Uitspraak BRS.25.000154
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3877
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 1 april 2021 heeft staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000154
ECLI:NL:RVS:2026:3877
Datum uitspraak: 7 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2025 in zaak nr. NL24.1812 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 april 2021 heeft staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 december 2023 heeft de staatssecretaris de daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Gelet op de toetsing die de rechtbank en de Afdeling verrichten naar het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, betrekt de Afdeling bij deze zaak niet de met ingang van 12 juni 2026 gewijzigde regelgeving op het gebied van nareis.
1.1. Betrokkene zijn de ouders en zes broers en zussen van referent. Referent is geboren op 16 januari 2001 en was ten tijde van de inreis in Nederland minderjarig. De minister heeft haar op 18 februari 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 8 april 2019 heeft referent mvv-aanvragen in het kader van nareis ingediend voor betrokkenen. Allen hebben de Eritrese nationaliteit.
1.2. De minister heeft de aanvragen afgewezen, omdat betrokkenen de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk hebben gemaakt en niet beschikbaar zijn geweest voor DNA-onderzoek in Ethiopië. Bij een poging van betrokkenen om uit te reizen, zijn de ouders en drie broers en zussen opgepakt en gevangengezet door de Eritrese autoriteiten. De andere drie broers en zussen durven daarom niet meer uit te reizen voor het DNA-onderzoek.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019, E, ECLI:EU:C:2019:192, punten 63 tot en met 66, geoordeeld dat de minister het besluit op bezwaar onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat hij onvoldoende oog heeft gehad voor de situatie van betrokkenen. De rechtbank heeft erop gewezen dat uit de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt dat er een samenwerkingsplicht rust op de minister en hij daarom ten onrechte betrokkenen niet langer uitstel heeft verleend voor een DNA-onderzoek. Ook heeft de rechtbank erop gewezen dat de minister onderzoek had kunnen doen naar de beste mogelijkheid voor DNA-onderzoek gelet op het risico van illegale grensoverschrijding in Eritrea.
Hoger beroep
3. De grieven richt de minister tegen dit oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij aan de inspanningsverplichting in het kader van de samenwerkingsplicht heeft voldaan door betrokkenen een termijn van zes maanden aan te bieden voor het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek. Volgens hem rust er niet alleen op hem, maar ook op betrokkenen een inspanningsverplichting, omdat op hen de bewijslast voor het aannemelijk maken van de familierechtelijke relatie rust. Ook betoogt hij dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat betrokkenen niet hebben aangevoerd binnen welke tijdsperiode zij wel denken te kunnen uitreizen. De minister wijst op de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:404, onder 3.2, waaruit volgens hem volgt dat hij geen onevenredige eisen aan betrokkenen stelt door hen een DNA-onderzoek aan te bieden op de Nederlandse ambassade in Ethiopië. Volgens de minister rust er op hem geen plicht om te onderzoeken of DNA-onderzoek in Eritrea mogelijk is.
Oordeel van de Afdeling
3.1. Het betoog van de minister slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. De Afdeling begrijpt dat de situatie voor betrokkenen om illegaal de grens over te steken risicovol is, maar komt desondanks tot het oordeel dat de minister in het geval van betrokkenen aan de samenwerkingsplicht heeft voldaan. De Afdeling legt dat uit.
Samenwerkingsplicht
3.2. De Afdeling is in haar uitspraken van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146, onder 5 en 6, en ECLI:NL:RVS:2019:3147, onder 6 en 7, ingegaan op de samenwerkingsplicht die uit het arrest E volgt. In die uitspraken heeft de Afdeling uitgelegd dat uit het arrest E volgt dat vreemdelingen verplicht zijn om met de minister samen te werken, zodat hij hun identiteit, hun gezinsband en hun redenen voor hun aanvraag kan vaststellen. Zij moeten alle relevante bewijsmiddelen verstrekken, antwoord geven op vragen en verzoeken hierover, zich ter beschikking houden voor gesprekken of andere onderzoeken en, als zij geen officiële bewijsstukken kunnen overleggen, uitleggen waarom zij dat niet kunnen. De minister moet vervolgens een individuele beoordeling maken en rekening houden met alle relevante elementen van het geval. Daarbij moet hij in het bijzonder rekening houden met de belangen van betrokken kinderen, het streven om het gezinsleven te bevorderen, de concrete situatie waarin de vreemdelingen zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd.
DNA-onderzoek in Eritrea
3.3. Het betoog van de minister dat er op hem geen plicht rust om te onderzoeken of DNA-onderzoek in Eritrea mogelijk is, slaagt in zoverre niet, dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden het faciliteren van onderzoek ook bestaat in samenwerking met een andere EU-lidstaat die wel een vertegenwoordiging heeft in Eritrea of ten minste onderzoek door de minister naar die mogelijkheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3117, onder 4.2. De verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2021 baat hem niet, omdat daarin is overwogen dat hij in dat geval niet was gehouden tot het faciliteren van DNA-onderzoek in Eritrea. Uit die uitspraak volgt niet dat hij in geen geval verplicht is om te onderzoeken of DNA-onderzoek in Eritrea mogelijk is.
Situatie van betrokkenen
3.4. De minister betoogt evenwel terecht dat de samenwerkingsplicht in dit geval niet zo ver strekt en dat hij daarom in het geval van betrokkenen niet gehouden is tot onderzoek naar de beste mogelijkheid voor DNA-onderzoek.
De minister wijst er terecht op dat het aan betrokkenen is om de familierechtelijke relatie aannemelijk te maken. Betrokkenen hebben de familierechtelijke relatie niet aannemelijk gemaakt met documenten. De minister heeft op 26 april 2023 betrokkenen laten weten dat hij een DNA-onderzoek wil aanbieden. Betrokkenen hebben toen zelf verzocht om naar Ethiopië te gaan voor dat onderzoek. Zij hebben zich niet op het standpunt gesteld dat een DNA-onderzoek volgens hen niet noodzakelijk is en ook niet verzocht om de familierechtelijke relatie op andere manieren aannemelijk te mogen maken. Wel hebben zij de minister meermaals verzocht om de besluitvorming aan te houden, omdat referent moeilijk met hen in contact kon komen, in eerste instantie voor het aanleveren van de door de minister gevraagde formulieren voor het DNA-onderzoek en later voor het uitreizen naar Ethiopië. Nadat bij een poging van betrokkenen om uit te reizen voor het DNA-onderzoek de ouders en drie broers en zussen van referent zijn opgepakt en gevangengezet door de Eritrese autoriteiten, hebben zij de minister nogmaals verzocht om de besluitvorming aan te houden. Ook toen hebben zij niet verzocht om de familierechtelijke relatie op andere manieren aannemelijk te mogen maken.
De Afdeling begrijpt dat betrokkenen zich in een moeilijke situatie bevinden, omdat de ouders en drie broers en zussen van referent zijn opgepakt en gevangengezet door de Eritrese autoriteiten. Maar anders dan in de situatie van de vreemdelingen in de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3186, heeft de minister steeds contact gehouden met betrokkenen over het DNA-onderzoek. De minister heeft rekening gehouden met de bijzondere problemen waarmee betrokkenen worden geconfronteerd door een langere termijn van in totaal zes maanden aan te bieden voor het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek, terwijl volgens hem het uitgangspunt is om daarvoor vier weken te geven. De minister wijst er terecht op dat hij meermaals uitstel heeft verleend voor het laten uitvoeren van dat onderzoek en dat betrokkenen niet hebben toegelicht binnen welke termijn zij verwachten Eritrea te kunnen uitreizen. Dat betrokkenen wegens de situatie waarin zij zich ten tijde van de besluitvorming bevonden, dat niet konden toelichten, maakt niet dat de minister de besluitvorming nog langer moest aanhouden zonder dat er concreet zicht was op een moment waarop betrokkenen Eritrea wel konden uitreizen. De Afdeling vindt daarbij van belang dat onduidelijk is wanneer de ouders en drie broers en zussen van referent weer vrijkomen. De minister is niet gehouden om al die tijd de besluitvorming aan te houden of om te onderzoeken of DNA-onderzoek in Eritrea mogelijk is, zonder dat duidelijk is of de ouders, broers en zussen van referent wel aan dat onderzoek kunnen deelnemen.
3.5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister een reële mogelijkheid heeft geboden voor DNA-onderzoek en daarmee aan de samenwerkingsplicht die uit het arrest E volgt, heeft voldaan. De grieven slagen.
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2025 in zaak nr. NL24.1812;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026
574-1078