Uitspraak 202004769/1/A3 en 202004769/2/A3


Volledige tekst

202004769/1/A3 en 202004769/2/A3.
Datum uitspraak: 28 oktober 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 30 juni 2020 in zaken nrs. 20/3201 en 20/2032 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2020 heeft het college een aanvraag van [appellante] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 30 juni 2020 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 oktober 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. D.G. Peters, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.G. van den Boorn, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Achtergrond en aanvraag

2.    [appellante] is gehuwd geweest met [persoon]. Zij hebben samen een dochter. Zij was vier jaar oud toen het college het besluit op het bezwaar nam. De echtscheiding tussen [appellante] en [persoon] is op [datum] 2020 uitgesproken door de rechtbank Amsterdam. Bij beschikking van 26 februari 2020 heeft de rechtbank Amsterdam een co-ouderschapsregeling bepaald, waarbij beide ouders een gelijkwaardige rol vervullen. In die beschikking heeft de rechtbank Amsterdam ook overwogen dat [appellante] geen toestemming krijgt om met de dochter naar Japan te verhuizen. De dochter verblijft een deel van de week bij [appellante], en een vergelijkbaar deel van de week bij [persoon]. Vanaf september 2019 tot en met augustus 2020 huurde [appellante] een woning in Amsterdam. Hiervoor betaalde zij een huur van € 1.750,00. Hiervoor heeft zij geld geleend van haar familie, die in Japan woont.

3.    Aan haar aanvraag om een urgentieverklaring heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij in de regio Amsterdam moet blijven wonen om de co-ouderschapsregeling te kunnen naleven. Zij is echter niet in staat om de huur van een woning in de vrije sector te betalen.

Standpunt van het college

4.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het geval van [appellante] geen urgent huisvestingsprobleem is als bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. De belangrijkste reden hiervoor is dat [persoon], waarmee zij het co-ouderschap uitoefent, over een woning beschikt waar de dochter onderdak heeft. In paragraaf 3 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 staat dat het college in zo'n situatie geen urgent huisvestingsprobleem aanneemt. Daarnaast beschikt [appellante] over een tijdelijke huurovereenkomst. Volgens het college is de hardheidsclausule ook niet van toepassing. [appellante] kan immers onzelfstandige woonruimte zoeken, of woonruimte zoeken in een regio waar er minder schaarste is. De afwijzing van de aanvraag komt verder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM of artikel 16 van het IVRK, aldus het college.

Oordeel rechtbank

5.    De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen urgent huisvestingsprobleem is. De belangen van de dochter zijn daarvoor niet bepalend. Haar vader heeft namelijk een woning in Amsterdam en zij kan daar verblijven na 1 september 2020. Aangezien er geen urgent woonhuisvestingsprobleem is, was het college op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 verplicht om de aanvraag af te wijzen, tenzij de hardheidsclausule uit artikel 2.6.11 van die verordening op haar van toepassing is. Dit laatste is niet het geval. Dat zij niet naar Japan mag verhuizen, heeft het college hiervoor onvoldoende kunnen vinden. Ook de omstandigheid dat zij volgens het wijkteam 'Samen Doen' een vaste woonplek nodig heeft om de dochter een veilige en stabiele plek te kunnen bieden, heeft het college onvoldoende kunnen vinden voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. [appellante] kan deze stabiliteit namelijk ook bereiken door onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam te huren. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen urgent huisvestingsprobleem is. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten onrechte ten grondslag gelegd dat de dochter na 1 september 2020 bij [persoon] kan verblijven. De in de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 opgenomen regel, dat er geen urgent huisvestingsprobleem is als na een scheiding sprake is van co-ouderschap en het kind bij één van beide ouders onderdak heeft, is onredelijk. Die regel strookt namelijk niet met de co-ouderschapsregeling, waarin is bepaald dat de dochter de helft van de tijd bij [appellante] verblijft. [appellante] heeft op grond van artikel 1:274 van het Burgerlijk Wetboek ook de plicht en het recht om haar dochter op te voeden. 'Samen Doen' heeft bovendien aangegeven dat het in het belang van de dochter is dat zij zowel bij haar moeder als haar vader een veilige plek heeft. De dochter heeft haar moeder juist in het bijzonder nodig, omdat zij vrijwel alleen Japans spreekt.

6.1.    Ter zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat de sociale woningvoorraad in Amsterdam zeer beperkt is. Het aantal woningzoekenden is daarentegen omvangrijk, zodat die personen lang moeten wachten op een beschikbare woning. Een urgentieverklaring wordt om die reden alleen onder zeer strikte omstandigheden verleend. Het verstrekken van urgentie is daarom alleen bedoeld voor een noodsituatie op woongebied. Het gaat daarbij met name om gezinnen met kinderen die door overmacht dakloos zijn of dreigen te worden en om woningzoekenden met ernstige medische problemen. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3424, overwogen dat het restrictieve beleid niet onredelijk is. Dit laatste geldt ook voor de van dat beleid deel uitmakende regel dat er geen urgent huisvestingsprobleem is als na een scheiding sprake is van co-ouderschap en het kind bij één van beide ouders onderdak heeft.

[appellante] erkent dat [persoon] beschikt over een woning waar de dochter onderdak heeft. Het college heeft zich dan ook, met toepassing van de hiervoor besproken regel, terecht op het standpunt  gesteld dat er geen urgent huisvestingsprobleem is.

Het betoog faalt.

6.2.    Hieruit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat het college op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 verplicht was om de aanvraag van [appellante] af te wijzen, tenzij de hardheidsclausule uit artikel 2.6.11 van die verordening op haar van toepassing is.

7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hardheidsclausule niet op haar van toepassing is. De rechtbank heeft hieraan ten onrechte ten grondslag gelegd dat zij onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam zou kunnen huren. Dergelijke woonruimte is niet beschikbaar. Bovendien is het huren van een woning buiten Amsterdam geen reële optie, omdat [persoon] niet wil dat de dochter van school wisselt.

7.1.    In de toelichting op haar aanvraag om afgifte van een urgentieverklaring heeft [appellante] te kennen gegeven dat zij in 2019 een aantal maanden onzelfstandige woonruimte in Amsterdam en Zwanenburg heeft gehuurd. Daarnaast heeft zij vanaf september 2019 tot augustus 2020, weliswaar met geleend geld van haar familieleden in Japan, zelfstandige woonruimte gehuurd in Amsterdam. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam te huren. Dat dit oordeel juist is, wordt bevestigd door het feit dat [appellante] per 1 september 2020 tijdelijk woonruimte huurt in Amsterdam, waarvoor zij € 1.025,00 huur per maand betaalt. Uit de e-mail van [persoon] van 7 oktober 2019 blijkt verder niet dat hij niet bereid is om toestemming te geven om te wisselen van school indien de woonsituatie van [appellante] dat noodzakelijk maakt.

Het betoog faalt.

8.    [appellante] betoogt dat de afwijzing van haar aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM en de artikelen 3, 5, 9 en 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK).

8.1.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:5) volgt uit rechtspraak van het EHRM dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert (zie Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 18 januari 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895, paragraaf 99). Zoals de Afdeling verder eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2112, rechtsoverweging 6.2), heeft artikel 8 van het EVRM als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieverklaring te weigeren een 'fair balance' is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellante] bij het verkrijgen van een urgentieverklaring. Voor dit oordeel is allereerst van belang dat de sociale woningvoorraad in Amsterdam zeer beperkt is. Verder is van belang dat de dochter onderdak heeft bij [persoon], en dat [appellante] beschikte over een tijdelijke huurovereenkomst. Daarnaast is van belang dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam te huren.

8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3831) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de dochter. Het college heeft haar belangen uitdrukkelijk bij zijn beoordeling betrokken, en toegelicht waarom die er in dit geval niet toe verplichten om de urgentieverklaring te verlenen. Van de door [appellante] gestelde strijd met artikel 3 van het IVRK is daarom geen sprake.

8.3.    Nog daargelaten of de artikelen 5, 9 en 16 van het IVRK zich lenen voor rechtstreekse toepassing, strekken deze bepalingen niet zo ver dat hieruit de verplichting voor het college volgt om een urgentieverklaring aan [appellante] te verlenen. Daarbij acht de Afdeling het van belang dat [appellante], zoals hiervoor onder 7.1 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam te huren waar zij met haar dochter kan wonen en waar zij voor haar kan zorgen.

Het betoog faalt.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2020

753.