Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202407057/1/V3

Uitspraak 202407057/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:715
Datum uitspraak
10 februari 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202407057/1/V3.
Datum uitspraak: 10 februari 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2024 in zaak nr. NL24.38785 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       De rechtbank heeft in deze zaak het asielbesluit vernietigd en geoordeeld dat de grensdetentie van betrokkene onrechtmatig is. De Afdeling beoordeelt eerst de grieven van de minister die zijn gericht tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de grensdetentie, omdat deze gaan over de bevoegdheid van de asielrechter om daarover te oordelen. Daarna beoordeelt de Afdeling de grief die is gericht tegen het oordeel over de rechtmatigheid van het asielbesluit.

Grieven 2 en 3, over het oordeel van de rechtbank over de vrijheidsontnemende maatregel

2.       In de grieven 2 en 3 komt de minister op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie onrechtmatig is vanaf 15 oktober 2024. Volgens de minister is de rechtbank buiten de grenzen van het geding getreden door ambtshalve een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de grensdetentie. Zij wijst erop dat er op het moment dat de rechtbank uitspraak deed ook een beroep aanhangig was tegen de vrijheidsontnemende maatregel en dat de rechtbank dat beroep op 31 oktober 2024 ongegrond heeft verklaard.

Feiten met betrekking tot de grensdetentie

2.1.    Betrokkene heeft op 17 september 2024 een asielaanvraag ingediend en de minister heeft hem op die dag een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Bij besluit van 27 september 2024 heeft de minister de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Op 4 oktober 2024 heeft betrokkene beroep ingesteld tegen het besluit van 27 september 2024. In het beroepschrift heeft hij vermeld dat hij ook beroep wil instellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel van 21 juni 2024, door in het formulier voor advocaten voor het instellen van asielberoep de vraag of hij dat wil bevestigend te beantwoorden. De rechtbank heeft dit kennelijk opgevat als een beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel van 17 september 2024 en het geregistreerd onder zaaknummer NL24.38787. Uit een brief van 14 oktober 2024 van de rechtbank aan betrokkene blijkt dat hij de rechtbank heeft laten weten dat hij dit beroep intrekt en dat de rechtbank de intrekking heeft bevestigd. Met een kennisgeving van 15 oktober 2025 heeft de minister weer een beroep aanhangig gemaakt tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL24.40591. Bij de door de minister bestreden uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen en aan betrokkene schadevergoeding toegekend. Bij uitspraak van 31 oktober 2024 heeft de rechtbank Den Haag het beroep tegen dezelfde maatregel ongegrond verklaard in zaak nr. NL24.40591.

Beoordeling van grieven 2 en 3

2.2.    Het beroepschrift van 4 oktober 2024 bevatte in wezen twee beroepen: één tegen het besluit aangaande asiel en één tegen de grensdetentie. Laatstgenoemd beroep heeft, naar moet worden aangenomen, het zaaknummer NL24.38787 gekregen en is door betrokkene op 12 oktober 2024 ingetrokken. De rechtbank kon alleen al daarom niet meer beslissen over de grensdetentie. Op 14 oktober 2024 is een beroep ontstaan tegen de vrijheidsontnemende maatregel door kennisgeving door de minister. Dat is een separate zaak, waarin door de rechtbank op 31 oktober 2024 is beslist.

2.3.    Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak, voor zover zij heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel, getreden is in de toetsing van de rechtmatigheid van een ander besluit dan het besluit waartegen beroep is ingesteld. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen en schadevergoeding toegekend. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1646, onder 2.1.

2.4.    De grieven slagen.

Grief 1, over het oordeel van de rechtbank over het asielbesluit

3.       Betrokkene heeft op 28 oktober 2024, twee dagen voor de zitting bij de rechtbank, een kopie van een Somalische geboorteakte overgelegd die is afgegeven op 24 oktober 2024. Partijen zijn het er niet over eens of dit een nieuw relevant element is voor de beoordeling van de aanvraag in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Het oordeel van de rechtbank

3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478, volgt dat de minister elk overgelegd document dat is aan te merken als een nieuw relevant element, inhoudelijk moet beoordelen. De geboorteakte bevat informatie over de identiteit en nationaliteit van betrokkene en de vorige aanvraag is afgewezen omdat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig heeft geacht. Daarom is de geboorteakte naar het oordeel van de rechtbank een relevant nieuw element als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Gelet hierop had de minister de aanvraag niet niet-ontvankelijk mogen verklaren.

De grief van de minister

3.2.    In grief 1 komt de minister op tegen dit oordeel van de rechtbank. Zij wijst erop dat zij in twee fasen beoordeelt of een element nieuw en relevant is. De tweede fase gaat over de vraag of het element relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag. In Werkinstructie 2023/7 is beschreven hoe de minister deze beoordeling maakt. Daarin staat dat de minister daarbij onder andere kan betrekken op welke wijze een vreemdeling een document heeft verkregen en of er (goede) redenen zijn om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van de in een document vermelde gegevens. De minister heeft zich op de zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat de door betrokkene beschreven wijze van verkrijging van de geboorteakte niet overeenkomt met de aanvraagprocedure daarvoor, zoals geschetst in het Algemeen Ambtsbericht Somalië van juni 2023, en dat de geboorteakte is opgesteld op basis van documenten die in de eerdere procedure onecht zijn bevonden. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat zij deze omstandigheden bij de beoordeling mag betrekken.

Beoordeling van grief 1

3.3.    Uit artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat een opvolgende asielaanvraag ontvankelijk is wanneer er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of overgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof heeft in het arrest LH overwogen dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid uit twee fasen bestaat. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn. Als dat zo is, wordt in de tweede fase nagegaan of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

3.4.    Het tweede en derde lid van artikel 40 van de Procedurerichtlijn zijn omgezet in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Uit dit artikel volgt dat een opvolgende aanvraag ontvankelijk is als daaraan nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit artikel gaat dus zowel over de eerste fase, bedoeld in het arrest LH (nieuwe elementen of bevindingen), als over de tweede fase (relevant voor de beoordeling van de aanvraag). De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, onder 5.4.1.

3.5.    Op grond van artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn moet de minister beoordelen of nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Maar in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 gaat het erom of nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarmee kent de Nederlandse implementatiewetgeving een minder streng ontvankelijkheidscriterium voor de tweede fase dan de Procedurerichtlijn. Daarom moet de minister in de tweede fase beoordelen of de documenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699, onder 6.3.

3.6.    Het voorgaande betekent echter niet dat een document relevant is voor de beoordeling van de opvolgende aanvraag, alleen al omdat het betrekking heeft op de redenen voor de afwijzing van de eerdere aanvraag. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid kan de minister namelijk bijvoorbeeld de bewijswaarde van overgelegde documenten betrekken. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 24 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1189, onder 3.2.

3.7.    Betrokkene is Nederland ingereisd met een Keniaans paspoort. Zijn eerdere aanvraag is afgewezen, omdat de minister er daarom van uitgaat dat hij de Keniaanse nationaliteit heeft. Een Somalische geboorteakte brengt niet met zich dat betrokkene niet de Keniaanse nationaliteit heeft. Het is in de eerste plaats aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. De geboorteakte is alleen relevant als betrokkene ondanks een oprechte inspanning geen verklaring over de authenticiteit van het paspoort weet te krijgen van de Keniaanse autoriteiten en dat vervolgens de minister ook niet lukt. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071. Van een dergelijke situatie is geen sprake. Alleen al daarom is de geboorteakte niet relevant voor de beoordeling van de aanvraag. Gelet hierop hoeven de argumenten van de minister, weergegeven onder 3.2, niet te worden besproken. Betrokkene betoogt in zijn schriftelijke uiteenzetting dat de resultaten van een onderzoek door Bureau Documenten naar de echtheid van de inmiddels overgelegde geboorteakte bij de beoordeling moeten worden betrokken. Maar dergelijke resultaten zijn gelet op het voorgaande ook niet relevant.

3.8.    De grief slaagt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2024 in zaak nr. NL24.38785;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. Wissels
voorzitter

w.g. Kraak
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026

1020


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon