Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601865/1/A3 en 202601865/2/A3

Uitspraak 202601865/1/A3 en 202601865/2/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4221
Datum uitspraak
22 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 november 2025 heeft de korpschef van politie de aan [bedrijf] verleende toestemming om [wederpartij] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten, ingetrokken. Op 6 juni 2025 is aan [bedrijf] toestemming verleend om [wederpartij] als steward beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming op 7 november 2025 ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, omdat volgens hem de betrouwbaarheid van [wederpartij] niet langer boven iedere twijfel is verheven. De korpschef baseert dit op het feit dat [wederpartij] op 15 oktober 2025 heeft gehandeld in vapes en op 18 september 2025 was aangetroffen met 25 dozen vapes in zijn auto. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft [wederpartij] erkend dat hij op 18 september 2025 handelde in vapes. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef had moeten volstaan met een waarschuwing.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Beveiligingswerkzaamheden

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601865/1/A3 en 202601865/2/A3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de korpschef van politie,
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2026 in zaak nrs. 26/1831 en 26/1658 in het geding tussen:

de korpschef

en

[wederpartij], wonend in Doesburg.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 heeft de korpschef de aan [bedrijf] verleende toestemming om [wederpartij] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten, ingetrokken.

Bij besluit van 19 februari 2026 heeft de korpschef het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 februari 2026 vernietigd en het besluit van 7 november 2025 herroepen.

Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft de korpschef de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juli 2026, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S.A.J. Wezendonk en P.R. Barendrecht, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S. van Eekelen, advocaat in Tilburg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.       Op 6 juni 2025 is aan [bedrijf] toestemming verleend om [wederpartij] als steward beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming op 7 november 2025 ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), omdat volgens hem de betrouwbaarheid van [wederpartij] niet langer boven iedere twijfel is verheven. De korpschef baseert dit op het feit dat [wederpartij] op 15 oktober 2025 heeft gehandeld in vapes en op 18 september 2025 was aangetroffen met 25 dozen vapes in zijn auto. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft [wederpartij] erkend dat hij op 18 september 2025 handelde in vapes.

2.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef had moeten volstaan met een waarschuwing. [wederpartij] is niet strafrechtelijk vervolgd voor het handelen in vapes en heeft een blanco strafblad. Ook is niet gebleken dat de korpschef na het incident op 18 september 2025 [wederpartij] heeft gewaarschuwd. Verder is volgens de rechtbank van belang dat door de intrekking van de toestemming [wederpartij] zijn opleiding, die start in september 2026, niet tijdig kan afronden.

Beoordeling hoger beroep en verzoek

3.       De korpschef betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] door intrekking van de toestemming zijn opleiding niet kan afronden. Het intrekken van de toestemming voor het werken als steward bij [bedrijf] heeft geen invloed op de benodigde toestemming voor de opleiding van [wederpartij]. Eerstgenoemde toestemming is een zogeheten ‘oranje pas’ en laatstgenoemde toestemming is een ‘groene pas’ (zie Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus). Daarnaast voert de korpschef aan dat door het dwingendrechtelijk karakter van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr de groene pas zal worden onthouden. [wederpartij] is ook door de rechtbank onbetrouwbaar geacht en de groene pas zal daarom worden onthouden, aldus de korpschef.

3.1.    Artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus bepaalt dat een verleende toestemming kan worden ingetrokken als omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4851), komt de korpschef beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen hogere eisen worden gesteld dan aan die in andere branches. Dit betekent dat de korpschef mag eisen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven zijn. In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de Beleidsregels) is een nadere invulling gegeven aan de term 'betrouwbaarheid'. Daarin zijn aspecten opgenomen die van belang zijn voor de vaststelling of de betrokkene betrouwbaar is.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564 en van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:865), heeft artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr gelet op de bewoordingen ervan, geen dwingendrechtelijk karakter. Dit verplicht de korpschef daarom niet om, als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, de toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganisatie in te trekken. Bij deze beoordeling bestaat dus ruimte voor een belangenafweging.

Verder is van belang dat de maatregel is afgestemd op een individueel geval. De korpschef dient daartoe te motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de maatregel staat de vraag centraal of de maatregel noodzakelijk is om het doel te bereiken. Als het antwoord op die vraag is dat het gewenste doel van een betrouwbare veiligheidszorg ook kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel dan intrekking van de toestemming, dan is dat laatste niet noodzakelijk.

3.3.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank het beroep van [wederpartij] terecht gegrond heeft verklaard en het in beroep bestreden besluit terecht heeft vernietigd.

De korpschef heeft op de zitting van de voorzieningenrechter erkend dat zijn besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid, nu deze ten onrechte veronderstellen dat [wederpartij] zijn opleiding niet kan afronden door de intrekking van de toestemming om als steward te werken. Intrekking van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden voor [bedrijf] heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag van toestemming voor het volgen van de opleiding. De korpschef stelt zich daarmee op een ander standpunt dan hij in het in beroep bestreden besluit heeft gedaan. Dit brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de rechtbank het beroep terecht gegrond heeft verklaard. Het betoog slaagt niet.

3.4.    Verder constateert de voorzieningenrechter dat de korpschef in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij had moeten volstaan met een waarschuwing en dat daarom de intrekking van de toestemming van de korpschef herroepen moet worden. Ook dit onderdeel van de uitspraak van de rechtbank blijft dus in hoger beroep in stand.

Slotsom

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5.       Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen grond meer.

6.       De korpschef moet de proceskosten van [wederpartij] in hoger beroep vergoeden.

7.       Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van de korpschef griffierecht geheven voor het hoger beroep.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af;

III.      veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.      bepaalt dat van de korpschef van politie een griffierecht van € 596,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.

w.g. Van Ravels
voorzieningenrechter

w.g. Bus
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026

1013


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon