Uitspraak 200307920/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AO4476
- Datum uitspraak
- 17 februari 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 november 2003 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling is op 3 november 2003 om 09.45 uur in de internationale trein van Parijs naar Amsterdam op het traject van Roosendaal naar Rotterdam ingevolge voormeld artikel 50, eerste lid, staande gehouden. Om 09.51 uur is hij als verdacht van overtreding van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden op verdenking van gebruikmaken van een vervalst paspoort. Na het aanvaarden van een transactieaanbod is de vreemdeling om 15.02 uur in vrijheid gesteld en aansluitend ingevolge voormeld artikel 50, derde lid, opgehouden. De vreemdeling is om 16.35 uur in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200307920/1.
Datum uitspraak: 17 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 12 november 2003 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2003 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 november 2003, verzonden op 19 november 2003, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het met een kennisgeving vanwege appellant (hierna: de minister) daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard, de bewaring met ingang van 12 november 2003 opgeheven en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 december 2003 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren, belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
Ingevolge het derde lid mag, voor zover thans van belang, indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft, hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor, alwaar hij niet langer dan zes uur wordt opgehouden.
2.2. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte de staandehouding en de daaropvolgende ophouding en inbewaringstelling onrechtmatig heeft geacht. Daartoe betoogt de minister dat, nu geen sprake is van een geval waarin op de staandehouding zonder onderbreking ophouding en inbewaringstelling is gevolgd, de rechtbank heeft miskend dat zij niet kon oordelen over de rechtmatigheid van de staandehouding.
2.2.1. De op ambtseed, onderscheidenlijk op ambtsbelofte, opgemaakte processen-verbaal van 3 november 2003 met nummer 031103.0945.3513, van 4 november 2003 met CRV nr. 2702634702 en van 5 november 2003 met nummer 051103.0016.3513, vermelden - in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven - als volgt.
De vreemdeling is op 3 november 2003 om 09.45 uur in de internationale trein van Parijs naar Amsterdam op het traject van Roosendaal naar Rotterdam ingevolge voormeld artikel 50, eerste lid, staande gehouden. Om 09.51 uur is hij als verdacht van overtreding van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden op verdenking van gebruikmaken van een vervalst paspoort. Na het aanvaarden van een transactieaanbod is de vreemdeling om 15.02 uur in vrijheid gesteld en aansluitend ingevolge voormeld artikel 50, derde lid, opgehouden. De vreemdeling is om 16.35 uur in vreemdelingenbewaring gesteld.
2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2001 in zaak nr. 200102145/1, AB 2001, 268) vormt de staandehouding in de gevallen, waarin daarop zonder feitelijke onderbreking ophouding en/of bewaring volgt, het begin van een reeks beslissingen, erop gericht de vreemdeling, ten aanzien van wie gebleken is dat hij illegaal hier te lande verblijft, onder de macht van de tot uitzetting bevoegde autoriteiten te brengen en te houden. Daarbij wordt een opvolgende beslissing steeds mede gebaseerd op de gegevens die zijn vergaard bij of op basis van een voorafgaande beslissing en is - niet in de laatste plaats wat betreft het verhoor van de vreemdeling - ook in procedureel opzicht niet steeds een scherpe scheidslijn te trekken tussen de toepassing van de artikelen 50 en 59 van de Vw 2000.
2.2.3. Uit de processen-verbaal, als hiervoor weergegeven, blijkt dat op de staandehouding van de vreemdeling de aanwending van niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden is gevolgd, zodat sprake is van een feitelijke onderbreking tussen de aanwending van de bevoegdheid tot staandehouding en de aanwending van de bevoegdheden tot ophouding en inbewaringstelling. Door in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de staandehouding is de rechtbank derhalve buiten de grenzen van het geschil getreden. Grief 1 slaagt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven 2 en 3 behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de voorgedragen beroepsgrond geen aanleiding geeft voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren en ingevolge artikel 106, tweede lid, van de Vw 2000, gelezen in verbinding met het eerste lid van dat artikel, zoals die bepalingen sedert 1 september 2003 luiden, het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 12 november 2003 in zaak nr. AWB 03/57932 VRONTN;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom
Voorzitter
w.g. Van de Kolk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004
347.