL ter plaatse niet mogelijk is. De door [appellanten sub 92] voorgestane kruising van de Merkelbeekerstraat over de BPL op maaiveldhoogte is daarmee niet mogelijk. Voor zover [appellanten sub 92] in dat geval pleiten voor de afsluiting van deze weg overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat het gemeentebestuur van Brunssum de Merkelbeekerstraat wil behouden als ontsluiting van de kernen Merkelbeek en Bingelrade richting Brunssum. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellanten sub 92] geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een bepalend gewicht hebben kunnen toekennen aan de ontsluiting van de kernen Merkelbeek en Bingelrade richting Brunssum over de Merkelbeekerstraat.

2.107.9. Voor zover [appellanten sub 92] betogen dat de kans op wateroverlast als gevolg van de omlegging van de Merkelbeekerstraat, over de Klingbemden en met een brug over de BPL, onvoldoende is onderzocht overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent bij het beroep van [appellant sub 78] is overwogen, dat deze omlegging bij het afwateringsplan, behorend bij het inpassingsplan, is betrokken. [appellanten sub 92] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van de BPL en de omlegging van de Merkelbeekerstraat, na het treffen van de in het afwateringsplan genoemde maatregelen, leiden tot wateroverlast.

2.107.10. Ten aanzien van het betoog dat ter plaatse van de woning van [appellanten sub 92] kans op verzakking en scheurvorming bestaat, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent bij het beroep van [appellant sub 78] is overwogen, dat provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat bij de aanleg van de BPL rekening zal worden gehouden met de stabiliteit van de gronden. In hetgeen [appellanten sub 92] hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor de verwachting dat de aanleg van de BPL zal leiden tot verzakking en scheurvorming.

2.107.11. In hetgeen [appellanten sub 92] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 92] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 44]

2.108. [appellant sub 44] voert aan dat provinciale staten in de beantwoording van zijn zienswijze zijn ingegaan op de woning aan de Klingstraat 10, terwijl zijn zienswijze betrekking heeft op de woningen aan de Monseigneur Mannensstraat 57 en 59 te Merkelbeek.

2.108.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 44] per abuis mede is ingegaan op de situatie ter plaatse van de woning Klingstraat 10. Niet is gebleken dat provinciale staten de situatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 44] of bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant sub 44] hierover, niet in de overwegingen hebben betrokken. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd geen aanleiding het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.

2.108.2. Het beroep van [appellant sub 44] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 44] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woningen aan de Monseigneur Mannensstraat 57 en 59 te Merkelbeek door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast. Hierbij voert hij aan dat het aan de overzijde van de BPL voorziene geluidsscherm kan leiden tot een toename van de geluidsbelasting ter plaatse van zijn woningen.

2.108.3. Niet in geschil is dat de woningen van [appellant sub 44] aan de Monseigneur Mannensstraat 57 en 59 te Merkelbeek nabij, maar buiten cluster 10 liggen van de wettelijke geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De naastgelegen woning Monseigneur Mannensstraat 61 ligt volgens het akoestisch onderzoek wel binnen de wettelijke geluidszone. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van die woning 42 dB bedragen, na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B en, voor een gedeelte van de BPL ter hoogte van de woningen van [appellant sub 44], een geluidsscherm van 4 m hoog. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Volgens het deskundigenbericht bestaat geen aanleiding om voor de naastgelegen woningen van [appellant sub 44] significant afwijkende geluidswaarden vanwege de BPL te verwachten.

Ten aanzien van het betoog dat het voorziene geluidsscherm kan leiden tot een toename van de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant sub 44] overweegt de Afdeling dat uit de verbeelding volgt dat het geluidsscherm aan de overzijde van de weg verder in zuidwestelijke richting doorloopt dan voormeld scherm aan de zijde van [appellant sub 44], zodat niet is uitgesloten dat het scherm aan de overzijde richting de woningen van [appellant sub 44] geluid reflecteert. In het akoestisch onderzoek staat echter dat Standaardrekenmethode II is toegepast, waarbij onder meer rekening is gehouden met reflecties. Hieruit volgt dat voormelde geluidswaarde van 42 dB voor de naastgelegen woning Monseigneur Mannensstraat 61 is berekend inclusief de reflectie van het geluidsscherm aan de overzijde van de BPL. Overigens hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat dit scherm akoestisch absorberend zal worden uitgevoerd.

Voor de woningen van [appellant sub 44] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van voormelde naastgelegen woning 60 dB bedraagt. Aannemelijk is, hetgeen bevestiging vindt in het deskundigenbericht, dat de gecumuleerde geluidsbelasting bij de woningen van [appellant sub 44] niet significant hiervan zal afwijken. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 44] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.108.4. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woningen geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.108.5. In hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 44] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 36]

2.109. Het beroep van [appellant sub 36] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 36] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Montgomerystraat 8 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast.

2.109.1. De woning van [appellant sub 36] op het perceel Montgomerystraat 8 te Brunssum ligt in cluster 54 van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 36] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

Voor de woning van [appellant sub 36] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 36] 58 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 36] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.109.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 36] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.109.3. In hetgeen [appellant sub 36] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 54]

2.110. Het beroep van [appellant sub 54] is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de natuurgebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. In dit verband vraagt hij zich af of op basis van de passende beoordelingen nog de zogenoemde ADC-toets nodig is.

2.110.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 54] op een afstand van ongeveer 5 km van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en op een afstand van ongeveer 2,7 km van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide woont. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de daar voorziene BPL noch op de gebieden zelf. De afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang, bij de gedeelten van de BPL ter hoogte van deze gebieden, te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 54] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft deze gedeelten van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 54] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 54] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.110.2. Het beroep van [appellant sub 54] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 54] betoogt dat in het rapport van Ecorys geen aandacht is besteed aan het belang van veel toeristen om de BPL juist niet aan te leggen, zodat de landschappelijke waarden in het gebied kunnen worden behouden.

2.110.3. Provinciale staten hebben het rapport van Ecorys laten opstellen om inzichtelijk te maken of de investering in de BPL, gelet op de doelstellingen die zij daarmee nastreven, en de kosten en opbrengsten die daarmee gepaard gaan, een goede investering betreft. Reeds omdat het behoud van de landschappelijke waarden in het gebied geen doelstelling is die provinciale staten met de BPL nastreven, is dit in het rapport van Ecorys naar het oordeel van de Afdeling terecht onbesproken gelaten, nog daargelaten dat hierop in onder meer het MER uitvoerig is ingegaan.

2.110.4. [appellant sub 54] vreest dat vanwege de aanleg van de BPL zijn woongenot ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van deze weg leidt tot een toename van geluidhinder. Hij betoogt dat uit de geluidsonderzoeken onvoldoende blijkt in hoeverre de geluidsbelasting in zijn woonomgeving veroorzaakt door AWACS-vliegtuigen is meegenomen.

2.110.4.1. De woning van [appellant sub 54] op het perceel Klingstraat 11 te Brunssum ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 54] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Voor zover [appellant sub 54] ter zitting heeft gewezen op een geluidsscherm met een overkapping als alternatief, hebben provinciale staten aangegeven dat deze maatregel niet doelmatig is. In hetgeen [appellant sub 54] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

De woning van [appellant sub 54] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellant sub 54] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen maximaal 26 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Voor de woning van [appellant sub 54] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 54] 59 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 54] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.110.4.2. Voor zover [appellant sub 54] betoogt dat de BPL in een tunnelbak dient te worden aangelegd overweegt de Afdeling dat, zoals bij het beroep van [appellant sub 22] is overwogen, provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een verdieping van de BPL ter plaatse niet mogelijk is.

2.110.4.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 54] heeft aangevoerd met betrekking tot geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.110.5. [appellant sub 54] voert verder aan dat bij de aanleg van de BPL ten onrechte rekening wordt gehouden met het realiseren van een attractiepark in de gemeente Brunssum, terwijl geen enkele zekerheid bestaat dat dit park zal worden gerealiseerd.

2.110.5.1. Niet is gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de vestiging van een attractiepark nabij Brunssum had plaatsgevonden of dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan rekening hebben gehouden met deze ontwikkeling. Het betoog van [appellant sub 54] mist derhalve feitelijke grondslag.

2.110.6. De enkele stelling van [appellant sub 54] dat uit de telgegevens van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat uit 2008 blijkt dat in het inpassingsplan is uitgegaan van te hoge verkeersintensiteiten, is ten slotte niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.

2.110.7. In hetgeen [appellant sub 54] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 54] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 64]

2.111. [appellant sub 64] betoogt onder meer dat het plan ten onrechte de afsluiting van de Akkerweg met zich brengt. Volgens hem betreft dit een zeldzame holle weg en de enige mogelijkheid om vanuit Brunssum-West naar het Merkelbeekdal te lopen. Hij voert aan dat vele wandelaars van deze weg gebruik maken, waaronder hijzelf bij het uitlaten van zijn hond.

2.111.1. Niet in geschil is dat [appellant sub 64] op een afstand van ongeveer 1.000 m woont van de kruising tussen de Akkerweg en het tracé van de BPL. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op deze gronden. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang, bij het deel van de BPL ter hoogte van deze kruising, te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 64] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Het uitlaten van honden is onvoldoende onderscheidend om als rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen gelden.

De conclusie is dat [appellant sub 64] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de kruising tussen de Akkerweg en het tracé van de BPL, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 64] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.111.2. Het beroep van [appellant sub 64] is verder gericht tegen de vaststelling van het plandeel ter hoogte van zijn woning. Een deel van zijn bezwaren, waaronder zijn bezwaren omtrent het Bronnenbos, is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 64] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Loogstraat 33 te Brunssum door geluidsoverlast en uitzichthinder ernstig zal worden aangetast. Hierbij voert hij aan dat geen rekening is gehouden met hoogteverschillen in het maaiveld en met het oppervlaktewater tussen de BPL en zijn woning en de reeds aanwezige geluidsbelasting vanwege de Loogstraat en het verkeer op de N276. Voorts betoogt hij dat een gedeelte van het tracé Brunssum-Noord nabij het Bronnenbos en zijn woning dient te worden overkoepeld.

2.111.3. De woning van [appellant sub 64] op het perceel Loogstraat 33 te Brunssum ligt in cluster 10 van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 64] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B en een geluidsscherm van 4 m hoog, 39 dB bedragen.

Ten aanzien van het betoog dat de hoogteverschillen in het maaiveld en het oppervlaktewater tussen de BPL en zijn woning de geluidsoverdracht kunnen versterken, overweegt de Afdeling dat in het akoestisch onderzoek staat dat Standaardrekenmethode II is toegepast, waarbij onder meer rekening is gehouden met de invloed van de bodem en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat het door [appellant sub 64] bedoelde oppervlaktewater zodanig klein is dat hiermee geen rekening hoeft te worden gehouden. Voor zover [appellant sub 64] betoogt dat het geluidsscherm ten zuiden van de Europalaan niet ver genoeg doorloopt, overweegt de Afdeling dat de voorziene plaats van het geluidsscherm bij het akoestisch onderzoek is betrokken. Hieruit volgt dat voormelde geluidswaarde van 39 dB, voor zover nodig, is berekend inclusief de gevolgen van de bodem en de voorziene locatie van het geluidsscherm. Deze geluidswaarde is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Voorts volgt uit het akoestisch onderzoek dat de door [appellant sub 64] bedoelde bestaande geluidsbelasting vanwege de Loogstraat bij de gecumuleerde geluidsbelasting is betrokken. Voor zover [appellant sub 64] aanvoert dat het akoestisch onderzoek voor deze straat uitgaat van een te lage verkeersintensiteit overweegt de Afdeling dat de door [appellant sub 64] hiertoe ingebrachte verkeersprognose uit 1997 zodanig gedateerd is dat [appellant sub 64] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het akoestisch onderzoek op dit punt onjuist is.

Voor zover [appellant sub 64] aanvoert dat geen rekening is gehouden met de geluidsbelasting vanwege de N276, overweegt de Afdeling, daargelaten of deze weg bij de gecumuleerde geluidsbelasting is betrokken, dat de afstand van zijn woning tot de N276 volgens het deskundigenbericht ruim 700 m bedraagt, zodat niet aannemelijk is dat de geluidsbelasting hiervan een meer dan geringe bijdrage aan de gecumuleerde geluidsbelasting heeft.

Voor de woning van [appellant sub 64] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 64] 58 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 64] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.111.4. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 64] in enige mate kan worden aangetast door de BPL en de daarvoor voorziene geluidwerende voorzieningen. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat de door [appellant sub 64] bedoelde geluidwerende voorziening aan de overzijde van de BPL op ongeveer 230 m van zijn woning is voorzien. Voor zover [appellant sub 64] heeft aangevoerd dat de geluidwerende voorziening niet in het landschap past, overweegt de Afdeling dat ter plaatse reeds hoge bebouwing aanwezig is en dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang bij de aanleg van de BPL dan aan de gevolgen van de geluidwerende voorziening voor het landschap.

2.111.5. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 64] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gelet op het hiervoor overwogene - en het overwogene in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Bronnenbos' - hebben provinciale staten een overkoepeling van de BPL ter hoogte van de woning van [appellant sub 64] en het Bronnenbos achterwege kunnen laten.

2.111.6. In hetgeen [appellant sub 64] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 64] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 73]

2.112. Het beroep van [appellant sub 73] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Zijn beroepsgronden zijn hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Gelet op hetgeen de Afdeling daar heeft overwogen ziet zij in hetgeen [appellant sub 73] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 73] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 71]

2.113. Het beroep van [appellanten sub 71] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van hun directe woonomgeving. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 71] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellanten sub 71] vrezen verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woning aan de Klingstraat 16 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast.

2.113.1. De woning van [appellanten sub 71] op het perceel Klingstraat 16 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellanten sub 71] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

Voor zover [appellanten sub 71] aanvoeren dat in het akoestisch onderzoek niet staat dat de BPL in een open tunnelbak wordt aangelegd, overweegt de Afdeling dat de gedeeltelijk verdiepte ligging van de BPL deel uitmaakt van de geluidwerende voorzieningen en dat de geluidwerende voorzieningen bij het akoestisch onderzoek zijn betrokken.

De woning van [appellanten sub 71] ligt voorts nabij de Merkelbeekerstraat, die ten behoeve van de kruising met de BPL wordt verlegd. Voor het deel dat als een nieuwe weg wordt aangelegd en voor het deel dat wordt gereconstrueerd geldt ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, onderscheidenlijk artikel 100, eerste lid, van de Wgh, een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de Merkelbeekerstraat op de gevel van de woning van [appellanten sub 71] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 21 dB bedragen. Hiermee wordt voldaan aan voormelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Voor de woning van [appellanten sub 71] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellanten sub 71] 59 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellanten sub 71] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.113.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 71] hebben aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.113.3. In hetgeen [appellanten sub 71] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 71] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 70]

2.114. Het beroep van [appellant sub 70] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 70] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Montgomerystraat 10 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast. Voorts kan hij het perceel achter zijn woning niet langer gebruiken als bijenstandplaats en voor groente- en fruitteelt. Daarnaast betoogt hij dat het tracé van de BPL ten onrechte niet tot in detail is vastgelegd. Verder voert hij aan dat zijn woning minder waard en onverkoopbaar zal worden.

2.114.1. De woning van [appellant sub 70] op het perceel Montgomerystraat 10 ligt in cluster 54 van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 70] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

Voor de woning van [appellant sub 70] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 70] 58 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 70] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.114.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 70] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.114.3. Voor zover [appellant sub 70] betoogt dat het inpassingsplan in de weg staat aan voortzetting van zijn gebruik van het perceel achter zijn woning als bijenstandplaats en voor groente- en fruitteelt overweegt de Afdeling dat provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kunnen vaststellen. In het algemeen kunnen aan een vigerend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. Provinciale staten hebben in dit geval geen doorslaggevend belang hoeven toekennen aan het belang van het behoud van de groenbestemming voor [appellant sub 70].

2.114.4. Voor zover [appellant sub 70] betoogt dat het tracé niet tot in detail is vastgelegd, overweegt de Afdeling dat het plandeel met de bestemming "Verkeer" weliswaar meer gronden beslaat dan waar de BPL zal worden aangelegd, maar dat de aanduiding voor de geluidwerende voorziening ter hoogte van de woning van [appellant sub 70] wel precies is vastgelegd. Reeds hierom bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld.

2.114.5. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 70] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Onverkoopbaarheid van de woning is niet aannemelijk gemaakt.

2.114.6. In hetgeen [appellant sub 70] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 70] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 67]

2.115. [appellante sub 67] heeft het beroepschrift van Stichting Stop Buitenring in haar beroepschrift ingelast. Voor zover dit betrekking heeft op de natuurgebieden Geleenbeekdal, Brunssummerheide, Jeugrubbebos, Bronnenbos en Schutterspark overweegt de Afdeling dat de BPL ter hoogte van deze gebieden is voorzien op een afstand van minimaal ongeveer 350 m van haar woning. Vanuit haar woning heeft zij geen zicht op de gronden voor de BPL noch op die gebieden. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang, bij de delen van de BPL ter hoogte van deze gebieden, te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellante sub 67] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft die delen van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellante sub 67] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellante sub 67] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.115.1. Het beroep van [appellante sub 67] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar directe woonomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellante sub 67] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van haar woning aan de Titus Brandsmastraat 24 te Brunssum door geluidsoverlast, uitzichthinder en verlies van privacy ernstig zal worden aangetast. Verder voert zij aan dat haar woning minder waard en onverkoopbaar zal worden.

2.115.2. De woning van [appellante sub 67] op het perceel Titus Brandsmastraat 24 te Brunssum ligt in cluster 10 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellante sub 67] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B en een geluidsscherm van 4 m hoog, 42 dB bedragen. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Voor de woning van [appellante sub 67] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante sub 67] 60 dB bedraagt. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellante sub 67] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.115.3. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woning van [appellante sub 67] in enige mate kan worden aangetast door de BPL en het geluidsscherm. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze hinder geen onaanvaardbare beperking van het woongenot tot gevolg heeft. Daarbij is van belang dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat en dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat de BPL op een afstand van ongeveer 100 m van de woning zal worden aangelegd. Voorts ziet de Afdeling in het niet nader onderbouwde betoog van [appellante sub 67] omtrent de gevolgen voor haar privacy geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan op deze punten leidt tot onaanvaardbare gevolgen.

2.115.4. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 67] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van haar woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.115.5. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 67] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Onverkoopbaarheid van de woning is niet aannemelijk gemaakt.

2.115.6. In hetgeen [appellante sub 67] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 67] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 91]

2.116. Het beroep van [appellant sub 91] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 91] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Marshallstraat 32 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast. Voorts voert hij aan dat in 1977 is medegedeeld dat een secundaire weg zou worden aangelegd en niet de thans voorziene BPL.

2.116.1. De woning van [appellant sub 91] op het perceel Marshallstraat 32 ligt in cluster 54 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. De geluidsbelasting vanwege de BPL voldoet voor de woning van [appellant sub 91] aan de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.

Voor de woning van [appellant sub 91] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 91] 58 dB bedraagt bij een geluidwerende voorziening van 6 m hoog. Provinciale staten hebben van deze waarde kunnen uitgaan ondanks dat het plan voorziet in een geluidwerende voorziening van 5 m hoog, omdat ook bij die hoogte van de geluidwerende voorziening de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en derhalve geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 91] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.116.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 91] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.116.3. Voor zover in 1977 is medegedeeld dat een secundaire weg zou worden aangelegd en niet de thans voorziene BPL, overweegt de Afdeling, daargelaten of provinciale staten destijds een dergelijke mededeling hebben gedaan, dat die mededeling in dit geval zeer gedateerd is en dat provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kunnen vaststellen.

2.116.4. In hetgeen [appellant sub 91] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 91] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 8]

Besluit hogere waarden

2.117. [appellant sub 8] richt zich, kort weergegeven, tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 50 dB voor zijn woning aan de Henri Dunantstraat 271 te Brunssum. [appellant sub 8] vreest dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Henri Dunantstraat 271 door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast. Hierbij voert hij aan dat de bewoners van de woningen aan de Henri Dunantstraat als senioren een kwetsbare groep vormen.

2.117.1. De woning van [appellant sub 8] op het perceel Henri Dunantstraat 271 ligt in cluster 56 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 8] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B en de plaatsing van een geluidsscherm van 600 m lang en 11 m hoog, 50 dB bedragen. Omdat dit hoger is dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB heeft het college van gedeputeerde staten een hogere waarde vastgesteld van 50 dB.

In het akoestisch onderzoek staat dat het college van gedeputeerde staten heeft gekozen voor een dunne deklaag B en een geluidsscherm van 11 m hoog, omdat deze maatregelen een nagenoeg gelijk akoestisch effect hebben, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, als verdergaande geluidmaatregelen. Gelet hierop zijn deze verdergaande geluidmaatregelen ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef, van voormelde regeling niet financieel doelmatig. De Afdeling overweegt dat deze regeling een regeling als bedoeld in artikel 87b, vijfde lid, van de Wgh betreft zodat uit het vierde lid van dat artikel volgt dat tegen verdergaande geluidmaatregelen overwegende bezwaren van financiële aard bestaan. Voorts staat in het akoestisch onderzoek dat het college van gedeputeerde staten niet heeft gekozen voor een hoger geluidsscherm omdat hiertegen overwegende bezwaren van landschappelijke aard bestaan. Gelet op de overwegende bezwaren van financiële en landschappelijke aard staat ingevolge artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh de mogelijkheid tot het treffen van verdergaande geluidmaatregelen naar het oordeel van de Afdeling niet in de weg aan het vaststellen van een hogere waarde voor de woning van [appellant sub 8]. Daarnaast gaat de vastgestelde hogere waarde van 50 dB de maximaal toegestane waarde van 58 dB als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Wgh niet te boven. Overigens heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting aangegeven dat het geluidsscherm met het oog op de landschappelijke inpassing gedeeltelijk zal worden uitgevoerd als een scherm van 7 m hoog met een luifel dat een gelijk geluidbeperkend effect heeft als een scherm van 11 m hoog. Niet is aannemelijk gemaakt dat gelet hierop niet langer van vorenstaande conclusies kan worden uitgegaan.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 56 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen heeft het college van gedeputeerde staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten. Verder ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten voor seniorenwoningen een andere afweging omtrent de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting diende te maken dan voor andere woningen.

[appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat het college van gedeputeerde staten dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

2.117.2. Het beroep van [appellant sub 8] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.

Het inpassingsplan

2.117.3. Het beroep van [appellant sub 8] ziet mede op de gevolgen van het voorziene tracé van de BPL voor de Rimburgerweg. Hij woont op een afstand van ongeveer 3,2 km van de gronden waar het bestaande tracé van de Rimburgerweg en het tracé van de BPL elkaar kruisen. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang bij dit gedeelte van de BPL te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 8] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft dit deel van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 8] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van het bestaande tracé van de Rimburgerweg, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.117.4. Voor zover [appellant sub 8] verder betoogt dat in de nota van zienswijzen niet is ingegaan op zijn betoog dat de bestaande methodieken om geluidsbelasting te meten onbetrouwbaar zijn, overweegt de Afdeling dat provinciale staten bij de beantwoording van zienswijzen van een andere appellant hebben gesteld dat het op grond van de Wgh en het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 niet verplicht is om de geluidsbelasting door middel van metingen vast te stellen en dat de geluidberekeningen zijn uitgevoerd volgens de voorschriften uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Gelet hierop is genoegzaam komen vast te staan dat provinciale staten het bezwaar van [appellant sub 8] bij de vaststelling van het bestreden besluit hebben betrokken.

2.117.5. [appellant sub 8] richt zich tegen het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 8] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Henri Dunantstraat 271 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast. Voorts betoogt hij dat de BPL voor een gedeelte van het tracé nabij de Henri Dunantstraat dient te worden aangelegd in een tunnel of met een verlaagde ligging. Verder betoogt hij dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen.

2.117.6. Gelet op hetgeen in het kader van het beroep van [appellant sub 8] tegen het besluit hogere waarden is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gelet hierop hebben provinciale staten in redelijkheid in de BPL kunnen voorzien ter hoogte van de woning van [appellant sub 8] zonder daarbij te kiezen voor een tunnel of een verlaagde ligging.

2.117.7. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat het inpassingsplan ertoe leidt dat de veelgebruikte speelweide zal verdwijnen overweegt de Afdeling, wat daar verder ook van zij, dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen bij de BPL.

2.117.8. In hetgeen [appellant sub 8] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 8] tegen het inpassingsplan is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 96]

2.118. Het beroep van [appellant sub 96] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak dan wel in het algemene deel van blad 4 van de verbeelding aan de orde geweest. [appellant sub 96] vreest verder dat vanwege de aanleg van de BPL het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Titus Brandsmastraat 10 te Brunssum door geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast.

2.118.1. De woning van [appellant sub 96] op het perceel Titus Brandsmastraat 10 ligt in cluster 10 van de geluidszone van de BPL, die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 96] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B en een geluidsscherm van 4 m hoog, 39 dB bedragen. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Voor de woning van [appellant sub 96] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 96] 60 dB bedraagt. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 96] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.118.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 96] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.118.3. In hetgeen [appellant sub 96] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 96] is ongegrond.

Verbeelding - blad 5

Het beroep van [appellant sub 46]

2.119. Het beroep van [appellant sub 46] is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de natuurgebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. In dit verband vraagt hij zich af of op basis van de passende beoordelingen nog de zogenoemde ADC-toets nodig is.

2.119.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 46] op een afstand van ongeveer 6,5 km van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en op een afstand van ongeveer 2 km van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide woont. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de daar voorziene BPL noch op de gebieden zelf. De afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang, bij deze gedeelten van de BPL ter hoogte van deze gebieden, te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 46] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft deze gedeelten van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 46] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 46] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.119.2. Het beroep van [appellant sub 46] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 46] vreest dat zijn woongenot vanwege de aanleg van de BPL ernstig zal worden aangetast, nu de aanleg van deze weg leidt tot een toename van geluidhinder. Hij betoogt dat uit de geluidsonderzoeken onvoldoende blijkt in hoeverre de geluidsbelasting in zijn woonomgeving veroorzaakt door AWACS-vliegtuigen is meegenomen.

2.119.2.1. De woning van [appellant sub 46] op het perceel Bouwbergstraat 17 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 46] maximaal 57 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 450 m, maximaal 52 dB. Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB is een hogere waarde vastgesteld van 52 dB waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 46] niet leidt tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 46] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Zoals hiervoor is overwogen is ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde van 52 dB vastgesteld. Voorts staat in het akoestisch onderzoek dat de gecumuleerde geluidsbelasting voor de woning van [appellant sub 46] maximaal 63 dB bedraagt. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt. Gelet op het akoestisch onderzoek, het deskundigenbericht en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, acht de Afdeling met provinciale staten, onder verwijzing naar het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie', het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en de gecumuleerde geluidsbelasting zodanig groot dat niet aannemelijk is dat het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan de gecumuleerde geluidsbelasting. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Gelet op het vorenstaande, het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

2.119.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 46] heeft aangevoerd met betrekking tot geluidhinder ter plaatse van zijn woning, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.119.4. In hetgeen [appellant sub 46] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 46] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 55]

2.120. Het beroep van [appellante sub 55] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar directe woonomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betoogt verder dat de aanleg van de BPL leidt tot geluidhinder, temeer omdat haar woonomgeving al door veel geluidsbronnen wordt aangetast, en dat de cumulatie van geluid onvoldoende is onderzocht.

2.120.1. De woning van [appellante sub 55] op het perceel Mariabergstraat 9 te Schinveld ligt niet binnen de zone van de BPL of van de te wijzigen N274, welke zones ingevolge artikel 74, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 75 van de Wgh gemeten worden vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 74, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 77 van de Wgh hoefden provinciale staten op grond van de Wgh geen onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting vanwege de BPL ter plaatse van de woning van [appellante sub 55] noch naar de geluidsbelasting vanwege de te wijzigen N274. Vanwege de ligging van deze woning op een afstand van ongeveer 405 m tot de BPL en op een afstand van ongeveer 410 m tot de te wijzigen N274 - derhalve buiten de wettelijke geluidszones - hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woning aan de Mariabergstraat 9 niet behoeft te worden gevreesd voor ernstige geluidsoverlast vanwege de BPL of vanwege de te wijzigen N274.

Nu geen hogere waarde is noch behoefde te worden vastgesteld voor de woning van [appellante sub 55] en deze buiten de geluidszone van de BPL en de N274 als bedoeld in de Wgh ligt, hebben provinciale staten zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante sub 55] niet behoefde te worden onderzocht.

Voor zover [appellante sub 55] wijst op het rapport van DHV van 8 augustus 2007 dat is opgesteld ten behoeve van het bezwaar van [appellante sub 55] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken van 20 maart 2007 inzake het verlenen van een ontheffing onder voorschriften als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening ten behoeve van het houden van een openluchtfestival, overweegt de Afdeling dat dit rapport enkel betrekking heeft op de cumulatie van evenementenlawaai met bestaande geluidsbronnen en geen relatie legt met het geluid van de BPL.

2.120.2. Voor zover [appellante sub 55] ten slotte betoogt dat de natuurcompensatie als gevolg van de aanleg van de BPL gepland is op een plek waar nu een voetbalveld ligt en dat dit voetbalveld wordt verplaatst naar een plek naast haar woning zodat dit leidt tot nog meer overlast, overweegt de Afdeling dat het plan de aanleg van een voetbalveld in de omgeving van haar woning niet mogelijk maakt. Gelet hierop kunnen de bezwaren met betrekking tot het voetbalveld niet in de onderhavige procedure aan de orde komen.

2.120.3. In hetgeen [appellante sub 55] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 55] is ongegrond.

Het beroep van Stichting Leefbaarheid Onderbanken

2.121. Het beroep van Stichting Leefbaarheid Onderbanken is gericht tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het gebied rondom Schinveld. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betoogt verder dat door de aanleg van de BPL de geluidsoverlast in het gebied rondom Schinveld alleen maar zal toenemen en dat in het inpassingsplan geen maatregelen worden genomen om de geluidsoverlast zo laag mogelijk te houden. Verder voert zij aan dat in het inpassingsplan ten onrechte niet is voorzien in een regeling voor de controle en de handhaving van de wettelijke normen.

2.121.1. Wat betreft de gemeente Onderbanken vallen de clusters 12 en 13 binnen de zone van de BPL. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevels van de woningen in voornoemde clusters maximaal 48 dB bedragen en na het treffen van maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B, maximaal 43 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij de aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nemen van andere geluidbeperkende maatregelen, zoals plaatsing van een geluidsscherm en de aanleg van ZOAB, ter plaatse van de clusters 12 en 13 niet noodzakelijk is.

Voor zover Stichting Leefbaarheid Onderbanken aanvoert dat bij de berekening van de geluidsbelasting ten onrechte geen rekening is gehouden met de hoogteligging van de BPL en de heersende windrichting, overweegt de Afdeling dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat rekening is gehouden met de hoogteligging van de wegen en dat ingevolge artikel 1.5, eerste lid, onder d, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 bij de berekening van de geluidsbelasting rekening wordt gehouden met meteorologische invloeden op de geluidsoverdracht. Gelet hierop faalt het betoog van Stichting Leefbaarheid Onderbanken.

Voor de woningen in de clusters 12 en 13 zijn ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarden vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woningen maximaal 71 dB bedraagt. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover Stichting Leefbaarheid Onderbanken aanvoert dat in het inpassingsplan maatregelen hadden moeten worden opgenomen om de controle en de handhaving van de wettelijke normen te verzekeren, overweegt de Afdeling dat de Wgh niet verplicht tot het opnemen van deze maatregelen in een inpassingsplan. Ter zitting hebben provinciale staten aangegeven dat ingevolge de artikelen 118 en 122 van de Wgh in samenhang gelezen met artikel 117 van de Wgh elke vijf jaar onder meer de hoogte van de geluidsbelasting, het te voeren beleid om de geluidsbelasting te beperken en de voorgestelde maatregelen zullen worden bezien. Het betoog van Stichting Leefbaarheid Onderbanken dat het ontbreken van maatregelen tot handhaving op gespannen voet staat met artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus faalt, nu dit artikellid niet ziet op handhavingskwesties maar op het waarborgen van de toegang tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures.

2.121.2. Stichting Leefbaarheid Onderbanken voert verder aan dat sprake is van strijd met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, nu de inspraakmogelijkheden tijdens de procedure onvoldoende zijn geweest. Zij wijst daarbij op het aankopen van gronden tijdens de procedure, terwijl het inpassingsplan nog niet was vastgesteld, en op het feit dat geen onderzoek naar de effecten van de BPL op de N274 en het woon- en leefklimaat van de inwoners van Schinveld is uitgevoerd.

Ingevolge artikel 7 van het Verdrag van Aarhus treft elke Partij passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. In dit kader wordt artikel 6, derde, vierde en achtste lid, toegepast. Het publiek dat kan inspreken wordt door de betreffende overheidsinstantie aangewezen met inachtneming van de doelstellingen van dit Verdrag. Voor zover passend spant elke Partij zich in om, bij de voorbereiding van beleid betrekking hebbende op het milieu mogelijkheden te scheppen voor inspraak.

Provinciale staten stellen in hun verweerschrift dat tegen de Startnotitie Tracénota/MER-UVS van 27 juni 2006 en tegen het MER fase 2 zienswijzen konden worden ingediend. Naar aanleiding van inspraakreacties en nadere onderzoeken is een eerste aanvulling op het MER tot stand gekomen en hoewel volgens provinciale staten nog lange tijd werd gewerkt aan de detaillering van het wegontwerp, kon op basis van het voorkeurstracé en het geoptimaliseerde ontwerp grotendeels al worden bepaald welke gronden verworven moesten worden. Wat betreft de N274 stellen provinciale staten dat deze weg geen deel uitmaakt van het inpassingsplan en dat aanpassingen aan deze weg niet zijn beschreven in het MER en andere onderzoeken. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er voldoende mogelijkheid is geboden tot inspraak. De Afdeling is voorts van oordeel dat het aankopen van gronden tijdens de procedure niet ongebruikelijk is.

2.121.3. In hetgeen Stichting Leefbaarheid Onderbanken heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Leefbaarheid Onderbanken is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 56]

2.122. Het beroep van [appellant sub 56] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor zover deze bestemming is toegekend aan het gedeelte van de Hoogenboschweg, welke weg achter het perceel Bouwbergstraat 9c te Brunssum ligt. Hij betoogt dat zijn uitrit vanwege het verdiept aanleggen van de Hoogenboschweg onbruikbaar wordt door het hoogteverschil. Verder voert hij aan dat de gevolgen van de aanleg van de BPL op de Hoogenboschweg onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken en dat artikel 7 van de planregels te ruime (bouw)mogelijkheden biedt.

2.122.1. Blijkens de verbeelding is aan de Hoogenboschweg, die onder meer achter het perceel Bouwbergstraat 9c ligt, de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Verkeer" onder meer bestemd voor:

a. wegen, met niet meer dan 2x2 rijstroken, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten en de daarbij behorende bermen en taluds ingericht volgens de op de verbeelding aangeduide dwarsprofielen;

b. langzaamverkeersverbindingen zoals voet- en fietspaden;

c. onverharde wegen;

[…]

g. onderdoorgangen, viaducten en andere kunstwerken;

h. rotondes;

i. bruggen;

[…].

2.122.2. Ter zitting hebben provinciale staten aangegeven dat de Hoogenboschweg ter hoogte van het perceel Bouwbergstraat 9c op gelijk niveau zal worden gebracht met de woning van [appellant sub 56] en dat de weg pas na dit perceel verdiept komt te liggen. Gelet hierop heeft [appellant sub 56] niet aannemelijk gemaakt dat de uitrit op het perceel Bouwbergstraat 9c vanwege het verdiept aanleggen van de Hoogenboschweg onbruikbaar wordt.

Voorts wordt in hetgeen [appellant sub 56] heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de doeleindenomschrijving in artikel 7 van de planregels te ruim is.

2.122.3. In hetgeen [appellant sub 56] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 56] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 80]

2.123. Het beroep van [appellant sub 80] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn directe woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Hij betoogt verder dat de aanleg van de BPL leidt tot extra geluidsoverlast bij zijn woning, gezondheidsrisico's voor omwonenden door geluid en een waardedaling van zijn woning.

2.123.1. De woning van [appellant sub 80] op het perceel Boschstraat 17 te Brunssum ligt in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 80] maximaal 50 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B over een lengte van 1.900 m, maximaal 45 dB. Dit is lager dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

De woning van [appellant sub 80] ligt verder op een afstand van ongeveer 65 m in de geluidszone van de te wijzigen Hoogenboschweg. Vast staat dat bij de wijziging van de Hoogenboschweg zonder geluidbeperkende maatregelen de heersende geluidsbelasting van 41,70 dB ter plaatse van de woning van [appellant sub 80] zal toenemen tot 42,70 dB en derhalve onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal blijven, zodat geen sprake is van een reconstructie.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de wijziging van de Hoogenboschweg ter plaatse van de woning van [appellant sub 80] niet leiden tot ernstige geluidhinder. [appellant sub 80] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 80] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 80] 67 dB bedraagt. Zoals overwogen in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Provinciale staten hebben de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

2.123.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 80] heeft aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ten gevolge van het plan op voornoemde locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd. Niet is aannemelijk gemaakt dat de BPL gezondheidsrisico's voor omwonenden doet ontstaan.

2.123.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 80] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.123.4. In hetgeen [appellant sub 80] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 80] is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 1]

Besluit hogere waarden

2.124. Het beroep van [appellante sub 1] richt zich tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 55 dB. Zij vreest ernstige geluidhinder ter plaatse van haar woning aan de Bouwbergstraat 15a te Brunssum vanwege de aanleg van de BPL. Zij stelt met verwijzing naar het akoestisch rapport van HMB van 11 december 2010 dat niet valt in te zien waarom ter hoogte van deze woning niet meer geluidbeperkende maatregelen worden genomen dan het aanbrengen van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B, zoals de plaatsing van een geluidsscherm met een hoogte van 5 m. Zij betoogt dat het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat dit niet doelmatig is, onjuist is. Hiertoe betoogt zij dat, rekening houdend met de keuze voor het aanbrengen van een geluidreducerend wegdek, nog voldoende maatregelpunten als bedoeld in de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh resteren voor het oprichten van een geluidsscherm. Zij stelt voorts dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting. Hiertoe voert zij aan dat geen rekening is gehouden met industrielawaai en railverkeerslawaai.

2.124.1. De woning van [appellante sub 1] op het perceel Bouwbergstraat 15a ligt in cluster 15 in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellante sub 1] maximaal 61 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B, maximaal 55 dB. Omdat dit hoger is dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB heeft het college van gedeputeerde staten een hogere waarde vastgesteld van 55 dB.

2.124.2. Zoals hiervoor in 2.20.3.5 is overwogen is een geluidbeperkende maatregel als bedoeld in tabel 1 en tabel 2 van bijlage 1, behorend bij de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, financieel doelmatig indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waarvoor de maatregel is bedoeld. In overeenstemming met hetgeen hiervoor in 2.20.3.6 is overwogen zijn in de eerste plaats bronmaatregelen in overweging genomen. In het akoestisch onderzoek staat dat voor de doelmatigheidsafweging van bronmaatregelen de clusters 14, 15, 17 en 49 tot en met 51 zijn samengenomen. Het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting toegelicht dat deze clusters zijn samengenomen, omdat een bronmaatregel kan leiden tot een relevante verlaging van de geluidsbelasting ter plaatse van geluidsgevoelige objecten of een verzameling geluidsgevoelige objecten in alle voornoemde clusters. Na de afweging met betrekking tot de bronmaatregelen is nagegaan of het plaatsen van geluidsschermen financieel doelmatig is. Het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting toegelicht dat een geluidsscherm alleen kan leiden tot een verlaging van de geluidsbelasting ter plaatse van gevoelige objecten in één specifiek cluster. De Afdeling acht dit in overeenstemming met artikel 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Het voorgaande in aanmerking genomen stelt het college van gedeputeerde staten terecht dat niet alle maatregelpunten die na de doelmatigheidsafweging van bronmaatregelen resteren kunnen worden gebruikt voor de plaatsing van een scherm in cluster 15. In bijlage 6 van het akoestisch onderzoek staat dat het plaatsen van een geluidsscherm niet doelmatig is, omdat de keuze voor toepassing van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B ertoe leidt dat na aftrek van de naar rato benodigde maatregelpunten voor deze bronmaatregel, onvoldoende maatregelpunten overblijven voor het plaatsen van een geluidsscherm. Het deskundigenbericht onderschrijft dat de kosteneffectiviteitstoets juist is uitgevoerd en dat het plaatsen van een geluidsscherm in cluster 15 niet doelmatig is. [appellante sub 1] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

De gecumuleerde geluidsbelasting is berekend overeenkomstig de in hoofdstuk 2 van bijlage I bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 beschreven rekenmethode. Daarbij wordt rekening gehouden met alle geluidsbronnen, waaronder industrielawaai en railverkeerslawaai. Het college van gedeputeerde staten stelt dat in dit geval ook rekening is gehouden met deze geluidsbronnen. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Zoals hiervoor is overwogen is ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde van 55 dB vastgesteld. Voorts staat in het akoestisch onderzoek dat de gecumuleerde geluidsbelasting voor de woning van [appellante sub 1] maximaal 64 dB bedraagt. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt. Gelet op het akoestisch onderzoek, het deskundigenbericht en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, acht de Afdeling met het college van gedeputeerde staten, onder verwijzing naar het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie', het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en de gecumuleerde geluidsbelasting zodanig groot dat niet aannemelijk is dat het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan de gecumuleerde geluidsbelasting. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Gelet op het vorenstaande, het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde, heeft het college van gedeputeerde staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellante sub 1] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat het college van gedeputeerde staten dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid een hogere waarde van 55 dB voor de woning van [appellante sub 1] heeft kunnen vaststellen.

2.124.3. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.

Inpassingsplan

2.124.4. Het beroep van [appellante sub 1] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar directe woonomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. De beroepsgronden, voor zover betrekking hebbend op het aspect geluid, zijn gelijkluidend aan de beroepsgronden gericht tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde.

2.124.5. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] aan de Bouwbergstraat 15a te Brunssum geen ernstige geluidhinder optreedt als gevolg van de BPL.

2.124.5.1. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.124.2 is overwogen, hebben ook provinciale staten zich ten aanzien van deze woning in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd wordt voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat haar belangen in dit opzicht onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

2.124.6. [appellante sub 1] betoogt dat de aanleg van de BPL leidt tot een waardevermindering van haar woning.

2.124.6.1. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 1] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.124.7. [appellante sub 1] betoogt verder dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in haar zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie. Zij stelt voorts dat is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat haar woning in de reactie op haar zienswijze foutief is aangeduid als de woning aan de Klingstraat 10 en de beschrijving van de zienswijze niet overeenkomt met de zienswijze zoals door haar is geformuleerd.

2.124.7.1. Uit de nota van zienswijzen volgt dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellante sub 1] feitelijke grondslag.

Voorts wordt overwogen dat in de eerste alinea van de reactie op de zienswijze wordt gesproken over de woning aan de Klingstraat 10. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de eerste alinea per abuis is opgenomen als reactie op de zienswijze van [appellante sub 1], nu deze op haar zienswijze geen betrekking heeft. Vaststaat dat de reactie op de zienswijze voor het overige ziet op de bezwaren van [appellante sub 1]. Gelet hierop is duidelijk dat hier sprake is van een kennelijke omissie. Deze omissie geeft geen aanleiding voor een vernietiging van het plan in zoverre.

2.124.8. Voor zover [appellante sub 1] ten slotte betoogt dat ten onrechte direct voor haar woning een grondkerende constructie wordt mogelijk gemaakt, zodat de woning onbereikbaar wordt, stelt de Afdeling vast dat het plan niet voorziet in een grondkerende constructie voor haar woning. Voor zover [appellante sub 1] wijst op kaart nr. 06 behorende bij een rapport van Arcadis van 28 mei 2010, hebben provinciale staten ter zitting aangegeven dat deze kaart een verouderde versie betreft en dat ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] geen grondkerende constructie zal worden gerealiseerd.

2.124.9. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 1] tegen de vaststelling van het inpassingsplan is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 10] en [appellante sub 31]

Besluit hogere waarden

2.125. [appellant sub 10] richt zich tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 53 dB, omdat hij ernstige geluidhinder vreest ter plaatse van zijn woning aan de Slesingerstraat 2 te Brunssum vanwege de aanleg van de BPL. Hij stelt met verwijzing naar het akoestisch rapport van HMB van 11 december 2010 dat niet valt in te zien waarom ter hoogte van deze woning niet meer geluidbeperkende maatregelen worden genomen dan het aanbrengen van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B, zoals de plaatsing van een geluidsscherm met een hoogte van 5 m. Hij betoogt dat het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat dit niet doelmatig is, onjuist is. Hiertoe stelt hij dat, rekening houdend met de keuze voor het aanbrengen van een geluidreducerend wegdek, nog voldoende maatregelpunten als bedoeld in de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh resteren voor het oprichten van een geluidsscherm. Hij richt zich voorts tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde, omdat in zijn woning niet zal kunnen worden voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB. Hij stelt voorts dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting. Hiertoe stelt hij dat geen rekening is gehouden met industrielawaai en railverkeerslawaai.

2.125.1. De woning van [appellant sub 10] is gelegen aan de Slesingerstraat 2 binnen de zone van de BPL in cluster 49. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 10] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit de aanleg van een dunne deklaag B, maximaal 53 dB bedragen. Omdat dit hoger is dan de ingevolge artikel 82 van de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB heeft het college van gedeputeerde staten een hogere waarde vastgesteld van 53 dB.

2.125.1.1. Zoals hiervoor in 2.20.3.5 is overwogen is een geluidbeperkende maatregel als bedoeld in tabel 1 en tabel 2 van bijlage 1, behorend bij de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, financieel doelmatig indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waarvoor de maatregel is bedoeld. In overeenstemming met hetgeen hiervoor in 2.20.3.6 is overwogen zijn in de eerste plaats bronmaatregelen in overweging genomen. In het akoestisch onderzoek staat dat voor de doelmatigheidsafweging van bronmaatregelen de clusters 14, 15, 17 en 49 tot en met 51 zijn samengenomen. Het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting toegelicht dat deze clusters zijn samengenomen, omdat een bronmaatregel kan leiden tot een relevante verlaging van de geluidsbelasting ter plaatse van geluidsgevoelige objecten of een verzameling geluidsgevoelige objecten in alle voornoemde clusters. Na de afweging met betrekking tot de bronmaatregelen is nagegaan of het plaatsen van geluidsschermen financieel doelmatig is. Het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting toegelicht dat een geluidsscherm alleen kan leiden tot een verlaging van de geluidsbelasting ter plaatse van gevoelige objecten in één specifiek cluster. De Afdeling acht dit in overeenstemming met artikel 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Het voorgaande in aanmerking genomen stelt het college van gedeputeerde staten terecht dat niet alle maatregelpunten die na de doelmatigheidsafweging van bronmaatregelen resteren kunnen worden gebruikt voor de plaatsing van een scherm in cluster 49. In bijlage 6 van het akoestisch onderzoek staat dat het plaatsen van een geluidsscherm niet doelmatig is, omdat de keuze voor toepassing van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B ertoe leidt dat na aftrek van de naar rato benodigde maatregelpunten voor deze bronmaatregel, onvoldoende maatregelpunten overblijven voor het plaatsen van een geluidsscherm. Het deskundigenbericht onderschrijft dat de kosteneffectiviteitstoets juist is uitgevoerd en dat het plaatsen van een geluidsscherm in cluster 49 niet doelmatig is. [appellant sub 10] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voor zover [appellant sub 10] ter zitting heeft betoogd dat het geluidsscherm voor de woning op het perceel Slesingerstraat 5 kan worden verlengd tot voorbij zijn woning, heeft het college van gedeputeerde staten te kennen gegeven dat het doortrekken van het geluidsscherm niet doelmatig is nu hiervoor ook onvoldoende maatregelpunten overblijven. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op voornoemd doelmatigheidsbeleid een uitzondering moet worden gemaakt. Daarbij wordt verder van belang geacht dat het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft aangegeven dat het vreest dat het maken van een uitzondering zal leiden tot precedentwerking.

Voor de geluidsbelasting binnen een woning geldt het bepaalde in artikel 111, tweede lid, van de Wgh dat moet worden bevorderd dat de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 33 dB bedraagt. Uit de systematiek van de Wgh volgt dat eerst na vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a dient te worden bepaald of, mogelijk in verband met een slechte gevelisolatie, op grond van artikel 111, tweede lid, maatregelen moeten worden getroffen om te bewerkstelligen dat de binnenwaarde ten hoogste 33 dB bedraagt. De gevelisolatie dan wel de binnenwaarde van woningen speelt bij het vaststellen van hogere waarden geen rol. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek, voor zover dit niet ziet op de gevelisolatie dan wel de binnenwaarde van woningen, niet voldoet aan de Wgh. Ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten toegezegd dat zal worden gegarandeerd dat in de woning van [appellant sub 10] een binnenwaarde zal heersen van maximaal 33 dB.

De gecumuleerde geluidsbelasting is berekend overeenkomstig de in hoofdstuk 2 van bijlage I bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 beschreven rekenmethode. Daarbij wordt rekening gehouden met alle geluidsbronnen, waaronder industrielawaai en railverkeerslawaai. Het college van gedeputeerde staten stelt dat in dit geval dus ook rekening is gehouden met deze geluidsbronnen. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Zoals hiervoor is overwogen is ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde van 53 dB vastgesteld. Voorts staat in het akoestisch onderzoek dat de gecumuleerde geluidsbelasting voor de woning van [appellant sub 10] maximaal 62 dB bedraagt. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt. Gelet op het akoestisch onderzoek, het deskundigenbericht en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, acht de Afdeling met het college van gedeputeerde staten, onder verwijzing naar het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie', het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en de gecumuleerde geluidsbelasting zodanig groot dat niet aannemelijk is dat het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan de gecumuleerde geluidsbelasting. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen over het toenemen van de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen. Gelet op het vorenstaande, het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde, heeft het college van gedeputeerde staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

[appellant sub 10] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat het college van gedeputeerde staten dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid een hogere waarde van 53 dB voor de woning van [appellant sub 10] heeft kunnen vaststellen.

2.125.2. Het beroep van [appellant sub 10] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.

Inpassingsplan

2.125.3. Het beroep van [appellante sub 31] is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan ter hoogte van haar directe omgeving en voor zover dit ziet op haar gronden. Een deel van de beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. De beroepsgronden voor zover betrekking hebbend op het aspect geluid, zijn gelijkluidend aan de beroepsgronden van [appellant sub 10] gericht tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde.

2.125.4. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning Slesingerstraat 2 geen ernstige geluidhinder optreedt als gevolg van de BPL.

2.125.4.1. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.125.1.1 is overwogen heeft [appellante sub 31] niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten niet hebben kunnen uitgaan van de juistheid van de berekende geluidsbelasting van 53 dB. Nu deze geluidsbelasting de hogere waarde niet overschrijdt, staat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg.

2.125.5. [appellante sub 31] betoogt voorts dat het inpassingsplan leidt tot een waardevermindering van de woning Slesingerstraat 2.

2.125.5.1. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 10] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.125.6. [appellante sub 31] voert voorts aan dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in haar zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie en het ontbreken van een geactualiseerd onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Zij stelt voorts dat is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de woning Slesingerstraat 2 in de reactie op haar zienswijze foutief is aangeduid als de woning Klingstraat 10.

2.125.6.1. Uit de nota van zienswijzen volgt dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellante sub 31] feitelijke grondslag.

Voorts wordt overwogen dat in de eerste alinea van de reactie op de zienswijze wordt gesproken over de woning aan de Klingstraat 10. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de eerste alinea per abuis is opgenomen als reactie op de zienswijze van [appellante sub 31], nu deze op haar zienswijze geen betrekking heeft. Vaststaat echter dat de reactie voor het overige ziet op de zienswijze van [appellante sub 31]. Gelet hierop is duidelijk dat hier sprake is van een kennelijke omissie. Deze omissie geeft geen aanleiding voor een vernietiging van het plan in zoverre.

2.125.7. [appellante sub 31] voert voorts aan dat het plan leidt tot een verlies van 5.000 m² van haar gronden. Zij betoogt dat zij hierdoor in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd.

2.125.7.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten ter zitting hebben uiteengezet dat de keuze voor het tracé op deze plaats het resultaat is van een afweging van belangen. In hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten aan het belang bij de aanleg van de BPL niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van [appellante sub 31] bij het behoud van haar gronden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat provinciale staten ter zitting desgevraagd hebben verklaard dat [appellante sub 31] vanwege het verlies aan gronden een schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt dan wel dat het verlies van gronden wordt gecompenseerd met andere gronden. [appellante sub 31] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij desondanks ernstig wordt benadeeld.

2.125.8. Ter zitting heeft [appellante sub 31] verder betoogd dat zij vreest voor trillinghinder en schade aan de woning, omdat de grond tegenover het perceel Slesingerstraat 2 onvoldoende stabiel is. De Afdeling overweegt dat provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat bij de aanleg van de BPL rekening zal worden gehouden met de stabiliteit van de gronden. In hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat vanwege de aanleg van de BPL onaanvaardbare trillinghinder moet worden verwacht.

2.125.9. In hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 31] tegen het inpassingsplan is ongegrond.

Verbeelding - blad 6

Het beroep van [appellant sub 69] (handelend onder de naam Bon Route)

2.126. Het beroep van [appellant sub 69] is gericht tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn bedrijfsgronden. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 69] betoogt verder dat de BPL ten onrechte op gronden van het Schutterspark is voorzien die hij exploiteert en beheert ten behoeve van het zogeheten blote voetenpad. Zo zal de voor workshops, picknicks, spellen en avontuur gebruikte vijver deels verdwijnen. In dit verband voert hij aan dat hij in deze vijver een doorwaadbare plaats en een hindernisbaan heeft aangelegd. Verder verslechtert de milieusituatie ter plaatse van het blote voetenpad, terwijl bezoekers komen voor de natuur en de rust.

Voorts zijn de nadelige gevolgen voor het blote voetenpad in strijd met de doelstelling van de BPL om de bereikbaarheid van toeristische attracties te vergroten, aldus [appellant sub 69].

Verder is volgens [appellant sub 69] geen gevolg gegeven aan de mededeling in de nota van zienswijzen dat het Schutterspark, dat een hoge landschappelijke waarde heeft, zal worden ontzien. [appellant sub 69] pleit ervoor dat de BPL zodanig wordt verlegd dat geen aantasting van het Schutterspark plaatsvindt.

2.126.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het tracé van de BPL is geoptimaliseerd om de aantasting van onder meer het Schutterspark te minimaliseren wat betreft het areaalverlies en de geluidsbelasting. In het verweerschrift stellen provinciale staten dat in overleg met [appellant sub 69] zal worden bezien op welke wijze de door hem gebruikte vijver kan worden heringericht, zodat een vergelijkbaar gebruik mogelijk is.

2.126.2. Voor zover [appellant sub 69] betoogt dat geen gevolg is gegeven aan de mededeling in de nota van zienswijzen dat het Schutterspark zal worden ontzien, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat door de aansluitingen Ganzenpool en Rimburgerweg samen te voegen en te verplaatsen naar het stedelijke gebied, areaalverlies en in mindere mate versnippering van het Schutterspark grotendeels wordt voorkomen. Het betoog mist feitelijke grondslag.

2.126.3. Voor zover [appellant sub 69] betoogt dat de nadelige gevolgen voor het blote voetenpad in strijd zijn met de doelstelling van de BPL om de bereikbaarheid van toeristische attracties te vergroten, overweegt de Afdeling dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat verschillende toeristische attracties beter bereikbaar worden en dat dit, in combinatie met de andere belangen bij het realiseren van de BPL, opweegt tegen de nadelige gevolgen van het plan voor het blote voetenpad.

2.126.4. Voorts hebben provinciale staten ter zitting aan de hand van een herinrichtingskaart toegelicht dat de vijver gedeeltelijk zal worden verplaatst en dat de omwalling van de vijver, die primair een waterbergingsfunctie heeft, tevens dienst doet als geluidwerende voorziening ten behoeve van de bedrijfsvoering van [appellant sub 69]. [appellant sub 69] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verplaatsing van de vijver en de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan in de weg zullen staan aan een rendabele exploitatie van het blote voetenpad.

2.126.5. In hetgeen [appellant sub 69] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen bij het realiseren van de BPL dan aan de bedrijfsbelangen van [appellant sub 69] en de gevolgen van het plan voor de landschappelijke waarden van het Schutterspark.

2.126.6. In hetgeen [appellant sub 69] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het inpassingsplan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 69] is ongegrond.

Verbeelding - blad 8

Algemeen deel over de aansluiting-Hoogstraat te Landgraaf

2.127. De beroepen van een aantal appellanten richten zich onder meer tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden voor de volledige aansluiting van de BPL op de Hoogstraat, de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg (hierna: de aansluiting-Hoogstraat) in Landgraaf.

2.127.1. Met betrekking tot de aansluiting-Hoogstraat stelt een aantal van hen zich op het standpunt dat deze dient te vervallen omdat dit uit het onderzoek van DHV volgt, de aansluiting-Hoogstraat niet in het voorkeurstracé was opgenomen en deze zal leiden tot een toename van de plandrempeloverschrijding. Bovendien zullen reeds op 1 km afstand in noordwestelijke richting en op 1,5 km afstand in zuidoostelijke richting aansluitingen op de BPL zijn. Voorts betogen zij dat provinciale staten een alternatieve locatie hadden moeten kiezen. De naam van de aansluiting-Hoogstraat is volgens hen misleidend, omdat de aansluiting ook gevolgen heeft voor de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg. Zij vrezen dat het een knelpunt zal worden. Voorts trekken zij de juistheid van de verkeersintensiteiten in twijfel en is onduidelijk of de Nieuwenhagerheidestraat de voorziene intensiteiten kan afwikkelen. Tevens is onduidelijk welke maatregelen wat betreft geluid zullen worden genomen. Zij stellen voorts dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar geluid voor het jaar 2025 op basis van de werkelijke vormgeving van de aansluiting. Ook is volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen als de rondweg om Landgraaf.

2.127.2. DHV adviseert in het rapport "Aansluiting Hoogstraat - Buitenring Parkstad Limburg" van september 2009 om de huidige halve aansluiting bij de Hoogstraat te laten vervallen. Dat advies is gebaseerd op een hoofdwegenstructuur voor Landgraaf waarbij het verkeer wordt afgewikkeld via de flanken. DHV adviseert in voornoemd rapport allereerst om de keuze voor een aansluitingsvariant te baseren op een visie over de gewenste toekomstige hoofdwegenstructuur in Landgraaf. Provinciale staten hebben gesteld dat de aansluiting-Hoogstraat is opgenomen in verband met de wens van de gemeente Landgraaf om vanwege een goede bereikbaarheid van het centrum van Landgraaf het verkeer niet af te wikkelen via de flanken van de gemeente, maar via de route Hoogstraat-Nieuwenhagerheidestraat. Provinciale staten hebben voorts in hun belangenafweging betrokken dat de aansluiting-Hoogstraat tot een aanzienlijke ontlasting van het onderliggende wegennet van Landgraaf zal leiden en hierdoor de verkeersveiligheid op de onderliggende wegen zal toenemen. De gestelde toename van de plandrempeloverschrijding volgt uit een rapport van Goudappel Coffeng waarin een prognose van het aantal geluidgehinderden per traject is opgesteld. Aan het inpassingsplan is evenwel een nieuwer model ten grondslag gelegd, zodat de gegevens over de gestelde plandrempeloverschrijding niet representatief zijn. Provinciale staten stellen zich gelet op het voorgaande op het standpunt dat zij op goede gronden voor de aansluiting-Hoogstraat hebben gekozen.

2.127.3. Nu de aansluiting-Hoogstraat tot een aanzienlijke ontlasting van het onderliggende wegennet zal leiden met als gevolg een verbetering van de verkeersveiligheid op die wegen, acht de Afdeling de keuze van provinciale staten voor het opnemen van de aansluiting-Hoogstraat in het plan niet onredelijk. De Afdeling betrekt hierbij dat aan het advies uit het rapport van DHV om aan te sluiten bij de visie over de hoofdwegenstructuur is voldaan, omdat het gemeentebestuur van Landgraaf met het oog op een goede bereikbaarheid van het centrum de verkeersafwikkeling aldaar via de route Hoogstraat-Nieuwenhagerheidestraat wil laten verlopen. Deze functie van de aansluiting-Hoogstraat kan ten gevolge daarvan niet door de nabijgelegen aansluitingen worden vervuld. Wel zal de aansluiting-Hoogstraat met 22.400 mvt/etmaal leiden tot een verdere overschrijding van de streefwaarde voor de Nieuwenhagerheidestraat. Dit brengt niet met zich dat provinciale staten om die reden niet voor de aansluiting-Hoogstraat hebben kunnen kiezen. Immers, het achterwege laten van de aansluiting-Hoogstraat zou tot een verkeerstoename tot boven de streefwaardes op andere wegen en de noodzaak van het aldaar treffen van geluidsmaatregelen leiden. Daarbij hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat met de te treffen fysieke maatregelen niet een veilige en vlotte verkeersafwikkeling op de Nieuwenhagerheidestraat mogelijk is. Wat betreft het aantal geluidgehinderden naar aanleiding van de keuze voor de aansluiting-Hoogstraat hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de reactie van provinciale staten op het rapport van Goudappel Coffeng onjuist is.

Met betrekking tot het betoog dat de naam aansluiting-Hoogstraat misleidend is, overweegt de Afdeling dat daaraan geen bindende betekenis toekomt. De ligging van de aansluiting-Hoogstraat volgt voldoende duidelijk uit de verbeelding.

Voor zover appellanten hebben betoogd dat in plaats van de in het inpassingsplan mogelijk gemaakte aansluiting-Hoogstraat zou kunnen worden voorzien in gebruikmaking van de huidige ligging van het tracé van de Nieuwenhagerheidestraat-Hoogstraat overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting toereikend hebben toegelicht dat een dergelijk alternatief bij een dubbele aansluiting op de BPL zou leiden tot de aanleg van drie turborotondes. Deze zouden dan te kort op elkaar liggen om tijdig richtingkeuzes te kunnen maken. Provinciale staten hebben, gelet hierop, in redelijkheid niet voor het alternatief kunnen kiezen.

Uit het rapport "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 4 juni 2010 volgt dat de kruising van de aansluiting-Hoogstraat met de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg met verkeerslichten zal worden uitgerust. In het rapport "Deelrapport 4B Bijlage Verkeerskundig onderzoek" staat dat hiermee de verkeersstromen voor de aansluiting in 2025 binnen de gestelde tijd van 120 seconden kunnen worden verwerkt. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verkeer ter plaatse van de aansluiting veilig en adequaat kan worden afgewikkeld.

Met betrekking tot de stelling dat onduidelijk is hoe de verkeersintensiteiten zijn bepaald, overweegt de Afdeling dat in het rapport "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 4 juni 2010 staat dat de verkeersintensiteiten zijn ontleend aan het Regionale Verkeersmodel van maart 2010 en dat dit de meest actuele verkeersgegevens zijn. In hetgeen is aangevoerd hebben provinciale staten geen reden hoeven zien om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen. Wat betreft de gestelde onduidelijkheid over maatregelen aangaande geluidhinder overweegt de Afdeling dat in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai behorend bij het inpassingsplan voor de BPL" van 8 oktober 2010 staat dat op de Hoogstraat een dunne deklaag B over een lengte van 165 m en steenmastiekasfalt 0/6 worden toegepast en op de Nieuwenhagerheidestraat een dunne deklaag B over een lengte van 215 m en steenmastiekasfalt 0/6 over een lengte van 140 m.

Wat betreft het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar geluidhinder op basis van de werkelijke vormgeving van de aansluiting-Hoogstraat overweegt de Afdeling dat uit het onderzoek "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai behorend bij het inpassingsplan voor de BPL" van 8 oktober 2010 volgt dat gebruik is gemaakt van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Ingevolge artikel 3.2, tweede lid, onder b, van deze regeling dient rekening gehouden te worden met effecten van met verkeerlichten geregelde kruispunten. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat, waar nodig, rekening is gehouden met de kruispunttoeslag als bedoeld in artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rondweg om Landgraaf een reeds dusdanig concrete ontwikkeling is dat provinciale staten hiermee bij de vaststelling van het plan rekening hadden behoren te houden.

2.128. Een aantal appellanten richt zich tevens tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de gronden voor de aansluiting-Hoogstraat, wat betreft de gevolgen hiervan voor de Nieuwenhagerheidestraat. Zij voeren in dat verband aan dat door de hogere verkeersintensiteiten de verkeersveiligheid in de Nieuwenhagerheidestraat zal verslechteren. Voorts stellen zij dat geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting op de woningen aan de Nieuwenhagerheidestraat vanaf nummer 51.

2.128.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat door de aansluiting-Hoogstraat geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat op de Nieuwenhagerheidestraat zal ontstaan en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat daar een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. Naar de geluidsbelasting op de woningen aan de Nieuwenhagerheidestraat vanaf nummer 51 is volgens provinciale staten onderzoek gedaan.

2.128.2. In het rapport "Verkeerskundig onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat dat uit analyse van het effect van de BPL op de verkeersveiligheid naar voren is gekomen dat een vermindering wordt verwacht van ongeveer 50 verkeersongevallen per jaar ten opzichte van de situatie zonder de BPL en dat deze vermindering vooral plaatsvindt op de wegen binnen de bebouwde kom. Voorts staat er dat de aansluiting-Hoogstraat volgens het principe van Duurzaam Veilig wordt vormgegeven. Ook volgt uit voornoemd onderzoek dat het kruispunt van de aansluiting-Hoogstraat met de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg wordt uitgerust met verkeerslichten en staat in het verweerschrift dat de Nieuwenhagerheidestraat wordt uitgevoerd met twee middengeleiders, zodat fietsers en voetgangers de straat in twee fasen kunnen oversteken. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat op de Nieuwenhagerheidestraat een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

Met betrekking tot de stelling dat geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting op de woningen aan de Nieuwenhagerheidestraat 51 en hoger overweegt de Afdeling dat in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai behorend bij het inpassingsplan voor de BPL" van 8 oktober 2010 in bijlage 5 de resultaten staan van het akoestisch onderzoek bij de woningen aan de Nieuwenhagerheidestraat 51 tot en met 82. Ook staan in die bijlage de onderzoeksresultaten voor deze woningen vanwege het geluid van de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg. In het deskundigenrapport is bevestigd dat alle woningen langs de Nieuwenhagerheidestraat in het akoestisch onderzoek zijn betrokken. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

2.129. Wat betreft de gevolgen van de aansluiting voor de Vogelzankweg betoogt een aantal appellanten dat uit het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai behorend bij het inpassingsplan voor de BPL" van 8 oktober 2010 volgt dat de verkeersintensiteiten op de Vogelzankweg toenemen. Zij achten het, anders dan provinciale staten, onwaarschijnlijk dat de verkeersintensiteiten afnemen op de Vogelzankweg nu de aansluiting-Hoogstraat hierop aansluit.

2.129.1. Voor zover appellanten wijzen op een verkeersintensiteit van 22.400 mvt/etmaal overweegt de Afdeling dat dit aantal niet ziet op de Vogelzankweg maar op de Nieuwenhagerheidestraat. In het verweerschrift hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de verkeersintensiteiten op de Vogelzankweg zullen afnemen van ongeveer 5.200 mvt/etmaal in het peiljaar 2014 naar ongeveer 5.000 mvt/etmaal in het peiljaar 2025. Deze afname volgt uit het ten tijde van het bestreden besluit beschikbare verkeersmodel. Dat hieraan een onjuiste berekening ten grondslag ligt hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Overigens volgt, zo hebben provinciale staten ter zitting aangegeven, uit het nieuwste model van Omnitrans dat zich wel een toename ten opzichte van de autonome ontwikkeling zal voordoen, maar dat het verwachte aantal voertuigen in 2025 niet meer zal zijn dan ongeveer 5.000 per etmaal.

Het beroep van [appellant sub 41]

2.130. Ter zitting heeft [appellant sub 41] de beroepsgrond dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat haar woning drie bouwlagen telt, ingetrokken.

2.130.1. Het beroep van [appellant sub 41] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Vogelzankweg 10 te Landgraaf. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het algemene deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. [appellant sub 41] vreest dat de geluidsbelasting op haar woning als gevolg van het plan zal stijgen. Zij betoogt onder verwijzing naar een rapport van adviesbureau HMB dat wat betreft de geluidscumulatie geen inzicht is gegeven in luchtvaartlawaai en geen rekening is gehouden met industriegeluid en railverkeerslawaai. Voorts vreest zij verslechtering van haar uitzicht door de oprit vlak voor haar woning.

2.130.2. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidssituatie voor de woning van [appellant sub 41] als gevolg van het plan aanvaardbaar is. Volgens hen is in het akoestisch onderzoek de geluidsbelasting vanwege luchtvaartlawaai, industriegeluid en railverkeerslawaai meegenomen. Feitelijke maatregelen als het aanleggen van een groenvoorziening behoren tot de mogelijkheden en provinciale staten zijn daartoe bereid mits hierover met alle betrokken bewoners overeenstemming kan worden bereikt, zo hebben zij ter zitting aangegeven.

2.130.3. In het akoestisch onderzoek staat dat voor de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting is uitgegaan van de wettelijk voorgeschreven methode uit bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 en dat rekening is gehouden met de geluidsbelasting van wegverkeer, railverkeer, industrie en vliegverkeer. Het rapport van onderzoeksbureau HMB gaat uit van een oude versie van het akoestisch onderzoeksrapport en niet van het rapport "Akoestisch onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 dat aan het inpassingsplan ten grondslag ligt.

2.130.4. De woning van [appellant sub 41] ligt in de geluidszones van de BPL, de Vogelzankweg en de Nieuwenhagerheidestraat. Deze wegen worden alle gewijzigd als gevolg van het plan. De woning van [appellant sub 41] ligt in cluster 20.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de bestaande N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 41] in de huidige situatie 50,73 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van maatregelen 56,78 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 49,48 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 41] zal derhalve afnemen.

Voorts is berekend dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 41] vanwege de Vogelzankweg in de huidige situatie 56,25 dB en in de toekomstige situatie 42,66 dB bedraagt. Voor geen van de berekende hoogtes geldt dat sprake is van een reconstructie van een weg. De geluidsbelasting vanwege de Vogelzankweg zal afnemen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 41] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie 51,85 dB en in de toekomstige situatie 57,87 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting vanwege die weg op de begane grond 52,78 dB zal bedragen, op de eerste verdieping 53,98 dB en op de tweede verdieping 54,19 dB. Omdat de toename als gevolg van de reconstructie niet geheel kan worden weggenomen met maatregelen is voor de woning van [appellant sub 41] een hogere waarde van 54 dB vastgesteld. Hiertegen heeft [appellant sub 41] geen rechtsmiddelen aangewend.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 58 dB bedraagt. Zoals is vermeld in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' hebben provinciale staten voor situaties als de onderhavige, waar de hoogte van de gecumuleerde geluidsbelasting mede wordt bepaald door de gevolgen van de BPL voor het onderliggende wegennet, ter zitting toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 41] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.130.5. Met betrekking tot de door [appellant sub 41] gevreesde verslechtering van haar uitzicht overweegt de Afdeling dat de gronden tegenover haar woning, aan de overzijde van de Vogelzankweg, zijn bestemd als "Berm". Artikel 5, lid 5.1, onder b, van de planregels maakt groenvoorzieningen mogelijk. Groenvoorzieningen kunnen daarmee tegen de gevreesde verslechtering van het uitzicht worden ingezet, hetgeen provinciale staten ter zitting hebben toegezegd onder de voorwaarde dat alle betrokken bewoners daarover eens kunnen worden. Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten zich toereikend de belangen van [appellant sub 41] aangetrokken.

2.130.6. In hetgeen [appellant sub 41] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 41] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 4]

Besluit hogere waarden

2.131. De woning van [appellant sub 4] aan de Vogelzankweg 30 te Landgraaf ligt in onder meer de geluidszone van de Nieuwenhagerheidestraat. De woning ligt in cluster 20.

De Nieuwenhagerheidestraat zal als gevolg van het inpassingsplan worden gewijzigd. Berekend is dat de geluidsbelasting als gevolg van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 4] in de huidige situatie ten hoogste 41,54 dB bedraagt. Voor het bepalen van een eventuele toename van de geluidsbelasting moet derhalve uitgegaan worden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De toekomstige geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 51,39 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt met meer dan 2 dB overschreden, zodat sprake is van reconstructie van de Nieuwenhagerheidestraat. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat het doelmatig is om op de Nieuwenhagerheidestraat een dunne deklaag B aan te brengen over een lengte van 215 m en steenmastiekasfalt 0/6 over een lengte van 140 m. Als gevolg van deze bronmaatregelen zal de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 4] als gevolg van de Nieuwenhagerheidestraat ten hoogste 49,71 dB bedragen. De toename als gevolg van de reconstructie kan met de bronmaatregelen niet geheel worden weggenomen, zodat voor de woning van [appellant sub 4] een hogere waarde van 50 dB is vastgesteld.

2.131.1. [appellant sub 4] betoogt dat wat betreft de Nieuwenhagerheidestraat geen sprake is van een reconstructie van een weg, maar van de aanleg van een nieuwe weg. Verder volgt volgens [appellant sub 4] uit het akoestisch onderzoek dat de gecumuleerde geluidsbelasting op zijn woning 60 dB bedraagt, terwijl het college van gedeputeerde staten in het verweerschrift stelt dat deze 57 dB bedraagt. Hij acht de wijze van berekenen ondoorzichtig. Voorts betoogt hij dat ook de huidige gecumuleerde waarde voor zijn woning berekend had moeten worden om te kunnen afwegen of geen sprake is van een onaanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting.

2.131.2. De Afdeling overweegt dat, gelet op de definitie van reconstructie van een weg in artikel 1 van de Wgh, sprake dient te zijn van een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg. In het deskundigenbericht staat dat in de brochure "Reconstructie van een weg en de toepassing van de wet geluidhinder" uit 1984 staat dat sprake is van een reconstructie van een weg onder de voorwaarden dat de geprojecteerde weg dient ter vervanging van de aanwezige weg, de geprojecteerde weg komt te liggen in het gebied dat direct aan de aanwezige weg grenst, zonder dat er geluidgevoelige bestemmingen tussen de aanwezige weg en de projecteerde weg komen te liggen en de geprojecteerde weg eenzelfde verkeersfunctie heeft als de aanwezige weg. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze brochure niet als uitgangspunt kan worden genomen. Gelet op de omstandigheid dat het inpassingsplan voorziet in de aanpassing van reeds aanwezige wegen, de verkeersfunctie van deze wegen niet zal veranderen en tussen de aanwezige en de geprojecteerde weg geen geluidgevoelige bestemmingen zullen zijn gelegen, heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat op de wijziging van de Nieuwenhagerheidestraat niet het regime voor de aanleg van een nieuwe weg in de zin van de Wgh van toepassing is.

2.131.3. Het verschil tussen de in het akoestisch onderzoek genoemde gecumuleerde waarde van 60 dB en de in het verweerschrift van het college van gedeputeerde staten genoemde gecumuleerde waarde van 57 dB is blijkens de toelichting van het college van gedeputeerde staten gelegen in de omstandigheid dat ingevolge artikel 3.6 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 gelezen in samenhang met artikel 110g van de Wgh een aftrek van 2 dB mag worden toegepast voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en 5 dB voor de overige wegen. De gecumuleerde waarde van 60 dB heeft betrekking op de BPL, waar een snelheid van meer dan 70 km/uur geldt, terwijl de gecumuleerde waarde van 57 dB de gecumuleerde waarde is die betrekking heeft op de Nieuwenhagerheidestraat, waar een lagere snelheid geldt.

De Afdeling overweegt dat uit de Wgh noch enige andere wettelijke bepaling een verplichting voor het college van gedeputeerde staten voortvloeit om de huidige gecumuleerde geluidsbelasting in zijn afwegingen te betrekken. Zoals hiervoor is overwogen is een hogere waarde van 50 dB vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 60 dB bedraagt. Zoals is vermeld in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' heeft het college van gedeputeerde staten voor situaties als de onderhavige, waar de hoogte van de gecumuleerde geluidsbelasting mede wordt bepaald door de gevolgen van de BPL voor het onderliggende wegennet, ter zitting toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, heeft het college van gedeputeerde staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

2.131.4. Het beroep van [appellant sub 4] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde voor zijn woning aan de Vogelzankweg 30 is ongegrond.

Inpassingsplan

2.131.5. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien op en ter hoogte van het perceel Vogelzankweg 30 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en in het algemene deel omtrent de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder betoogt [appellant sub 4] dat met de gewijzigde vaststelling van het inpassingsplan aan een gedeelte van zijn voortuin ten onrechte de bestemming "Verkeer" is toegekend. Hierdoor zal het voor hem niet meer mogelijk zijn op zijn oprit te parkeren. Voorts is volgens hem onduidelijk hoe de precieze vormgeving van de bocht ter hoogte van zijn woning zal zijn. Het plandeel voor de aansluiting op de Vogelzankweg is breder dan de Vogelzankweg, zodat dit niet goed op elkaar aansluit. Voorts vreest hij lichthinder vanwege vrachtverkeer en verkeerslichten alsmede geluidhinder.

2.131.6. Provinciale staten erkennen dat hetgeen [appellant sub 4] betoogt omtrent het bestemmen van een deel van zijn voortuin voor "Verkeer" juist is en dat deze gronden in het kader van het inpassingsplan niet langer nodig zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] hieromtrent heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor zover dat ziet op het perceel Vogelzankweg 30, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.131.7. De provinciale weg N299 wordt ter hoogte van de woning van [appellant sub 4] gewijzigd in de BPL. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 4] in de huidige situatie 48,35 dB en in de toekomstige situatie met de BPL zonder het treffen van maatregelen 54,33 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee geluidsschermen van 2 m hoog en 215 m onderscheidenlijk 610 m lang, de geluidsbelasting 46,01 dB zal bedragen. De geluidsbelasting zal als gevolg van de BPL derhalve afnemen.

De Vogelzankweg zal als gevolg van het plan gewijzigd worden. In bijlage 5 bij het "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat dat de geluidsbelasting vanwege de Vogelzankweg in de huidige situatie 56,01 dB en in de toekomstige situatie 55,59 dB bedraagt. De geluidsbelasting vanwege deze weg zal ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] derhalve afnemen.

Met betrekking tot de geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat is in 2.131 overwogen dat een hogere waarde van 50 dB is vastgesteld omdat de toename van de geluidsbelasting door middel van bronmaatregelen niet volledig kan worden weggenomen. De Wgh staat in zoverre niet aan het plan in de weg.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] 60 dB bedraagt. Zoals is vermeld in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' hebben provinciale staten voor situaties als de onderhavige, waar de hoogte van de gecumuleerde geluidsbelasting mede wordt bepaald door de gevolgen van de BPL voor het onderliggende wegennet, ter zitting toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 4] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.131.8. Met betrekking tot de door [appellant sub 4] gevreesde lichthinder hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze niet onaanvaardbaar zal zijn. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat er aan het einde van de afrit van de BPL geen of nauwelijks hoogteverschillen zullen zijn ten opzichte van de woning van [appellant sub 4] en dat provinciale staten voorts hebben toegezegd feitelijke maatregelen als het aanbrengen van beplanting te nemen om eventuele lichthinder te beperken. Dat hiervoor geen mogelijkheden bestaan is niet gebleken. Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten zich toereikend de belangen van [appellant sub 4] aangetrokken.

2.131.9. In hetgeen [appellant sub 4] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] tegen het inpassingsplan is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 57]

2.132. Het beroep van [appellant sub 57] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien op en ter hoogte van het perceel Vogelzankweg 32 te Landgraaf. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en in het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder betoogt [appellant sub 57] dat ten onrechte niet op haar zienswijze tegen het inpassingsplan en op haar zienswijze tegen het besluit hogere waarden is gereageerd. Zij meent dat het rapport "Deelrapport 9 Omgevingsplan behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 ten onrechte geen juridische status heeft en dat onvoldoende dwarsprofielen van het plan zijn gemaakt. Voorts vreest zij geluidhinder en waardedaling van haar woning als gevolg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat en overlast van de aanleg ervan. Er is haar niet gebleken dat voor haar woning akoestisch onderzoek is gedaan.

2.132.1. Provinciale staten hebben ter zitting aangegeven dat, evenals het geval is in de situatie van [appellant sub 4], ook het als "Verkeer" bestemde gedeelte van de voortuin van de woning van [appellant sub 57] niet langer nodig is in het kader van het inpassingsplan. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 57] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.132.2. Provinciale staten stellen zich verder op het standpunt dat de zienswijze van [appellant sub 57] op het inpassingsplan per abuis niet volledig is beantwoord, maar dat haar argumenten wel bij de besluitvorming zijn betrokken door de beantwoording van gelijkluidende zienswijzen. Het Omgevingsplan is niet juridisch bindend maar zal volgens provinciale staten als toetsingskader fungeren voor de vergunningverlening. Voorts stellen provinciale staten dat zij alleen voor de locaties waarvoor discussie over de uitvoering van het tracé bestaat, dwarsprofielen in het plan hebben opgenomen, en dat in combinatie met de lengteprofielen in het referentieontwerp de uitvoering van het tracé voldoende duidelijk is. Provinciale staten menen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 57] geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden. Wat betreft de gevreesde overlast zullen zij afspraken met omwonenden maken om overlast van de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zo veel mogelijk te beperken.

2.132.3. De Afdeling overweegt dat provinciale staten hebben erkend dat zij ten onrechte aan de zienswijze van [appellant sub 57] zijn voorbijgegaan. De zienswijze van [appellant sub 57] is echter vrijwel gelijkluidend aan de zienswijze die [appellant sub 4], woonachtig aan de Vogelzankweg 30, heeft ingediend. Provinciale staten zijn op de zienswijze van [appellant sub 4] genoegzaam ingegaan. Derhalve ziet de Afdeling in dit betoog van [appellant sub 57] geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit in zoverre.

Wat betreft het betoog dat de zienswijze tegen het besluit hogere waarden niet in de zienswijzenota is opgenomen, overweegt de Afdeling dat het besluit hogere waarden een ander besluit betreft dan het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en dat de beantwoording van een zienswijze tegen het besluit hogere waarden niet hoeft plaats te vinden in de zienswijzenota aangaande het inpassingsplan.

2.132.4. In het Omgevingsplan staat dat daarin de vormgeving en het gebruik van de geplande werken op hoofdlijnen zijn vastgelegd. Het fungeert als kwaliteitskader voor de uitvoering en ten aanzien van kunstwerken als toetsingskader voor vergunningen. De Afdeling overweegt dat in een inpassingsplan in beginsel geen welstandseisen worden opgenomen. Het toetsen van gebouwen of bouwwerken aan de welstandseisen is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot de aan te vragen omgevingsvergunning. Derhalve hoefden provinciale staten de inhoud van het Omgevingsplan niet te vertalen in de planregels.

2.132.5. Provinciale staten hebben met het opnemen in artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels dat ter plaatse van de gronden met de bestemming "Verkeer" wegen met niet meer dan 2x2 rijstroken zijn toegestaan reeds aan het bepaalde in artikel 3.3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro, gelezen in samenhang met artikel 1.1.1, tweede lid, van het Bro, voldaan. Het tevens opnemen van dwarsprofielen van de weg is derhalve niet verplicht. De Afdeling acht het standpunt van provinciale staten dat het inpassingsplan voldoende duidelijk is niet onjuist.

2.132.6. De woning van [appellant sub 57] ligt in de geluidszones van de BPL, waarvoor de N299 gewijzigd wordt, en de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg, die tevens gewijzigd worden. De woning ligt in cluster 20. Anders dan [appellant sub 57] betoogt is voor haar situatie akoestisch onderzoek verricht, neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 57] in de huidige situatie 47,96 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van maatregelen 53,96 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 45,30 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 57] zal derhalve afnemen.

In bijlage 5 bij het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 57] vanwege de Vogelzankweg in de huidige situatie 56,24 dB en in de toekomstige situatie 56,78 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde niet met 2 dB of meer wordt verhoogd, zodat geen sprake is van een reconstructie van een weg.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 57] in de huidige situatie 40,65 dB bedraagt, zodat voor het bepalen van de toename uitgegaan moet worden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In de toekomstige situatie zal de geluidsbelasting vanwege de Nieuwenhagerheidestraat 50,30 dB bedragen. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting vanwege de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 57] zal afnemen tot 47,35 dB op de begane grond en 48,67 op de eerste verdieping. De toename als gevolg van de reconstructie kan met de bronmaatregel niet geheel worden weggenomen, zodat voor de woning van [appellant sub 57] bij besluit van 7 oktober 2010 een hogere waarde van 49 dB is vastgesteld. Hiertegen heeft [appellant sub 57] geen rechtsmiddelen aangewend.

In het akoestisch onderzoek staat dat de gecumuleerde geluidsbelasting voor de woning van [appellant sub 57] 61 dB bedraagt. Zoals is vermeld in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' hebben provinciale staten voor situaties als de onderhavige waar de hoogte van de gecumuleerde geluidsbelasting mede wordt bepaald door de gevolgen van de BPL voor het onderliggende wegennet, ter zitting toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 57] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.132.7. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 57] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.132.8. Wat betreft de vrees van [appellant sub 57] voor overlast als gevolg van de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat overweegt de Afdeling dat dit aspect ziet op de uitvoering van het plan, hetgeen in beginsel in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien heeft [appellant sub 57] niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zal leiden tot onevenredige overlast ter plaatse van haar woning.

2.132.9. In hetgeen [appellant sub 57] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 57] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 105]

2.133. Het beroep van [appellant sub 105] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Nieuwenhagerheidestraat 66 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. [appellant sub 105] vreest verder voor geluidhinder als gevolg van het plan.

2.133.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het plan geen onaanvaardbare geluidhinder voor [appellant sub 105] tot gevolg zal hebben.

2.133.2. De woning van [appellant sub 105] ligt in de geluidszones van de BPL en de Nieuwenhagerheidestraat. Beide wegen worden gewijzigd als gevolg van het plan. De woning ligt in cluster 20.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 105] in de huidige situatie 47,67 dB bedraagt, zodat voor het bepalen van de toename van de geluidsbelasting uitgegaan moet worden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In de toekomstige situatie met de BPL bedraagt de geluidsbelasting zonder het treffen van maatregelen 52,17 dB. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 47,20 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 105] zal derhalve afnemen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 105] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie op een hoogte van 1,5 m 66,62 dB, op een hoogte van 4,5 m 65,71 dB en op een hoogte van 7,5 m 64,38 dB bedraagt. Eerder is voor de woning van [appellant sub 105] een hogere waarde van 64 dB(A) vastgesteld, die omgerekend naar Lden-waarde 63,98 dB bedraagt. Provinciale staten hebben onweersproken gesteld dat de woning reeds is gesaneerd. In de toekomstige situatie bedraagt de geluidsbelasting op 4,5 m hoogte 67,21 dB. Niet in geschil is dat de eerder vastgestelde waarde met 2 dB of meer wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting op 4,5 m hoogte 63,08 dB bedraagt. Op 1,5 m en 7,5 m hoogte bedraagt deze onderscheidenlijk 63,86 dB en 61,85 dB. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 105] zal derhalve afnemen.

Voor de woning van [appellant sub 105] is in het kader van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Wel is in het verleden een hogere waarde vastgesteld. Naar uit het deskundigenbericht volgt bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning ongeveer 64 dB. Deze waarde komt overeen met de indertijd verleende hogere waarde en wordt mogelijk mede beïnvloed door de gevolgen van het inpassingsplan. Nu de situatie van [appellant sub 105] vergelijkbaar is met de hierna in 2.136 en volgende te bespreken situatie van [appellant sub 103] geldt de toezegging van provinciale staten ter zitting dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde van in dit geval 43 dB zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde, ook voor de situatie van [appellant sub 105]. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 105] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.133.3. In hetgeen [appellant sub 105] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 105] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 63]

2.134. Het beroep van [appellant sub 63] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Nieuwenhagerheidestraat 62 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. [appellant sub 63] vreest geluidhinder en verslechtering van zijn uitzicht als gevolg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat, evenals waardedaling van zijn woning. Hij meent dat onduidelijk is of de geluidreducerende maatregelen afdoende zullen werken. Voorts betoogt hij dat de BPL negatieve gevolgen zal hebben voor het gebruik van zijn tuin. Ook vreest hij overlast van de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat.

2.134.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het inpassingsplan niet zal leiden tot een aantasting van het woongenot van [appellant sub 63], doordat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder ten gevolge van het plan. De achtertuin komt volgens provinciale staten niet voor bescherming op grond van de Wgh in aanmerking.

2.134.2. De woning van [appellant sub 63] ligt in de geluidszones van de BPL en de Nieuwenhagerheidestraat. Beide wegen worden gewijzigd als gevolg van het plan. De woning ligt in cluster 20.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 63] in de huidige situatie 47,12 dB bedraagt, zodat voor het bepalen van de toename van de geluidsbelasting uitgegaan moet worden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In de toekomstige situatie zonder het treffen van maatregelen bedraagt de geluidsbelasting 51,76 dB. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 47,02 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 63] zal derhalve afnemen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 63] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie 66,65 dB bedraagt. Eerder is voor de woning van [appellant sub 63] een hogere waarde van 64 dB(A) vastgesteld, die omgerekend naar Lden-waarde 63,98 dB bedraagt. Provinciale staten hebben onweersproken gesteld, dat de woning reeds is gesaneerd. In de toekomstige situatie bedraagt de geluidsbelasting 68,11 dB. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting 63,82 dB bedraagt. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 63] zal derhalve afnemen.

Voor de woning van [appellant sub 63] is in het kader van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Wel is in het verleden een hogere waarde vastgesteld. Naar uit het deskundigenbericht volgt bedraagt de maximale gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning ongeveer 64 dB. Deze waarde komt overeen met de indertijd verleende hogere waarde en wordt mogelijk mede beïnvloed door de gevolgen van het inpassingsplan. Nu de situatie van [appellant sub 63] vergelijkbaar is met de hierna in 2.136 en volgende te bespreken situatie van [appellant sub 103] geldt de toezegging van provinciale staten ter zitting dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde van in dit geval 43 dB zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde, ook voor de situatie van [appellant sub 63]. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Voor zover [appellant sub 63] twijfels heeft uitgesproken over de werking van de geluidwerende voorzieningen overweegt de Afdeling dat [appellant sub 63] daarvoor geen begin van bewijs heeft geleverd. De Afdeling heeft dan ook geen aanleiding gezien niet van de resultaten van het akoestisch onderzoek uit te gaan. Daarbij komt dat, zoals provinciale staten ter zitting hebben aangegeven, ingevolge de artikelen 118 en 122 van de Wgh in samenhang gelezen met artikel 117 van de Wgh elke vijf jaar onder meer de hoogte van de geluidsbelasting, het te voeren beleid om de geluidsbelasting te beperken en de voorgestelde maatregelen zullen worden bezien. Mocht dan blijken dat de geluidswaarden niet worden gehaald, dan zal worden bezien of aanvullende maatregelen worden getroffen, aldus provinciale staten ter zitting.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 63] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.134.3. Wat betreft de gevreesde verslechtering van het uitzicht aan de voorzijde van de woning overweegt de Afdeling dat de woning op een afstand van ongeveer 25 m van het dichtstbij gelegen deel van het plangebied staat. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit uitzicht onevenredig wordt beperkt. Wat betreft de achtertuin hebben provinciale staten ter zitting aangegeven dat de huidige N299 schuin daarachter, op grote afstand wordt verbreed. Niet is aannemelijk gemaakt dat dit een onevenredige verslechtering van het uitzicht vanuit de achtertuin zal veroorzaken.

Voor zover het betreft de geluidsgevolgen vanwege de BPL in de achtertuin overweegt de Afdeling dat een tuin bij een woning in het kader van de Wgh niet als een geluidgevoelige bestemming wordt aangemerkt. Voorts staat in het deskundigenbericht dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de achtergevel van de woning van [appellant sub 63] 48 dB bedraagt. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de achtertuin van [appellant sub 63] geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden.

2.134.4. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 63] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.134.5. Wat betreft de vrees van [appellant sub 63] voor overlast als gevolg van de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat overweegt de Afdeling dat dit aspect ziet op de uitvoering van het plan, hetgeen in beginsel in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien heeft [appellant sub 63] niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zal leiden tot onevenredige overlast ter plaatse van zijn woning.

2.134.6. In hetgeen [appellant sub 63] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 63] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 23]

2.135. Het beroep van [appellant sub 23] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van zijn perceel Nieuwenhagerheidestraat 67 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder voert [appellant sub 23] aan dat onduidelijk is wat het advies van de brandweer inzake de externe veiligheid inhoudt en of naar aanleiding daarvan aanpassingen in het plan zijn doorgevoerd. [appellant sub 23] vreest voorts dat zijn woongenot zal worden aangetast door geluidhinder. Hij betoogt dat hiernaar geen onderzoek is gedaan.

2.135.1. Provinciale staten hebben toegelicht dat de conclusies van het advies van de brandweer van 2 juni 2010 onder meer zijn dat het plaatsgebonden risico van 10-6 niet wordt overschreden en dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft. Het advies heeft geen aanleiding gegeven om het inpassingsplan aan te passen. Uit de verantwoording van het groepsrisico komt naar voren dat het een verantwoorde situatie betreft. Met betrekking tot de gevreesde geluidhinder stellen zij zich op het standpunt dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 23] zal afnemen, zodat als gevolg van het inpassingsplan zijn woongenot wat betreft geluidhinder niet zal verminderen.

2.135.2. In de nota van wijzigingen staat dat naar aanleiding van het advies van de brandweer van 2 juni 2010 de toelichting is aangepast. Ook het onderzoeksrapport "Deelrapport 11 Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" is aangepast, hetgeen is neergelegd in een aangepast rapport van 31 januari 2011. De Afdeling acht voldoende duidelijk wat het advies van de brandweer van 2 juni 2010 inhoudt en welke gevolgen dit voor het plan heeft.

2.135.3. De woning van [appellant sub 23] ligt in de geluidszones van de BPL, waarvoor de N299 gewijzigd wordt, en de Nieuwenhagerheidestraat, die tevens gewijzigd wordt. Anders dan [appellant sub 23] betoogt is voor zijn situatie akoestisch onderzoek verricht, neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 23] in de huidige situatie 46,18 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van maatregelen 51,18 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 45,36 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 23] zal derhalve afnemen.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 23] in de huidige situatie 60,13 dB en in de toekomstige situatie 61,58 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde niet met 2 dB of meer wordt verhoogd, zodat geen sprake is van een reconstructie van een weg. Ten behoeve van het beperken van de geluidsbelasting bij andere woningen aan de Nieuwenhagerheidestraat zal deze weg over een lengte van 215 m worden voorzien van een dunne deklaag B. Als gevolg daarvan zal ook de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 23] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat afnemen, namelijk tot 57,84 dB.

Voor de woning van [appellant sub 23] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning 61 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen acht de Afdeling voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. In dit geval, waarbij provinciale staten hebben toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name door het bestaande wegverkeer wordt veroorzaakt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel, zodat provinciale staten de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar hebben kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 23] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.135.4. In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 23] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 103]

2.136. [appellant sub 103] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat de woningen aan de Nieuwenhagerheidestraat 49 en hoger te Landgraaf gesaneerd dienen te worden, beperkt tot zijn eigen woning aan de Nieuwenhagerheidestraat 57.

2.136.1. Het beroep van [appellant sub 103] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Nieuwenhagerheidestraat 57 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. [appellant sub 103] vreest verder geluidhinder ter plaatse van zijn woning. Zijn woning dient gesaneerd te worden. Voorts vreest hij een verslechtering van zijn uitzicht als gevolg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat en waardedaling van zijn woning, waardoor deze onverkoopbaar zal worden.

2.136.2. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 103] niet zullen leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft de geluidsbelasting. Sanering van de woning van [appellant sub 103] heeft reeds plaatsgevonden. Wat betreft visuele hinder merken zij op dat [appellant sub 103] op ruime afstand van de BPL woont en het gedeelte van de Nieuwenhagerheidestraat waaraan hij woont niet zal veranderen als gevolg van het plan. Zij achten voorts niet aannemelijk dat de woning van [appellant sub 103] onverkoopbaar zal worden.

2.136.3. Bij besluit van 18 december 1996, kenmerk MBG 96073620, is voor de woning van [appellant sub 103] ingevolge artikel 90, tweede en vierde lid, van de Wgh gelezen in samenhang met artikel 111 een hogere waarde van 64 dB(A) vastgesteld. Daarmee is deze situatie, daargelaten de vraag of daadwerkelijk maatregelen zijn getroffen, afgehandeld. Er bestaat, anders dan [appellant sub 103] betoogt, geen aanleiding de woning opnieuw op te nemen in een saneringsprogramma.

2.136.4. De woning van [appellant sub 103] ligt in de geluidszones van de BPL en de Nieuwenhagerheidestraat. Beide wegen worden gewijzigd als gevolg van het plan. De woning ligt in cluster 20.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 103] in de huidige situatie 45,64 dB bedraagt, zodat voor het bepalen van de toename van de geluidsbelasting uitgegaan moet worden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In de toekomstige situatie zonder het treffen van maatregelen bedraagt de geluidsbelasting 50,81 dB. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 44,89 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 103] zal derhalve afnemen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 103] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie 65,79 dB bedraagt. De op 18 december 1996 verleende hogere waarde bedraagt omgerekend naar Lden-waarde 63,98 dB. In de toekomstige situatie bedraagt de geluidsbelasting 67,12 dB. Niet in geschil is dat de huidige (hogere) waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting 62,74 dB bedraagt. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 103] zal derhalve afnemen.

Voor de woning van [appellant sub 103] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Wel is in het verleden een hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning 66 dB bedraagt. Deze waarde is hoger dan de indertijd verleende hogere waarde en wordt mede beïnvloed door de gevolgen van het inpassingsplan. Provinciale staten hebben ter zitting ook voor deze situatie toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde van in dit geval 43 dB zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 103] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.136.5. Wat betreft de vrees van [appellant sub 103] voor verslechtering van zijn uitzicht overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 103] op ongeveer 135 m van de BPL is gelegen en op ongeveer 50 m van de aansluiting-Hoogstraat. Voor zover de wijzigingen aan de wegen vanuit de woning zichtbaar zijn, zullen deze gelet op de afstand en de ligging van de woning ten opzichte daarvan, beperkt zijn. Wel zal langs de woning van [appellant sub 103] meer verkeer rijden. Niet is evenwel aannemelijk gemaakt dat zich voor [appellant sub 103] ten opzichte van het bestaande verkeersbeeld een onevenredige verslechtering van het uitzicht zal voordoen.

2.136.6. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 103] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Niet aannemelijk is gemaakt dat de woning onverkoopbaar zal worden.

2.136.7. In hetgeen [appellant sub 103] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 103] is ongegrond.

De beroepen van [appellanten sub 2]

Besluit hogere waarden

2.137. Het beroep van [appellanten sub 2] richt zich tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van 7 oktober 2010 waarbij voor een aantal woningen, waaronder woningen aan de Vogelzankweg te Landgraaf in de nabijheid van de woningen van [appellanten sub 2], hogere waarden zijn vastgesteld. Voor de woningen van [appellanten sub 2] aan de Nieuwenhagerheidestraat 51 onderscheidenlijk 56A te Landgraaf zijn geen hogere waarden vastgesteld.

2.137.1. Afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wgh bevat - kort weergegeven en voor zover hier van belang - een regeling volgens welke bij de vaststelling van in dit geval een inpassingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woning is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woning een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woning.

De regeling in artikel 83 van de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidsbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de bewoners van de woningen.

Onbetwist is dat [appellanten sub 2] niet woonachtig zijn in woningen waarvoor bij het bestreden besluit hogere waarden zijn vastgesteld, noch dat zij eigenaar zijn van woningen waarvoor bij het bestreden besluit hogere waarden zijn vastgesteld. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellanten sub 2].

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren over de vastgestelde hogere waarden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling met toepassing van artikel 1.9 van de Chw af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellanten sub 2] ter zake aanvoeren.

2.137.2. Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden is ongegrond.

Inpassingsplan

2.137.3. Het beroep van [appellanten sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop de aansluiting-Hoogstraat is voorzien ter hoogte van de percelen Nieuwenhagerheidestraat 51 onderscheidenlijk 56A te Landgraaf. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder voeren zij aan dat voor de Nieuwenhagerheidestraat geen onderzoek is gedaan naar geluidhinder en externe veiligheid en geen bodemonderzoek is gedaan. Zij vrezen trillinghinder en geluidhinder te ondervinden van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat. Zij achten de voorziene dunne deklaag B op de Nieuwenhagerheidestraat niet geschikt en het profiel van de Nieuwenhagerheidestraat ontoereikend voor de toekomstige verkeersintensiteiten. Ook zijn te lage hogere waarden vastgesteld.

2.137.4. In het rapport "Deelrapport 10A Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staan in bijlage 5 de rekenresultaten voor onder meer de Nieuwenhagerheidestraat weergegeven wat betreft de BPL en in de schema's "Reconstructie Nieuwenhagerheidestraat, Landgraaf" en "Reconstructie Vogelzankweg, Landgraaf" staan de rekenresultaten wat betreft de Nieuwenhagerheidestraat onderscheidenlijk de Vogelzankweg. In het rapport "Deelrapport 11 Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat op pagina 15 het onderzoeksgebied weergegeven, waaruit volgt dat de Nieuwenhagerheidestraat in deelgebied Oost ligt. Op pagina 21 tot met 27 zijn de gevolgen voor de externe veiligheid van het inpassingsplan voor onder meer deelgebied Oost weergegeven. In het rapport "Deelrapport 5B Bodemonderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat op pagina 15 dat voor het gehele plangebied daar waar een bestemmingswijziging is voorzien een historisch bodemonderzoek is uitgevoerd en dat ter plaatse van de aan de hand daarvan vastgestelde verdachte locaties bodemonderzoek is uitgevoerd. Gelet hierop is voor de Nieuwenhagerheidestraat onderzoek gedaan naar geluid, externe veiligheid en bodemonderzoek.

2.137.5. De woning van [appellant sub 2A] aan de Nieuwenhagerheidestraat 51 en de woning van [appellant sub 2B] aan de Nieuwenhagerheidestraat 56A liggen in de geluidszones van de BPL, de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg. Deze wegen worden gewijzigd als gevolg van het plan. De woningen liggen in cluster 20.

2.137.6. Wat betreft de geschiktheid van een dunne deklaag B in de bocht van de Nieuwenhagerheidestraat ter hoogte van het tankstation van [appellant sub 106] hebben provinciale staten ter zitting aangegeven dat deze bocht niet zo scherp is dat deze verhardingswijze hier niet mogelijk is. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten deze deklaag niet tot uitgangspunt hebben mogen nemen. Daarbij overweegt zij dat met de toepassing van deze deklaag een extra geluidreductie van 3 dB wordt bewerkstelligd. Wel is deze deklaag sneller aan slijtage onderhevig zodat deze eerder dan normaal vervangen of hersteld zal moeten worden. Provinciale staten hebben ter zitting toegezegd dat hiermee in het periodieke onderhoud rekening wordt gehouden.

2.137.7. Provinciale staten hebben verder ter zitting aangegeven dat de verkeersintensiteiten op de Nieuwenhagerheidestraat weliswaar zullen toenemen en dat hierdoor vaker trillingen voelbaar zullen zijn, maar dat dit niet zal leiden tot onevenredige trillinghinder. Daarbij hebben zij betrokken dat trillingsklachten ook thans niet bekend zijn en dat ter hoogte van de woningen een dunne deklaag B wordt aangelegd. Gelet hierop en nu [appellanten sub 2] hun vrees niet nader hebben onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding het standpunt van provinciale staten voor onjuist te houden.

2.137.8. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 2A] in de huidige situatie 49,10 dB bedraagt. In de toekomstige situatie met de BPL bedraagt de geluidsbelasting zonder het treffen van maatregelen 54,05 dB. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 47,72 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 2A] zal derhalve afnemen.

Berekend is dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 2A] vanwege de Vogelzankweg in de huidige situatie 49,87 dB en in de toekomstige situatie 37,57 dB bedraagt. De geluidsbelasting vanwege deze weg zal derhalve afnemen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 2A] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie op 1,5 m hoogte 65,75 dB bedraagt. Op 12 december 1994 is in het kader van de sanering voor de woning een hogere waarde van 64 dB(A) vastgesteld, die omgerekend naar Lden-waarde 63,98 dB bedraagt. In de toekomstige situatie bedraagt de geluidsbelasting 67,25 dB. De eerder vastgestelde waarde wordt met 2 dB of meer verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting afneemt tot 62,85 dB. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 2A] zal derhalve afnemen. Ook op andere rekenpunten op de woning zal de geluidsbelasting in de toekomstige situatie met maatregelen afnemen.

Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten terecht geen aanleiding gezien voor de noodzaak in het kader van het inpassingsplan voor de woning van [appellant sub 2A] een hogere waarde te laten vaststellen. Wel is in 1994 voor de woning van [appellant sub 2A] een hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning 66 dB bedraagt. Deze waarde is hoger dan de indertijd verleende hogere waarde en wordt mede beïnvloed door de gevolgen van het inpassingsplan. Nu de situatie van [appellant sub 2A] vergelijkbaar is met de hiervoor in 2.136 en volgende besproken situatie van [appellant sub 103] geldt de toezegging van provinciale staten ter zitting dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde van in dit geval 43 dB zal plaatsvinden berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde, ook voor de situatie van [appellant sub 2A]. Gelet hierop en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 2A] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.137.9. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de huidige geluidsbelasting vanwege de N299 op de woning van [appellant sub 2B] 48,70 dB bedraagt en de toekomstige geluidsbelasting 53,12 dB. Als gevolg van de maatregelen die getroffen zullen worden - een dunne deklaag B en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen - zal de geluidsbelasting op de woning vanwege de BPL 48,16 dB bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 2B] zal derhalve afnemen.

Vanwege de Vogelzankweg is de huidige geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 2B] 36,22 dB en de toekomstige geluidsbelasting 29,76 dB. De geluidsbelasting vanwege deze weg zal derhalve dalen.

Vanwege de Nieuwenhagerheidestraat is de huidige geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 2B] 64,20 dB en de toekomstige geluidsbelasting 65,58 dB. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting afneemt tot 61,16 dB. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 2B] zal derhalve afnemen.

In bijlage 5 bij het akoestisch onderzoeksrapport is aangegeven dat de woning Nieuwenhagerheidestraat 56A in een saneringssituatie verkeert en dat in dat kader wordt voorzien in een hogere waarde van 61 dB. Provinciale staten hebben ter zitting onweersproken aangegeven dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning ook ongeveer 61 dB bedraagt. Deze waarde komt overeen met de in het kader van het saneringsprogramma vast te stellen hogere waarde. In dat kader wordt een wettelijke binnenwaarde van 43 dB gegarandeerd. Voor de situatie dat de gecumuleerde geluidsbelasting hoger ligt, komt hierbij de toezegging van provinciale staten dat de binnenwaarde in dat geval wordt berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting, mede gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 2B] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.137.10. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 65]

2.138. Het beroep van [appellant sub 65] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Nieuwenhagerheidestraat 40 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder meent hij dat onduidelijk is of en hoe de geluidreducerende maatregelen zullen worden gerealiseerd. Hij vreest dat hij als gevolg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat geluidhinder zal ervaren en dat zijn uitzicht zal verslechteren en de waarde van zijn woning zal dalen. Voorts vreest [appellant sub 65] onaanvaardbare hinder te ondervinden van de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat.

2.138.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat uit het akoestisch onderzoek volgt welke maatregelen ter beperking van de geluidhinder zullen worden genomen en dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 65] geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder. Zij stellen voorts dat met omwonenden afspraken zullen worden gemaakt om overlast als gevolg van de bouw- en aanlegactiviteiten zo veel mogelijk te beperken.

2.138.2. De woning van [appellant sub 65] ligt in de geluidszones van de BPL, de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg. Deze wegen worden gewijzigd als gevolg van het plan. De woning ligt in cluster 20.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 65] in de huidige situatie 49,72 dB bedraagt. In de toekomstige situatie met de BPL bedraagt de geluidsbelasting zonder het treffen van maatregelen 54,34 dB. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 49,37 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 65] zal derhalve afnemen.

Berekend is dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 65] vanwege de Vogelzankweg in de huidige situatie 50,08 dB en in de toekomstige situatie 37,55 dB bedraagt. De huidige waarde zal niet met 2 dB of meer worden verhoogd, zodat geen sprake is van een reconstructie van een weg.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 65] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie 65,02 dB bedraagt. In de toekomstige situatie bedraagt de geluidsbelasting 66,24 dB. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting 61,89 dB bedraagt. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 65] zal derhalve afnemen.

In bijlage 5 bij akoestisch onderzoeksrapport is aangegeven dat de woning Nieuwenhagerheidestraat 40 in een saneringssituatie verkeert en dat in dat kader wordt voorzien in een hogere waarde van 62 dB. Naar uit het deskundigenbericht volgt bedraagt de maximale gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning ongeveer 62 dB. Deze waarde komt overeen met de in het kader van het saneringsprogramma vast te stellen hogere waarde. In dat kader wordt een wettelijke binnenwaarde van 43 dB gegarandeerd. Voor de situatie dat de gecumuleerde geluidsbelasting hoger ligt, komt hierbij de toezegging van provinciale staten dat de binnenwaarde in dat geval wordt berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting, mede gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 65] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.138.3. Wat betreft de vrees van [appellant sub 65] voor verslechtering van zijn uitzicht overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 65] op ongeveer 100 m van de BPL is gelegen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de BPL ten opzichte van de bestaande situatie bezien vanuit de achterzijde van de woning een verslechtering van het uitzicht met zich zal brengen. Wel is aannemelijk dat zich aan de voorzijde van de woning een verslechtering van de situatie zal voordoen aangezien die kant van de woning in het verlengde van de verlegde Vogelzankweg/Nieuwenhagerheidestraat komt te liggen. Gelet op de bij de BPL en de aansluiting-Hoogstraat betrokken belangen hebben provinciale staten de belangen van [appellant sub 65] in dit opzicht evenwel van minder gewicht kunnen achten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het uitzicht aan de achterzijde van de woning grotendeels behouden blijft.

2.138.4. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 65] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.138.5. Wat betreft de vrees van [appellant sub 65] voor overlast als gevolg van de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat overweegt de Afdeling dat dit aspect ziet op de uitvoering van het plan, hetgeen in beginsel in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien heeft [appellant sub 65] niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zal leiden tot onevenredige overlast ter plaatse van zijn woning.

2.138.6. In hetgeen [appellant sub 65] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 65] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 104]

2.139. Het beroep van [appellant sub 104] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Nieuwenhagerheidestraat 58 te Landgraaf. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder voert [appellant sub 104] aan dat zij geluidhinder vreest ter plaatse van haar woning in welk kader geen akoestisch onderzoek is gedaan, evenals verslechtering van haar uitzicht en waardedaling van haar woning, waardoor deze onverkoopbaar zal worden.

2.139.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de BPL en de aansluiting-Hoogstraat niet zullen leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 104]. Zij achten niet aannemelijk dat de woning van [appellant sub 104] onverkoopbaar zal worden.

2.139.2. De woning van [appellant sub 104] ligt in de geluidszones van de BPL en de Nieuwenhagerheidestraat. Beide wegen worden gewijzigd als gevolg van het plan. De woning ligt in cluster 20.

Anders dan [appellant sub 104] betoogt heeft wel akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar de geluidsbelasting ter plaatse van haar woning.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 104] in de huidige situatie 48,68 dB bedraagt. In de toekomstige situatie met de BPL bedraagt de geluidsbelasting zonder het treffen van maatregelen 53,02 dB. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en twee elkaar deels overlappende geluidsschermen van 2 m hoog en 610 m onderscheidenlijk 215 m lang, de geluidsbelasting 48,03 dB zal bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 104] zal derhalve afnemen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 104] vanwege de Nieuwenhagerheidestraat in de huidige situatie 64,14 dB bedraagt. In de toekomstige situatie bedraagt de geluidsbelasting 65,52 dB. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het aanbrengen van een dunne deklaag B over een lengte van 215 m op de Nieuwenhagerheidestraat, de geluidsbelasting afneemt tot 61,08 dB. De geluidsbelasting van de Nieuwenhagerheidestraat op de woning van [appellant sub 104] zal derhalve afnemen.

In bijlage 5 bij akoestisch onderzoeksrapport is aangegeven dat de woning Nieuwenhagerheidestraat 58 in een saneringssituatie verkeert en dat in dat kader wordt voorzien in een hogere waarde van 61 dB. Naar uit het deskundigenbericht volgt bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning ongeveer 61 dB. Deze waarde komt overeen met de in het kader van het saneringsprogramma vast te stellen hogere waarde. In dat kader wordt een wettelijke binnenwaarde van 43 dB gegarandeerd. Voor de situatie dat de gecumuleerde geluidsbelasting hoger ligt, komt hierbij de toezegging van provinciale staten dat de binnenwaarde in dat geval wordt berekend vanuit de gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop hebben provinciale staten de gecumuleerde geluidsbelasting, mede gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat ter hoogte van de woning van [appellant sub 104] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.139.3. Wat betreft de vrees van [appellant sub 104] voor verslechtering van haar uitzicht overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 104] op een afstand van ongeveer 130 m van de BPL is gelegen en op een afstand van ongeveer 50 m van de aansluiting-Hoogstraat. Voor zover de wijzigingen aan de wegen vanuit de woning zichtbaar zijn, zullen deze gelet op de afstand en de ligging van de woning ten opzichte daarvan, beperkt zijn. Wel zal langs de woning van [appellant sub 104] meer verkeer rijden. Niet is evenwel aannemelijk gemaakt dat zich voor [appellant sub 104] ten opzichte van het bestaande verkeersbeeld een onevenredige verslechtering van het uitzicht zal voordoen.

2.139.4. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 104] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. [appellant sub 104] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat haar woning onverkoopbaar zal worden als gevolg van het plan.

2.139.5. In hetgeen [appellant sub 104] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 104] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 53]

2.140. Het beroep van [appellante sub 53] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van het perceel Nieuwenhagerheidestraat 60 te Landgraaf. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Zij voert verder aan dat haar niet gebleken is dat voor haar woning akoestisch onderzoek is gedaan. Voorts is haar onduidelijk wat het advies van de brandweer inzake de externe veiligheid inhoudt en of naar aanleiding daarvan aanpassingen in het plan zijn doorgevoerd.

2.140.1. In het rapport "Deelrapport 10A Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staan in bijlage 5 de rekenresultaten voor onder meer de Nieuwenhagerheidestraat weergegeven, waarbij de rekenresultaten voor de woning Nieuwenhagerheidestraat 60 wat betreft de BPL staan vermeld en in de schema's "Reconstructie Nieuwenhagerheidestraat, Landgraaf" en "Reconstructie Vogelzankweg, Landgraaf" de rekenresultaten voor deze woning wat betreft de Nieuwenhagerheidestraat onderscheidenlijk de Vogelzankweg staan vermeld. Na het treffen van maatregelen zal de geluidsbelasting op de woning vanwege deze wegen afnemen. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van provinciale staten dat akoestisch onderzoek is gedaan naar de woning Nieuwenhagerheidestraat 60 juist.

2.140.2. Provinciale staten hebben toegelicht dat de conclusies van het advies van de brandweer van 2 juni 2010 onder meer zijn dat het plaatsgebonden risico van 10-6 niet wordt overschreden en dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft. Het advies heeft geen aanleiding gegeven om het inpassingsplan aan te passen. Uit de verantwoording van het groepsrisico komt naar voren dat het een verantwoorde situatie betreft, aldus provinciale staten.

2.140.3. In de nota van wijzigingen staat dat naar aanleiding van het advies van de brandweer van 2 juni 2010 de toelichting is aangepast. Ook het onderzoeksrapport "Deelrapport 11 Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" is aangepast, hetgeen is neergelegd in een aangepast rapport van 31 januari 2011. De Afdeling acht voldoende duidelijk wat het advies van de brandweer van 2 juni 2010 inhoudt en welke gevolgen dit voor het plan heeft.

2.140.4. In hetgeen [appellante sub 53] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 53] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 52] en andere

2.141. Het beroep van [appellante sub 52] en andere is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL met de dubbele aansluiting-Hoogstraat is voorzien ter plaatse van hun bedrijfsperceel Rukkenerweg 5. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellante sub 52] en andere voeren verder aan dat, doordat aan een deel van hun gronden ten behoeve van een afrit de bestemming "Verkeer" is toegekend, de logistiek op het terrein wordt verstoord en een deel van de bedrijfsgebouwen gesloopt moet worden. Hierdoor is volgens hen de exploitatie van de gehele bedrijfslocatie niet meer mogelijk. Voorts stellen zij dat vanwege de BPL niet meer aan de externe veiligheidseisen voor hun bedrijf kan worden voldaan. Het bevreemdt [appellante sub 52] en andere dat, anders dan voor de dertien omliggende woningen en twee horecapanden, niet is aangegeven dat hun bedrijf zal moeten worden verplaatst.

2.141.1. Provinciale staten stellen in overleg te zijn met [appellante sub 52] en andere om tot een oplossing te komen omtrent de logistiek op het terrein. Zij menen dat door de BPL de bedrijfsvoering niet onaanvaardbaar wordt beperkt. Voorts stellen zij dat de kans op een incident in de inrichting reeds zeer klein is, zodat vanwege deze zeer kleine kans van optreden en het geringe kansverhogende effect, de kans op een combinatie van een dergelijk incident met een incident op de BPL niet expliciet is beschouwd.

2.141.2. Uit de verbeelding volgt dat aan een strook aan de noordoostelijke zijde van de gronden van [appellante sub 52] en andere de bestemming "Verkeer" is toegekend. De desbetreffende gronden zijn voor de aanleg van een afrit van de BPL benodigd. Een hier aanwezige loods zal hiervoor moeten wijken. Dat hiervoor het gehele bedrijf zal moeten worden verplaatst, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat het gaat om een relatief beperkt oppervlak, dat overleg plaatsvindt over compensatie van de te verliezen gronden en dat hiervoor in de directe nabijheid ook verschillende reële opties bestaan. Ook kunnen bij dat overleg de overige bedrijfsgevolgen worden betrokken. Van belang is verder dat provinciale staten hebben aangegeven dat tot onteigening van de benodigde gronden zal worden overgegaan mochten de onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat leiden. In dat kader zullen ook de directe gevolgen daarvan voor het bedrijf van [appellante sub 52] en andere worden betrokken.

In hetgeen [appellante sub 52] en andere hebben aangevoerd inzake het externe veiligheidsrisico ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten van een relevante verhoging van de risicosituatie hadden moeten uitgaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat het gaat om een rechte afrit langs de bedrijfsgronden alsmede de toezegging van provinciale staten ter zitting dat langs het talud een doelmatige afscheiding zal worden opgericht.

Provinciale staten hebben gelet op het voorgaande in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de bij de aanleg van de BPL, met name de dubbele aansluiting-Hoogstraat, betrokken belangen dan aan de belangen van [appellante sub 52] en andere om hun bedrijfssituatie ongewijzigd te laten.

2.141.3. In hetgeen [appellante sub 52] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 52] en andere is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 106]

2.142. Het beroep van [appellant sub 106] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien in de nabijheid van zijn tankstation en garagebedrijf aan de Nieuwenhagerheidestraat. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. [appellant sub 106] betoogt verder dat het plan ten onrechte een aansluiting mogelijk maakt van de BPL op de Hoogstraat, de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg. Het garagebedrijf en met name het tankstation zullen volgens hem omzetschade lijden, doordat minder verkeer zal passeren en beide aan het zicht zullen worden onttrokken.

2.142.1. In het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat heeft de Afdeling reeds overwogen dat provinciale staten in redelijkheid voor een andere verkeersconstructie dan de huidige hebben kunnen kiezen. Ook hebben provinciale staten in redelijkheid niet gekozen voor het alternatief met verschillende kort op elkaar volgende rotondes. Het gevolg van de in het plan neergelegde constructie is dat het benzinestation en het garagebedrijf van [appellant sub 106] aan een doodlopend weggedeelte zullen komen te liggen. In dat gevolg hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien voor een andere oplossing van de aansluiting op de BPL. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het tankstation en het garagebedrijf behouden kunnen blijven en op korte - ongeveer 30 m - en zichtbare afstand van de doorgaande rijroute over de Nieuwenhagerheidestraat zullen zijn gelegen en dat zich door de aansluiting op de BPL op deze route een verhoogde verkeersintensiteit zal voordoen. Dat de nieuwe wegligging zal leiden tot een noodzakelijke bedrijfsbeëindiging acht de Afdeling aan de hand van de beschikbare stukken niet aannemelijk gemaakt. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot onevenredige gevolgen voor [appellant sub 106] zal leiden. Indien [appellant sub 106] van mening is schade te lijden die niet voor zijn rekening dient te komen, kan hij een verzoek doen om een tegemoetkoming krachtens artikel 6.1 van de Wro.

2.142.2. In hetgeen [appellant sub 106] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 106] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 17]

2.143. Het beroep van [appellanten sub 17] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop de aansluiting-Hoogstraat is voorzien. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak betreffende de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Zij vrezen verder dat de bereikbaarheid van hun praktijk voor fysiotherapie aan de Nieuwenhagerheidestraat 53 te Landgraaf en de parkeermogelijkheden aldaar door de aansluiting zullen verminderen en dat zij als gevolg daarvan schade zullen lijden.

2.143.1. Provinciale staten stellen dat de bereikbaarheid van de Nieuwenhagerheidestraat vanwege de aansluiting-Hoogstraat wordt vergroot en dat de parkeerplaatsen die aan de zuidzijde van de Nieuwenhagerheidestraat zullen verdwijnen in de directe omgeving worden gecompenseerd. Voor zover schade wordt geleden kan een verzoek om tegemoetkoming worden ingediend.

2.143.2. Gelet op de omstandigheden dat met de BPL een hoogwaardige verbinding in noordelijke en zuidelijke richting door Parkstad Limburg wordt gerealiseerd, die aansluit op nationaal en regionaal verbindende wegen, en dat de aansluiting-Hoogstraat in een thans ontbrekende verbinding in noordelijke richting voorziet, waarvoor ook de Nieuwenhagerheidestraat een verbindingsweg zal zijn, komt de Afdeling het standpunt van provinciale staten dat de bereikbaarheid van de Nieuwenhagerheidestraat door de realisering van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat wordt vergroot niet onjuist voor.

Met betrekking tot de parkeerplaatsen die als gevolg van de aanleg van een fietssuggestiestrook aan de Nieuwenhagerheidestraat zullen verdwijnen hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat op andere gronden met een verkeersbestemming aan de Nieuwenhagerheidestraat en de Vogelzankweg, in de nabijheid van de praktijk van [appellanten sub 17], parkeerplaatsen zullen worden aangelegd. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

Gelet op het voorgaande hebben [appellanten sub 17] niet aannemelijk gemaakt dat het aantal bezoekers van hun praktijk door de nieuwe verkeers- en parkeersituatie zal afnemen.

2.143.3. In hetgeen [appellanten sub 17] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 17] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 32]

2.144. Het beroep van [appellant sub 32] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien, gelegen op een afstand van ongeveer 700 m van zijn woning aan de Kantstraat 14 te Landgraaf. De meeste van zijn beroepsgronden zijn reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Hij vreest voorts voor geluidhinder bij zijn woning.

2.144.1. Ingevolge artikel 99, tweede lid, van de Wgh wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone van die weg woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een bestemmingsplan of een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de reconstructie voorziet dan wel met een besluit van het college van burgemeester en wethouders, met overeenkomstige toepassing van artikel 81 genomen naar aanleiding van een door de wegbeheerder aan het college van burgemeester en wethouders gedane mededeling van zijn voornemen en na een met overeenkomstige toepassing van artikel 80 ingesteld onderzoek.

Indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de reconstructie van een weg zal leiden tot een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer vanwege andere wegen dan de te reconstrueren weg of - als een weg gedeeltelijk wordt gereconstrueerd - vanwege de niet te reconstrueren gedeelten daarvan, heeft het in het eerste lid bedoelde onderzoek ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel tevens betrekking op die andere wegen of de niet te reconstrueren gedeelten van de betrokken weg.

2.144.2. Voor zover [appellant sub 32] vreest voor geluidhinder ter plaatse van zijn woning overweegt de Afdeling dat de woning niet is gelegen in de zone van een aan te leggen of te wijzigen weg.

Uit het akoestisch onderzoek volgt, hetgeen is bevestigd in het deskundigenbericht, dat de geluidsbelasting nabij de zonegrens van de BPL reeds minder dan 48 dB bedraagt. [appellant sub 32] heeft niet betoogd dat deze constatering onjuist is. Om die reden is niet aannemelijk dat de geluidsbelasting vanwege de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 32] de wettelijke voorkeursgrenswaarde zal overschrijden dan wel dat de geluidsbelasting gerekend vanaf die waarde ter plaatse met 2 dB of meer zal toenemen.

Niet in geschil is dat de verkeersintensiteiten op de Kantstraat, waarin de Nieuwenhagerheidestraat deels overloopt, ten gevolge van met name de aansluiting-Hoogstraat zullen toenemen van ongeveer 9.000 mvt/etmaal naar ruim 14.000 mvt/etmaal. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt onweersproken dat zich pas bij een toename van de verkeersintensiteiten van 60% à 70% dan wel een grote wijziging in het aandeel vrachtverkeer een verhoging van 2 dB of meer zal voordoen. Nu niet is gebleken dat dit zich voordoet, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 32] ten gevolge van de wijziging van de Nieuwenhagerheidestraat niet met 2 dB of meer zal stijgen.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het inpassingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare geluidssituatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 32].

2.144.3. In hetgeen [appellant sub 32] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 32] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 51]

2.145. Het beroep van [appellanten sub 51] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL en de aansluiting-Hoogstraat zijn voorzien ter hoogte van hun percelen Pleistraat 50 en Brunssummerweg 42. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel aangaande de aansluiting-Hoogstraat aan de orde geweest. Verder betogen zij dat als gevolg van de BPL de verkeersintensiteiten in de nabijheid van hun woningen zullen toenemen. Ook zal de BPL leiden tot meer geluidsoverlast aan onder meer de achterzijde van de woningen. Volgens [appellanten sub 51] hebben provinciale staten hun standpunt hieromtrent niet onderbouwd met onderzoek.

2.145.1. In het onderzoeksrapport "Deelrapport 4B Bijlage Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat dat voor de bepaling van de verkeersintensiteiten is uitgegaan van de verkeersgegevens van het "Verkeersmodel Regio Parkstad (versie maart 2010)". In het rapport staat dat de verkeersintensiteiten op de Brunssummerweg in 2025 als gevolg van de aansluiting-Hoogstraat zullen afnemen van 3.500 in de autonome situatie naar 1.200 in de situatie met een hele aansluiting. Voorts staat in dit onderzoeksrapport dat de verkeersintensiteiten op de Brunssummerweg (deel BPL-Keilekoelenweg) zullen afnemen van 10.300 naar 6.200. [appellanten sub 51] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek onzorgvuldig dan wel onvolledig is geweest. In het niet nader onderbouwde betoog ziet de Afdeling geen aanleiding de verwachting dat de verkeersintensiteiten zullen afnemen bij hun woningen, voor onjuist te houden.

De woningen van [appellanten sub 51] bevinden zich in de geluidszone van de BPL. Voor zover [appellanten sub 51] wijzen op de geluidsbelasting van deze weg op hun woningen overweegt de Afdeling dat uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat de huidige geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning Pleistraat 50 47,02 dB bedraagt en de toekomstige geluidsbelasting 52,79 dB. Als gevolg van de maatregelen die getroffen zullen worden zal de geluidsbelasting op de woning vanwege de BPL 46,19 dB bedragen. De geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning Pleistraat 50 zal derhalve afnemen. Deze waarden bedragen voor de woning Brunssummerweg 42 onderscheidenlijk 47,67 dB, 53,35 dB en 46,75 dB. Ook hier zal de geluidsbelasting derhalve afnemen. Anders dan [appellanten sub 51] hebben betoogd, is de geluidsbelasting voor hun woningen derhalve wel bepaald. In hetgeen zij voorts hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op het geluidsonderzoek hebben mogen baseren.

2.145.2. In hetgeen [appellanten sub 51] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 51] is ongegrond.

Verbeelding - bladen 10 en 11

Het beroep van [appellant sub 14]

2.146. Het beroep van [appellant sub 14] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 1", dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien ter hoogte van zijn woning aan de Knieberglaan 16 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 14] betoogt verder dat hij geluidhinder en visuele hinder van de BPL zal ondervinden, waarvoor een geluidsscherm van 4 m hoog op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 1" soelaas dient te bieden. In dat verband betoogt hij dat, gelet op de gegevens van het RIVM, het akoestisch onderzoek vanwege de Tracénota/MER en beschikbare meetgegevens, de geluidsbelasting die uit het akoestisch onderzoek volgt ongeloofwaardig is. Daarbij is de geluidsdemping van het geluidsscherm dubbel meegerekend. Ook meent hij dat de geluidsbelasting als gevolg van de BPL onvoldoende is onderzocht, onder meer doordat er hellingen in het tracé liggen en geen rekening is gehouden met de dilatatievoegen in de nabijgelegen viaducten. Hierbij verwijst hij naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2009 in zaak nr. 200802992/1/R1 omtrent de aantasting van de validiteit van het gebruikte model. Voorts stelt hij dat het inpassingsplan strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, omdat langs de Apollolaan wel een geluidsscherm van 4 m hoog zal worden gerealiseerd.

2.146.1. In het verweerschrift hebben provinciale staten gesteld dat met geluidreducerende maatregelen de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 14] zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Voorts menen zij dat Standaardrekenmethode II correct is toegepast en dat het akoestisch onderzoek als het juiste uitgangspunt geldt voor de huidige geluidsbelasting. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is volgens hen geen sprake, nu de situatie aan de Apollolaan anders is dan aan de Knieberglaan. Provinciale staten zien vanuit akoestisch oogpunt of enig ander oogpunt geen aanleiding voor een geluidsscherm van 4 m.

2.146.2. Blijkens de verbeelding is ter hoogte van de woning van [appellant sub 14] aan het plandeel met de bestemming "Verkeer" de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 1" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, onder 11, van de planregels mogen op de voor "Verkeer" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 1" maximaal 2 m mag bedragen.

2.146.3. Zoals hiervoor in 2.20.2.1 is weergegeven wordt Standaardrekenmethode II als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 gehanteerd bij de beoordeling of al dan niet sprake is van onaanvaardbare geluidhinder vanwege een weg. De beroepsgrond dat deze berekeningsmethode ten onrechte is gehanteerd kan slechts doel treffen voor zover het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 in strijd is met hogere regelgeving, in het bijzonder de bepalingen in de Wgh. Hiervan is niet gebleken. Provinciale staten hebben derhalve terecht toepassing gegeven aan de in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 neergelegde normering. Niet aannemelijk is gemaakt dat Standaardrekenmethode II een niet-valide model is voor de berekening van het equivalente geluidsniveau. Daarbij acht de Afdeling de keuze van provinciale staten om te volstaan met berekeningen nu niet zeker is dat met metingen een representatief beeld wordt verkregen, niet onredelijk.

2.146.4. De woning van [appellant sub 14] ligt in de geluidszone van de BPL, waarvoor de provinciale weg N299 gewijzigd wordt. De woning ligt in cluster 42.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 14] in de huidige situatie, inclusief het geluidsscherm, 49,62 dB en in de toekomstige situatie zonder maatregelen 62,31 dB bedraagt. Anders dan [appellant sub 14] ter zitting heeft betoogd, is deze laatste waarde zonder het bestaande geluidsscherm en daarmee niet dubbel berekend. De huidige waarde wordt met meer dan 2 dB verhoogd, zodat sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en een geluidsscherm van 2 m hoog en 990 m lang, de geluidsbelasting 48,60 dB zal bedragen. Naar ter zitting is gebleken zal mede om landschappelijke redenen in plaats van een geluidsscherm een geluidswal met een gelijke hoogte worden aangelegd. [appellant sub 14] heeft niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten niet als uitgangspunt hebben kunnen nemen dat de geluidsdempende werking hiervan vergelijkbaar is met die van een scherm. De geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 14] zal volgens het akoestisch onderzoek met de te treffen maatregelen afnemen ten opzichte van de huidige situatie.

2.146.5. In de omstandigheid dat uit de website van het RIVM volgt dat ter hoogte van de woning van [appellant sub 14] een geluidsbelasting van 56 tot 60 dB bestaat hebben provinciale staten geen aanleiding hoeven zien het akoestisch onderzoek niet aan hun besluitvorming ten grondslag te leggen, nu op de website staat dat de geluidskwaliteitsindicatie die daarop staat niet kan worden gebruikt in het kader van normtoetsing, dat er geen rechten aan kunnen worden ontleend en dat de indicatie kan afwijken van de waarde die bij een meer uitgebreid onderzoek ter plaatse wordt vastgesteld.

2.146.6. Wat betreft de verschillen met het onderzoek in het kader van de Tracénota/MER stelt [appellant sub 14] in de zienswijze op het deskundigenbericht dat Arcadis telefonisch heeft bevestigd dat zijn woning in de zone '58 tot 63 dB' ligt. Hij heeft voorts in de zienswijze gesteld dat bij nameting door de gemeente Landgraaf een geluidsniveau op de gevel van gemiddeld 55 dB is gemeten, zodat de huidige waarde zonder geluidsscherm 63 dB moet zijn.

2.146.6.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 14] zoals in het akoestisch onderzoek is neergelegd, juist is. Hun standpunt dat het akoestisch onderzoek en het onderzoek in het kader van de Tracénota/MER niet met elkaar zijn te vergelijken, acht de Afdeling niet onjuist. Niet alleen is in het onderzoek in het kader van de Tracénota/MER gerekend met andere verkeersintensiteiten, ook is een deel van het onderliggende wegennet in dat onderzoek meegenomen, is beperkt rekening gehouden met de hoogteligging van de N299 ten opzichte van de omgeving en is geen rekening gehouden met de aftrek van 2 dB ingevolge artikel 110f, vijfde lid, van de Wgh.

2.146.7. Het hellingspercentage van en naar de viaducten is minder dan 3. Niet in geschil is dat in die situatie in de berekening geen correctie hoeft plaats te vinden. Dat de extra geluidsgevolgen van de hellingen in dit geval niet verwaarloosbaar zijn, heeft [appellant sub 14] niet aannemelijk gemaakt.

Verder biedt het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, zo staat in het deskundigenrapport, geen mogelijkheid om rekening te houden met de invloed van dilatatievoegen op de geluidsemissie vanwege een weg. Wel volgt uit het deskundigenbericht dat geen onevenredige hinder van de dilatatievoegen voor [appellant sub 14] te verwachten is, gelet op de afstand van ongeveer 250 m van zijn woning tot de viaducten Haanweg en Gravenweg en omdat het plan verder ter plaatse niet in nieuwe viaducten voorziet. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bijdrage hiervan aan het equivalente geluidsniveau gelet op de afstand van de woning van [appellant sub 14] tot de viaducten verwaarloosbaar is. De verwijzing door [appellant sub 14] naar het viaduct Torenstraat maakt dit niet anders, nu dit viaduct op een afstand van ongeveer 790 m van zijn woning ligt.

2.146.8. Gelet op al het vorenstaande hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat vanuit de Wgh bezien geen noodzaak bestaat voor een hogere geluidsafschermende maatregel. Zij hebben zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de woning van [appellant sub 14] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.146.9. Gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 14] en de BPL, de tussengelegen groenstrook en de omstandigheid dat het plan in een afscherming van 2 m hoog voorziet zodat de meeste voertuigen niet zichtbaar zullen zijn, hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien in verband met de vrees voor visuele hinder van langsrijdend vrachtverkeer in een afscherming van 4 m hoog ter hoogte van de Knieberglaan te voorzien. Overigens zal in een later stadium nog worden bezien of de geluidswal zelf van beplanting kan worden voorzien, aldus provinciale staten.

2.146.10. Ten aanzien van de door [appellant sub 14] gemaakte vergelijking met de situatie aan de Apollolaan wordt overwogen dat provinciale staten zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de toename van de verkeersintensiteiten aan de Apollolaan veel hoger is dan bij de Knieberglaan en dat de gevolgen van deze toename niet kunnen worden weggenomen door de toepassing van een dunne deklaag B. Zoals provinciale staten ter zitting hebben bevestigd, is ter hoogte van de Apollolaan vanwege de normstelling in de Wgh een scherm van 4 m nodig, anders dan ter hoogte van de Knieberglaan. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 14] genoemde situatie niet overeenkomt met zijn situatie.

2.146.11. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 43]

2.147. Het beroep van [appellant sub 43] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 1", dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien ter hoogte van zijn woning aan de Knieberglaan 2 te Landgraaf. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 43] betoogt verder dat een geluidsscherm van 4 m tussen zijn woning en de BPL geplaatst dient te worden om geluidhinder te voorkomen.

2.147.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat uit akoestisch oogpunt geen aanleiding bestaat om een geluidsscherm van 4 m hoog te plaatsen.

2.147.2. Blijkens de verbeelding is ter hoogte van de woning van [appellant sub 43] aan het plandeel met de bestemming "Verkeer" de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening 1" toegekend.

2.147.3. De woning van [appellant sub 43] ligt in de geluidszone van de BPL, waarvoor de provinciale weg N299 gewijzigd wordt. De woning ligt in cluster 42.

De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de N299 op de gevel van de woning van [appellant sub 43] in de huidige situatie 47,55 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van maatregelen 56,22 dB bedraagt. Niet in geschil is dat de huidige waarde met meer dan 2 dB wordt verhoogd, zodat derhalve sprake is van een reconstructie van een weg. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 volgt dat na het nemen van geluidreducerende maatregelen, bestaande uit het toepassen van een dunne deklaag B over een lengte van 900 m en een geluidsscherm van 2 m hoog en 990 m lang, de geluidsbelasting 46,16 dB zal bedragen. Naar ter zitting is gebleken zal mede om landschappelijke redenen in plaats van een geluidsscherm een geluidswal met een gelijke hoogte worden aangelegd. [appellant sub 43] heeft niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten niet als uitgangspunt hebben kunnen nemen dat de geluidsdempende werking hiervan vergelijkbaar is met die van een scherm. De geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 43] zal volgens het akoestisch onderzoek met de te treffen maatregelen afnemen ten opzichte van de huidige situatie.

Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wgh niet noopt tot het treffen van een hogere geluidsafschermende maatregel. Zij hebben zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de woning van [appellant sub 43] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.147.4. In hetgeen [appellant sub 43] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 43] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 110]

2.148. Het beroep van [appellant sub 110] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien ter hoogte van zijn woning aan de Mensheggerweg 38 te Landgraaf. Volgens [appellant sub 110] zijn provinciale staten niet op alle onderwerpen uit zijn zienswijze ingegaan. Hij vreest voor geluidhinder van de BPL en de Mensheggerweg. Hij betoogt dat met de door de aanleg van de BPL vrijkomende gronden ter demping van het geluid van de BPL een aarden geluidswal kan worden aangelegd.

2.148.1. Provinciale staten stellen dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de woning van [appellant sub 110] niet meer dan 36,78 dB zal bedragen, zodat het aanleggen van een aarden geluidswal niet nodig is. Voorts zal de geluidsbelasting vanwege de Mensheggerweg als gevolg van het nemen van maatregelen dalen. Voor de woning is geen hogere waarde vastgesteld.

2.148.2. De Afdeling overweegt dat provinciale staten op de zienswijze van 19 juli 2010 en de nadere zienswijze van [appellant sub 110] onder de nummers 00507-PEB-PIPBPL en 01716-PEB-PIPBPL zijn ingegaan. Niet is gebleken dat op bepaalde onderdelen van de zienswijze niet of onvoldoende is ingegaan.

2.148.3. De woning van [appellant sub 110] ligt in de geluidszones van de BPL en de Mensheggerweg, die beide worden gereconstrueerd. De woning ligt in cluster 41.

Vast staat dat vanwege de BPL de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van de woning van [appellant sub 110], met en zonder de te treffen maatregelen, niet zal worden overschreden. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanleggen van een aarden geluidswal uit akoestisch oogpunt niet nodig is.

Voorts is de normering in de Wgh, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging van de weg met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de Mensheggerweg op de gevel van de woning van [appellant sub 110] in de huidige situatie 59,72 dB en in de toekomstige situatie 61,45 dB bedraagt. Vanwege deze toename is sprake van een reconstructie van een weg in de zin van de Wgh. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de aanleg van een dunne deklaag A over een lengte van 800 m de geluidsbelasting vanwege de Mensheggerweg bij de woning van [appellant sub 110] wordt teruggebracht tot 56,22 dB, zodat de verhoging van de geluidsbelasting vanwege de Mensheggerweg op de woning teniet wordt gedaan en het vaststellen van een hogere waarde niet nodig is. [appellant sub 110] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wijzigingen vanwege de BPL en de Mensheggerweg ter hoogte van de woning van [appellant sub 110] niet leiden tot onaanvaardbare geluidhinder.

2.148.4. In hetgeen [appellant sub 110] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 110] is ongegrond.

Verbeelding - blad 12

Het beroep van [appellant sub 33]

2.149. [appellant sub 33] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Burgemeester Franssenstraat 35 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen de aspecten geluid en natuur, alsmede het verlies van volkstuinen en de demping van een vijver in de nabijheid van zijn woning. In dit verband voert hij aan dat het akoestisch klimaat ter plaatse van zijn woning zal verslechteren en dat het akoestisch onderzoek gebreken bevat. Voorts voert hij aan dat provinciale staten het belang bij het behoud van de volkstuinen niet hebben onderkend. Volgens [appellant sub 33] vervullen deze volkstuinen een sociale functie en hebben zij een positief effect op de gezondheid van omwonenden. Verder voert hij aan dat hij een toename van wateroverlast vreest te zullen ondervinden als gevolg van de demping van de vijver. Daartoe wijst hij op een brief van de gemeente Kerkrade, afdeling Openbare Ruimte, van 22 oktober 2007. Tot slot stelt [appellant sub 33] dat provinciale staten niet zijn ingegaan op de aantasting van natuur in de omgeving van Kerkrade.

2.149.1. De woning van [appellant sub 33] is gelegen binnen de geluidszone van de BPL. Volgens het akoestisch rapport zal de bestaande Dentgenbachweg tussen de N299 en de Kerkradersteenweg worden gewijzigd in de BPL. Voorts zal parallel aan de BPL de nieuwe Dentgenbachweg worden aangelegd. Hierbij is sprake van aanleg van een nieuwe weg, aldus het akoestisch rapport.

Volgens het deskundigenbericht is onderzocht of vanwege de BPL sprake is van reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 33] 34,88 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 41,32 dB. Nu de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de wijziging van de Dentgenbachweg niet wordt overschreden is geen sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh.

Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de aanleg van de nieuwe Dentgenbachweg op de gevel van de woning van [appellant sub 33] 36,50 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 36,55 dB. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 33] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 49 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

[appellant sub 33] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige leemten of gebreken bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Daarbij wordt overwogen dat volgens het deskundigenbericht, anders dan HMB stelt, in het akoestisch onderzoek ook rekening is gehouden met railverkeers- en industrielawaai en dat de luchtvaartcontouren in het akoestisch rapport zijn meegenomen.

2.149.2. Provinciale staten hebben gesteld dat verlegging van de BPL ter plaatse van het perceel van [appellant sub 33] in oostelijke richting zou betekenen dat een deel van de BPL in EHS-gebied komt te liggen waardoor de aanwezige zogenoemde orchideeëntuin zou moeten verdwijnen. Voorts hebben zij gesteld dat niet alle gronden waar de volkstuinen zijn gelegen, benodigd zijn voor de aanleg van de BPL, maar ruim een derde hiervan.

In hetgeen [appellant sub 33] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de keuze van provinciale staten om het voorgenomen tracé van de BPL ter plaatse van de Burgemeester Franssenstraat te leggen onredelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling is het standpunt van provinciale staten dat aan het belang bij het voorkomen van aantasting van de EHS een groter gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang bij het behoud van de bestaande volkstuinen, niet onredelijk. Bovendien hebben zij in hun afweging in aanmerking kunnen nemen dat meer dan de helft van de bestaande volkstuinen behouden kan blijven. [appellant sub 33] heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat de sociale functie van de volkstuinen en de positieve effecten hiervan op de gezondheid voor omwonenden geheel zullen verdwijnen.

2.149.3. Wat betreft de vrees van [appellant sub 33] voor wateroverlast, overweegt de Afdeling dat hij met de brief van de gemeente Kerkrade van 22 oktober 2007 niet aannemelijk heeft gemaakt dat demping van de in de nabijheid van zijn woning gelegen vijver tot een toename van wateroverlast zal leiden. Daartoe wordt overwogen dat volgens deze brief aannemelijk is geworden dat wateroverlast in de Burgemeester Franssenstraat veroorzaakt wordt door verouderde huisaansluitingen op het riool. Daarbij wordt voorts overwogen dat provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat de vijver fungeert als bergingsvijver en het verlies aan wateroppervlak wordt gecompenseerd.

2.149.4. Wat betreft het aspect natuur hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat aantasting van natuurwaarden niet voorkomen kan worden, maar dat getracht wordt deze zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Voorts zal volgens de plantoelichting natuurcompensatie plaatsvinden overeenkomstig de beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden. In dit verband hebben provinciale staten gesteld dat in de omgeving van Kerkrade meer dan 5 ha natuur wordt gerealiseerd en dat natuurcompensatie zorgvuldig in het bestaande landschap wordt ingepast waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande natuur en kernkwaliteiten van het landschap. [appellant sub 33] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de reactie op zijn zienswijze op dit punt onvoldoende is.

2.149.5. In hetgeen [appellant sub 33] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 33] is ongegrond.

Het beroep van Volkstuinen Dentgenbach

2.150. Volkstuinen Dentgenbach betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien tussen de woonwijk Terwinselen en het Gaiapark. Daartoe stelt zij dat door de aanleg van de BPL volkstuinen in de nabijheid van deze woonwijk zullen verdwijnen. Provinciale staten hebben ten onrechte niet onderkend dat deze volkstuinen een belangrijke sociale en recreatieve functie voor omwonenden vervullen en dat zij worden gebruikt voor activiteiten om de vogel- en vlinderpopulatie te ondersteunen. Voorts stelt zij dat verplaatsing van deze volkstuinen tot financiële schade zal leiden.

2.150.1. Provinciale staten hebben gesteld dat verlegging van de BPL ter plaatse van de volkstuinen in oostelijke richting zou betekenen dat een deel van de BPL in EHS-gebied komt te liggen waardoor de aanwezige zogenoemde orchideeëntuin zal verdwijnen. Voorts hebben zij gesteld dat niet alle gronden waar de volkstuinen zijn gelegen, benodigd zijn voor de aanleg van de BPL, maar ruim een derde hiervan.

In hetgeen Volkstuinen Dentgenbach heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de keuze van provinciale staten om het voorgenomen tracé van de BPL tussen de woonwijk Terwinselen en het Gaiapark te leggen onredelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling is het standpunt van provinciale staten dat aan het belang bij het voorkomen van aantasting van de EHS een groter gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang bij het behoud van de bestaande volkstuinen, niet onredelijk. Bovendien hebben zij in hun afweging in aanmerking kunnen nemen dat ruim de helft van de bestaande volktuinen behouden kan blijven. Volkstuinen Dentgenbach heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat de sociale functie van de volkstuinen en de activiteiten ter ondersteuning van de vogel- en vlinderpopulaties geheel zullen verdwijnen.

Wat betreft de financiële schade als gevolg van de verplaatsing van volkstuinen hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op de voet van artikel 6.1 van de Wro een financiële tegemoetkoming kan worden gevraagd ingeval schade wordt geleden als gevolg van de aanleg van de BPL.

2.150.2. In hetgeen Volkstuinen Dentgenbach heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Volkstuinen Dentgenbach is ongegrond.

Verbeelding - blad 13

Algemeen deel blad 13

2.151. Enkele appellanten hebben betoogd dat provinciale staten niet in redelijkheid de keuze voor het tracé van de BPL via de Dentgenbachweg en Hamstraat hebben kunnen maken. Zij staan het tracé via de Tunnelweg of de Roderlandbaan voor. Voorts hebben zij in dit verband betoogd dat provinciale staten de keuze voor het tracé onvoldoende hebben gemotiveerd.

De Afdeling overweegt ten aanzien van het gekozen tracé dat provinciale staten bij de keuze van de bestemming een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het inpassingsplan. Daarbij hebben provinciale staten beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Volgens de plantoelichting hebben provinciale staten hun voorkeur voor het tracé via de Dentgenbachweg en Hamstraat uitgesproken boven het tracé via de Tunnelweg of de Roderlandbaan.

Volgens de plantoelichting hebben provinciale staten in hun afweging betrokken dat het tracé via de Tunnelweg niet in aanmerking komt als meest milieuvriendelijk alternatief vanwege zijn ligging in het Anstelerbeekdal en de omstandigheid dat het verkeer via dit tracé tot geluidhinder voor woningen aan de Rukkerweg en de Euregioweg zal leiden. Ook moeten bij de aanleg van de BPL via de Tunnelweg veel woningen aan de Rukkerweg worden gesloopt. Daarnaast hebben provinciale staten in hun afweging betrokken dat het aantal geluidgehinderden bij het tracé via de Roderlandbaan groter is dan bij het tracé via de Dentgenbachweg en Hamstraat. Ook moeten bij de aanleg van de BPL via de Roderlandbaan veel woningen in de kern van Kerkrade worden gesloopt vanwege de verbinding tussen de Roderlandbaan en de N300. Voorts zijn de realisatiekosten van de BPL via dit tracé vanwege de daarmee samenhangende kosten van aankoop van vastgoed en de aanleg van een tunnel in Kerkrade erg hoog.

Voorts hebben provinciale staten in aanmerking genomen dat het tracé via de Dentgenbachweg en Hamstraat de beste mogelijkheden biedt om de economische en toeristisch cruciale locaties in het gebied goed te ontsluiten. Het gaat hierbij in het bijzonder om het bedrijventerrein Dentgenbachweg, onderscheidenlijk attracties zoals Snowworld en Gaiapark. Daarnaast behoeven bij de keuze voor het tracé via de Dentgenbachweg en Hamstraat minder woningen te worden gesloopt dan bij de keuze voor het tracé via de Tunnelweg of Roderlandbaan. Voorts hebben provinciale staten van belang geacht dat het tracé via de Dentgenbachweg en Hamstraat ook in een directe aansluiting voorziet op een andere drukke verbindingsweg, de Mensheggerweg.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de keuze van provinciale staten voor het tracé via de Dentgenbachweg en Hamstraat onvoldoende is gemotiveerd. Evenmin ziet zij grond voor het oordeel dat de keuze voor dit tracé onredelijk is.

2.151.1. Enkele appellanten betwisten de inhoud van de aan de BPL ten grondslag gelegde TN/MER/UVS onder verwijzing naar de door hen ingebrachte "Second opinion Tracénota/MER-UVS" van Accent Adviseurs van 18 juni 2010.

De Afdeling overweegt dat de second opinion een beschrijving van de TN/MER-UVS betreft waarbij over de TN/MER-UVS enkele kanttekeningen worden geplaatst die echter niet met onderzoeken en daaruit voortvloeiende feitelijke gegevens worden onderbouwd. Gelet hierop hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de TN/MER-UVS zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

Het beroep van Rendamax

2.152. Het beroep van Rendamax is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor gronden aan de oostzijde van het bedrijfsperceel Hamstraat 76 te Kerkrade, voor zover daarmee wordt voorzien in verplaatsing van bestaande laaddocks naar deze verkeersbestemming en een nieuwe ontsluiting van het bedrijfsperceel. Rendamax voert aan dat de voorziene ontsluiting niet voldoende ruim is. Daarnaast voert zij aan dat niet duidelijk is hoe het bij haar bedrijf behorende perceel nr. 9939 wordt ontsloten. Voor zover ook bezoekers van het bedrijf geacht worden gebruik te maken van de voorziene ontsluiting heeft Rendamax hiertegen onoverkomelijke bezwaren. Voorts is volgens Rendamax de uitvoerbaarheid van het plan niet zekergesteld. In dit verband voert Rendamax aan dat de gronden waarop de ontsluiting is voorzien in eigendom van de gemeente Kerkrade zijn en dat de gemeente niet voornemens is aan een grondtransactie mee te werken. Verder staan ondergrondse leidingen aan de oostzijde van de bedrijfsbebouwing in de weg aan de verplaatsing van de laaddocks, aldus Rendamax. Tot slot voert zij aan dat het plan ten aanzien van haar perceel financieel niet uitvoerbaar is, nu de provincie geen toezegging heeft gedaan over de financiële compensatie van de kosten van een eventuele verbouwing.

2.152.1. Ter zitting hebben provinciale staten verklaard geen bezwaar te hebben tegen vernietiging van het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de desbetreffende verkeersbestemming en dat zij in overleg met betrokken partijen, waaronder de gemeente Kerkrade, willen treden om tot een voor Rendamax aanvaardbare oplossing te komen.

Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor gronden aan de oostzijde van het bedrijfsperceel Hamstraat 76 te Kerkrade, voor zover daarmee wordt voorzien in verplaatsing van bestaande laaddocks en een nieuwe ontsluiting van het bedrijfsperceel, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van Rendamax is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 30]

2.153. [appellant sub 30] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van het perceel John Erkensstraat 11 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluidhinder en de met dit aspect samenhangende vrees voor aantasting van de aantrekkelijkheid van de woonomgeving. In dit verband voert [appellant sub 30] aan dat provinciale staten in de nota van zienswijzen geen blijk hebben gegeven van een belangenafweging. Hij betoogt dat provinciale staten zich niet hebben mogen baseren op het akoestisch onderzoek nu daarbij geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij woonachtig is in de nabije omgeving van de aanvliegroute van AWACS-vliegtuigen. Volgens [appellant sub 30] is in dit verband voorts niet aannemelijk geworden dat de geluidsbelasting ter plaatse van zijn woning aanvaardbaar is.

2.153.1. Provinciale staten hebben gesteld dat onderzocht is wat de effecten zijn van de geluidsbelasting vanwege de BPL die in de nabijheid van de woning van [appellant sub 30] is voorzien en of maatregelen genomen dienen te worden om deze belasting te verminderen of weg te nemen. Volgens provinciale staten leidt de BPL niet tot een verstoring van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 30].

2.153.2. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 30] op het perceel John Erkensstraat 11 zich in de geluidszone van de BPL bevindt die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd.

Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 30] zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 54,31 dB bedragen en na het treffen van deze maatregelen 42,45 dB. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde is voorgeschreven van 48 dB wordt derhalve voldaan aan de Wgh. [appellant sub 30] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning [appellant sub 30] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 48 dB bedraagt. Provinciale staten hebben een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Bovendien overschrijdt 48 dB de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh niet.

Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van het aspect geluid blijk is gegeven van een voldoende belangenafweging.

2.153.3. Voorts betreffen de bezwaren van [appellant sub 30] de geïsoleerde ligging die zijn woonwijk door de BPL zal krijgen, en de vrees voor lichthinder. Volgens hem is niet duidelijk geworden in hoeverre in zijn woonwijk lichthinder zal worden ervaren.

2.153.4. Provinciale staten stellen zich wat betreft de gestelde geïsoleerde ligging van de woonwijk op het standpunt dat het centrum van Kerkrade na de aanleg van de BPL bereikbaar zal blijven via de Kerkradersteenweg. Dit geldt ook voor het natuurgebied dat tegenover de woonwijk van [appellant sub 30] ligt nu dit gebied ontsloten zal worden via de Krichelbergsweg, de Vauputsweg en het Wauwelpad.

[appellant sub 30] heeft zijn stelling van het tegendeel niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt. Provinciale staten hebben in dit betoog dan ook in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om de locatiekeuze voor de BPL op dit punt te heroverwegen.

2.153.5. Volgens de nota van zienswijzen zal bij de uitwerking van het plan getracht worden hinder vanwege licht of verlichting te voorkomen voor de directe woonomgeving. Aanpassingen van het wegontwerp en de periferie ter voorkoming van lichthinder zijn volgens de nota van zienswijzen mogelijk. Hiertoe zal een verlichtingsplan worden opgesteld. [appellant sub 30] heeft niet aannemelijk gemaakt dat eventuele lichthinder niet zal kunnen worden weggenomen met dit verlichtingsplan.

2.153.6. In hetgeen [appellant sub 30] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 30] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 49]

2.154. [appellant sub 49] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van het perceel Sportstraat 7 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluidhinder en de met dit aspect samenhangende vrees voor aantasting van de aantrekkelijkheid van de woonomgeving. In dit verband voert [appellant sub 49] aan dat provinciale staten in de nota van zienswijzen geen blijk hebben gegeven van een belangenafweging. Hij betoogt dat provinciale staten zich niet hebben mogen baseren op het akoestisch onderzoek nu daarin geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij woonachtig is in de nabije omgeving van de aanvliegroute van AWACS-vliegtuigen. Volgens [appellant sub 49] is in dit verband voorts niet aannemelijk geworden dat de geluidsbelasting ter plaatse van zijn woning aanvaardbaar is.

2.154.1. Provinciale staten hebben gesteld dat onderzocht is wat de effecten zijn van de geluidsbelasting vanwege de BPL die in de nabijheid van de woning van [appellant sub 49] is voorzien en of maatregelen genomen dienen te worden om deze belasting te verminderen of weg te nemen. Volgens provinciale staten leidt de BPL niet tot een verstoring van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 49].

2.154.2. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 49] op het perceel Sportstraat 7 zich in de geluidszone van de BPL bevindt die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd.

Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning op het perceel Sportstraat 7 zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 46,70 dB bedragen en na het treffen van deze maatregelen 37,72 dB. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde is voorgeschreven van 48 dB wordt derhalve voldaan aan de Wgh. [appellant sub 49] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

Voor de woning van [appellant sub 49] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 48 dB bedraagt. Provinciale staten hebben een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Bovendien overschrijdt 48 dB de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh niet.

Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van het aspect geluid blijk is gegeven van een voldoende belangenafweging.

2.154.3. Voorts betreffen zijn bezwaren de geïsoleerde ligging die zijn woonwijk door de BPL zal krijgen en de vrees voor lichthinder. Volgens [appellant sub 49] is niet duidelijk geworden in hoeverre in zijn woonwijk lichthinder zal worden ervaren.

2.154.4. Provinciale staten stellen zich wat betreft de gestelde geïsoleerde ligging van de woonwijk op het standpunt dat het centrum van Kerkrade na de aanleg van de BPL bereikbaar zal blijven via de Kerkradersteenweg. Dit geldt ook voor het natuurgebied dat tegenover de woonwijk van [appellant sub 49] ligt nu dit gebied ontsloten zal worden via de Krichelbergsweg, de Vauputsweg en het Wauwelpad.

[appellant sub 49] heeft zijn stelling van het tegendeel niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt. Provinciale staten hebben in dit betoog dan ook in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om de locatiekeuze voor de BPL op dit punt te heroverwegen.

2.154.5. Volgens de nota van zienswijzen zal bij de uitwerking van het plan getracht worden hinder vanwege licht of verlichting te voorkomen voor de directe woonomgeving. Aanpassingen van het wegontwerp en de periferie ter voorkoming van lichthinder zijn volgens de nota van zienswijzen mogelijk. Hiertoe zal een verlichtingsplan worden opgesteld. [appellant sub 49] heeft niet aannemelijk gemaakt dat eventuele lichthinder niet zal kunnen worden weggenomen met dit verlichtingsplan.

2.154.6. In hetgeen [appellant sub 49] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 49] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 38]

2.155. [appellante sub 38] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van haar perceel John Erkensstraat 1 te Kerkrade. Haar beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. In dit verband voert zij aan dat het akoestisch onderzoek gebreken bevat.

2.155.1. Niet in geschil is dat de woning van [appellante sub 38] zich in de geluidszone van de BPL bevindt die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd.

Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellante sub 38] zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 48,34 dB bedragen en na het treffen van deze maatregelen 42,15 dB. Volgens het deskundigenbericht wordt dit in de door [appellante sub 38] ingediende brief van 11 december 2010 van HMB waarin een beoordeling van het akoestisch rapport is neergelegd, bevestigd. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde is voorgeschreven van 48 dB wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

[appellante sub 38] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige leemten of gebreken bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen. Daarbij wordt overwogen dat volgens het deskundigenbericht, anders dan HMB stelt, in het akoestisch onderzoek ook rekening is gehouden met railverkeers- en industrielawaai en dat de luchtvaartcontouren in het akoestisch rapport zijn meegenomen. Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de vestiging van een attractiepark nabij Brunssum had plaatsgevonden. Van een concrete ontwikkeling waarmee provinciale staten bij de vaststelling van het plan rekening hadden moeten houden, is daarom in dit geval geen sprake.

Voor de woning van [appellante sub 38] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 47 dB bedraagt. Provinciale staten hebben een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Bovendien overschrijdt 47 dB de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh niet.

2.155.2. In hetgeen [appellante sub 38] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 38] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 35]

2.156. [appellanten sub 35] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Krichelbergsweg 38 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid en het doorsnijden door de BPL van de Krichelbergsweg. Daartoe voert hij aan dat het akoestisch onderzoek gebreken bevat. In dit verband wijst hij op het tegenrapport van HMB van 11 december 2010 waaruit volgens hem volgt dat luchtvaartcontouren, alsmede industrie- en railverkeerslawaai niet zijn betrokken bij het akoestisch onderzoek. Voorts voert hij aan dat hij vanwege zijn werk op een vroeg tijdstip gebruik maakt van de Krichelbergsweg ten zuiden van zijn perceel en dat hij vanwege dit vroege tijdstip geen gebruik kan maken van alternatieve wegen.

2.156.1. Niet in geschil is dat de woning van [appellanten sub 35] zich in de geluidszone van de BPL bevindt die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 56,64 dB bedragen en na het treffen van deze maatregelen 45,95 dB. Volgens het deskundigenbericht wordt dit in het door [appellanten sub 35] ingediende tegenrapport van HMB bevestigd. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde is voorgeschreven van 48 dB wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

[appellanten sub 35] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige leemten of gebreken bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Daarbij wordt overwogen dat volgens het deskundigenbericht, anders dan HMB stelt, in het akoestisch onderzoek ook rekening is gehouden met railverkeers- en industrielawaai en dat de luchtvaartcontouren in het akoestisch rapport zijn meegenomen.

Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de vestiging van een attractiepark nabij Brunssum had plaatsgevonden. Provinciale staten hebben zich derhalve in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een concrete ontwikkeling waarmee zij bij de vaststelling van het plan rekening hadden moeten houden, in dit geval geen sprake is.

Voor de woning van [appellanten sub 35] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 48 dB bedraagt. Provinciale staten hebben een gecumuleerde geluidsbelasting van 48 dB in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Bovendien overschrijdt 48 dB de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh niet.

2.156.2. Niet in geschil is dat [appellanten sub 35] vanwege de aanleg van de BPL geen gebruik zal kunnen maken van de Krichelbergsweg.

Provinciale staten hebben in redelijkheid hierin geen aanleiding behoeven te zien om de BPL te verleggen. Provinciale staten hebben een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang bij de aanleg van de BPL dan aan het belang bij het gebruikmaken van de Krichelbergsweg door Bos. Daarbij wordt overwogen dat [appellanten sub 35] ter zitting heeft toegelicht dat hij ongeveer drie keer per jaar vanwege zijn werk op een vroeg tijdstip gebruik maakt van de Krichelbergsweg. Wat betreft de stelling van [appellanten sub 35] dat een inrijverbod geldt voor alternatieve wegen op het vroege tijdstip waarop hij vertrekt, hebben provinciale staten bovendien ter zitting verklaard hierover in overleg te treden met het gemeentebestuur van Kerkrade.

2.156.3. In hetgeen [appellanten sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 35] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 62]

2.157. [appellant sub 62] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien ter hoogte van zijn perceel Krichelbergsweg 29 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze nog niet hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen een 4 m hoog schuin naar zijn perceel aflopend talud dat in het plan is voorzien. Daartoe voert hij aan dat niet duidelijk is hoe wateroverlast en verlies van het uitzicht als gevolg van de realisering van het talud worden voorkomen. In dit verband hebben provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat door aanpassing van de taludhelling tegemoet wordt gekomen aan zijn vrees voor verlies van uitzicht, aldus [appellant sub 62]. Ook voert [appellant sub 62] aan dat provinciale staten niet zijn ingegaan op de door hem voorgestelde schuine, geluidwerende kap als alternatief voor de verhoging van het talud.

2.157.1. Volgens provinciale staten wordt, anders dan in het ontwerp van het plan, ter plaatse van het perceel van [appellant sub 62] niet meer voorzien in een 4 m hoog, schuin naar zijn perceel aflopend talud. Volgens provinciale staten is een verhoging van het talud tot 4 m niet meer nodig vanwege de verdiepte aanleg van de BPL ter plaatse en de aanleg van een grondwal op het talud met een hoogte van 2 m. Het water dat op de grondwal valt, zal in de grond infiltreren en wateroverlast valt daarom niet te verwachten, aldus provinciale staten. Nu [appellant sub 62] geen feiten heeft aangedragen voor de onjuistheid van dit standpunt en blijkens het aanwezige kaartmateriaal de BPL aan de achterzijde van zijn perceel verdiept wordt aangelegd, faalt het betoog van [appellant sub 62] ter zake van wateroverlast. Voorts heeft [appellant sub 62] niet aannemelijk gemaakt dat hij een groot deel van zijn uitzicht vanwege de grondwal zal verliezen, zodat ook het betoog op dit punt faalt.

2.157.2. Provinciale staten hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de kwaliteitseisen voor de vormgeving van geluidwerende voorzieningen, zoals opgenomen in het Omgevingsplan van 8 oktober 2010, in de weg staan aan de door [appellant sub 62] voorgestane schuine kap als geluidwerende voorziening. [appellant sub 62] heeft dit niet weersproken. Derhalve faalt ook het betoog dat provinciale staten het inpassingsplan op dit punt onvoldoende hebben gemotiveerd.

2.157.3. Voor zover het beroep van [appellant sub 62] mede gericht is tegen de voorziene geluidwerende voorziening op gronden in de nabijheid van zijn perceel waaraan de aanduiding "specifieke vorm van verkeer- geluidwerende voorziening 11" is toegekend en hij in dit verband betoogt dat niet duidelijk is welke hoogte deze voorziening maximaal mag bereiken, wordt overwogen dat deze aanduiding ingevolge artikel 7.2.2, aanhef en onder d, sub 11, van de planregels de bouw van een geluidwerende voorziening met een maximale hoogte van 2 m mogelijk maakt. Gelet hierop is duidelijk welke hoogte deze geluidwerende voorziening mag bereiken.

2.157.4. In hetgeen [appellant sub 62] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 62] is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 5]

Besluit hogere waarden

2.158. Het besluit hogere waarden ziet op woningen gelegen in Brunssum, Hoensbroek, Amstenrade, Kerkrade, Nuth, Schinnen en Landgraaf. [appellante sub 5] richt zich met haar beroep niet tegen de voor die woningen vastgestelde hogere waarden. Met het beroep beoogt zij te bereiken dat de Stationsstraat in Kerkrade - waar zij woont - betrokken wordt in het akoestisch onderzoek.

[appellante sub 5] voert aan dat nu het verkeer door de aanleg van de BPL in de Stationsstraat zal toenemen de toekomstige geluidsbelasting in deze straat als gevolg van deze toename ten onrechte niet is onderzocht. Ook zijn volgens haar ten onrechte geen geluidwerende maatregelen voorzien ter hoogte van de Stationsstraat. Voorts voert zij aan dat niet duidelijk is of hogere waarden kunnen worden vastgesteld voor woningen, terwijl niet is onderzocht of overschrijding van de toepasselijke geluidswaarden door het treffen van geluidwerende maatregelen kan worden beperkt.

2.158.1. De woning van [appellante sub 5] ligt op ruim 1 km vanaf de BPL. Nu haar woning buiten de geluidszone van de BPL ligt, heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wgh geen verplichting bestond de geluidsbelasting vanwege de BPL voor haar woning te onderzoeken.

2.158.2. Ingevolge artikel 99, tweede lid, van de Wgh heeft, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de reconstructie van een weg zal leiden tot een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer vanwege andere wegen dan de te reconstrueren weg of — als een weg gedeeltelijk wordt gereconstrueerd — vanwege de niet te reconstrueren gedeelten daarvan, het in het eerste lid van dit artikel bedoelde onderzoek tevens betrekking op die andere wegen of de niet te reconstrueren gedeelten van de betrokken weg.

Het in deze bepaling bedoelde onderzoek is, zo volgt uit artikel 99, eerste lid, gelezen in samenhang met de artikelen 80 en 77 van de Wgh, een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting die door woningen zou worden ondervonden vanwege de reconstructie, zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken.

2.158.3. Zoals in 2.144.2 is overwogen zal eerst bij een stijging van de verkeersintensiteit van 60% à 70% een toename van de geluidsbelasting plaatsvinden met 2 dB. Nu voorts volgens het akoestisch rapport de verkeersintensiteit in de Stationsstraat met maximaal 30% kan stijgen vanwege de BPL en [appellante sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit rapport op dit punt gebreken bevat, heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat hij ingevolge artikel 99, tweede lid, van de Wgh geen akoestisch onderzoek ter plaatse van de Stationsstraat heeft behoeven te verrichten.

Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten voorts in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om ter plaatse van de Stationsstraat geluidwerende maatregelen te treffen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat het deskundigenbericht bevestigt dat niet aannemelijk is dat vanwege de aanleg van de BPL een significant effect ten aanzien van geluid zal optreden voor de Stationsstraat en dat geluidsmaatregelen daarom niet aan de orde zijn.

2.158.4. Het beroep van [appellante sub 5] tegen het besluit hogere waarden is ongegrond.

Inpassingsplan

2.158.5. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellante sub 5] niet in haar beroep tegen het inpassingsplan ontvangen kan worden gelet op de afstand van ruim 1 km van haar woning op het perceel Stationsstraat 16 te Kerkrade tot de voorziene BPL en dat zij niet in haar persoonlijke belang wordt getroffen.

2.158.6. Volgens het akoestisch rapport zal de aanleg van de BPL tot een toename van de verkeersintensiteit op wegen in Kerkrade kunnen leiden met 30%. Gelet hierop is sprake van een zodanige ruimtelijke uitstraling van het inpassingsplan dat de belangen van [appellante sub 5] rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken. Het beroep van [appellante sub 5] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingplan is derhalve ontvankelijk.

2.158.7. [appellante sub 5] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de omgeving van het perceel Stationsstraat 16 te Kerkrade. Haar beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen de aspecten verkeer, geluid, natuurcompensatie en financiële uitvoerbaarheid. Daartoe voert zij aan dat vanwege de toename van de verkeersintensiteit in de Stationsstraat de bereikbaarheid van en de verkeersveiligheid in deze straat zal verslechteren. Daarnaast voert zij aan dat de aanleg van de BPL tot geluidhinder voor haar woning zal leiden. Volgens [appellante sub 5] hebben provinciale staten in dit verband ten onrechte geen akoestisch onderzoek verricht en geen geluidbeperkende maatregelen voorzien ter plaatse van de Stationsstraat. Ook is volgens haar niet duidelijk in hoeverre de gehanteerde gegevens in het kader van het geluidsonderzoek toekomstvast zijn. Voorts voert zij aan dat natuurcompensatie in de omgeving van het centrum van Kerkrade ten onrechte niet zal plaatsvinden. Zij vreest dat het karakteristieke Limburgse landschap en de beleving van de natuur verloren zullen gaan. Verder voert zij aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan als gevolg van het vergoeden van planschade niet is zekergesteld. Gelet op het voorgaande is het plan in strijd met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel vastgesteld, aldus [appellante sub 5].

2.158.8. Volgens het akoestisch onderzoek geldt voor wegen in Kerkrade in het algemeen dat het verschil in verkeersintensiteiten tussen de situatie van de autonome ontwikkeling en de situatie met de BPL varieert van een afname van 20% tot een toename van 30%. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de bereikbaarheid van de Stationsstraat niet zal verslechteren gelet op deze maximaal mogelijke toename van het verkeer. Voorts hebben zij gesteld dat voor elke wijkontsluitingsweg in Kerkrade geldt dat geen sprake is van een onaanvaardbare verslechtering van de verkeerssituatie vanwege de BPL.

De omstandigheid dat de verkeersintensiteiten in Kerkrade mogelijk met 30% kunnen toenemen, betekent nog niet dat de bereikbaarheid van de Stationsstraat en de verkeersveiligheid in deze straat in het geding zullen komen. [appellante sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze toename zodanig is dat de bereikbaarheid van de Stationsstraat en de verkeerssituatie ter plaatse onaanvaardbaar zullen verslechteren.

Overigens hebben provinciale staten wat betreft de verkeersveiligheid, gelet op de mogelijke toename van het verkeer in de Stationsstraat, in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende nota van zienswijzen gesteld dat zij hierover in overleg zullen treden met het gemeentebestuur van Kerkrade.

2.158.9. Wat betreft het aspect geluid stelt de Afdeling met verwijzing naar hetgeen hiervoor in het kader van het beroep tegen het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden is overwogen, vast dat niet aannemelijk is dat de aanleg van de BPL tot een significante verhoging van de heersende geluidsbelasting in de Stationsstraat zal leiden. Derhalve staat in zoverre de Wgh niet aan het plan in de weg.

2.158.10. Wat betreft het betoog van [appellante sub 5] dat niet duidelijk is in hoeverre de gehanteerde gegevens in het kader van het akoestisch onderzoek toekomstvast zijn, hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de toekomstige situatie zo goed als mogelijk wordt benaderd nu in de gehanteerde verkeersmodellen rekening is gehouden met te verwachten ontwikkelingen. [appellante sub 5] heeft geen feiten aangedragen die twijfel oproepen over dit standpunt.

2.158.11. Volgens de plantoelichting gaat vanwege de aanleg van de BPL in de omgeving van Kerkrade ter plaatse van de EHS-gebieden Boerenanstel, Brughof/Gaiapark en de Crombacherbeek natuur verloren met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 4,8 ha. Uit het rapport "Natuurtoets, mitigatie- en compensatieplan BPL" van 8 oktober 2010 volgt dat natuurcompensatie zal plaatsvinden in de omgeving van Kerkrade. Volgens provinciale staten wordt in de omgeving van Kerkrade ruim 5 ha gerealiseerd en is EHS-compensatie volledig opgenomen in het inpassingsplan. Tussen partijen is dit als zodanig niet in geschil. Nu het verlies van natuur volledig in areaal wordt gecompenseerd hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om ook in de directe omgeving van het centrum van Kerkrade in natuurcompensatie te voorzien.

Voorts zal volgens provinciale staten de natuurcompensatie tezamen met de BPL zorgvuldig in het bestaande landschap worden ingepast waarbij het Omgevingsplan behorende bij het inpassingsplan als toetsingskader zal fungeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande natuur en kernkwaliteiten van het landschap.

Niet is gebleken dat deze inpassing ontoereikend zal zijn. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat haar vrees voor verlies van het karakteristieke Limburgse landschap en de beleving van de natuur gerechtvaardigd is.

2.158.12. In de plantoelichting staat dat bestuurlijke besluitvorming en gesloten overeenkomsten ten aanzien van de BPL tezamen garant staan voor de kostendekking voor de BPL.

De omstandigheid dat volgens [appellante sub 5] de aanleg van de BPL tot waardedaling van haar woning zal leiden, betekent niet dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. [appellante sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kostendekking voor de aanleg van de BPL niet is zekergesteld.

2.158.13. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 5] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 81]

2.159. [appellant sub 81] betoogt dat provinciale staten ten onrechte de plandelen met de bestemmingen "Natuur" en "Verkeer" hebben vastgesteld voor agrarische gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien aan de Hamweg te Kerkrade, kadastraal bekend gemeente Kerkrade, sectie D, perceelsnummers 10007, 9988, 10037, 10035 en 10036. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen de continuïteit van zijn bedrijf. Daartoe voert [appellant sub 81] aan dat hij een groot deel van de bij zijn bedrijf behorende agrarische gronden met een omvang van ongeveer 13 ha zal verliezen en dat hierdoor de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar komt, alsmede de cultuurhistorische waarde van zijn carréboerderij verloren zal gaan. In dit verband stelt hij dat de bedrijfsvoering reeds ernstig in gevaar is gekomen door het verlies van de bij zijn boerderij behorende huiskavel van 11 ha vanwege de realisatie van het woongebied Park Hoogveld.

2.159.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de BPL mede is voorzien op ongeveer 13 ha agrarische gronden die [appellant sub 81] in pacht heeft.

Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij voldoende rekening hebben gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 81]. Daarbij hebben zij in aanmerking kunnen nemen dat [appellant sub 81] een volledige schadeloosstelling zal worden aangeboden waarmee gronden kunnen worden gekocht dan wel gepacht, indien compensatie in de vorm van gronden in pacht niet mogelijk blijkt te zijn. Gelet hierop en de omstandigheid dat de totale omvang van de verspreid liggende agrarische gronden bij zijn bedrijf 48 ha bedraagt, hebben provinciale staten voorts in redelijkheid niet aannemelijk behoeven te achten dat de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar komt. Daarbij acht de Afdeling tevens van belang dat [appellant sub 81] ter zitting heeft uiteengezet dat hij de melkveetak van zijn bedrijf vanwege beperking van zijn bedrijfsvoering als gevolg van het verlies van zijn huiskavel heeft verplaatst naar België alwaar hij in dit verband de beschikking heeft gekregen over 24 ha agrarische gronden.

Verder hebben provinciale staten aan het betoog van [appellant sub 81] dat de cultuurhistorische waarde van de carréboerderij verloren dreigt te gaan nu deze samenhangt met de continuïteit van zijn bedrijf, wat hiervan ook zij, in redelijkheid niet de door hem gewenste betekenis behoeven toe te kennen.

Gelet hierop en nu provinciale staten een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang bij de realisering van de BPL dan aan de bedrijfsbelangen van [appellant sub 81] hebben zij in redelijkheid aan de desbetreffende agrarische gronden een natuur- en verkeersbestemming kunnen toekennen.

2.159.2. In hetgeen [appellant sub 81] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 81] is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 6]

Besluit hogere waarden

2.160. [appellante sub 6] betoogt dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte een hogere waarde van 50 dB voor de bedrijfswoning op het perceel Baamstraat 61 te Kerkrade heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het woon- en leefklimaat ter plaatse zal worden aangetast. Volgens [appellante sub 6] heeft het college van gedeputeerde staten zijn standpunt dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat niet voldoende gemotiveerd.

Voorts betoogt zij dat in de binnen- en buitenruimte van haar ter plaatse aanwezige ruitersportcentrum onaanvaardbare geluidhinder zal ontstaan en dat zij hierdoor klanten zal verliezen. Naar haar stellen is in het akoestisch onderzoek geen rekening gehouden met het ruitersportcentrum.

2.160.1. De bedrijfswoning op het perceel Baamstraat 61 bevindt zich in de geluidszone van de BPL die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd.

Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de bedrijfswoning zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 55,02 dB bedragen en na het treffen van deze maatregelen 49,99 dB. Volgens het deskundigenbericht zijn vanwege de solitaire ligging van cluster 31 waarin de bedrijfswoning ligt en de omstandigheid dat binnen dit cluster slechts één woning aanwezig is, de reductiepunten behorende bij dit cluster ontoereikend om op financieel doelmatige wijze stil asfalt toe te passen of een geluidsscherm te plaatsen.

In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid een hogere waarde van 50 dB heeft kunnen vaststellen voor de bedrijfswoning. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten kunnen betrekken dat ook nu gekozen is voor de toepassing van stil asfalt op de gehele BPL, voor het behalen van een geluidsbelasting van 48 dB op de gevel van de bedrijfswoning een scherm van minimaal 100 m nodig is en dat het evident niet doelmatig is om voor één woning een scherm te plaatsen.

Voorts zal volgens het akoestisch onderzoek de gecumuleerde geluidsbelasting op 4,5 m hoogte 54 dB bedragen. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen heeft het college van gedeputeerde staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van een hogere waarde wettelijk gegarandeerde binnenwaarde. Bovendien is deze waarde volgens het deskundigenbericht lager dan in de bestaande situatie.

2.160.2. De Afdeling stelt voorop dat een besluit tot het vaststellen van hogere waarden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wgh betrekking heeft op de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. De bezwaren van [appellante sub 6] met betrekking tot het ruitersportcentrum en terras kunnen hierbij geen rol spelen. Het betoog van [appellante sub 6] op dit punt faalt derhalve.

2.160.3. Het beroep van [appellante sub 6] tegen het besluit hogere waarden is ongegrond.

Inpassingsplan

2.160.4. [appellante sub 6] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld ter plaatse van het perceel Baamstraat 61 te Kerkrade. Daartoe stelt [appellante sub 6] dat de bereikbaarheid van haar ruitersportcentrum vanwege verplaatsing van de bestaande ontsluitingsweg in oostelijke richting aanzienlijk zal verslechteren. Deze weg is volgens haar moeilijk begaanbaar voor diverse vervoersvormen. Zij wijst onder meer op het hoge hellingspercentage en de breedte van deze weg. Voorts stelt zij dat de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid door de verplaatsing van de ontsluitingsweg in gevaar worden gebracht. Provinciale staten hebben zich in dit verband ten onrechte op het standpunt gesteld dat de nieuwe ontsluitingsweg slechts ten dele behoeft te worden gereconstrueerd, aldus [appellante sub 6]. Ter onderbouwing van deze bezwaren wijst zij op het rapport "Verkeersadvies [appellante sub 6] te Kerkrade" van Oranjewoud van 24 augustus 2011.

Voorts voert [appellante sub 6] aan dat niet duidelijk is of de bestaande verbindingsweg naar het ten noorden van haar perceel gelegen routenetwerk zal worden gehandhaafd. Voor een oplossing voor de doorsnijding van de bestaande westelijke ontsluiting van haar perceel voor langzaam verkeer hebben provinciale staten ten onrechte alleen verwezen naar de gemeente Kerkrade, aldus [appellante sub 6].

2.160.5. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het ruitersportcentrum beter bereikbaar wordt door de nieuwe ontsluitingsweg. De ontsluitingsweg zal zodanig worden ingericht dat deze begaanbaar wordt voor diverse vervoersvormen en deze zal hetzelfde niveau hebben als dat van de bestaande ontsluitingsweg.

Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht en toegezegd dat het hellingspercentage van de nieuwe ontsluitingsweg, ook in de bocht ter hoogte van de aansluiting op de BPL, maximaal 6 zal bedragen en op kruisingen 1. Vrachtwagens zullen elkaar veilig en op logische plekken op de nieuwe ontsluitingsweg kunnen passeren, aldus provinciale staten. Daartoe zal, in overleg met het gemeentebestuur, de weg waar nodig worden verbreed met al dan niet de aanleg van passeerplekken. Daarnaast zal volgens provinciale staten, in overleg met het gemeentebestuur, de berm van de nieuwe ontsluitingsweg zodanig worden ingericht dat deze begaanbaar wordt voor ruiters. Gelet hierop en nu het aantal motorvoertuigen op de nieuwe ontsluitingsweg ongeveer 240 per dag bedraagt, stellen provinciale staten zich op het standpunt dat geen conflictsituaties zijn te verwachten.

[appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontsluitingsweg van het ruitersportcentrum na het treffen van de genoemde maatregelen tekort zal schieten en dat de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid onaanvaardbaar in gevaar worden gebracht. Daarbij wordt overwogen dat in het rapport van Oranjewoud van 24 augustus 2011 op dit punt alleen wordt uitgegaan van de bestaande inrichting en dat geen rekening is gehouden met de door provinciale staten toegezegde maatregelen. Voorts is niet gebleken dat het inpassingsplan in de weg staat aan deze maatregelen. Dit betoog faalt derhalve.

2.160.6. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat niet duidelijk is dat de bestaande verbinding voor langzaam verkeer naar het noordelijke routenetwerk gehandhaafd blijft, nu volgens de verklaring van provinciale staten ter zitting de bestaande verbinding zal worden hersteld en ruiters van deze verkeersverbinding gebruik kunnen maken.

Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat in het plan geen verbindingsweg voor langzaam verkeer in de westelijke richting van het ruitersportcentrum is opgenomen nu daartoe geen directe noodzaak is. [appellante sub 6] heeft geen nadere argumenten aangevoerd dat deze verbindingsweg nodig is voor het goed functioneren van haar ruitersportcentrum.

2.160.7. Voorts voert [appellante sub 6] aan dat haar ruitersportcentrum imagoschade zal lijden door de voorziene ontwikkelingen ter plaatse van haar bedrijf, in het bijzonder vanwege de aantasting van het groene karakter van de omgeving en de herinrichting van het buitenterrein. In dit verband vreest zij verlies van klanten.

Ook stelt [appellante sub 6] dat het verlies van gronden die tot de huiskavel behoren en die fungeren als weidegang niet wordt gecompenseerd door gronden die daartoe worden aangeboden, gelet op de ligging van deze gronden.

Verder voert [appellante sub 6] aan dat provinciale staten ten onrechte niet hebben onderzocht op welke wijze de bedrijfsvoering en ruimtelijke inrichting van haar bedrijf op de aanleg van de BPL dienen te worden aangepast. Het standpunt van provinciale staten dat de aanleg van de BPL nauwelijks invloed zal hebben op de bedrijfsvoering is niet gemotiveerd, aldus [appellante sub 6].

2.160.8. De enkele omstandigheid dat ter plaatse van het ruitersportcentrum nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, betekent op zichzelf nog niet dat de groene omgeving van het ruitersportcentrum onevenredig zal worden aangetast. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het groene karakter van de omgeving van het ruitersportcentrum behouden zal blijven. Daarbij hebben zij in aanmerking kunnen nemen dat de BPL wordt aangelegd op het tracé van de bestaande N300 en dat de ontwikkelingen niet zien op de ten zuiden van het ruitersportcentrum gelegen vallei. Voorts wordt in dit verband van belang geacht dat provinciale staten zich bereid hebben verklaard een groenplan te laten opstellen, waarmee de aanrijroute ter plaatse van de bedrijfsgebouwen bij het ruitersportcentrum van een groen karakter wordt voorzien en dat zij hebben toegezegd dat de provincie de kosten van de aanleg van de benodigde groenvoorzieningen zal dragen.

[appellante sub 6] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het imago van het ruitersportcentrum zodanige schade zal lijden door de voorziene ontwikkelingen dat zij hierdoor veel klanten zal verliezen. Verder wordt in dit verband overwogen dat in het geval [appellante sub 6] als gevolg van het inpassingsplan schade lijdt die redelijkerwijs niet voor haar rekening behoort te blijven, zij in een afzonderlijke procedure ingevolge artikel 6.1 van de Wro een tegemoetkoming kan aanvragen. De beoordeling van een dergelijke aanvraag valt buiten het kader van de onderhavige procedure.

2.160.9. Niet in geschil is dat [appellante sub 6] gronden aangeboden krijgt die direct grenzen aan haar ruitersportcentrum ter compensatie van het verlies van haar gronden als gevolg van de aanleg van de BPL. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlies van gronden die fungeren als weidegrond voldoende wordt gecompenseerd. [appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verlies van de desbetreffende gronden zodanig is dat haar bedrijfsvoering in gevaar komt.

2.160.10. Gelet op de door provinciale staten voorgenomen maatregelen om de nadelige gevolgen van de aanleg van de BPL te beperken voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 6] hebben zij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat haar bedrijfsvoering in gevaar komt. [appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het opstellen van een bedrijfsontwikkelingsplan niettemin noodzakelijk is. Gelet hierop kan voorts haar standpunt niet worden gevolgd dat provinciale staten het bestreden besluit op dit punt niet hebben gemotiveerd.

2.160.11. [appellante sub 6] betoogt voorts dat haar klanten onaanvaardbare geluidhinder op het terras en bij het ruitersportcentrum zullen ondervinden en dat onvoldoende rekening is gehouden met luchtverontreiniging. In dit verband stelt zij dat het akoestisch en luchtkwaliteitsonderzoek niet zorgvuldig zijn verricht.

2.160.12. De Afdeling overweegt dat provinciale staten zich op juiste gronden op het standpunt hebben gesteld dat het ruitersportcentrum en het ter plaatse aanwezige terras geen geluidsgevoelige bestemmingen zijn zoals bedoeld in de Wgh. Gelet hierop bestond ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wgh geen verplichting om ten aanzien van deze voorzieningen een geluidsonderzoek te doen.

Volgens het deskundigenbericht geeft de gecumuleerde geluidsbelasting van 51 dB op de gevel van de bedrijfswoning op een hoogte van 1,5 m een indruk van de geluidsbelasting die ter plaatse van het terras wordt ondervonden. Hoewel de afstanden vanaf de voorziene BPL tot de bedrijfswoning en het terras onderscheidenlijk ongeveer 95 en 70 m bedragen, heeft het verschil in afstand volgens het deskundigenbericht geen grote invloed op de hoogte van de geluidsbelasting.

In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat ter plaatse van het terras en ruitersportcentrum onaanvaardbare geluidhinder zal ontstaan. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Volgens het akoestisch onderzoek bedraagt de geluidsbelasting op de gevel van de bedrijfswoning op een hoogte van 1,5 m in de bestaande situatie bovendien reeds 49,34 dB. [appellante sub 6] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van provinciale staten dat de nieuwe ontsluitingsweg geen relevante bijdrage levert aan de gecumuleerde geluidsbelasting, gelet op het aantal motorvoertuigen van ongeveer 240 per dag dat over deze weg rijdt, onjuist is.

2.160.13. Wat betreft de luchtkwaliteit ter plaatse van het ruitersportcentrum wordt overwogen dat volgens het luchtkwaliteitsrapport de toepasselijke grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer voor zowel buitenstedelijke wegen als binnenstedelijke wegen niet worden overschreden. De verkeersintensiteiten op de BPL en de toeleidende wegen nemen toe waardoor de emissies op de BPL en de wegen direct daar omheen toenemen. Doordat het verkeer door de BPL wordt onttrokken aan het onderliggende wegennet neemt op de meeste wegvlakken de emissie op het onderliggende wegennet af. Ondanks de toename van de emissies op diverse wegvakken wordt in het gehele onderzoeksgebied voldaan aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

De afstand van het ruitersportcentrum tot de voorziene BPL verandert ten opzichte van de bestaande situatie nagenoeg niet. De toename van de verkeersintensiteit zal niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer, zo bevestigt het deskundigenbericht.

Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL wat betreft het aspect luchtkwaliteit niet tot een onaanvaardbare situatie zal leiden.

2.160.14. Voorts is het beroep van [appellante sub 6] gericht tegen de aanleg van faunapassages ter plaatse van haar perceel. Daartoe voert zij aan dat provinciale staten de noodzaak en de gevolgen hiervan voor haar bedrijfsvoering niet voldoende hebben gemotiveerd.

2.160.15. Blijkens bijlage 5C, kaart ontsnipperingsmaatregelen, bij het rapport "Deelrapport 8A, Natuurtoets, Migratie- en Compensatieplan behorend bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 van Arcadis is ten westen van het ruitersportcentrum een kleine faunatunnel voorzien. Ten oosten van het ruitersportcentrum is een dassentunnel voorzien. De kleine faunatunnel is volgens bijlage 5B bij dit deelrapport bestemd voor kleinere diersoorten. Volgens dit deelrapport is de aanleg van deze faunapassages noodzakelijk om te voldoen aan de ter zake geldende bepalingen uit de Ffw.

Voorts hebben provinciale staten gesteld dat het plaatsen van rasters nodig is om dieren naar de passages te geleiden en dat deze voorzieningen zodanig kleinschalig van aard zijn dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 6] en het gebruik van de om het ruitersportcentrum liggende gronden hierdoor niet worden gehinderd.

In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de noodzaak en de gevolgen van de voorziene faunapassages voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 6] voldoende inzichtelijk zijn gemaakt.

2.160.16. Verder voert [appellante sub 6] aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet inzichtelijk is gemaakt.

2.160.17. In de plantoelichting staat dat bestuurlijke besluitvorming en gesloten overeenkomsten ten aanzien van de voorziene ringweg tezamen garant staan voor de kostendekking voor de aanleg van de BPL.

De omstandigheid dat volgens [appellante sub 6] de aanleg van de BPL tot waardedaling van het ruitersportcentrum zal leiden, betekent nog niet dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. [appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kostendekking voor de aanleg van de BPL niet is zekergesteld.

2.160.18. Tot slot voert [appellante sub 6] aan te vrezen voor de gevolgen van aanlegwerkzaamheden voor haar bedrijfsvoering.

2.160.19. Wat deze beroepsgrond betreft wordt overwogen dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure in beginsel niet aan de orde komen. Bovendien heeft [appellante sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zal leiden tot een onevenredige belemmering van haar bedrijfsvoering.

2.160.20. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 6] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 99]

2.161. [appellanten sub 99] betogen dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld ter hoogte van het bedrijventerrein Willem Sophia te Kerkrade, voor zover daarbij niet is voorzien in een directe ontsluiting op de BPL. Daartoe voeren zij aan dat het aantal transportbewegingen, mede vanwege de toename van het aantal transportbedrijven, op het bedrijventerrein en de Parallelweg zal toenemen. Voorts wordt met een directe ontsluiting voorkomen dat vrachtwagens via de ontsluiting op de Parallelweg door een nabijgelegen woonwijk zullen rijden.

2.161.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de situering en vormgeving van de gekozen aansluitingen op de BPL het resultaat zijn van een afweging van verschillende verkeerskundige aspecten. Om de doorstroming op de BPL niet te beperken hebben provinciale staten ervoor gekozen om aansluitingen op een onderlinge afstand van ongeveer 2 km te realiseren. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

Niet in geschil is dat de door [appellanten sub 99] voorgestane aansluiting niet met dit uitgangspunt in overeenstemming is. In hetgeen [appellanten sub 99] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in redelijkheid aanleiding hadden moeten zien om - in afwijking van hun beleidsuitgangspunt - te voorzien in een directe aansluiting van het bedrijventerrein Willem Sophia op de BPL. [appellanten sub 99] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de stelling van provinciale staten dat uit de verkeersprognoses van het verkeersmodel Parkstad Limburg niet is gebleken dat de verkeerstoename op de Parallelweg vanwege de BPL zodanig is dat de functie van deze weg wordt aangetast, onjuist is.

Voorts volgt uit het verkeerskundige rapport dat de Parallelweg via een ruime boog op de BPL zal worden aangetakt. Gelet hierop kan de stelling van [appellanten sub 99] niet worden gevolgd dat het vrachtverkeer alleen is aangewezen op de ontsluiting via de Parallelweg die door een nabijgelegen woonwijk voert. Overigens zullen volgens het verkeerskundige rapport verkeersmaatregelen worden getroffen om het vrachtverkeer uit de nabijgelegen woonwijk te weren.

2.161.2. In hetgeen [appellanten sub 99] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 99] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 102]

2.162. Het beroep van [appellant sub 102] is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de natuurgebieden Geleenbeekdal, Brunssummerheide en Teverener Heide. In dit verband voert hij aan dat de BPL tot aantasting van deze gebieden zal leiden.

2.162.1. Voor zover het beroep van [appellant sub 102] betrekking heeft op deze natuurgebieden overweegt de Afdeling dat de BPL ter hoogte van deze gebieden is voorzien op een afstand van enkele kilometers van zijn woning. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de gronden voor de BPL noch op die gebieden. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks betrokken belang, bij de delen van de BPL ter hoogte van deze gebieden, te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 102] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover het betreft die delen van de BPL, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 102] geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van voormelde gebieden, en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 102] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.162.2. Voorts betoogt [appellant sub 102] dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel John Erkensstraat 3 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. In dat verband voert hij aan dat de BPL tot geluidhinder zal leiden en dat het akoestisch onderzoek gebreken bevat. In dit verband wijst hij op het tegenrapport van HMB van 11 december 2010 waaruit volgens hem volgt dat luchtvaartcontouren, alsmede industrie- en railverkeerslawaai niet zijn betrokken in het akoestisch onderzoek. Daarnaast staat in het rapport van HMB dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de drie bouwlagen van zijn woning, aldus [appellant sub 102].

2.162.3. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 102] zich binnen de geluidszone van de BPL bevindt die ter plaatse als nieuwe weg zal worden aangelegd. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 102] zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 56,94 dB bedragen en na het treffen van deze maatregelen 47,60 dB. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde is voorgeschreven van 48 dB wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

[appellant sub 102] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige leemten of gebreken bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Daarbij wordt overwogen dat volgens het deskundigenbericht, anders dan HMB stelt, in het akoestisch onderzoek ook rekening is gehouden met railverkeers- en industrielawaai en dat de luchtvaartcontouren in het akoestisch rapport zijn meegenomen. Voorts staat in het rapport van HMB, anders dan [appellant sub 102] heeft aangevoerd, dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met drie bouwlagen, maar dat dit geen negatief gevolg heeft voor de berekende waarden.

Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de vestiging van een attractiepark nabij Brunssum had plaatsgevonden. Provinciale staten hebben zich derhalve in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een concrete ontwikkeling waarmee zij bij de vaststelling van het plan rekening hadden moeten houden, geen sprake is.

Voor de woning van [appellant sub 102] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 51 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

2.162.4. In hetgeen [appellant sub 102] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 102] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20]

2.163. [appellant sub 20] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Franssenstraat 41 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. [appellant sub 20] vreest voor verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van zijn woning.

2.163.1. Volgens het akoestisch rapport zal de bestaande Dentgenbachweg tussen de N299 en de Kerkradersteenweg worden gewijzigd in de BPL. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 20] is gelegen in de geluidszone van de BPL. Voorts zal parallel aan de BPL de nieuwe Dentgenbachweg worden aangelegd. Hierbij is sprake van de aanleg van een nieuwe weg, aldus het akoestisch rapport.

Volgens het deskundigenbericht is onderzocht of vanwege de BPL sprake is van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 20] 36,33 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 41,74 dB. Nu de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden is geen sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh.

Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de nieuwe Dentgenbachweg op de gevel van de woning van [appellant sub 20] 36,80 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 36,76 dB. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 20] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 49 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

[appellant sub 20] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.163.2. In hetgeen [appellant sub 20] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 20] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 88] en anderen

2.164. [appellante sub 88] en anderen betogen dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld voor gronden op hun perceel Vauputsweg 171 te Kerkrade waarop het tracé van de BPL is voorzien. Daartoe voeren [appellante sub 88] en anderen aan dat de aanleg van de BPL tot beëindiging van hun bedrijfsactiviteiten met zoogkoeien zal leiden nu het tracé van deze weg dwars over hun gronden loopt als gevolg waarvan deze gronden worden gesplitst. Provinciale staten hebben niet gemotiveerd hoe de uitoefening van toezicht op hun zoogkoeien is gewaarborgd. Voorts hebben provinciale staten zich volgens [appellante sub 88] en anderen ten onrechte op het standpunt gesteld dat verwerving van al hun gronden niet noodzakelijk is en dat financiële compensatie zich niet hoeft uit te strekken over al deze gronden. [appellante sub 88] en anderen stellen in dit verband dat op de resterende gronden geen bedrijfsvoering mogelijk is. Verder betogen [appellante sub 88] en anderen dat het plan niet in een adequate ontsluiting van het perceel Vauputsweg 171 voorziet.

2.164.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanleg van de BPL op de gronden van [appellante sub 88] en anderen tot beëindiging van hun bedrijfsactiviteiten met zoogkoeien ter plaatse zal leiden. Voorts is niet in geschil dat de aanleg van de BPL tot een forse verhoging van de Vauputsweg ter hoogte van het perceel van [appellante sub 88] en anderen zal leiden en dat thans nog geen overeenstemming is bereikt over een nieuwe ontsluiting voor het perceel.

In hetgeen [appellante sub 88] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van provinciale staten dat zij voldoende met hun bedrijfsbelangen rekening hebben gehouden, onredelijk is. Daarbij hebben provinciale staten kunnen betrekken dat het bedrijf van [appellante sub 88] en anderen, zo hebben zij ter zitting bevestigd, in aanmerking komt voor een algehele verplaatsing naar een andere locatie alwaar de bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet. Daarnaast overweegt zij dat provinciale staten hebben gesteld dat zij een aanvaardbare oplossing trachten te vinden voor een nieuwe ontsluiting van het perceel Vauputsweg 171, voor zover [appellante sub 88] op dit perceel gevestigd wil blijven. [appellante sub 88] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze oplossing op voorhand uitgesloten is.

Voorts overweegt de Afdeling dat provinciale staten in dit geval in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang bij de aanleg van de BPL dan aan de bedrijfsbelangen van [appellante sub 88] en anderen.

2.164.2. Voorts betogen [appellante sub 88] en anderen dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met Waarden" hebben vastgesteld voor gronden op hun perceel Vauputsweg 171 te Kerkrade. Daartoe voeren zij aan dat gronden met deze bestemming niet worden benut voor natuurcompensatie en dat zij daarom niet in aanmerking komen voor verwerving door provinciale staten, als gevolg waarvan hun onderhandelingspositie in het kader van een grondtransactie wordt verzwakt. Voorts zijn het nut en de noodzaak van de toegekende agrarische bestemming niet duidelijk, aldus [appellante sub 88] en anderen.

2.164.3. De Afdeling overweegt dat provinciale staten een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het vaststellen van een inpassingsplan. In hetgeen [appellante sub 88] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met Waarden" aan hun gronden hebben kunnen toekennen. Daarbij hebben provinciale staten in aanmerking kunnen nemen dat gronden met deze bestemming een rol vervullen voor het goed functioneren van faunapassages ter plaatse van de BPL. Ook hebben zij in aanmerking kunnen nemen dat op gronden met deze bestemming het bestaande agrarische gebruik kan worden voortgezet, hetgeen als zodanig tussen partijen niet in geschil is. Voorts hebben [appellante sub 88] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak is voor het toekennen van de bestemming "Natuur". Aan de omstandigheid dat volgens [appellante sub 88] en anderen de toegekende bestemming hun onderhandelingspositie in het kader van een grondtransactie ondermijnt, omdat deze bestemming, anders dan een natuurbestemming, niet voorziet in natuurcompensatie, hebben provinciale staten in redelijkheid niet de door hen gewenste betekenis behoeven toe te kennen nu hieraan geen ruimtelijk relevant motief ten grondslag ligt.

2.164.4. Voorts betogen [appellante sub 88] en anderen dat niet is gebleken dat provinciale staten ter plaatse van hun perceel Vauputsweg 171 onderzoek hebben gedaan naar de gevolgen van de aanleg van de BPL voor de waterhuishouding, zodat niet duidelijk is dat geen waterschade zal ontstaan. In dit verband voeren zij tevens aan dat de uitvoering van het plan tot schade kan leiden aan de aanwezige bebouwing, in het bijzonder aan de aanwezige monumentale carréboerderij. Voorts voeren [appellante sub 88] en anderen aan dat de termijn van vijf jaar na het onherroepelijk worden van het besluit tot het vaststellen van het plan waarbinnen een planschadeverzoek kan worden ingediend, niet toereikend is.

2.164.5. Volgens het geohydrologisch onderzoek en het afwateringsplan die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit worden ter plaatse van het perceel Vauputsweg 171 twee stroombanen doorsneden via welke water wordt afgevoerd. Om de afvoer van water via deze stroombanen te waarborgen wordt de stroombaan ten noorden van dit perceel aangesloten op een bergingssloot van de BPL waarlangs het water wordt afgevoerd naar de Vloedgraaf. De zuidelijke stroombaan wordt met een duiker onder de BPL doorgeleid, zodat de afvoer van water gewaarborgd blijft. [appellante sub 88] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze maatregelen ontoereikend zijn om het voorkomen van waterschade te waarborgen.

Voorts wordt in dit verband overwogen dat volgens het rapport "Deelrapport 6A waterparagraaf behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" de BPL ter plaatse van de Dentgenbachweg geen grondwaterstanden of -stromen zal beïnvloeden, omdat de BPL en haar fundering boven de zogenoemde verzadigde zone zullen komen te liggen. Daarnaast worden door de BPL geen barrières opgeworpen waardoor grondwaterstromen worden beïnvloed. Verder zal hemelwater dat op de BPL valt langs deze weg in de grond worden geïnfiltreerd, aldus dit rapport.

2.164.6. Voorts bestaat geen grond voor de verwachting dat, in het geval de te treffen voorzorgsmaatregelen schade aan de bebouwing van [appellante sub 88] en anderen als gevolg van de uitvoering van werkzaamheden bij de aanleg van de BPL niet kunnen voorkomen, die schade zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.164.7. Wat betreft de bezwaren van [appellante sub 88] en anderen tegen de termijn van vijf jaar voor het indienen van een planschadeverzoek wordt overwogen dat deze termijn is opgenomen in artikel 6.1, vierde lid, van de Wro. Bezwaren tegen deze termijn kunnen dan ook niet tot vernietiging van het inpassingsplan leiden.

2.164.8. Voorts is het beroep van [appellante sub 88] en anderen gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor hun gronden ter plaatse van de Dentgenbachweg te Kerkrade tussen de Kloosteranstelerweg en de Brughofweg. Daartoe voeren zij aan dat deze gronden door de aanleg van de BPL niet meer bereikbaar zullen zijn.

2.164.9. Niet in geschil is dat de bestaande ontsluiting van voornoemde gronden vanwege de aanleg van de BPL zal verdwijnen.

Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het realiseren van een viaduct om de bestaande ontsluiting te waarborgen te kostbaar is. Daartoe hebben zij gesteld dat de desbetreffende gronden bereikbaar blijven via een alternatieve ontsluiting ter plaatse van de Brughofweg en dat op deze gronden geen intensief verkeer rijdt. Voorts hebben zij gesteld dat zij in hun afweging in aanmerking hebben genomen dat [appellante sub 88] de gronden in pacht heeft.

In hetgeen [appellante sub 88] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van provinciale staten onredelijk is. [appellante sub 88] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende gronden niet bereikbaar zijn via de alternatieve ontsluiting en dat het handhaven van de bestaande ontsluiting noodzakelijk is.

2.164.10. In hetgeen [appellante sub 88] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 88] en anderen is ongegrond.

Verbeelding - blad 14

Algemeen deel blad 14

2.165. Enkele appellanten betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat provinciale staten bij de beantwoording van hun zienswijzen tevens een zienswijze hebben beantwoord die niet op hen betrekking heeft, maar op een woning aan de Klingstraat 10.

De Afdeling overweegt dat provinciale staten naast hun reactie op de zienswijzen van appellanten per abuis onder de naam van appellanten tevens een zienswijze hebben opgenomen en beantwoord die niet op hen betrekking heeft. Dit feit beschouwt de Afdeling als een kennelijke verschrijving waarin zij geen aanleiding ziet het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.

2.165.1. Enkele appellanten betwisten de inhoud van de aan de BPL ten grondslag gelegde TN/MER/UVS onder verwijzing naar de door hen ingebrachte "Second opinion Tracénota/MER-UVS" van Accent Adviseurs van 18 juni 2010.

De Afdeling overweegt dat de second opinion een beschrijving van de TN/MER-UVS betreft waarbij over de TN/MER-UVS enkele kanttekeningen worden geplaatst die echter niet met onderzoeken en daaruit eventueel volgende feitelijke gegevens worden onderbouwd. Gelet hierop hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de TN/MER-UVS zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten deze niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen.

2.165.2. Enkele appellanten betogen dat de BPL zal worden gebruikt door Duitse vrachtwagens als sluiproute om de tolheffing op de Duitse autowegen te vermijden waardoor de verkeersveiligheid in het geding is.

Niet in geschil is dat Duits vrachtverkeer mogelijk de Duitse tolheffing wil vermijden. Ter zitting is gesteld dat veel vrachtverkeer gedeeltelijk over de BPL en vervolgens dwars door de bebouwde kom van Kerkrade en Herzogenrath zal rijden in de richting van de Duitse A44 om tolheffing te vermijden en omdat deze route korter is. Daargelaten of deze route korter is, gaat deze voor een aanzienlijk deel door de bebouwde kom van voornoemde plaatsen. Niet is gebleken dat deze route korter is wat betreft reistijd. Voorts hebben provinciale staten desgevraagd nader toegelicht dat met deze verkeersstroom bij de vaststelling van het plan beperkt rekening is gehouden, omdat deze verkeersstroom noch logisch, noch substantieel is. Indien de verkeersstromen langs voornoemde route desalniettemin toenemen, zullen verkeersmaatregelen worden genomen. Gelet hierop hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de verkeersveiligheid in het geding is door mogelijk sluipverkeer. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de stelling niet met objectief verifieerbare gegevens is onderbouwd.

2.165.3. Enkele appellanten hebben bezwaren tegen de keuze voor het alternatief van de BPL via de Dentgenbachweg.

De Afdeling overweegt dat ten aanzien van het gekozen tracé provinciale staten bij de keuze van de bestemming een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Volgens de plantoelichting is de voorkeur voor het tracé via de Dentgenbachweg uitgesproken boven het door appellanten voorgestane tracé via de Tunnelweg. Provinciale staten hebben daarbij in aanmerking genomen dat eerstgenoemd tracé de beste mogelijkheden biedt om de economische en toeristisch cruciale locaties in het gebied goed te ontsluiten. Daarnaast behoeven bij de keuze voor dit tracé minder woningen te worden gesloopt dan bij de keuze voor het tracé via de Tunnelweg. Voorts hebben provinciale staten van belang geacht dat het tracé via de Dentgenbachweg ook in een directe aansluiting voorziet op een andere drukke verbindingsweg. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de keuze voor het in het plan neergelegde tracé onredelijk is.

2.165.4. Enkele appelanten betogen dat de natuur in Kerkrade als gevolg van de BPL ernstig wordt aangetast. Ter zitting hebben appellanten hun stelling nader geconcretiseerd in die zin dat zij menen dat onvoldoende natuurcompensatie plaatsvindt.

Volgens de plantoelichting zullen de in de omgeving van Kerkrade gelegen EHS-gebieden Boerenanstel, Brughof/Gaiapark en het Crombacherbeekdal worden aangetast, waarbij ongeveer 4,8 ha aan natuur verloren zal gaan. Uit het verweerschrift volgt dat geen aanleiding is gezien om in de nabijheid van het centrum van Kerkrade in compensatie te voorzien nu in deze omgeving meer dan 5 ha natuur wordt gerealiseerd en de natuurcompensatie zorgvuldig in het bestaande landschap wordt ingepast waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande natuur en kernkwaliteiten van het landschap. Volgens de plantoelichting vindt compensatie plaats overeenkomstig de provinciale beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden. Ter zitting hebben provinciale staten onweersproken gesteld dat op diverse locaties langs de BPL wordt voorzien in natuurcompensatie en dat deze compensatie meer betreft dan feitelijk nodig is.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende natuurcompensatie plaatsvindt.

Het beroep van [appellant sub 13]

2.166. [appellant sub 13] woont onderscheidenlijk is gevestigd aan de Hamstraat 159 en 161 te Kerkrade. Zij richt zich tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van haar woon- en bedrijfsomgeving. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Daarnaast betoogt [appellant sub 13] dat haar bedrijfsactiviteiten en woongenot als gevolg van het plan hinder zullen ondervinden. Zij wijst hierbij op extra kosten voor haar taxibedrijf, omdat de taxi’s ten gevolge van de aanleg van de BPL moeten omrijden. Voorts zijn haar percelen, waaronder haar garagebedrijf, niet meer goed bereikbaar met omzetverlies en leveringsproblemen tot gevolg. Verder wordt haar woongenot aangetast nu de BPL op 5 m van haar woning is voorzien en vreest zij voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder.

Voorts betoogt [appellant sub 13] dat niet is gemotiveerd waarom de bestemming "Berm" in het plan is opgenomen.

Tot slot betoogt [appellant sub 13] dat provinciale staten niet zijn ingegaan op haar verzoek voor een alternatieve locatie voor haar bedrijfsactiviteiten in het plangebied. Zij voert hiertoe aan dat de bedrijfsuitoefening op de huidige plaats onmogelijk wordt gemaakt en dat ook geen wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen om elders haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten. Nu provinciale staten niet hebben voorzien in een alternatieve locatie in het plangebied, hebben zij gehandeld in strijd met het provinciale beleid, aldus [appellant sub 13].

2.166.1. Op de percelen Hamstraat 159 en 161 exploiteert [appellant sub 13] haar bedrijfsactiviteiten bestaande uit een motorbrandstoffenverkooppunt, een winkel/shop, een taxibedrijf en een garagebedrijf en wonen tevens de vennoten van het bedrijf en de heer F.G. [appellant sub 13]. In het plan komen deze percelen gedeeltelijk binnen de bestemming "Verkeer" te liggen, waarbinnen de BPL is voorzien. Daarom is het provinciebestuur doende om de percelen van [appellant sub 13] te verwerven. Als deze verwerving niet slaagt langs minnelijke weg, zal tot onteigening worden overgegaan, waarbij een passende schadeloosstelling is verzekerd. Nu de provincie de percelen van [appellant sub 13] zal verwerven, bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 13] ter plaatse van deze percelen (geluid)hinder zal ondervinden.

Wat betreft de in het plan opgenomen bestemming "Berm" is niet in geschil dat deze bestemming is toegekend overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 die voorschrijft dat, in het geval een gewenste functie niet past binnen één van de hoofdgroepen van bestemmingen voor wegen, de naam van de functie "Berm" wordt gebruikt. Over de toekomstige invulling van de locaties waaraan deze bestemming is toegekend bestaat nog geen zekerheid. Ter zitting is komen vast te staan dat een substantieel gedeelte van het perceel van [appellant sub 13] zal moeten plaatsmaken voor de voorziene BPL. Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat het overgebleven perceelsgedeelte te klein is voor de bestaande bedrijfsactiviteiten ter plaatse, op grond waarvan provinciale staten aan het overige perceelsgedeelte de bestemming "Berm" hebben toegekend om vervolgens het perceel geheel te kunnen onteigenen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. [appellant sub 13] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze keuze van provinciale staten niet passend zou zijn.

Provinciale staten zijn in het bestreden besluit op de bezwaren van [appellant sub 13] wat betreft een alternatieve locatie ingegaan. In het plangebied is echter geen alternatieve locatie aanwezig voor de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 13]. Ter zitting hebben provinciale staten desgevraagd nader toegelicht dat drie alternatieve locaties aan [appellant sub 13] zijn aangeboden, maar dat partijen nog niet tot overeenstemming zijn gekomen. Niet in geschil is dat tussen het college van gedeputeerde staten en [appellant sub 13] overleg is geweest over alternatieve locaties buiten het plangebied. Hierbij heeft [appellant sub 13] één locatie afgewezen, omdat deze naar haar mening te ver van de huidige locatie af ligt. Voorts is ter zitting gebleken dat partijen nog steeds in overleg zijn over een alternatieve locatie voor de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 13]. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de belangen van [appellant sub 13] onvoldoende in hun besluitvorming hebben betrokken. De stelling van [appellant sub 13] dat provinciale staten hebben gehandeld in strijd met het provinciale beleid, heeft zij niet onderbouwd.

2.166.2. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 13] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15]

2.167. [appellant sub 15] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Agathagracht 36 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen de voorziene ligging van de BPL ter plaatse van zijn woonwijk Gracht en het aspect geluid. In dit verband voert [appellant sub 15] aan dat de BPL verder in zuidelijke richting dient te worden verplaatst. Daarnaast voert [appellant sub 15] aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de bestaande helling van de weg ter hoogte van zijn woonwijk. Voorts zal de aanleg van de BPL volgens [appellant sub 15] tot een onaanvaardbare milieubelasting leiden nu bezoekers van het Gaiapark die vanuit de richting A76 en N281 komen een omweg dienen te maken. Tot slot betreffen zijn bezwaren waardedaling van zijn woning en aantasting van de leefbaarheid in zijn woonwijk vanwege de aanleg van de BPL.

2.167.1. Volgens de plantoelichting hebben provinciale staten overwogen het tracé van de BPL ter hoogte van de woonwijk Gracht verder in zuidelijke richting te verschuiven teneinde de gevolgen van de aanleg van de BPL voor deze woonwijk te beperken. Een verschuiving in zuidelijke richting zou echter een aantasting betekenen van het dal van de Crombacherbeek. Dit beekdal is volgens de plantoelichting onderdeel van de EHS waarvoor het "nee, tenzij-principe" van toepassing is. Voorts stuit een verschuiving van het tracé in zuidelijke richting op bezwaren van het waterschap vanwege de gevolgen hiervan voor de Crombacherbeek en leidt een verschuiving tot aantasting van de Crombacherhoeve, aldus de plantoelichting.

In het verweerschrift hebben provinciale staten aanvullend gemotiveerd dat een verschuiving van het tracé in zuidelijke richting betekent dat de BPL gedeeltelijk op Duits grondgebied wordt gerealiseerd, hetgeen onwenselijk is vanwege de complicaties en vertraging die dit met zich zou brengen ten aanzien van de onderhavige inpassingsplanprocedure.

In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de keuze van provinciale staten om het tracé van de BPL ter hoogte van de woonwijk Gracht niet verder in zuidelijke richting te verschuiven onredelijk is. Aan de stelling van [appellant sub 15] dat de bestaande N300 in geval van een verschuiving gehandhaafd kan blijven als ontsluitingsweg voor zijn woonwijk en voor het nabijgelegen bedrijventerrein hebben provinciale staten geen doorslaggevend gewicht behoeven toe te kennen, nu volgens de plantoelichting in een ontsluiting zal worden voorzien via een parallelweg van de BPL.

Voorts hebben provinciale staten gesteld dat de bestaande woningen aan de zuidzijde van de Hamstraat vanwege de verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse, anders dan [appellant sub 15] veronderstelt, ook geamoveerd moeten worden indien de BPL verder in zuidelijke richting wordt verschoven. [appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze stelling van provinciale staten onjuist is.

2.167.2. Voorts faalt het betoog dat ten onrechte in het geluidonderzoek geen rekening is gehouden met de helling ter hoogte van de Agathagracht. Ingevolge artikel 3.2, tweede lid, onder a, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt, afhankelijk van de situatie, bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een weg rekening gehouden met de effecten op de geluidsemissie en geluidsoverdracht die het gevolg zijn van één of meer hellingen in het beschouwde weggedeelte.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.

Ingevolge paragraaf 2.4.3 van bijlage III bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt een hellingscorrectie toegepast indien het stijgend gedeelte van het verkeer een helling van ten minste 3% moet overwinnen over een hoogteverschil van ten minste 6 m.

2.167.3. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de geluidsberekeningen geen hellingscorrectie behoeft te worden toegepast nu het verkeer op de voorziene BPL ter hoogte van de woonwijk Gracht geen helling van ten minste 3% moet overwinnen over een hoogteverschil van ten minste 6 m.

[appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hellingspercentage ter plaatse ten minste 3 bedraagt over een hoogteverschil van ten minste 6 m en dat ten onrechte geen hellingscorrectie is toegepast.

2.167.4. Ook faalt het betoog dat de BPL tot een grotere milieubelasting zal leiden doordat bezoekers van het Gaiapark een omweg moeten maken. Provinciale staten hebben in het verweerschrift gesteld dat de BPL rechtstreeks wordt aangesloten op de bestaande toegang van het Gaiapark en dat mogelijk te nemen routes naar dit park niet worden gewijzigd. Lokale bezoekers kunnen gebruik blijven maken van de Kaalheidersteenweg en Kerkradersteenweg.

Voorts hebben zij gesteld dat, hoewel voor sommige bezoekers die via de BPL van verder gelegen locaties komen de reisafstand groter wordt, hun reistijd korter wordt als gevolg van de snelle verbinding die de BPL biedt met hoofdwegen, zoals de A76 en N281. Deze bezoekers zijn niet meer aangewezen op het lokale verkeersnetwerk waarop een lagere verkeerssnelheid geldt en opstoppingen voorkomen. Volgens provinciale staten zal het voorgaande tot minder uitstoot van luchtverontreinigende stoffen leiden.

[appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van provinciale staten onjuist is.

2.167.5. De woning van [appellant sub 15] is gelegen in de geluidszone van de BPL. In de nabijheid van de woning van [appellant sub 15] zal een nieuwe parallelweg worden aangelegd ter hoogte van de Hamstraat. Volgens het akoestisch rapport zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 31,40 dB bedragen. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Daarnaast zal de Hamstraat in verband met de aansluiting op de BPL worden gewijzigd. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 15] 41,63 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 47,74 dB. Nu de wijziging niet leidt tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is geen sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Gelet hierop wordt voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 15] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 48 dB bedraagt. Provinciale staten hebben een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang. Bovendien overschrijdt 48 dB de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh niet.

[appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

2.167.6. Wat de eventueel nadelige invloed van het inpassingsplan op de waarde van de woning van [appellant sub 15] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.167.7. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 15] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

2.168. [appellant sub 16] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Sint Bernadettestraat 26 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen de geïsoleerde ligging van zijn woonwijk Gracht en de waardevermindering van zijn woning als gevolg van de aanleg van de BPL. In dit verband voert [appellant sub 16] aan dat provinciale staten ter zake geen blijk hebben gegeven van een belangenafweging. Voorts betreffen zijn bezwaren de uitvoering van de BPL als een weg met 2x2 rijstroken langs de Hamstraat. Volgens [appellant sub 16] kan het bestaande fietspad langs de Hamstraat worden gehandhaafd indien de BPL wordt uitgevoerd met 2x1 rijstrook.

2.168.1. Volgens de plantoelichting wordt ter plaatse van de woonwijk Gracht een parallelweg gerealiseerd waardoor de bereikbaarheid van deze woonwijk zal verbeteren.

Volgens het rapport "Tweede aanvulling MER" zal de voorziene parallelweg de bestaande Hamstraat verbinden met de nieuw te realiseren aansluiting van de BPL met de Domaniale Mijnstraat en de B258n. Voorts zal de parallelweg aansluiten op de Locht.

[appellant sub 16] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de parallelweg niet toereikend is om een geïsoleerde ligging van zijn woonwijk te voorkomen en dat provinciale staten ter zake geen blijk hebben gegeven van een belangenafweging.

2.168.2. Voorts hebben provinciale staten gesteld dat, hoewel fietsers na aanleg van de BPL geen gebruik kunnen maken van een vrijliggend fietspad langs de Hamstraat, zij wel gebruik kunnen maken van de parallelweg die voorzien zal worden van zogenoemde fietssuggestiestroken. Bij de aansluiting van de parallelweg met de Hamstraat zal wel worden voorzien in vrijliggende fietspaden.

In het verweerschrift hebben provinciale staten voorts gesteld dat de keuze voor fietssuggestiestroken boven een vrijliggend fietspad verantwoord is, gelet op de beperkte verkeersintensiteiten op de parallelweg. Voorts zal de parallelweg worden ingericht als erftoegangsweg waarop een maximumsnelheid zal gelden van 60 km/uur.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om het tracé van de BPL langs de Hamstraat uit te voeren als een weg met 2x1 rijstrook. [appellant sub 16] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een noodzaak bestaat voor een vrijliggend fietspad langs de Hamstraat en evenmin dat de voorgenomen voorzieningen voor fietsers ter plaatse niet toereikend zijn.

2.168.3. Wat de eventueel nadelige invloed van het inpassingsplan op de waarde van de woning van [appellant sub 16] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.168.4. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 16] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 25]

2.169. [appellant sub 25] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Agathagracht 9 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. [appellant sub 25] vreest voor verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van zijn woning.

2.169.1. De woning van [appellant sub 25] is gelegen in de geluidszone van de BPL. In de nabijheid van de woning van [appellant sub 25] zal een nieuwe parallelweg worden aangelegd ter hoogte van de Hamstraat. Volgens het akoestisch rapport zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg na het treffen van geluidbeperkende maatregelen maximaal 45 dB bedragen. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Daarnaast zal de Hamstraat in verband met de aansluiting op de BPL worden gewijzigd. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 25] 58,14 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 63,11 dB. Nu de geluidsbelasting met meer dan 2 dB wordt verhoogd, is sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 25] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen afgerond 48 dB bedragen. Gelet hierop wordt voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 25] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 53 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

[appellant sub 25] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

2.169.2. In hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 25] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 18]

2.170. [appellant sub 18] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Agathagracht 1 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. [appellant sub 18] vreest voor verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van zijn woning.

2.170.1. De woning van [appellant sub 18] is gelegen in de geluidszone van de BPL. In de nabijheid van de woning van [appellant sub 18] zal een nieuwe parallelweg worden aangelegd ter hoogte van de Hamstraat. Volgens het akoestisch rapport zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 39 dB bedragen. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Daarnaast zal de Hamstraat in verband met de aansluiting op de BPL worden gewijzigd. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 18] 53,42 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 58,64 dB. Nu de geluidsbelasting met meer dan 2 dB wordt verhoogd, is sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 18] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen maximaal 43 dB bedragen. Gelet hierop wordt voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 18] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 50 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

[appellant sub 18] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

2.170.2. In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 18] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 21]

2.171. [appellanten sub 21] betogen dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van hun perceel Agathagracht 10 te Kerkrade. Hun beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. [appellanten sub 21] vrezen voor een verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van hun woning.

2.171.1. De woning van [appellanten sub 21] is gelegen in de geluidszone van de BPL. In de nabijheid van de woning van [appellanten sub 21] zal een nieuwe parallelweg worden aangelegd ter hoogte van de Hamstraat. Volgens het akoestisch rapport zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg na het treffen van geluidbeperkende maatregelen maximaal

45 dB bedragen. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Daarnaast zal de Hamstraat in verband met de aansluiting op de BPL worden gewijzigd. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellanten sub 21] 58,23 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 63,16 dB. Nu de geluidsbelasting met meer dan 2 dB wordt verhoogd, is sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Volgens het akoestisch rapport zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellanten sub 21] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen maximaal 48 dB bedragen. Gelet hierop wordt voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellanten sub 21] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 53 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

[appellanten sub 21] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

2.171.2. In hetgeen [appellanten sub 21] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 21] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.172. [appellant sub 19] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van zijn perceel Constantijneik 27 te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen het aspect geluid. [appellant sub 19] vreest voor een verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van zijn woning.

2.172.1. De woning van [appellant sub 19] is gelegen in de geluidszone van de BPL. In de nabijheid van de woning van [appellant sub 19] zal een nieuwe parallelweg worden aangelegd ter hoogte van de Hamstraat. Volgens het akoestisch rapport zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg na het treffen van geluidbeperkende maatregelen maximaal 24,30 dB bedragen. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Daarnaast zal de Hamstraat in verband met de aansluiting op de BPL worden gewijzigd. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 19] 39,39 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 42,03 dB. Nu de wijziging niet leidt tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is geen sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Voorts zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de BPL na het treffen van geluidbeperkende maatregelen ten behoeve van nabijgelegen woningen afgerond 37 dB bedragen. Gelet hierop wordt voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 19] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 50 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

[appellant sub 19] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit rapport niet aan hun besluit ten grondslag hebben mogen leggen.

2.172.2. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 19] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 29]

2.173. [appellant sub 29] betoogt dat provinciale staten ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" hebben vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de BPL is voorzien in de nabijheid van de woonwijk Gracht te Kerkrade. Zijn beroepsgronden, voor zover deze niet reeds hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde zijn geweest, betreffen de verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van zijn woning op het perceel Dorotheagracht 40 te Kerkrade. Daartoe voert hij aan dat in het kader van de inpassingsplanprocedure lichtvaardig hogere waarden voor woningen zijn vastgesteld. Volgens [appellant sub 29] is in dit verband onvoldoende onderzocht of geluidhinder kan worden voorkomen door het treffen van geluidwerende maatregelen. Voorts betreffen zijn bezwaren het verlies van uitzicht door de bouw van een geluidwerende voorziening langs de wijk Gracht, alsmede waardedaling van zijn woning. Tot slot voert [appellant sub 29] aan dat de aanleg van de BPL tot beëindiging van het bedrijf waar hij thans werkt zal leiden en dat hij mitsdien zijn baan zal verliezen.

2.173.1. De woning van [appellant sub 29] is gelegen in de geluidszone van de BPL. In de nabijheid van de woonwijk Gracht zal een nieuwe parallelweg worden aangelegd ter hoogte van de Hamstraat. Volgens het akoestisch rapport zal de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg op de gevel van de woning van [appellant sub 29] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 40 dB bedragen. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voorgeschreven wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Daarnaast zal de Hamstraat in verband met de aansluiting op de BPL worden gewijzigd. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de huidige geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 29] 47,55 dB en in de toekomstige situatie zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen 61,04 dB. Nu de geluidsbelasting met meer dan 2 dB wordt verhoogd, is sprake van een reconstructie van een weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 29] na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 46 dB bedragen. Gelet hierop wordt voldaan aan de Wgh.

Voor de woning van [appellant sub 29] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 52 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

Het betoog van [appellant sub 29] dat in het kader van de inpassingsplanprocedure lichtvaardig hogere waarden zijn vastgesteld wordt overwogen dat ingevolge artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh hogere waarden worden vastgesteld indien toepassing van geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zullen zijn dan wel overwegende bezwaren aan deze maatregelen kleven van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Provinciale staten hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat een afweging ten aanzien van deze aspecten is gemaakt voor woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 29] dat provinciale staten het voorkomen van geluidhinder door het treffen van geluidbeperkende maatregelen niet voldoende hebben onderzocht heeft [appellant sub 29] niet met feiten onderbouwd, noch anderszins aannemelijk gemaakt.

2.173.2. Ter zitting hebben provinciale staten aan de hand van het aanwezige kaartmateriaal toegelicht dat langs de wijk Gracht een geluidwerende voorziening met een hoogte van 6 m naast de BPL is voorgenomen en dat deze verdiept onder maaiveldhoogte zal worden gerealiseerd. Gelet hierop en nu deze voorziening voorts zal worden afgeschermd door het aangrenzende talud zal het uitzicht vanaf het perceel van [appellant sub 29] niet worden belemmerd, aldus provinciale staten.

[appellant sub 29] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen geluidwerende voorziening zijn uitzicht onevenredig zal belemmeren.

2.173.3. In het betoog van [appellant sub 29] dat de aanleg van de BPL tot verlies van zijn baan zal leiden hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om het voorziene tracé van de BPL ter plaatse van het bedrijf waar hij werkt te verleggen. Het betreft een mogelijk indirect gevolg van de BPL dat bovendien nauw samenhangt met de keuze van het bedrijf om de bedrijfsactiviteiten op een andere locatie voort te zetten.

2.173.4. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 29] betreft bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het inpassingsplan aan de orde zijn.

2.173.5. In hetgeen [appellant sub 29] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 29] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 45]

2.174. [appellant sub 45] woont aan de Dorotheagracht 1 te Kerkrade. Hij richt zich tegen de vaststelling van het plan ter hoogte van zijn woonomgeving. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Voorts vreest hij voor onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van zijn woning. In dit verband voert hij aan dat het akoestisch onderzoek gebreken bevat.

2.174.1. Volgens het akoestisch onderzoek zal de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 45] 45,21 dB bedragen en na het treffen van geluidbeperkende maatregelen 38,66 dB. Volgens het deskundigenbericht wordt dit in de door [appellant sub 45] overgelegde brief van

11 december 2010 van HMB waarin een beoordeling van het akoestisch rapport is neergelegd bevestigd. Nu in de Wgh bij aanleg van een nieuwe weg een voorkeursgrenswaarde is voorgeschreven van 48 dB wordt derhalve voldaan aan de Wgh.

Voorts is in het akoestisch rapport onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege de hernieuwd aan te leggen Hamstraat. De geluidsbelasting vanwege de nieuwe Hamstraat bedraagt na toepassing van stil asfalt ter plaatse van de woning van [appellant sub 45] ten hoogste 29 dB en blijft daarmee onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

[appellant sub 45] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Daarbij wordt overwogen dat volgens het deskundigenbericht, anders dan HMB stelt, in het akoestisch onderzoek ook rekening is gehouden met railverkeers- en industrielawaai en dat de luchtvaartcontouren in het akoestisch rapport zijn meegenomen. Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de vestiging van een attractiepark nabij Brunssum had plaatsgevonden. Van een concrete ontwikkeling waarmee provinciale staten bij de vaststelling van het plan rekening hadden moeten houden, is daarom in dit geval geen sprake.

Voor de woning van [appellant sub 45] is ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse 49 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang.

2.174.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 45] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

2.174.3. In hetgeen [appellant sub 45] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het ber