Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202204639/1/V3

Uitspraak 202204639/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:2723
Datum uitspraak
21 september 2022
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202204639/1/V3.
Datum uitspraak: 21 september 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 juli 2022 in zaak nr. NL22.13350 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 29 juli 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling klaagt in grief 1 terecht dat de uitspraak van

17 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4476, waarnaar de rechtbank heeft verwezen op www.rechtspraak.nl noch op de website van de Raad van State was gepubliceerd. De uitspraak is inmiddels alsnog op die website gepubliceerd. Niet is gebleken dat de vreemdeling hierdoor in zijn belangen is geschaad. Wat verder is aangevoerd in de grief kan ook niet afdoen aan het oordeel van de rechtbank, want zij heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 17 februari 2004 terecht overwogen dat zij geen oordeel kan geven over de rechtmatigheid van de staandehouding. Daartoe wordt het volgende overwogen.

1.1.    Als ervan uit wordt gegaan dat de vreemdeling op 4 juli 2022 vreemdelingenrechtelijk is staandegehouden dan is op die staandehouding een strafrechtelijk traject gevolgd omdat hij nog een gevangenisstraf van acht dagen moest uitzitten. Er is daarom sprake geweest van een feitelijke onderbreking van het vreemdelingenrechtelijke traject en dan kan, zoals volgt uit de uitspraak 17 februari 2004, de rechtbank in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling geen oordeel geven over de rechtmatigheid van de staandehouding. Onder 2.2.2 van haar uitspraak van 29 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AG9341, heeft de Afdeling uitgelegd waarom een staandehouding en een ophouding die zonder onderbreking vooraf zijn gegaan aan de maatregel van bewaring in de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling kunnen worden betrokken. Als er echter wel een onderbreking heeft plaatsgevonden dan staat het wettelijke stelsel zoals neergelegd in de Vw 2000 eraan in de weg dat het voortraject dat vooraf is gegaan aan die onderbreking wordt betrokken bij het beroep gericht tegen de inbewaringstelling. Tegen de voor de onderbreking in het kader van artikel 50 van de Vw 2000 toegepaste dwangmiddelen staan wel afzonderlijke rechtsmiddelen open. Als zijn staandehouding op 4 juli 2022 vreemdelingenrechtelijk is geweest en deze volgens hem niet rechtmatig was dan moet de vreemdeling daartegen dus het daartoe in de Vw 2000 voorziene rechtsmiddel aanwenden.

1.2.    De grief kan niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2.       Wat in de grieven 2 en 3 is aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven 2 en 3 geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter

w.g. Vonk

griffier

345-1020


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon