Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504523/1/R3

Uitspraak 202504523/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5357
Datum uitspraak
9 september 2026
Inhoudsindicatie
In het besluit van 12 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Waadhoeke het bestemmingsplan "St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1" gewijzigd vastgesteld. Het plan maakt de bouw van 71 woningen mogelijk op voorheen agrarische percelen ten zuiden van de dorpskern van St.-Annaparochie. Het plangebied wordt begrensd door de Hemmemaweg aan de oostkant, door woonbebouwing aan de west- en noordkant en agrarische gronden aan de zuidkant. Het gebied zal worden ontsloten op de Hemmemaweg. [appellant] woont ten noorden van het plangebied en is het niet eens met de mogelijkheid voor woningbouw op deze locatie. Hij vreest in het bijzonder voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. [appellant] betoogt dat binnen St.-Annaparochie nog ruimschoots ruimte is voor woningbouw. [appellant] wijst daarbij op de locatie naast de Spoorbaan, de locatie van de ijsbaan en het gebied tussen de wijken Fogelsang en Kroanenburg. Deze drie locaties bieden volgens [appellant] geschikte alternatieve locaties voor woningbouw binnen St.-Annaparochie en moeten daarom voorgaan op de gekozen locatie.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Friesland

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504523/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in St.-Annaparochie, gemeente Waadhoeke,

appellant,

en

de raad van de gemeente Waadhoeke,

verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 12 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat in Bolsward, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.M. Blankestijn, advocaat in Leeuwarden, vergezeld door G.T. van der Heide en R.L. Snuif, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 19 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het plan maakt de bouw van 71 woningen mogelijk op voorheen agrarische percelen ten zuiden van de dorpskern van St.-Annaparochie. Het plangebied wordt begrensd door de Hemmemaweg aan de oostkant, door woonbebouwing aan de west- en noordkant en agrarische gronden aan de zuidkant. Het gebied zal worden ontsloten op de Hemmemaweg.

2.1.    [appellant] woont ten noorden van het plangebied en is het niet eens met de mogelijkheid voor woningbouw op deze locatie. Hij vreest in het bijzonder voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

3.       Het wettelijk kader, voor zover niet weergegeven in de overwegingen, is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Het beroep

Strijd met de provinciale verordening

5.       [appellant] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân (de verordening). Volgens [appellant] heeft het college van gedeputeerde staten (het college) namelijk ingestemd met een woonplan dat 65 woningen binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, terwijl het plan voorziet in de bouw van 71 woningen, grotendeels buiten bestaand stedelijk gebied. In dit verband wijst [appellant] op de brief van 25 maart 2025, waarin het college de raad complimenteert met het feit dat het woonplan voorziet in woningbouw die voor 80% binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Dat is hier echter niet het geval, aldus [appellant].

5.1.    Artikel 3.1.1 van de verordening luidt:

"1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.

[…]"

5.2.    De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 3.1.1, eerste lid, van de verordening een plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten als de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met het woonplan en als het woonplan de schriftelijke instemming van het college heeft. De Afdeling stelt vast dat het college met de brief van 25 maart 2025 akkoord is gegaan met het "Gemeentelijk woonplan Waadhoeke" (het woonplan) dat onder meer betrekking heeft op de bouw van 71 woningen op deze locatie. De stelling van [appellant] dat de instemming van het college zag op een woonplan dat maar betrekking heeft op 65 woningen, houdt geen stand. Voor de dorpsuitbreiding Zuidwest, waar dit bestemmingsplan in voorziet, is in het woonplan een onderzoeks- en voorbereidingsfase opgesteld. In de onderzoeksfase is volgens het Woonplan sprake van verkennende gesprekken met partijen. In de voorbereidingsfase is de stedenbouwkundige en volkshuisvestelijke invulling bekend en is sprake van planologische voorbereidingen. Weliswaar wordt bij de onderzoeksfase het aantal van 65 woningen benoemd, maar dat betekent niet dat het college alleen daarmee heeft ingestemd. In de voorbereidingsfase wordt namelijk voorzien in fase 1A met 35 woningen en fase 1B met 36 woningen. Dit leidt tot een totaal van 71 woningen in het woonplan waarmee het college heeft ingestemd. Ook het argument dat de instemming van het college enkel zag op woningen binnen het bestaand stedelijk gebied, gaat niet op. De passage uit de brief van 25 maart 2025 waar [appellant] op doelt gaat namelijk over het gehele woonplan van de gemeente Waadhoeke, en niet over deze specifieke locatie. Ook anderszins blijkt uit de stukken niet dat het college zijn instemming heeft willen beperken tot enkel woningbouw binnen het bestaand stedelijk gebied. Dit is overigens door het college bevestigd met de brief van 25 november 2025, waarin het heeft opgemerkt dat zijn instemming van 25 maart 2025 ook betrekking heeft op de 36 woningen in fase 1B die zich bevinden buiten het bestaand stedelijk gebied.

Het betoog slaagt niet.

Geschikte alternatieve locaties

6.       [appellant] betoogt dat binnen St.-Annaparochie nog ruimschoots ruimte is voor woningbouw. [appellant] wijst daarbij op de locatie naast de Spoorbaan, de locatie van de ijsbaan en het gebied tussen de wijken Fogelsang en Kroanenburg. Deze drie locaties bieden volgens [appellant] geschikte alternatieve locaties voor woningbouw binnen St.-Annaparochie en moeten daarom voorgaan op de gekozen locatie.

6.1.    De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

Over de voorgestelde alternatieve locaties heeft de raad toegelicht dat deze geen reële opties bieden voor de beoogde woningen. De sportvelden en ijsbaan waar [appellant] op wijst hebben namelijk al een functionele stedelijke invulling. Daarnaast acht de raad het behoud van groen binnen het bestaand stedelijk gebied ook van belang, waardoor het gebied tussen de wijken Fogelsang en Kroanenburg geen geschikt alternatief is.

Daarom heeft de raad de door [appellant] voorgestelde alternatieven afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor die alternatieven is gekozen.

Het betoog slaagt niet.

De landschappelijke inpassing

7.       [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting voor de borging van de landschappelijke inpassing, zoals uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan, heeft opgenomen. Hij voert daarover aan dat het enkele feit dat de gemeente eigenaar is van de gronden niet langer een rechtvaardiging is voor het achterwege kunnen laten van deze voorwaardelijke verplichting. In dat verband verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076. Op de zitting heeft [appellant] daaraan toegevoegd dat op grond van artikel 2.1.1 van de verordening, en paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting waarin op die bepaling wordt ingegaan, de landschappelijke inpassing in het plan geborgd had moeten worden.

7.1.    Artikel 2.1.1 van de verordening luidt:

"1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:

a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;

b. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.

2. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven.

[…]."

7.2.    De Afdeling overweegt dat een voorwaardelijke verplichting alleen in een bestemmingsplan hoeft te worden opgenomen als de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat dit noodzakelijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening of als de ruimtelijke noodzaak van een voorwaardelijke verplichting aannemelijk wordt gemaakt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2269, onder 10.2.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening, omdat het beoogde woongebied op zichzelf goed binnen de bestaande omgevingskwaliteiten past. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] met wat hij heeft aangevoerd de ruimtelijke noodzaak van een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing niet aannemelijk gemaakt. Artikel 2.1.1 van de verordening bepaalt namelijk dat in de plantoelichting aangegeven moet worden hoe een ruimtelijk plan rekening houdt met onder meer de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Dat heeft de raad gedaan in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting. Deze bepaling vereist niet dat de landschappelijke inpassing altijd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen in een bestemmingsplan, maar alleen als dat nodig is. Uit de plantoelichting volgt niet dat dat in dit geval nodig is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de landschappelijke inpassing dan ook niet als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan te hoeven opnemen.

Het betoog slaagt niet.

Watercompensatie

8.       [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de benodigde watercompensatie niet met een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan heeft geborgd.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat watercompensatie al op een andere publiekrechtelijke wijze is geborgd door de vergunningplicht die geldt vanuit het Wetterskip Fryslân. Deze vergunningplicht ziet op het versneld tot afvoer laten komen van neerslag. Er geldt een vrijstelling van deze vergunningplicht wanneer wordt voldaan aan compensatieregels. Wanneer hier niet aan wordt voldaan is het voor het Wetterskip Fryslân mogelijk om te handhaven.

8.2.    In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat dat bij de voorgenomen verharding als gevolg van het plan er overeenkomstig de door het Wetterskip Fryslân gehanteerde compensatienorm van 10% voor toegevoegde verharding, een watercompensatie gerealiseerd en in stand gehouden moet worden van 2.476 m2. Daarnaast dient gedempt water voor 100% te worden gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. Bovenop de compensatieverplichting van 10% dient daarom ook nog 790 m2 aan gedempt water gecompenseerd te worden. Het totaal aan noodzakelijke compensatie komt daarmee uit op 3.266 m2. De regeling in artikel 3.3 van de Keur Wetterskip Fryslân 2013, in samenhang met artikel 2.12.1 van de Algemene regels bij de keur Wetterskip Fryslân 2018, zorgt ervoor dat bij uitvoering van het plan de realisering en instandhouding van de voorgeschreven watercompensatie door het waterschap kan worden afgedwongen. Daarnaast voorziet de regeling in artikel 3.2, eerste lid, van de Keur Wetterskip Fryslân 2013, in samenhang gelezen met artikel 2.17.1 van de Algemene regels bij de keur Wetterskip Fryslân 2018 in een verbod om zonder watervergunning een oppervlaktewaterlichaam te dempen. Omdat de realisering en instandhouding al langs deze publiekrechtelijke weg is gewaarborgd, hoefde de raad de watercompensatie niet vast te leggen in een voorwaardelijke verplichting. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:282, onder 7.

Het betoog slaagt niet.

Brandveiligheid

9.       [appellant] betoogt dat de aanbevelingen van de brandweer over de brandveiligheid van het gebied ten onrechte niet verwerkt zijn in het bestemmingsplan. Volgens hem moeten de adviezen van de brandweer over de ontsluiting van het plangebied en de opstelplaatsen van de bluswatervoorzieningen in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan worden opgenomen.

9.1.    De raad stelt zich ten eerste op het standpunt dat de normen waar [appellant] zich op beroept niet strekken tot bescherming van zijn belangen. De normen zien op de bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan het beroep van [appellant] op dit punt dan ook niet slagen, aldus de raad.

9.2.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

9.3.    De Afdeling heeft in haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.10, overwogen dat appellanten zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening kunnen beroepen om een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te bewerkstelligen voor zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op hun eigen belangen. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen.

[appellant] komt met dit betoog op voor de bescherming van het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de nieuw te bouwen woningen in het plangebied. De adviezen in de brief van de brandweer waar [appellant] naar verwijst gaan namelijk over de veiligheid en zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied. De woning van [appellant] ligt buiten het plangebied, op ongeveer 48 meter van de dichtstbijzijnde woonbestemming. Ook ligt er tussen zijn woning en het plangebied een sloot en wordt zijn perceel niet ontsloten via het plangebied. In zoverre beroept [appellant] zich op een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belang. Het betoog kan daarom gelet op artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. De Afdeling zal het betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.

Geen mer-beoordelingsbesluit bekend gemaakt

10.     [appellant] betoogt dat geen mer-beoordelingsbesluit bekend is gemaakt zoals bedoeld in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer. Op de zitting is door [appellant] hieraan toegevoegd dat de motivering van de mer-beoordeling volgens hem ontbreekt.

10.1.  Het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke heeft op 12 december 2023 een mer-beoordelingsbesluit genomen. Dit besluit van het college van burgemeester en wethouders is bekendgemaakt op 18 december 2023. De Afdeling stelt vast dat in dit besluit staat dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders is gebaseerd op hoofdstuk 4 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan en de daarbij horende bijlagen. Hoofdstuk 4 van de toelichting en de daarbij horende bijlagen bevatten daarmee de motivering van het mer-beoordelingsbesluit van het college. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

Conclusie

11.     Het beroep is ongegrond.

12.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.

w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Buskermolen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

896-1205

BIJLAGE

Keur Wetterskip Fryslân

Artikel 3.2, eerste lid:

Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

Artikel 3.3:

Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond wordt bebouwd of verhard.

Algemene regels bij de keur Wetterskip Fryslân 2018

Artikel 2.12.1:

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid van de keur, voor het versneld tot afvoer laten komen van neerslag naar een oppervlaktewaterlichaam, door het verharden of bebouwen van meer dan 200 m² onverharde grond in de volgende gevallen.

Stedelijk gebied

a. De verharding/bebouwing vindt plaats in het stedelijk gebied en voor de aanleg hiervan is door het waterschap geen wateradvies verstrekt over een omgevingsvergunning dan wel bestemmingsplan;

b. De verharding/bebouwing vindt plaats in het stedelijk gebied en de uitvoering geschiedt conform het door het waterschap afgegeven wateradvies over een omgevingsvergunning dan wel bestemmingsplan.

Landelijk gebied

c. De verharding/bebouwing vindt plaats in het buitengebied en het oppervlak van de verharding/bebouwing bedraagt minder dan 1500 m2 en er is door het waterschap geen wateradvies verstrekt;

d. De verharding/bebouwing vindt plaats in het buitengebied en de uitvoering geschiedt conform het door het waterschap afgegeven wateradvies over een omgevingsvergunning dan wel bestemmingsplan.

Artikel 2.17.1:

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, voor het (ver)graven van een oppervlaktewaterlichaam, mits het (ver)graven niet plaatsvindt:

- in een zone van 5 meter breed rondom een natuurgebied;

- binnen de waterkering of de bijbehorende beschermingszones;

- in de kernzone of in de 5 meter brede beschermingszone van een hoofdwater;

- ter compensatie van een demping;

- ter compensatie van versnelde afvoer van verhard oppervlak voor zover dit laatste is geregeld in een watervergunning;

- en wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.17.2


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon