Uitspraak 200102145/1


Volledige tekst

200102145/1.
Datum uitspraak: 29 juni 2001

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 april 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 april 2001, verzonden op 26 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2001, waar appellant in persoon, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door A.E.J.I. Kuhlmann, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de Staatssecretaris betoogd dat de Afdeling onbevoegd is van het beroep kennis te nemen, aangezien de grieven uitsluitend zijn gericht tegen onderdelen van de aangevallen uitspraak die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de staandehouding, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en daartegen ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, geen hoger beroep openstaat, nu artikel 50 is opgenomen in hoofstuk 4.

2.1.1. De Afdeling volgt de Staatssecretaris niet in dit betoog. Het hoger beroep richt zich tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit tot inbewaringstelling, als bedoeld in artikel 94, derde lid, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000 is de Afdeling bevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.2. Voor zover de Staatssecretaris tevens heeft beoogd te betogen dat het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de staandehouding in hoger beroep niet ter toets van de Afdeling staat, zodat zij in elk geval van de juistheid daarvan moet uitgaan, wordt het volgende overwogen.

2.2.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 toetst de rechtbank een besluit tot vrijheidsontneming, als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59. Zij doet uitspraak op de in artikel 94, derde lid, voorgeschreven wijze.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat tegen de uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

Op dit hoger beroep is ingevolge artikel 95, tweede lid, afdeling 4 van toepassing, met uitzondering van de artikelen 84 en 86.

Ingevolge het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 staat, in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van artikel 6, eerste lid, hoofdstuk 4 of hoofdstuk 5 geen hoger beroep open.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, dat is opgenomen in hoofdstuk 4 van die wet, kan een ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staandehouden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.2.2. De in voormeld artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid is, blijkens de gronden waarop ze kan worden uitgeoefend, toegekend ter bestrijding van illegaal verblijf en strekt in verband daarmee tot vaststelling van onder meer de verblijfsrechtelijke status van de betrokken vreemdeling.

Het stelsel van de wet, neergelegd in de artikelen 50, 59, 62 en 63, brengt mee dat, indien bij de staandehouding, dan wel bij een daarop volgende ophouding, blijkt van illegaal verblijf, de betrokken vreemdeling zal worden uitgezet en met het oog daarop in bewaring kan worden gesteld.

In de gevallen waarin op staandehouding zonder feitelijke onderbreking ophouding en/of bewaring volgt, vormt de staandehouding het begin van een reeks beslissingen, erop gericht de vreemdeling, ten aanzien van wie gebleken is dat hij illegaal hier te lande verblijft, onder de macht van de tot uitzetting bevoegde autoriteiten te brengen en te houden. Daarbij wordt een opvolgende beslissing steeds mede gebaseerd op de gegevens die zijn vergaard bij of op basis van een voorafgaande beslissing en is - niet in de laatste plaats wat betreft het verhoor van de vreemdeling - ook in procedureel opzicht niet steeds een scherpe scheidslijn te trekken tussen de toepassing van de artikelen 50 en 59 van de Vw 2000.

Tijdens de parlementaire behandeling is zijdens de regering desgevraagd opgemerkt dat bij de beoordeling in rechte van de inbewaringstelling het hele voortraject wordt betrokken (TK 1999-2000, 26732, nr. 11).

2.2.3. Anders dan de Staatssecretaris heeft betoogd, kan de staandehouding dan ook niet op één lijn worden gesteld met een aanwijzing, als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Vw 2000, waarover de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 29 mei 2001 in de zaak nr. 200101984/1, die in afschrift wordt aangehecht. Die bepaling schept bevoegdheid tot het opleggen van een maatregel in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning. Deze bevoegdheid dient derhalve de doelmatigheid van die besluitvorming en is naar haar aard en doel niet direct gericht op de aanwending van de bevoegdheden tot inbewaringstelling en uitzetting.

2.2.4. Bij voormeld artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000 is hoger beroep opengesteld tegen de uitspraak van de rechtbank over een besluit tot vrijheidsontneming, waaronder bewaring, als bedoeld in artikel 59 van de wet. Deze bepaling is bij amendement in de wet ingevoegd (TK 1999-2000, 26732, nr. 30), kennelijk teneinde de rechtsbescherming in geval van vrijheidsontneming te vergroten en de rechtseenheid te bevorderen (TK 1999-2000, 26732, nr. 5, p. 47-48, 129). Nu de bewoordingen van artikel 95 niet zonder meer duidelijk zijn, moet bij de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling te raden worden gegaan. Daaruit kan worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om onderdelen van de beoordeling door de rechtbank van de rechtmatigheid van de bewaring aan de toetsing door de appèlrechter te onttrekken.

2.3. Appellant heeft met de grieven III en IV betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, opleveren, ontbreken.

2.3.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 8 e.v.) behelst het criterium voor staandehouding van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, een zekere verruiming in vergelijking met het criterium van artikel 19, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, dat voor staandehouding "concrete aanwijzingen over illegaal verblijf" vereiste. De wetgever heeft hiermee bedoeld een meer actief vreemdelingentoezicht mogelijk te maken. Met de zinsnede "op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten" in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, is beoogd om evenwel ook onder de Vw 2000 voldoende waarborgen te bieden voor een non-discriminatoir gebuik van deze toezichtsbevoegdheid.

2.3.2. Uit de stukken, waaronder het proces-verbaal van de staandehouding, is het volgende gebleken. Appellant is op 10 april 2001 als bestuurder van een bromfiets betrokken geweest bij een aanrijding. Aan de naar deze aanrijding gezonden politieambtenaren heeft hij vrijwillig zijn persoonsgegevens opgegeven. Gevraagd naar zijn rijbewijs of bromfietscertificaat en zijn verzekeringsbewijs, heeft appellant slechts laatstvermeld document overhandigd onder de mededeling dat hij ook een rijbewijs had. Aansluitend is appellant, evenzeer vrijwillig, meegegaan naar het politiebureau, teneinde de ontbrekende documenten daar naar toe te laten brengen. Toen daar bleek dat appellant daaraan niet kon voldoen, is om die reden proces-verbaal opgemaakt van een gedraging, als bedoeld in K130 van de bijlage bij de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften. In het kader hiervan is de verblijfsstatus van appellant in het Vreemdelingen Administratie Systeem (hierna: het VAS) onderzocht en is daarbij gebleken dat hij niet, dan wel niet meer, rechtmatig in Nederland verblijft.

2.3.3. Aannemelijk is dat, zoals de Staatssecretaris onder verwijzing naar paragraaf A3.2.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 onweersproken heeft gesteld, de controle in het VAS steeds plaats vindt, indien de politie bij de uitoefening van haar taken de persoonsgegevens van een burger verifieert en daaruit blijkt dat het om een vreemdeling, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van de Vw 2000, gaat. Van een discriminatoir onderzoek van het VAS is dan ook geen sprake geweest. Uit de uit het VAS verkregen informatie bleek dat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef, hetgeen een redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, oplevert.

2.3.4. De conclusie is dat voormelde grieven niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.4. Het hoger beroepschrift stelt in de overige grieven geen rechtsvragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Hetgeen daarin is aangevoerd kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 worden volstaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, zij het met enige verbetering van de gronden waarop die rust.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van de ambtenaar van Staat

w.g. Loeb w.g. mr. R.W. Mackenzie
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2001

273-365.