Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202500311/1/R2

Uitspraak 202500311/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4574
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 november 2024 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "[locatie 1]/Esdoornstraat Someren" vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van een twee-onder-één kapwoning aan de Esdoornstraat in Someren-Eind. [partij] is initiatiefnemer en woont aan de [locatie 1]. Dat is een woning die is gesitueerd op de hoek van de Esdoornstraat en Kampstraat. De twee-onder-één kapwoning wordt gerealiseerd in de huidige tuin van [partij], gelegen aan de Esdoornstraat. [appellant A] woont direct grenzend aan het plangebied aan de [locatie 2] en [appellant B] woont direct grenzend aan de woning van [partij] aan de [locatie 3]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat zij vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202500311/1/R2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Someren,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Someren,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]/Esdoornstraat Someren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 juli 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.C.M. Vleeskens, advocaat in Den Haag, zijn verschenen. Verder is ter zitting [partij], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het plan voorziet in de realisatie van een twee-onder-één kapwoning aan de Esdoornstraat in Someren-Eind. [partij] is initiatiefnemer en woont aan de [locatie 1]. Dat is een woning die is gesitueerd op de hoek van de Esdoornstraat en Kampstraat. De twee-onder-één kapwoning wordt gerealiseerd in de huidige tuin van [partij], gelegen aan de Esdoornstraat.

[appellant A] woont direct grenzend aan het plangebied aan de [locatie 2] en [appellant B] woont direct grenzend aan de woning van [partij] aan de [locatie 3]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat zij vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Woon- en leefklimaat

4.       [appellant A] en [appellant B] vrezen voor een aantasting van hun privacy omdat de toekomstige bewoners directe inkijk in hun woningen en tuinen zullen hebben. Volgens [appellant A] en [appellant B] verplicht het plan ten onrechte niet tot het realiseren van een blinde muur, terwijl dit past in het huidige straatbeeld. Bovendien is een blinde muur volgens [appellant A] en [appellant B] in lijn met de bestaande bebouwing in de omgeving.

Verder betogen [appellant A] en [appellant B] dat het plan leidt tot een te groot verlies van groen in de straat. Hiertoe wijzen zij op de bestaande groenstrook naast de woning van [appellant A] en voor de voorziene woningen, waar een inrit is beoogd. Volgens hen is het behoud van groenvoorzieningen essentieel voor het woon- en leefklimaat.

Ten slotte betogen [appellant A] en [appellant B] dat één woning in plaats van een twee-onder-één kapwoning de voorkeur verdient. Zij voeren hiertoe aan dat de groenvoorziening met één woning zou worden gewaarborgd, dat er niet direct op de erfgrens van de woning van [appellant A] hoeft te worden gebouwd, dat er minder parkeerdruk zou ontstaan in het gebied en er gebruik kan worden gemaakt van de bestaande inrit.

4.1.    De Afdeling stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak geen recht bestaat op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2022:1159, onder 10.1) en dat evenmin in de ruimtelijke ordening een woonsituatie vrij van enige inkijk kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024; ECLI:NL:RVS:2023:935, onder 10.2).

Het plan voorziet in een binnenstedelijke ontwikkeling van een twee-aan-één gebouwde woning in een straat met al vier van dit type woningen. Daarbij is in artikel 3.2.2, onder g, van de planregels bepaald dat de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder mag bedragen dan drie meter. Weliswaar zullen [appellant B] en [appellant A], gelet op de toevoeging van twee woningen aan de woonwijk, enige vermindering van privacy of inkijk kunnen ervaren, maar gelet op de geringe omvang van de ontwikkeling in samenhang bezien met de al binnenstedelijke omgeving en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van [appellant A], heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy. Gelet hierop heeft de raad de realisatie van een blinde muur niet nodig hoeven achten.

Weliswaar zullen de twee groenstroken met gras (al dan niet gedeeltelijk) verloren gaan ten behoeve van de realisatie van twee inritten voor de woningen, maar dit verlies acht de Afdeling niet zodanig dat de raad zich niet op het standpunt had kunnen stellen dat dit plan strekt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daartoe acht de Afdeling relevant dat het gaat om twee relatief kleine stukken gras, die ook ten behoeve van de andere woningen in de straat, zoals bij [appellant A], zijn gebruikt ten behoeve van inritten.

Ten slotte ziet de Afdeling in de enkele stelling van [appellant A] en [appellant B] dat zij liever één vrijstaande woning hebben op de gronden, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Het gebruik van gemeentegrond en de anterieure overeenkomst

5.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de afspraken in de anterieure overeenkomst over het gebruik gemeentegrond voor de woningen en inritten niet transparant zijn. Zij verzoeken om volledige transparantie over de inhoud van de gemaakte afspraken en de borging daarvan.

5.1.    Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt een bestuursorgaan het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage met daarop betrekking hebbende stukken die nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 30 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9587, is een anterieure overeenkomst in beginsel geen op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Het enkele feit dat [appellant A] en [appellant B] graag hadden geweten wat er afgesproken is over de verdeling van kosten voor de aanleg van de inritten, maakt niet dat de anterieure overeenkomst in dit geval een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat hij de anterieure overeenkomst niet ter inzage hoefde te leggen bij het ontwerpplan.

Het betoog slaagt niet.

Ten onrechte niet geïnformeerd over raadsvergadering

6.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij, als indieners van een zienswijze hadden verwacht dat zij in de gelegenheid zouden worden gesteld om inspraak te leveren tijdens de raadsvergadering voordat de raad tot besluitvorming over zou gegaan. Zij zijn echter niet vooraf geïnformeerd over wanneer de raadsvergadering plaatsvond waarin het besluit tot vaststelling van dit plan werd besproken.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en dat eenieder over het ontwerpplan zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen. Niet in geschil is dat is voldaan aan de eisen van afdeling 3.4 van de Awb.

De Afdeling overweegt dat er geen wettelijke verplichting bestaat om indieners van zienswijzen expliciet uit te nodigen om in te spreken tijdens de vergadering van de gemeenteraad waarin tot besluitvorming wordt overgegaan over het besluit waartegen zienswijzen zijn ingediend. Uit de destijds geldende Verordening op de raadscommissies 2015 van de gemeente Someren volgt een dergelijke verplichting eveneens niet. Hoewel het, zoals door de raad erkent, spijtig is dat [appellant A] en [appellant B] niet zijn geïnformeerd over het besluitvormingsproces terwijl dit normaliter wel wordt gedaan, geeft dit geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het beroep is ongegrond.

8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.

w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pistoor
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

932-1191


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon