Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202301844/1/R3

Uitspraak 202301844/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4856
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Heeft het college van B&W nog procesbelang als de aanvraag om omgevingsvergunning waarop het college van de rechtbank opnieuw had moeten beslissen, is ingetrokken? Deze vraag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak beantwoord in een uitspraak van vandaag (19 augustus 2026). Het college van B&W van Molenlanden verleende een omgevingsvergunning voor de bouw van 22 bedrijfsunits in Giessenburg. Daartegen werd beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Die oordeelde dat het college een onjuiste uitleg heeft gegeven aan een regel in het bestemmingsplan door ervan uit te gaan dat deze regel meer dan één bedrijf op het perceel toestaat. De rechtbankuitspraak leidde ertoe dat het college opnieuw moest beslissen op de aanvraag. Maar na de uitspraak van de rechtbank trok het bedrijf zijn vergunningaanvraag in. Het bedrijf had de grond waarop zij haar bedrijfsunits wilde bouwen verkocht en overgedragen aan de gemeente. Er ligt niet langer een aanvraag waarop het college van B&W een nieuw besluit kon nemen. Heeft het college van B&W dan nog wel procesbelang bij een uitspraak op het hoger beroep? Ja, vindt het college. Het is voor hem namelijk van belang om duidelijkheid te hebben over hoe de regel in het bestemmingsplan moet worden uitgelegd. 1. omdat de gemeente nu eigenaar van het perceel is geworden en een uitleg van invloed is op de waarde daarvan, 2. omdat de planregel ook op andere gronden van toepassing is en het college in de toekomst dus vaker voor de vraag gesteld kan worden hoe de regel moet worden uitgelegd. Nee, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak. Het college heeft geen reëel en actueel belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep over de uitleg van de planregel. Er is geen sprake meer van een aanvraag die het college moet toetsen aan deze regel en de gemeente is niet van plan om het perceel nog voor de vestiging van bedrijven te gaan gebruiken. Ook loopt er elders binnen de gemeente geen procedure waarbij toetsing aan deze planregel aan de orde is. Het college is bovendien niet afhankelijk van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter over de uitleg van de planregel om in mogelijke toekomstige procedures meerdere bedrijven op één perceel te kunnen toestaan. Het college heeft de ruimte om bij de beoordeling van toekomstige aanvragen af te wijken van het bestemmingsplan (inmiddels: het tijdelijke deel van het omgevingsplan). Ook kan het college de gemeenteraad voorstellen om de planregel aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met de uitleg die het college voorstaat. Geen procesbelang dus. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202301844/1/R3.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden,
appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 8 februari 2023 in zaken nrs. 22/6254, 22/6255, 23/403 en 23/404 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1] en anderen,
2. [wederpartij sub 2] en anderen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2022 heeft het college aan B.V. Peursum omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 22 bedrijfsunits aan de Peursumseweg 93B t/m 93Z (achter Peursumseweg 93A) in Giessenburg (het perceel).

Bij besluit van 21 december 2022 heeft het college de door [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de verleende vergunning in stand gelaten onder aanvulling met een voorschrift.

Bij uitspraak van 8 februari 2023 heeft de rechtbank de door [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2022 vernietigd, de daartegen gerichte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 25 mei 2022 herroepen.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college, [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [wederpartij sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

[wederpartij sub 1] en anderen hebben hun voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy, advocaat in Breda, vergezeld door mr. J.L. Roetman, en voor [wederpartij sub 2] en anderen [wederpartij sub 2], bijgestaan door mr. J.R. van Manen, advocaat in Gorinchem, zijn verschenen.

Op de zitting hebben [wederpartij sub 2] en anderen hun voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingetrokken.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       In de uitspraak van 8 februari 2023 op de beroepen van [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen ging het om de verlening van een omgevingsvergunning aan Peursum voor het bouwen van 22 bedrijfsunits op het perceel. Volgens het college was het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan "Buitengebied Giessenlanden". De rechtbank heeft overwogen dat het college een onjuiste uitleg aan artikel 6.1 van de planregels heeft gegeven, door ervan uit te gaan dat deze planregel meer dan één bedrijf op het perceel toestaat. De rechtbank heeft de beroepen daarom gegrond verklaard, de bezwaren alsnog gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning herroepen.

Het college is het niet eens met deze uitspraak en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen hebben aanvankelijk voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, maar zij hebben die incidenteel hoger beroepen ingetrokken en de Afdeling verzocht om het college te veroordelen in door hen gemaakte proceskosten.

3.       De uitspraak van de rechtbank leidde ertoe dat het college een nieuw besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning moest nemen. Na de uitspraak van de rechtbank heeft Peursum haar aanvraag om omgevingsvergunning en haar aanvankelijk daartegen ingestelde hoger beroep echter ingetrokken. Zij heeft de grond waarop zij de 22 bedrijfsunits wilde realiseren verkocht en overgedragen aan de gemeente. Er ligt niet langer een aanvraag waarop het college een (nieuw) besluit kan nemen.

Procesbelang college

3.1.    De Afdeling moet ambtshalve beoordelen of het college nog procesbelang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep.

Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de appellant voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de appellant die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1610, onder 5.1, moet het gaan om een actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.

3.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat het ondanks de intrekking van de aanvraag procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Het college voert aan dat het voor hem van belang is om duidelijkheid te hebben over hoe deze planregel moet worden uitgelegd. Ten eerste omdat de gemeente nu eigenaar van het perceel is en een uitleg van de planregel van invloed is op de waarde daarvan. Ten tweede omdat de planregel ook op andere gronden van toepassing is en het college in de toekomst dus vaker gesteld kan worden voor de vraag hoe de planregel moet worden uitgelegd. Het college wijst op wat de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2068, onder 5.

3.3.    Uit wat het college naar voren heeft gebracht, leidt de Afdeling geen reëel en actueel belang voor het college af bij een beoordeling van zijn hoger beroep over de uitleg van artikel 6.1 van de planregels. Er is geen sprake meer van een aanvraag die het college moet toetsen aan deze planregel, en op de zitting is gebleken dat de gemeente niet van plan is om het perceel nog voor de vestiging van bedrijven te gaan gebruiken. Ook is er elders binnen de gemeente geen sprake van een procedure waarbij toetsing aan deze planregel aan de orde is. De Afdeling voegt hieraan toe dat het college niet afhankelijk is van een oordeel van de Afdeling over de uitleg van de planregel om in mogelijke toekomstige procedures meerdere bedrijven op één perceel te kunnen toestaan. Het college heeft de ruimte om bij de beoordeling van toekomstige aanvragen af te wijken van het bestemmingsplan (inmiddels: het tijdelijke deel van het omgevingsplan). Ook staat het het college vrij om de raad voor te stellen om de planregel aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met de uitleg die het college voorstaat. De Afdeling is van oordeel dat genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat niet aannemelijk is dat een beslissing van de Afdeling van belang is voor een binnen afzienbare tijd door het college met voldoende concreetheid vast te stellen besluit. Aldus doet zich naar het oordeel van de Afdeling een uitzondering voor op de uit de rechtspraak van de Afdeling volgende hoofdregel van de Afdeling, dat een bestuursorgaan in beginsel belang heeft bij de beoordeling van een hoger beroep over de uitleg van een planregel als de rechtbank een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, vanwege de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan.

3.4.    Dit betekent dat het hoger beroep van het college vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Proceskostenveroordeling

4.       [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen hebben hun voorwaardelijk incidenteel hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank ingetrokken, met het gelijktijdige verzoek om het college te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.

4.1.    Er is in dit geval geen sprake van intrekking van de hoger beroepen omdat het college geheel of gedeeltelijk aan [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Maar omdat [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen als derde-belanghebbenden hebben deelgenomen aan de hogerberoepsprocedure en het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk is, moet het college wel de proceskosten die zij in dat verband hebben gemaakt vergoeden. Het gaat om de kosten voor deskundige rechtsbijstand voor het geven van een schriftelijke uiteenzetting en om kosten voor het bijwonen van de zitting.

Griffierecht

5.       Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb, wordt van het college griffierecht geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden niet-ontvankelijk;

II.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden tot vergoeding van bij [wederpartij sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.435,69, waarvan een bedrag van € 1.401,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.      bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Witsen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026

727


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon