Uitspraak 202304851/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4724
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Hoorn het bestemmingsplan "De Vrijheid" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met 133 woningen en 153 parkeerplaatsen, waarvan 108 in een parkeergarage en 45 in de openbare ruimte op maaiveld. De nieuwbouw heeft diverse maximale bouwhoogten, variërend van 11 m tot 26 m, met een binnentuin. Het plangebied omvat de percelen Holenweg 6, 8 en 10 in Hoorn. Ten noorden van het plangebied ligt het spoor Hoorn-Enkhuizen en ten oosten een transformatorstation. Ten zuiden van het plangebied ligt de Henk Saaltinkstraat en de nieuwbouwwoonwijk Holenkwartier. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Holenweg. De Stichting richt zich volgens haar statuten op het bevorderen van de leefkwaliteit in Hoorn, onder meer in de wijken Venenlaankwartier en Holenkwartier. [appellant A] is eigenaar van een nieuwbouwappartement aan de [locatie 1] in Hoorn, ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tussen zijn woning en het plangebied is ongeveer 60 m. [appellant B] woont aan de [locatie 2] in Hoorn, ten westen van het plangebied. De afstand tussen zijn perceel en het plangebied is ongeveer 15 m. De afstand tussen zijn perceel en de nieuwbouw is ongeveer 40 m.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Noord-Holland
Toon inhoud
202304851/1/R1.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. Stichting Thuis op de Holenweg, gevestigd in Hoorn,
2. [appellant A], wonend in Hoorn,
3. [appellant B], wonend in Hoorn,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Hoorn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "De Vrijheid" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben de Stichting, [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
STED Project I B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant B] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. H.M. Meijdam, [appellant A], vertegenwoordigd door mr. M.B. de Jong, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, [appellant B], vergezeld van [persoon A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.P.E. Frusch en H.M. Zoodsma, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting STED Project I B.V., vertegenwoordigd door mr. T. Groot, advocaat te Amsterdam, en [partij], en Newbouw B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 23 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met 133 woningen en 153 parkeerplaatsen, waarvan 108 in een parkeergarage en 45 in de openbare ruimte op maaiveld. De nieuwbouw heeft diverse maximale bouwhoogten, variërend van 11 m tot 26 m, met een binnentuin. Het plangebied omvat de percelen Holenweg 6, 8 en 10 in Hoorn. Ten noorden van het plangebied ligt het spoor Hoorn-Enkhuizen en ten oosten een transformatorstation. Ten zuiden van het plangebied ligt de Henk Saaltinkstraat en de nieuwbouwwoonwijk Holenkwartier. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Holenweg.
3. De Stichting richt zich volgens haar statuten op het bevorderen van de leefkwaliteit in Hoorn, onder meer in de wijken Venenlaankwartier en Holenkwartier.
[appellant A] is eigenaar van een nieuwbouwappartement aan de [locatie 1] in Hoorn, ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tussen zijn woning en het plangebied is ongeveer 60 m.
[appellant B] woont aan de [locatie 2] in Hoorn, ten westen van het plangebied. De afstand tussen zijn perceel en het plangebied is ongeveer 15 m. De afstand tussen zijn perceel en de nieuwbouw is ongeveer 40 m.
STED Project I B.V. is eigenaar van de gronden in het plangebied en ontwikkelaar. Newbouw B.V. is de betrokken aannemer.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Het beroep van [appellant A]
Stedenbouwkundige inpassing
5. [appellant A] betoogt dat de nieuwe bebouwing te hoog wordt in vergelijking met de omringende bebouwing. Hij wijst op de Hoogbouwvisie waarmee de bebouwingsmogelijkheden volgens hem in strijd zijn, omdat het plangebied buiten de in de Hoogbouwvisie aangeduide gemengd stedelijke intensiveringsgebieden ligt. Hij vreest in het bijzonder een verlies van uitzicht als gevolg van de toegelaten bouwhoogten. Omdat de raad zich heeft geconcentreerd op de Floor Space Index (FSI) als methode om de woningdichtheid te vergelijken, heeft hij onvoldoende aandacht gehad voor de visuele impact en ruimtelijke kwaliteit.
5.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Hoogbouwvisie is vastgesteld. In paragraaf 3.4.3 van de plantoelichting is beschreven waarom het plan past binnen de Hoogbouwvisie. Het plangebied ligt in het gebied "klein stedelijk" uit deze visie, en daarin zijn drie tot vijf bouwlagen met accenten tot acht bouwlagen mogelijk. In de Hoogbouwvisie zijn acht bouwlagen gekoppeld aan een maximale bouwhoogte van 30 m. Verder is sprake van een intensiveringsgebied als bedoeld in de Hoogbouwvisie. Intensiveringsgebieden zijn omschreven als gebieden waar door het vertrek van bedrijven of in combinatie met bedrijven, ruimte ontstaat in de stad voor wonen, werken en voorzieningen. Dat is hier het geval. De raad mocht zich dus op het standpunt stellen dat het plan aan de Hoogbouwvisie voldoet.
Het betoog slaat in zoverre niet.
5.2. Op de zitting is vastgesteld dat [appellant A] uitzicht heeft op het plangebied. Dit uitzicht zal veranderen na realisatie van de bouwmogelijkheden uit het plan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij afweging van de betrokken belangen echter een groter gewicht mogen toekennen aan het belang van de bouw van 133 woningen op deze locatie dan aan het belang van [appellant A] bij behoud van zijn bestaande uitzicht in noordwestelijke richting. De afstand tussen de woning van [appellant A] en het plangebied is ongeveer 60 m. De afstand tussen de woning van [appellant A] en het deel van de nieuwbouw dat maximaal 23 of 26 m hoog mag worden is ongeveer 80 m. De woning van [appellant A] is onderdeel van een appartementencomplex met een maximale bouwhoogte van 20 m. Het gaat om stedelijk gebied in de buurt van een spoorlijn en een provinciale weg. Op grond van vaste rechtspraak bestaat geen recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2022:1159, onder 10.1). De ruimtelijke gevolgen van de toegelaten omvang van de nieuwbouw zijn door de raad in zijn afweging betrokken. [appellant A] heeft deze afweging verder niet concreet aan de orde gesteld. De Afdeling ziet in de gestelde aantasting van het uitzicht daarom geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
Geluidbelasting
6. [appellant A] vreest dat spoorweg- en wegverkeerslawaai zal reflecteren op de nieuwe bebouwing en zal leiden tot een hogere geluidbelasting op de gevel van zijn woning. Een onderzoek naar dit gevolg ontbrak ten tijde van de planvaststelling.
6.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft de reflectie van geluid niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Voor het plan is het door Peutz opgestelde rapport "De Vrijheid Hoorn. Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai" van 21 oktober 2022 (bijlage 3 bij de plantoelichting) opgesteld. Naar aanleiding van de beroepsgrond van [appellant A] heeft de raad aanvullend onderzoek laten uitvoeren door Peutz. Dit heeft geleid tot de notitie "De Vrijheid te Hoorn - Blok 23, reflecties vanwege weg- en railverkeer" van 12 oktober 2023. De conclusie van het aanvullende onderzoek is dat de reflectie-effecten beperkt blijven tot 0,1 dB tot 0,2 dB voor het woonblok van [appellant A]. Van merkbare reflectie-effecten zal dus geen sprake zijn. Deze notitie bevestigt het standpunt van de raad bij de planvaststelling dat het plan geen onaanvaardbare akoestische gevolgen heeft voor de omgeving.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie [appellant A]
7. Het beroep is ongegrond.
Het beroep van [appellant B]
Stedenbouwkundige inpassing
8. [appellant B] betoogt dat de westelijke rooilijn van de nieuwe bebouwing te ver in de richting van zijn perceel ligt. Het plan laat daarnaast te hoge maximale bouwhoogten toe. Als gevolg hiervan vreest hij een aantasting van zijn privacy en een verlies aan een groene omgeving.
8.1. Vast staat dat het plan leidt tot een verandering van de woon- en leefomgeving van [appellant B]. Over de westelijke begrenzing van het bouwvlak heeft de raad gemotiveerd dat de nieuwbouw uit stedenbouwkundig oogpunt een bijdrage moet leveren aan de beëindiging van de Holenweg. Daarom is het bouwvlak westelijker voorzien dan de bestaande bebouwing aan de Holenweg. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de afweging van de betrokken belangen een groter gewicht mogen toekennen aan dit stedenbouwkundige uitgangspunt en het belang van de bouw van 133 woningen op deze locatie dan aan het belang van [appellant B] bij een grotere afstand tussen zijn perceel en de nieuwbouw of een kleinschaligere nieuwbouw. De afstand tussen het perceel van [appellant B] en de nieuwbouw is ongeveer 40 m. Dit deel van de nieuwbouw is maximaal 11 m en 14 m hoog. De afstand tussen de woning van [appellant B] en het deel van de nieuwbouw dat maximaal 23 of 26 m hoog mag worden is ongeveer 80 m. Het gaat om stedelijk gebied in de buurt van een spoorlijn en een provinciale weg. De Afdeling ziet in de gestelde aantasting van de privacy en het gestelde verlies aan een groene omgeving daarom geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Bereikbaarheid perceel
9. [appellant B] betoogt dat zijn perceel onbereikbaar wordt als gevolg van het plan. In het plangebied ligt nu nog een dam met duiker en deze zal verdwijnen als het plan wordt gerealiseerd. Vooral voor bouwverkeer wordt zijn perceel dan onbereikbaar, waardoor hij een bouwmogelijkheid op zijn perceel niet zal kunnen realiseren.
9.1. De Afdeling stelt vast dat aan de dam met duiker waar [appellant B] op doelt in het plan de bestemming "Water" is toegekend. Ingevolge artikel 5.1, onder d, van de planregels zijn deze gronden onder meer bestemd voor bruggen, duikers en dammen. Daarin verschilt het plan niet van het vorige plan "Hoorn-Noord en Venelaankwartier". De door hem bedoelde dam met duiker zijn dus wederom als zodanig bestemd. De vraag of de eigenaar van de dam en duiker deze in stand moet houden met het oog op de bereikbaarheid van het perceel van [appellant B], is verder een privaatrechtelijke aangelegenheid. Het bestemmingsplan staat daaraan niet in de weg. Hierbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat het perceel van [appellant B] met een brug is verbonden met de Holenweg en dat in de door Goudappel opgestelde notitie "Toets Holenweg Hoorn" van 9 april 2021 staat dat er op een aantal manieren meer manoeuvreerruimte kan worden gecreëerd, waaronder de verbreding van deze brug.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
10. Op de zitting heeft [appellant B] zijn beroepsgrond over broedende watervogels op de oever van zijn perceel ingetrokken.
11. Het betoog van [appellant B] dat de ontwikkelaar aan hem een voorstel heeft gedaan dat ertoe strekt dat [appellant B] tegen betaling geen gebruik zal maken van inspraakrechten en rechtsmiddelen, kan niet leiden tot het oordeel dat het door de raad genomen besluit in strijd met het recht is genomen. Dit speelt immers alleen in de verhouding tussen [appellant B] en de ontwikkelaar.
Het betoog slaagt niet.
12. Op de zitting heeft [appellant B] nog een aantal nieuwe beroepsgronden aangevoerd, zoals de grond over het Didam-arrest. In deze zaak is de Chw van toepassing en op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Dit staat ook in de bekendmaking van het vaststellingsbesluit. De Afdeling laat deze beroepsgronden daarom buiten bespreking.
Conclusie [appellant B]
13. Het beroep is ongegrond.
Het beroep van de Stichting
De nota van uitgangspunten
14. De Stichting betoogt dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de Nota van uitgangspunten. Daarbij wijst zij erop dat daarin was gekozen voor een andere positionering en afmeting van het bouwvlak, met meer afstand tot de woningen in het Holenkwartier en meer groene gebieden.
14.1. De Afdeling stelt vast dat de nota van uitgangspunten door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. De raad was daarom niet gebonden aan de nota van uitgangspunten en heeft een eigen afweging gemaakt. Dat de verschillen tussen de nota van uitgangspunten en het vastgestelde plan niet uitputtend zijn beschreven, vormt dus ook geen motiveringsgebrek. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel verder naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3323, onder 6.2.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
15. De Stichting betoogt dat het aantal voorziene parkeerplaatsen niet voldoende is voor deze ontwikkeling. Zij voert daartoe aan dat tijdens het participatietraject nog werd uitgegaan van 168 parkeerplaatsen, maar daarna bij de vaststelling van het bestemmingsplan van 153 parkeerplaatsen. Het is niet duidelijk waarom er nu voor minder parkeerplaatsen is gekozen. Volgens de Stichting is er al een tekort aan parkeerplaatsen. Hierdoor vreest zij parkeeroverlast in de omgeving.
15.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat deze ontwikkeling niet leidt tot parkeerhinder in de omgeving van het plangebied. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2025, onder 7.2. De Afdeling overweegt hierbij dat vaste jurisprudentie is dat een bestaand parkeerprobleem niet met een nieuwe ontwikkeling hoeft te worden opgelost. Vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865, onder 4.3.
Het betoog slaagt niet.
Soortenbescherming
16. De Stichting betoogt dat het bestemmingsplan onvoldoende inzicht biedt over ecologie en biodiversiteit. Zij stelt dat het rapport "Quickscan Wet natuurbescherming" van 27 januari 2021 en het rapport "Nader onderzoek vleermuis" van 13 september 2021 niet aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd, omdat deze onderzoeken verouderd zijn. Zij wijst erop dat de bedrijfsmatige activiteiten van het saunacomplex op Holenweg 6 met ingang van 30 mei 2022 zijn beëindigd. In een leegstaand object kan de ecologische situatie anders zijn dan wanneer dit nog in gebruik is.
16.1. De Afdeling oordeelt dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar de voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2025, onder 8.2.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
17. De Stichting betoogt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de nieuwe verkeerssituatie. In het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende mobiliteitsonderzoek van Goudappel (bijlage 15 bij de plantoelichting) is er wat betreft de breedte van de Holenweg tussen de Venenlaan en Willemsweg ten onrechte geen rekening mee gehouden dat er in werkelijkheid altijd auto’s geparkeerd staan langs de oostzijde. Daardoor is de weg feitelijk smaller met een hogere kans op ongevallen. Ook is volgens de Stichting niet duidelijk of in het onderzoek rekening is gehouden met de uitbreiding van de Lidl-supermarkt, de nieuwbouw van het Holenkwartier en de toename van het ledenaantal van sportvereniging Always Forward.
17.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder op de Holenweg. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2025, onder 9.2. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het door Goudappel uitgevoerde mobiliteitsonderzoek uiteen is gezet dat de berekende intensiteit op de Holenweg na realisatie van het plan lager blijft dan de capaciteit van de Holenweg en dat de Stichting niet heeft geconcretiseerd waarop haar vrees voor verkeershinder en verkeersonveilige situaties is gebaseerd. Voor de oostzijde van de Holenweg geldt een parkeerverbod. Dat hier desondanks auto’s worden geparkeerd, betreft een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.
Het betoog slaagt niet.
Groenstructuur
18. De Stichting betoogt dat het plan in strijd is met de nota "Verbindend Groen. Groenvisie+ 2019-2029" van de gemeente Hoorn van 3 juni 2019. Zij wijst op de passage dat de gemeente Hoorn in tien jaar een groen netwerk wil realiseren, waarin planten en dieren kunnen verblijven en zich verplaatsen. Het kappen van bomen ten behoeve van deze ontwikkeling is volgens haar daarom in strijd met deze nota. Volgens de Stichting had in het bijzonder aan de westzijde van de ontwikkeling meer ruimte moeten worden gelaten voor een groene inpassing.
Daarnaast betoogt de Stichting dat het plan in strijd is met de nota "Ruimte voor bomen. Bomenbeleidsplan Hoorn". Op grond van het bomenbeleidsplan moeten volgens haar bestaande structuren in stand worden gehouden. Verder is in strijd met dit beleid geen bomen effect analyse opgesteld en ontbreekt een groene afscherming van de nieuwe bebouwing. Daarnaast verzet zij zich ertegen dat de verplichting om bomen te herplanten ook kan worden afgekocht.
18.1. In de door de Stichting genoemde passages uit de nota "Verbindend Groen" leest de Afdeling niet dat bestaand groen in stand moet worden gelaten. In de nota staat wel het belang van groen in de openbare ruimte centraal. Dat belang heeft de raad in zijn afweging betrokken. In het plan zijn onder meer met het oog op dit belang voorwaardelijke verplichtingen in de artikelen 4.4.1, 6.5.3 en 6.5.4 van de planregels opgenomen, waarin de realisatie van groen is geregeld. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het aangevoerde daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de nota "Verbindend Groen" is vastgesteld.
Verder leest de Afdeling in de door de Stichting genoemde passages uit de nota "Ruimte voor bomen", in samenhang met de daarbij behorende kaart, niet dat op deze locatie sprake is van een bestaande structuur die in stand moet worden gelaten. Daarnaast is volgens paragraaf 6.1 van die nota een bomen effect analyse pas aan de orde bij vergunningverlening. In paragraaf 1.2 van de nota staat alleen dat met bomen bebouwing kan worden afgeschermd, zonder dat dit als verplichting is geformuleerd. Voor de verplichting om voor elke woning 1,3 boom te planten is in artikel 6.5.3 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Over een dergelijke voorwaardelijke verplichting heeft de Afdeling eerder geoordeeld dat deze in overeenstemming is met de nota "Ruimte voor bomen". Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2208, onder 8.2.
Het betoog slaagt niet.
Waterbuffering
19. De Stichting betoogt dat het plan in strijd met gemeentelijk beleid, vervat in de nota "Verbindend Groen" en de Westfriese uitvoeringsagenda klimaatadaptatie niet voldoet aan het uitgangspunt dat hemelwater zoveel als mogelijk moet worden gebufferd op eigen terrein.
19.1. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting zijn de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding beschreven. Omdat het oppervlak aan verharding wordt vergroot, zal de aanwezige waterpartij worden verbreed. Het bestemmingsplan maakt die verbreding mogelijk. Met deze toelichting is toereikend beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarmee heeft de raad ook deugdelijk gemotiveerd dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving wat betreft die waterhuishouding die niet kunnen worden weggenomen.
De Stichting heeft niet kunnen concretiseren waar in de nota "Verbindend Groen" en de Westfriese uitvoeringsagenda klimaatadaptatie een verplichting staat om water op eigen terrein op te slaan en te infiltreren. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met dit beleid is vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Plandichtheid
20. De Stichting betoogt dat de maat en schaal van de beoogde nieuwbouw onevenredig groot zijn in verhouding tot de omgeving. Volgens de Stichting had de raad niet alleen naar de Floor Space Index (FSI) moeten kijken, maar ook naar de Open Space Ratio (OSR), die de verhouding weergeeft tussen het bouwprogramma en de beschikbare open ruimte. Dan blijkt volgens de Stichting dat het Holenkwartier en de ontwikkeling van de Vrijheid niet gelijk zijn in maat en schaal. De raad had volgens de Stichting moeten besluiten om een kleiner bouwplan toe te laten en het benodigde aantal woningen elders te realiseren.
20.1. De raad heeft de FSI gehanteerd als hulpmiddel bij het bepalen van een aanvaardbare woningdichtheid. Volgens de raad is de FSI in dit geval 1,65 en mag deze op grond van de Hoogbouwvisie maximaal 2,5 zijn. Daarnaast kan de woningdichtheid niet los worden gezien van de ruimtelijke gevolgen daarvan voor de omgeving. Die ruimtelijke gevolgen heeft de raad in zijn afweging betrokken en de raad vindt dat het beoogde bouwplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zoals hierboven over de diverse aspecten van het plan is overwogen, geven die ruimtelijke gevolgen geen aanleiding voor het oordeel dat het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een te hoge woningdichtheid heeft.
Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
21. De Stichting betoogt dat bij andere recente ontwikkelingen de maximale bouwhoogte is verlaagd na participatie. Omdat de raad de bouwhoogte niet heeft verlaagd bij dit plan is het vaststellingsbesluit genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
21.1. De Afdeling overweegt dat voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel er sprake moet zijn van gelijke gevallen. De raad heeft het gelijkheidsbeginsel niet geschonden, omdat de bouwplannen waar de Stichting op wijst, geen gelijke gevallen zijn.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
22. De Stichting heeft op de zitting, anders dan nog in het beroepschrift, meegedeeld dat zij niet langer twijfelt aan de behoefte aan de 133 voorziene appartementen. De Stichting heeft op de zitting verder medegedeeld dat zij de uitkomst van de AERIUS-berekeningen niet langer bestrijdt. Gelet hierop laat de Afdeling deze gronden daarom verder buiten inhoudelijke bespreking.
Conclusie
23. Het beroep van de Stichting is ongegrond.
Conclusie
24. De beroepen zijn ongegrond.
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
745