Uitspraak 200904503/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 22 december 2010
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Zeeland
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Zeeland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2010:BO8297

200904503/1/R2.
Datum uitspraak: 22 december 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging van Bewoners van het Goese Meer, gevestigd te Goes (hierna: de Vereniging),
2. Buurtschap Havenzicht 98-104 en anderen, wonend te Goes,
3. [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] te [woonplaats],
4. [appellante sub 4A], [appellante sub 4B] en Logus Vlissingen B.V., alle gevestigd te Goes (hierna: [appellant sub 4] en andere),
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsmaatschappij het Goese Meer B.V. (hierna: de Ontwikkelingsmaatschappij), gevestigd te Goes en [appellant sub 5A], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2009, kenmerk 09018958/92/15, (hierna: het goedkeuringsbesluit) heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Goes (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Goese Schans".

Bij besluit van 12 mei 2009, kenmerk 09018961/92/13, (hierna: het stap 3-besluit) heeft het college besloten over de goedkeuring van het krachtens de Interimwet stad- en milieubenadering genomen besluit van de raad van 18 september 2008.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Interimwet stad- en milieubenadering (hierna: de Interimwet) worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht voormelde besluiten als één besluit aangemerkt.

Tegen deze besluiten hebben de Vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2009, het Buurtschap en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2009, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, [appellant sub 4] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, en de Ontwikkelingsmaatschappij en [appellant sub 5A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft op verzoek van de Afdeling de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Goes en de ontwikkelaars, uitvoeringsovereenkomsten van de samenwerkingsovereenkomst, de grondexploitatieopzet en taxaties van gronden en opstallen in het plangebied overgelegd. De raad heeft voor deze stukken verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij beslissing van 26 april 2010 heeft een geheimhoudingskamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding ingewilligd. De betrokken partijen is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden informatie uitspraak te doen.

De Vereniging, het Buurtschap en anderen, [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en andere, de Ontwikkelingsmaatschappij en [appellant sub 5A], het college en de commanditaire vennootschap Grondexploitatiemaatschappij Goese Schans C.V. hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
De Vereniging, het Buurtschap en anderen, [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en andere, de Ontwikkelingsmaatschappij en [appellant sub 5A], het college en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Vereniging, het Buurtschap en anderen, [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en andere, de Ontwikkelingsmaatschappij en [appellant sub 5A], het college, de raad en de commanditaire vennootschap Grondexploitatiemaatschappij Goese Schans C.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2010, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door B. Kemps, het Buurtschap en anderen, vertegenwoordigd door S.M. Hartman en L.C. Wondergem-Pieper, [appellanten sub 3], bij monde van [appellant sub 3B], [appellant sub 4] en andere, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf en mr. R.Th.J. van 't Zelfde, beiden advocaat te Breda, bijgestaan door ir. W. Schoonderbeek en A.H.T. Vereecke, de Ontwikkelingsmaatschappij en [appellant sub 5A], vertegenwoordigd door mr. dr. H.J. Hoegen Dijkhof, advocaat te Amsterdam, vergezeld van [appellant sub 5A] en bijgestaan door R. Smits, B. Visser en L.W. Verhoef alsmede het college, vertegenwoordigd door mr. J.R.F. de Keijzer, ing. A. Scherbeijn, S. Douma en E.A. Dekker, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. J.M. van Koeveringe-Dekker, advocaat te Middelburg, bijgestaan door ing. H.B. Veerman, J. Poortvliet-de Jonge, E.J.F. de Boer, L.P. Sturrus, werkzaam bij de gemeente, en de commanditaire vennootschap Grondexploitatiemaatschappij Goese Schans C.V., vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, bijgestaan door N. van Nuland en A. de Waard, als partijen gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

[appellant sub 3B]

2.1.1. [appellant sub 3B] heeft geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht tegen het ontwerpplan.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna; de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Weliswaar is door de raad het bestemmingsplan in afwijking van het ontwerpplan vastgesteld, maar uit de strekking van artikel 27 van de WRO vloeit voort dat [appellant sub 3B] slechts ontvankelijk is voor zover hij door de vaststelling van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan. Dit is niet het geval. Het beroep voor zover ingediend door [appellant sub 3B] is dan ook niet-ontvankelijk.

[appellante sub 3A] heeft wel een zienswijze bij de raad naar voren gebracht. Het beroep voor zover door haar ingediend is ontvankelijk.

De Ontwikkelingsmaatschappij en [appellant sub 5A]

2.2. [appellant sub 5A] heeft namens de vereffenaar (de besloten vennootschap Holding Geinhuis BV) van de Ontwikkelingsmaatschappij in liquidatie een zienswijze ingediend. Blijkens de registratie van het handelsregister was de Ontwikkelingsmaatschappij ten tijde van het indienen van de zienswijze ontbonden. Ten tijde van het indienen van de zienswijze was de vereffenaar ook ontbonden. De vereffening is later heropend, maar dit zag uitsluitend op het te gelde maken van de activa en het aflossen van de schulden van de rechtspersoon.

2.2.1. Gelet hierop is de Afdeling met het college van oordeel dat de Ontwikkelingsmaatschappij niet kan worden geacht een zienswijze te hebben ingediend. Het beroep voor zover ingediend door de Ontwikkelingsmaatschappij is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. Anders dan het college is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 5A] moet worden geacht tevens op eigen titel een zienswijze te hebben ingediend. Er bestaat dan ook geen grond om het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 5A], niet-ontvankelijk te verklaren.

De Vereniging

2.4. Het college stelt dat het beroep dat is ingesteld door de Vereniging niet-ontvankelijk is. Daartoe voert het aan dat de voor het instellen van het beroep vereiste toestemming van de algemene ledenvergadering ontbreekt.

2.4.1. Ingevolge artikel 8, zesde lid, van de statuten van de Vereniging is tenminste 3/4 van de uitgebrachte stemmen vereist in de algemene ledenvergadering waar tenminste 2/3 van de leden vertegenwoordigd of tegenwoordig is. Wanneer het vereiste van tenminste 2/3 van de vertegenwoordigde of tegenwoordige leden niet is gehaald wordt binnen vier weken een tweede vergadering bijeen geroepen en gehouden waarin opnieuw moet worden gestemd. In deze tweede vergadering kan over het voorstel, zoals dat in de vorige vergadering aan de orde is geweest, worden besloten, ongeacht het aantal tegenwoordige of vertegenwoordigde leden. Wel blijft de eis van een meerderheid van 3/4 van de uitgebrachte stemmen van kracht.

2.4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat is opgeroepen voor twee ledenvergaderingen, te houden op 6 maart 2008. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de eerste vergadering te weinig leden aanwezig waren om te kunnen voldoen aan het bepaalde in artikel 8, zesde lid, van de statuten. De vergadering is vervolgens gesloten en na een korte pauze is de tweede vergadering gestart. In de tweede vergadering kon wel worden voldaan aan het bepaalde in artikel 8, zesde lid, van de statuten. Anders dan het college heeft gesteld konden in de tweede ledenvergadering derhalve wel rechtsgeldige besluiten worden genomen en is sprake geweest van een rechtsgeldige machtiging van de leden aan het bestuur voor het instellen van beroep. Een meerderheid van 3/4 heeft toestemming verleend voor het instellen van beroep.

2.4.3. Er bestaat dan ook geen grond om het beroep dat is ingesteld door de Vereniging niet-ontvankelijk te verklaren.

Beroep van [appellant sub 4] en andere tegen onthouding goedkeuring

2.5. Het beroep van [appellant sub 4] en andere richt zich tegen het goedkeuringsbesluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Wonen-uit te werken" voor zover het het perceel van [appellant sub 4] en andere betreft. [appellant sub 4] en andere betogen dat de motivering die aan de onthouding van de goedkeuring ten grondslag is gelegd te beperkt is.

2.5.1. Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 4] en andere zijn gericht is in zoverre aan hun beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf, maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting van de raad het besluit van het college in acht te nemen bij het naderhand op te stellen artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Aangezien het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt na 30 juni 2008, zal voor de planonderdelen waaraan goedkeuring is onthouden een bestemmingsplan op grond van de Wro moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO tot stand gekomen bestemmingsplan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 4] en andere aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

Het beroep van [appellant sub 4] en andere is in zoverre

niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.6. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het bestemmingsplan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.7. Op grond van artikel 13 van de Interimwet behoeft een krachtens de Interimwet door de raad genomen besluit goedkeuring van het college. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Interimwet kan het college goedkeuring onthouden wegens strijd met het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en met het belang van het bereiken van een optimale leefomgevingkwaliteit. Tevens kan goedkeuring onthouden worden wegens strijd met het recht.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Interimwet worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb voormelde besluiten als één besluit aangemerkt.

2.7.1. Het bestemmingsplan voorziet in de transformatie van het havenindustriegebied van Goes naar hoofdzakelijk woonwijk.

Beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het stap 3-besluit

2.8. [appellant sub 4] en andere betogen dat het college in het stap 3-besluit ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008, omdat niet wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de Interimwet. Zij voeren daartoe aan dat geen sprake is van een gebiedsgericht revitaliseringproject, waarbij sprake is van kleinschalige industriële of ambachtelijke activiteiten. Bovendien is er in het onderhavige geval geen functiemenging. Voor zover zonder functiemenging toepassing aan de wet zou mogen worden gegeven, gaat een beroep op deze wet niet op, omdat de wet niet bedoeld is om functiemenging te bewerkstelligen tussen milieugevoelige bestemmingen en grootschalige industriële activiteiten. Voorts betogen [appellant sub 4] en andere dat er geen invulling is gegeven aan het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van een optimale leefomgevingskwaliteit, zoals artikel 2 van de Interimwet dat voorschrijft. Het transformeren van havengebied tot woningbouw wordt in de Memorie van Toelichting bij de Interimwet bovendien niet genoemd als voorbeeld. [appellant sub 4] en andere hebben tevens aangevoerd dat het onthouden van goedkeuring aan een deel van het bestemmingsplan zou moeten leiden tot onthouding van goedkeuring aan het stap 3-besluit, omdat deze uitdrukkelijk met elkaar verbonden zijn. Anders dan het college stelt is de verwachting dat de bedrijven van [appellant sub 4] en andere binnen de planperiode zullen worden verplaatst geenszins reëel.

2.8.1. Het college heeft zich in het stap 3-besluit op het standpunt gesteld dat de raad voldoende heeft aangetoond dat er geen strijd is met het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en met het belang van een optimale leefomgevingskwaliteit, de doelstellingen uit de stad- en milieubenadering. De transformatie van het havengebied tot woningbouw wordt, aldus het college, in de Memorie van Toelichting bij de wet als voorbeeld aangehaald. Om de transformatie mogelijk te maken, zullen de komende jaren aanwezige bedrijven verplaatst worden. Door de transformatie van bedrijventerrein naar woonwijk zal de lokale milieusituatie sterk verbeteren. Vanwege de gefaseerde ontwikkeling zal er, aldus het college, gedurende een overgangsperiode sprake zijn van bedrijvigheid en woningen op korte afstand. Het college stelt zich op het standpunt dat voldoende is aangetoond dat ook gedurende deze periode in het algemeen sprake zal zijn van een goede milieukwaliteit.

2.8.2. In het van het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008 deel uitmakende voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 september 2008 is aangegeven dat het plangebied door zijn gunstige ligging tussen de woonwijken Goese Meer, Noordhoek en Goese polder en door de nabijheid van de Goese binnenstad en de locatie aan het water mogelijkheden biedt voor een woonwijk in een prettige leefomgeving. De transformatie tot een stedelijk havengebied past in het beleid van de gemeente en de provincie, waarin zoveel mogelijk wordt ingezet op woningbouw met inbreiding en herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied boven uitbreiding in het landelijk gebied. Om de transformatie mogelijk te maken zullen de komende jaren de op het terrein aanwezige bedrijven verplaatst worden naar andere locaties buiten dit bedrijventerrein. Door de transformatie van bedrijventerrein naar woonwijk zal de lokale milieusituatie, aldus de raad, sterk verbeteren. Wel dient te worden gerealiseerd dat gedurende een overgangsperiode bedrijvigheid en woningen op korte afstand van elkaar komen te liggen. Met uitzondering van geluid wordt in deze overgangsperiode aan de milieunormen voldaan. Industrielawaai overschrijdt gedurende de overgangsperiode de wettelijke grenswaarde wel en het is niet mogelijk om met technische, organisatorische of andere maatregelen binnen bestaande wet- en regelgeving optredende geluidsniveaus in voldoende mate te beperken. De raad is van mening dat de overschrijdingen de uitvoering van het bestemmingsplan niet mogen tegenhouden. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de geluidsbelastingen niet onbeperkt hoog mogen zijn, aldus de raad. Voor de raad is een geluidsbelasting tot 60 dB(A) acceptabel. Woningen, die voorzien zijn op locaties met geluidsbelastingen hoger dan deze waarde, zullen niet worden gerealiseerd.

In het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008 wordt voor de Goese Schans afgeweken van de wettelijke bepalingen:

- Voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde (artikel 44 Wet geluidhinder).

- Uiterste grenswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde (voor een deel van de woningen, artikel 59 Wet geluidhinder).

- Afgeweken wordt van de procedure tot vaststelling van hogere grenswaarden industrielawaai.

Op basis van artikel 2, sub a, van de Interimwet gelden voor onbepaalde tijd de volgende vervangende bepalingen:

- Fase 3; Ketelhaven, circa 37 woningen en 1 school tussen de 55 en 60 dB(A).

- Fase 4; Noordelijk deel eiland, circa 17 woningen en circa 15 appartementen tussen de 55 en 60 dB(A).

- Fase 6, Westerschans Zuid II, circa 13 woningen tussen de 55 en 60 dB(A).

2.8.3. In paragraaf 4.12 van de plantoelichting is uitvoerig ingegaan op de gevoerde stad- en milieuprocedure. Voor de situatie waarbij woningbouw gerealiseerd wordt, terwijl nog niet alle nabijgelegen bedrijven uit het plangebied verdwenen zijn, kunnen op lokaal niveau zich situaties voordoen waarbij niet aan de wettelijke geldende milieunormen voldaan kan worden. Voor de bedrijven van [appellant sub 4] en andere is niet met zekerheid te stellen dat verplaatsing naar een nieuwe locatie kan plaatsvinden. Hier is een overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor industrielawaai geconstateerd. Er is gekozen om voor deze overschrijdingen aan te sluiten bij de stad- en milieubenadering. Deze bestaat uit drie stappen. Op basis van stap 1, integreren van ruimtelijke ordening en milieu en het treffen van bronmaatregelen en stap 2, toepassen van bestaande wet- en regelgeving, moet worden geconstateerd dat vanuit een integrale benadering een stap 3-besluit voor de periode waarin industrie en woningbouw naast elkaar plaatsvinden noodzakelijk is. Ter compensatie voor de optredende geluidsbelasting zullen compenserende maatregelen worden uitgevoerd om de leefomgevingskwaliteit verder te verbeteren (geluidsarm asfalt, geluidluwe buitenruimte op blokniveau, lagere EPC norm).
Volgens de plantoelichting vindt er een continue inspanning plaats om bedrijven zo snel mogelijk te verplaatsen. Het streven en de verwachting is dat een van de volgende situaties aan de orde zal zijn:

- de bedrijven zijn verplaatst voordat het nabijgelegen gebied is bewoond, de stad en milieubenadering is uiteindelijk niet nodig geweest, er zijn geen hogere geluidswaarden als gevolg van het industrielawaai in het bestemmingsplangebied;

- de bedrijven worden een aantal jaar nadat het nabijgelegen gebied wordt bewoond verplaatst, de situatie waarbij in een gebied met hogere waarde wordt gewoond is van tijdelijke aard.

2.8.4. Ingevolge artikel 2 van de Interimwet, zoals die gold ten tijde van het nemen van het stap 3-besluit, kan de gemeenteraad ten behoeve van het vestigen van milieugevoelige bestemmingen en van het vestigen of verplaatsen van kleinschalige bedrijvigheid bij functiemenging van wonen en werken, ten aanzien van een door hem aangewezen projectgebied in het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van optimale leefomgevingkwaliteit, besluiten:

a. tot afwijking van een milieukwaliteitsnorm met betrekking tot bodem, geluid en lucht, en b. tot afwijking van de waarden en afstanden, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij.

2.8.5. In paragraaf 5.2 van de Memorie van Toelichting inzake de Interimwet (Kamerstukken II 2004/2005, 29 871, nr. 3, p. 9 tot en met 12) is vermeld dat de Stad & Milieubenadering is ontstaan om een oplossing te bieden voor situaties waarbij de gewenste menging van functies in de praktijk moeilijk of niet te realiseren blijkt te zijn. Een integrale aanpak, zoals in het Stad & Milieukader uitgewerkt, biedt dan perspectief. De Interimwet beoogt afwijking van milieukwaliteitsnormen met betrekking tot bodem, geluid en lucht en van wettelijke bepalingen met betrekking tot stank mogelijk te maken ten behoeve van het vestigen van milieugevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen. Dat betekent dat woningen kunnen worden gebouwd op locaties waar dat volgens de milieuwetgeving eigenlijk niet is toegestaan.

Dat laat onverlet dat een krachtens de Interimwet genomen besluit wenselijk kan zijn teneinde meer ruimte te bieden voor bedrijvigheid in relatie tot bestaande of nieuwe woningen, gericht op functiemenging. Te denken valt aan herstructurering van wijken, waar het toevoegen of uitbreiden van kleinschalige bedrijvigheid een bijdrage kan leveren aan een optimale leefomgevingskwaliteit.

De afwijkingsmogelijkheid wordt blijkens de Memorie van Toelichting ook geboden voor het vestigen of verplaatsen van kleinschalige bedrijvigheid.

Uitgangspunt daarbij blijft uiteraard dat zo mogelijk maatregelen aan de bron worden genomen, hetgeen tot uitdrukking komt in de eerste stap van de Stad & Milieubenadering.

2.8.6. In paragraaf 5.3 van de Memorie van Toelichting inzake de Interimwet (Kamerstukken II 2004/2005, 29 871, nr. 3, p. 13) is aangegeven dat optimale leefomgevingskwaliteit nadrukkelijk ziet op meer dan alleen milieukwaliteit. Wat in een specifieke situatie moet worden verstaan onder optimale leefomgevingskwaliteit is niet in zijn algemeenheid aan te geven. De gemeenteraad zal in samenspraak met de belanghebbenden (bewoners, bedrijven, etc.) tot het oordeel moeten komen wat optimaal is in relatie tot het projectgebied waarvoor een krachtens de Interimwet genomen besluit wordt overwogen. Het is dus zaak dat de gemeenteraad niet te snel tot het oordeel komt dat een krachtens de Interimwet genomen besluit gerechtvaardigd is. De afwijking kan ook resulteren in intensievere benutting van bestaand stedelijk/bebouwd gebied. Voor het stedelijk gebied gaat het dan bijvoorbeeld om inbreiding, herstructurering, of stationslocaties of transformatie van haven- of industriegebieden gekoppeld aan functiemenging. Niet zelden gaat het daarbij om gebieden die er niet florissant voor staan. In dergelijke gebieden kan een nieuwe ontwikkeling (functiemenging of verandering) een positieve impuls geven en kan door zuinig en doelmatig ruimtegebruik de leefomgevingskwaliteit verhoogd worden. Daarbij is het wel van belang dat gemeenten oog houden voor toekomstige ontwikkeling van bijvoorbeeld infrastructuur of bedrijven, aldus de Memorie van Toelichting.

2.8.7. De Afdeling overweegt dat in artikel 2 van de Interimwet twee situaties worden beschreven waarbij ten aanzien van een door de gemeenteraad aangewezen projectgebied in het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van optimale leefomgevingskwaliteit kan worden afgeweken van een milieukwaliteitsnorm met betrekking tot bodem, geluid en lucht:

1. het vestigen van milieugevoelige bestemmingen;

2. het vestigen of verplaatsen van kleinschalige bedrijvigheid bij functiemenging van wonen en werken.

2.8.8. De bedrijven van [appellant sub 4] en andere betreffen een betonwarenfabriek en betoncentrale.

2.8.9. Met het bestemmingsplan is beoogd dat uiteindelijk het gehele havengebied zal worden getransformeerd tot woongebied. Het realiseren van woningen betekent dat er milieugevoelige bestemmingen worden gevestigd. Een dergelijke transformatie kan naar het oordeel van de Afdeling in beginsel onder situatie 1 zoals beschreven in artikel 2 van de Interimwet worden gebracht. Weliswaar is in de MvT geen voorbeeld opgenomen van de transformatie van havengebied tot woningbouw maar daarin zijn wel voorbeelden opgenomen waar de thans aan de orde zijnde transformatie onder kan worden gebracht. Anders dan [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd kan uit de wet en de Memorie van Toelichting niet worden afgeleid dat alleen in geval van functiemenging de Interimwet kan worden toegepast. Overigens kan uit de plantoelichting worden afgeleid dat de raad met het bestemmingsplan een zekere mate van functiemenging voor ogen heeft gehad. De raad wenst naast wonen en winkels ook kleine bedrijven.

2.8.10. Blijkens het stap 3-besluit en het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008 heeft als uitgangspunt gediend dat uitsluitend gedurende een overgangsperiode bedrijven en woningen op korte afstand van elkaar komen te liggen. De situatie waarbij in een gebied met hogere waarden wordt gewoond is aldus het stap 3-besluit van tijdelijke aard. Het college acht de verwachting reëel dat de bedrijven van [appellant sub 4] en andere binnen de planperiode zullen worden verplaatst. Mocht verplaatsing niet lukken dan zal de raad overgaan tot onteigening aldus het stap 3-besluit en het goedkeuringsbesluit.

2.8.11. Het door het college deels goedgekeurde bestemmingsplan biedt geen grondslag voor onteigening van de bedrijven van [appellant sub 4] en andere. Ten gevolge van het onthouden van goedkeuring door het college aan het plandeel met de bestemming "Wonen-uit te werken" voor zover het het perceel van [appellant sub 4] en andere betreft is de bedrijfsbestemming uit het vorige bestemmingsplan gaan herleven. Voorts kan uit de stukken en het verhandelde ter zitting worden afgeleid dat er geen zicht is op een alternatieve locatie waar de bedrijven van [appellant sub 4] en andere naar kunnen worden verplaatst en dat het vinden van een dergelijke locatie, onder meer gelet op de noodzaak van situering in de nabijheid van water, moeizaam verloopt. Voor zover de raad erop heeft gewezen dat voorbereidingen worden getroffen voor een nieuw bestemmingsplan voor het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden, overweegt de Afdeling dat de Afdeling met de mogelijke inhoud van een toekomstig plan in deze procedure geen rekening kan houden.

2.8.12. Het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde uitgangspunt dat het uitdrukkelijk gaat om een overgangsperiode is derhalve onzeker geworden ten gevolge van de onthouding van goedkeuring.

2.8.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het stap 3-besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Door het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008 niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het stap 3-besluit dient te worden vernietigd.

Beroepsgronden tegen het goedkeuringsbesluit

Ter inzage leggen plankaart

2.9. [appellante sub 3A] heeft aangevoerd dat tijdens de inzagetermijn en op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan door de raad geen plankaart beschikbaar was.

2.9.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 26 van de WRO wordt het bestemmingsplan zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

2.9.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.9.3. De raad stelt dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:11 van de Awb omdat de plankaart ter inzage heeft gelegen tijdens de inzagetermijnen en dat deze ook digitaal ter beschikking is gesteld. De raad heeft toegelicht dat er ten tijde van het vaststellen door de raad van het bestemmingsplan op 18 september 2008 geen plankaart voorhanden was van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan. Na de raadsvergadering is door het stedenbouwkundig adviesbureau Rothuizen van Doorn 't Hooft een nieuwe plankaart vervaardigd van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan, welke tijdens de ter inzage termijn ter inzage heeft gelegen.

2.9.4. [appellante sub 3A] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Gelet op deze gang van zaken heeft [appellante sub 3A] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat niet is voldaan aan artikel 3:11 van de Awb in samenhang met de artikelen 23 en 26 van de WRO. Deze beroepsgrond faalt.

Uitnodiging voor een hoorzitting

2.10. [appellante sub 3A] heeft aangevoerd dat zij ten onrechte geen uitnodiging heeft gehad voor een hoorzitting ten overstaan van de provinciale Commissie van beroep- en bezwaarschriften.

2.10.1. De WRO noch de Awb kent een verplichting tot overleg of tot het in de gelegenheid stellen tot het geven van een nadere mondelinge toelichting aan degenen die bedenkingen hebben ingebracht. Door [appellante sub 3A] zijn geen concrete omstandigheden gesteld op grond waarvan zij, om andere redenen dan een wettelijke plicht daartoe, in de gelegenheid had moeten worden gesteld een mondelinge toelichting te geven. Voorts is uit de stukken en ter zitting gebleken dat veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan dan wel het goedkeuringsbesluit in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hetgeen is betoogd omtrent de hoorzitting treft geen doel.

Twee regimes van toepassing

2.11. [appellante sub 3A] betoogt dat in het plangebied thans ten onrechte twee regimes van toepassing zijn, die van de WRO en de Wro.

2.11.1. Het overgangsrecht van de Wro bepaalt dat wanneer een ontwerp voor 1 juli 2008 ter inzage gelegd is, hierop de WRO van toepassing is. Het nemen van een voorbereidingsbesluit doet niet ter zake. Op planologische besluiten na 1 juli 2008 is de Wro van toepassing. Zo ook voor het voorbereidingsbesluit voor de kavel [appellant sub 4] van 19 juni 2009. Het is dan ook mogelijk dat er voor een plangebied verschillende regimes ter zake van de ruimtelijke ordening van toepassing zijn.

Publicaties

2.12. Het betoog van [appellante sub 3A] dat de publicaties niet voldoen aan de eisen van de WRO faalt. Niet is gebleken dat de publicaties inzake het bestemmingsplan niet in overeenstemming zijn met de WRO. Zowel het ontwerp-, het vastgestelde als het goedgekeurde bestemmingsplan zijn geplaatst in het huis-aan-huis blad en de Staatscourant.

Intrekking/wijziging vigerende bestemmingsplan

2.13. Het betoog van [appellante sub 3A] dat het bestemmingsplan is vastgesteld zonder gelijktijdige intrekking dan wel wijziging van het vigerende bestemmingsplan faalt evenzeer.

2.13.1. Op het moment dat het bestemmingsplan in werking trad, is dit in de plaats gekomen van de ter plaatse tot dan toe geldende plannen. Anders dan [appellante sub 3A] stelt is hier geen procedure inzake het intrekken van een bestemmingsplan noodzakelijk.

2.13.2. De Afdeling heeft niet kunnen vaststellen dat tijdens de besluitvorming door het college van de door [appellante sub 3A] gestelde vooringenomenheid, belangenverstrengeling en misleiding sprake is geweest en dat hierdoor het bestemmingsplan onzorgvuldig tot stand is gekomen. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

Milieueffectrapportage

2.14. Het Buurtschap en anderen, [appellant sub 4] en andere, [appellant sub 5A] en de Vereniging hebben aangevoerd dat ten onrechte is afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage (hierna: MER).

Het Buurtschap en anderen voeren aan dat het Masterplan Waterstad voorziet in een ontwikkeling van meer dan 2000 woningen. In dat verband wordt gewezen op de bouw van 600 extra woningen in deelgebied 6 bovenop de ontwikkeling van 200 woningen in de overige deelgebieden.

[appellant sub 5A] voert aan dat er voldoende bijzondere omstandigheden zijn om een MER op te stellen.

[appellant sub 4] en andere voeren aan dat een MER gezien de concrete omstandigheden en de cumulatieve effecten noodzakelijk is. Zij vinden het niet terecht dat de beoogde woningbouw op de sportvelden buiten beschouwing is gelaten. Zij stellen dat een plan-MER moet worden opgesteld vanwege de ligging ten opzichte van het natura-2000 gebied Oosterschelde.

2.14.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad op basis van de rapporten Aanmeldingsnotitie MER-beoordeling project Waterstad Goes, RDH van 20 juli 2007 (hierna: de Aanmeldingsnotitie) en het rapport Waterstad Goes nabij de Oosterschelde, voortoets in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 van bureau Waardenburg van 27 juni 2007 (hierna: het rapport van Waardenburg) terecht heeft besloten dat een MER niet verplicht is.

2.14.2. Ingevolge onderdeel C, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit) moet een MER worden uitgevoerd voor de bouw van 2000 of meer woningen buiten de bebouwde kom, of 4000 of meer woningen binnen de bebouwde kom. In kolom 4 is als aangewezen besluit onder meer genoemd de vaststelling van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WRO.

Ingevolge onderdeel D, categorie 11.1 van de bijlage bij het Besluit is de bouw van woningen m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat binnen de bebouwde kom.

2.14.3. In artikel 21 van de planvoorschriften is opgenomen dat het totaal aantal te bouwen woningen, ter plaatse van de gronden met de bestemming "Wonen II" en "Wonen-Uit te werken" niet meer mag bedragen dan 2000. Op voorschriftenkaart 3 is aangegeven uit welke deelgebieden Goese Schans bestaat. Binnen deze deelgebieden bepaalt artikel 21 van de voorschriften dat hier maximaal 2000 woningen gebouwd mogen worden. Van een groter plangebied is geen sprake. Voor zover is aangevoerd dat de nieuwbouw ter plaatse van de sportvelden ten onrechte niet is meegerekend, wijst de Afdeling erop dat in het voorliggende bestemmingsplan geen mogelijkheden zijn gecreëerd om de sportvelden te bebouwen.

Blijkens de plantoelichting bestaat wel het voornemen om na 2018 op de sportvelden woningbouw te realiseren. In het masterplan wordt in dit verband over 250 extra woningen gesproken. Ook indien deze woningen wel in aanmerking zouden worden genomen zullen de extra woningen er derhalve niet toe leiden dat de drempelwaarde van 4000 woningen wordt overschreden.

2.14.4. Gelet op het aantal woningen is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit. Derhalve diende beoordeeld te worden of een MER noodzakelijk is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een MER noodzakelijk is indien de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze gevolgen zijn afhankelijk van de omstandigheden waaronder de activiteiten worden ondernomen.

2.14.5. Ingevolge artikel 7.2 a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieu-effectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen bestemmingsplan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de passende beoordeling opgenomen in het milieu-effectrapport. Die beoordeling wordt als zodanig herkenbaar weergeven in dat rapport.

2.14.6. In de zienswijzennota is vermeld dat een afweging is gemaakt op basis van de Aanmeldingsnotitie en het rapport van Waardenburg. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van deze onderzoeken niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot nadelige milieugevolgen. Volgens de raad zal blijkens de voornoemde rapporten de omvorming van havenindustrieterrein naar woningbouw milieuwinst opleveren ten aanzien van de milieuaspecten industrielawaai, bodem, water en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Gelet op de uitkomsten van de rapporten is besloten om geen MER op te stellen.

2.14.7. In de Aanmeldingsnotitie is ingegaan op de potentiële milieugevolgen van de nieuwe bestemming. Deze gevolgen zijn vergeleken met de huidige. In de Aanmeldingsnotitie is geconcludeerd dat sprake zal zijn van een verbeterde bodemsituatie. Het risico van de aanwezigheid van stoffen in de bodem als asbest zal bij een woonfunctie niet groter zijn dan bij het industrieterrein.

Met betrekking tot flora en fauna is in de Aanmeldingnotitie vermeld dat het gebied thans nauwelijks geschikt dan wel uniek is voor potentieel voorkomende soorten.

2.14.8. In het deskundigenbericht is aangegeven dat met de functieverandering van havenindustrieterrein naar woongebied niet aannemelijk is dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor de natuurwaarden.

2.14.9. Voor zover [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd dat een plan-MER verricht moet worden vanwege de mogelijke significante effecten voor het natura-2000 gebied Oosterschelde merkt de Afdeling op dat de gevolgen voor dit natura-2000 gebied zijn beschreven in het rapport van Waardenburg. Dit beschermde gebied ligt op een afstand van meer dan 2 kilometer van het plangebied. In de directe omgeving liggen geen andere natura-2000 gebieden. In het rapport van Waardenburg wordt geconcludeerd dat op geen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde een effect optreedt. Daarom wordt van het bestemmingsplan geen bijdrage verwacht aan de effectencumulatie.

2.14.10. De Afdeling is niet gebleken dat de Aanmeldingsnotitie en het rapport van Waardenburg zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de raad op die rapporten heeft kunnen afgaan en op basis van deze rapporten heeft kunnen besluiten dat een MER niet verplicht is. De betogen die betrekking hebben op de MER treffen geen doel.

Luchtkwaliteit

2.15. [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit te beperkt is, omdat het uitsluitend is gericht op stikstofdioxide en fijn stof. De conclusies over andere stoffen zijn volgens [appellant sub 4] en andere gebaseerd op aannames. Voorts betogen zij dat het luchtkwaliteitonderzoek zich ten onrechte beperkt tot de wegen en dat de fabrieken van [appellant sub 4] en andere daarin niet zijn meegenomen.

2.15.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad voldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit en op basis van de onderzoeken redelijkerwijs heeft kunnen oordelen dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

2.15.2. In het luchtkwaliteitonderzoek van de gemeente Goes van 30 juli 2008 (hierna: het luchtkwaliteitonderzoek) is geconcludeerd dat de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied voldoet aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof. In het onderzoek zijn voor de Ringbaan-West, Ringbrug, Ringbaan-Oost, Westhavendijk en Hollandkade berekeningen naar de concentraties luchtverontreinigde stoffen uitgevoerd voor 2007 en 2020. Er is gebruik gemaakt van versie 7.0 van het CAR II-programma.

2.15.3. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 4] en andere niet aannemelijk gemaakt dat de uitgevoerde berekening ondeugdelijk is en niet de conclusie heeft kunnen dragen dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
In het luchtkwaliteitonderzoek zijn de stoffen stikstofdioxide en fijn stof getoetst aan de toegestane waarden. In de tabel rekenresultaten behorende bij het luchtkwaliteitonderzoek zijn de berekende concentraties van benzeen, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzo(a)pyreen wel vermeld, maar deze stoffen zijn niet getoetst aan de toegestane waarden. In de plantoelichting is in dit verband aangegeven dat andere stoffen dan stikstofdioxide en fijn stof een beperkter invloed hebben op de luchtkwaliteit bij wegen. In de plantoelichting en door het college wordt in dit verband verwezen naar pagina 23 van de handreiking Meten en Rekenen luchtkwaliteit en naar testberekeningen die door TNO met het CAR II model zijn verricht. Omdat de achtergrondconcentraties van deze andere stoffen in Nederland niet sterk variëren wordt algemeen aangenomen dat deze grenswaarden niet worden overschreden. De Afdeling komt dit uitgangspunt niet onjuist voor.

Voor zover is betoogd dat de fabrieken van [appellant sub 4] en andere niet zijn meegenomen in de berekeningen merkt de Afdeling op dat in paragraaf 4.3.2. van het rapport van Arcadis dat ten grondslag ligt aan het stap 3-besluit is ingegaan op de luchtverontreiniging ten gevolge van de aanwezigheid van industrie en in paragraaf 4.3.3. op de gecumuleerde concentraties van zowel industrie als wegverkeer. Voor de volledige berekeningen is verwezen naar bijlage 4 bij het rapport waarin de berekeningen van industrie zijn uitgewerkt en de bijdrage van de bedrijven van [appellant sub 4] en andere aan de concentraties fijn stof en stikstofdioxide zijn opgenomen. Dit onderzoek heeft geen aanleiding gegeven om vast te stellen dat de normen voor luchtkwaliteit worden overschreden. Dit betoog faalt.

Verkeer

2.16. Het Buurtschap en anderen hebben aangevoerd dat onduidelijk is welke maatregelen worden getroffen om de verkeerstoename op de Westhavendijk te beperken en welke voorzieningen getroffen worden om te voorkomen dat daar verkeer- en parkeerproblemen ontstaan.

[appellante sub 3A] vreest dat niet alle gronden ontwikkeld worden omdat onvoldoende rekening is gehouden met de infrastructuur en de verkeersafwikkeling.

[appellant sub 4] en andere stellen dat onvoldoende is aangetoond dat de verkeersafwikkeling niet in de weg staat aan de verwezenlijking van de door het bestemmingsplan toegelaten bestemmingen.

2.16.1. Het college heeft aangegeven dat uit de rapporten die in het kader van de verkeersafwikkeling zijn opgesteld en uit de door de verkeerskundige van de gemeente uitgevoerde berekeningen inzake doorstroming van het verkeer blijkt dat door de komst van de Goese Schans er een licht verhoogde verkeersdruk zal komen op de Westhavendijk. Het college stelt zich op het standpunt dat de effecten op het verkeer voldoende beschreven zijn en acceptabel zijn.

2.16.2. In paragraaf 3.5.2 van de plantoelichting is aandacht besteed aan verkeersaspecten. De Houtkade en de Westhavendijk gaan de hoofdwegen vormen in de Goese Schans. Aan beide tracés is de bestemming "Verkeer" toegekend. Door de raad is als uitgangspunt aangegeven dat het nieuwe stadsdeel Goese Schans niet mag leiden tot verkeers- en parkeerproblemen in het gebied zelf en op de omliggende wegen. In dit kader is in beeld gebracht welke uitvoeringsmaatregelen op verkeerskundig gebied dienen te worden getroffen. Dit is onderzocht door AGV Adviseurs in mobiliteit. Dit is verder uitgewerkt door Goudappel Coffeng in het rapport Bereikbaarheid Waterstad, 2007. In dit laatste rapport wordt uitvoerig ingegaan op de verkeersafwikkeling in Goes in de eindsituatie 2020.

2.16.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de verschillende rapporten de effecten op het verkeer voldoende zijn beschreven en dat de afwikkeling van het verkeer niet zodanige problemen met zich brengt dat dit aan de ontwikkeling van het plangebied zoals voorzien in de weg staat. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de raad voornemens is om de in de rapporten voorgestelde verkeersmaatregelen te treffen en dat het bestemmingsplan de realisering van de voorgestelde maatregelen mogelijk maakt. Of deze maatregelen daadwerkelijk worden getroffen betreft de uitvoering van het bestemmingsplan en staat thans niet ter beoordeling.

Waterhuishouding

2.17. [appellant sub 4] en andere voeren aan dat de beschrijving van het watersysteem in de plantoelichting onvoldoende is. Voorts voeren zij aan dat de informatie in de plantoelichting tegenstrijdig is. Daarin wordt enerzijds geconstateerd dat het plangebied vanwege de zettingsgevoeligheid ervan minder geschikt is voor stedelijke uitbreiding. Anderzijds wordt op basis van een geotechnisch onderzoek geconcludeerd dat de geplande bebouwing niet voor bodemdaling zal zorgen. Hiervoor is echter een groot aantal maatregelen vereist zonder dat duidelijk is welke gevolgen deze hebben voor het aantal te realiseren woningen en daarmee de financiële uitvoerbaarheid.

[appellant sub 5A] betoogt dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de waterkwaliteit en naar de gevolgen van bodemdaling.

2.17.1. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting is de watertoets opgenomen. In deze paragraaf zijn de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige systemen beschreven.

2.17.2. Naar het oordeel van de Afdeling is van een gestelde tegenstrijdigheid in de plantoelichting geen sprake. Het feit dat het havengebied in de huidige situatie als zettingsgevoelig wordt aangemerkt zegt niets over de realiseerbaarheid van de nieuwe woningen, maar alleen over de voorwaarden waarmee bij de aanleg van waterafvoerende en waterkerende werken en constructies rekening moet worden gehouden. In de nieuwe situatie wordt het risico van bodemdaling beschreven in het kader van de bepaling van de mogelijkheid van het ontstaan van wateroverlast. Voor de economische uitvoerbaarheid is de watertoets van belang om te kunnen nagaan welke maatregelen nodig zijn en welke kosten hiermee gemoeid zijn.

2.17.3. In hetgeen [appellant sub 4] en andere en [appellant sub 5A] hebben betoogd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de informatie en gegevens vermeld in het bestemmingsplan en de uitgevoerde watertoets voldoende zijn voor het ten uitvoer brengen van het bestemmingsplan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de plantoelichting is aangegeven dat de toename van de verharde oppervlakte ten gevolge van de realisering van het bestemmingsplan beperkt is.

Ook in de huidige situatie is het gebied waar de woonbebouwing is voorzien immers grotendeels verhard. Uit de plantoelichting en een brief van het waterschap van 30 oktober 2007 blijkt dat de kritische opmerkingen van het waterschap door de raad vrijwel allemaal zijn gehonoreerd.

Gevolgen voor de bodem

2.18. Het Buurtschap en anderen wijzen op de risico's voor de volksgezondheid vanwege de aanwezigheid van zwaar vervuild slib in een aarden wal en de aanwezigheid van andere gevaarlijke stoffen op het industrieterrein. Volgens het Buurtschap en anderen is niet duidelijk of en hoe deze verontreinigingen zullen worden verwijderd.

[appellant sub 4] en andere voeren aan dat niet duidelijk is welke bodemsaneringsmaatregelen noodzakelijk zijn en welke kosten hieraan zijn verbonden. De gevolgen voor de financiële uitvoerbaarheid zijn daarmee onduidelijk.

De Vereniging, [appellant sub 3A] en [appellant sub 5A] betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de bodemkwaliteit.

2.18.1. Ten aanzien van de bodemaspecten heeft het college aangegeven te kunnen instemmen met de weerlegging van de bezwaren door de raad, die zich op het standpunt heeft gesteld dat de in de zienswijzen genoemde stoffen/verontreinigingen via diverse onderzoeken in beeld zijn gebracht of worden gebracht. Voor geconstateerde of te constateren verontreiniging wordt een passende sanering voorzien.

Het college heeft tevens in aanmerking genomen dat de raad om de benodigde saneringsmaatregelen en kosten die hiermee samenhangen in beeld te krijgen een risico-analyse heeft uitgevoerd. In de exploitatieopzet is een hierop gebaseerde kostenraming opgenomen. Deze raming acht het college niet onredelijk. Bovendien dient in de omgevingsvergunningsprocedure voor het bouwen te worden aangetoond dat op voor woningbouw kwalitatief geschikte grond wordt gebouwd.

2.18.2. Volgens de plantoelichting zijn de locaties geïnventariseerd waarvan bekend is dat daar sprake is van bodemverontreiniging. Uit die inventarisatie blijkt dat op de meeste locaties verkennend onderzoek is uitgevoerd, dat een aantal locaties nader is onderzocht en dat een aantal locaties is gesaneerd. Op verschillende percelen is nog geen of slechts beperkt bodemonderzoek uitgevoerd omdat die percelen nog in particulier bezit zijn. In een tabel zijn de belangrijkste verontreinigingsituaties aangegeven die bekend zijn op basis van historische informatie en uitgevoerde onderzoeken. In de toelichting wordt ook een overzicht gegeven van de wijze waarop geconstateerde (en eventueel nog te constateren) mobiele en immobiele verontreinigingen zullen worden aangepakt op basis van een op te stellen raamsaneringsplan respectievelijk bodembeheersplan. Daarnaast wordt de wijze van saneren van verontreinigde delen van de waterbodem uiteengezet, onder verwijzing naar een waterbodemonderzoek van 19 april 2007 door het adviesbureau Witteveen+Bos.

2.18.3. Voor sanering van mobiele bodemverontreiniging heeft het adviesbureau Witteveen+Bos op 12 februari 2009 het Raamsaneringsplan Bodemverontreiniging Goese Schans uitgebracht. In dit plan is de werkwijze beschreven van de voorgenomen saneringen van mobiele bodemverontreinigingen in grond en grondwater en van immobiele puntbronnen, voor zover er gevallen van ernstige bodemverontreiniging zijn. Op deze wijze is de standaardaanpak voor sanering van alle bodemverontreiniging in het gebied vastgelegd, met uitzondering van de zogenaamde diffuse verontreinigingen. Dit plan vormt de basis voor gedetailleerde bodemsaneringsplannen die zijn of nog zullen worden opgesteld voor de betreffende locaties.

2.18.4. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het bestemmingsplan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

2.18.5. In hetgeen [appellant sub 4] en andere, het Buurtschap en anderen, de Vereniging, [appellante sub 3A] en [appellant sub 5A] hebben aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het standpunt dat de bodemsaneringsoperatie zodanig extra kosten met zich brengt dat hierdoor de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in gevaar komt.

Woningbehoefte

2.19. [appellant sub 3A] heeft betoogd dat de met het bestemmingsplan beoogde wooneenheden niet voorzien in een behoefte.

Het Buurtschap en anderen hebben twijfel over de berekening van de woningbehoefte omdat in de berekening is uitgegaan van prognoses van vóór de economische crisis.

[appellant sub 5A] heeft eveneens twijfel over de noodzaak voor woningbouw en voeren aan dat de quick scan niet toereikend is om de behoefte vast te stellen.

[appellant sub 4] en andere stellen dat de woningbouwmarkt voorafgaand aan de vaststelling aan het bestemmingsplan volledig is ingestort. Zij twijfelen daarom aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, omdat de vraag naar woningen enorm is gedaald.

2.19.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het aantal woningen dat in de Goese Schans gerealiseerd wordt niet onredelijk is en dat de behoefte daaraan voldoende is aangetoond.

2.19.2. In artikel 21 van de planvoorschriften is bepaald dat het totaal aantal te bouwen woningen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Wonen II" en "Wonen-Uit te werken" niet meer mag bedragen dan 2000. Op de plankaart noch in de planvoorschriften zijn woningbouwcategorieën te onderscheiden.

2.19.3. In de plantoelichting is over het bouwprogramma vermeld dat het plangebied een geïntegreerd gebied wordt met een gemengd programma, waarbij woningbouw de boventoon voert. Het gebied zal een stedelijk karakter krijgen. Het aantal te bouwen woningen van ten hoogste 2000 zal in de planperiode van 10 jaar op de markt worden gebracht.

Over de woningbouwplanning is in de plantoelichting vermeld dat de woningvoorraad kwantitatief in evenwicht moet zijn en dat bij de kwaliteit zoveel als mogelijk rekening gehouden moet worden met de vraag van de woonconsument. In de planning tot 2017 is daar zoveel mogelijk rekening mee gehouden. Voor de Goese Schans zijn met ingang van 2010 175 woningen per jaar in de planning opgenomen.

2.19.4. De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan slechts juridische randvoorwaarden schept om het gebied te ontwikkelen. De ontwikkeling van Goese Schans past in het provinciale woningbouwbeleid waarbij gestreefd wordt naar een gematigde bevolkingsgroei en waarin wordt uitgegaan van de principes van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. Met betrekking tot de woningbehoefte zijn de uitkomsten van het nieuwste Interprovinciaal Bevolkingsmodel (IBP) voor Zeeland in aanmerking genomen. Hieruit is onder meer gebleken dat de bevolkingsomvang van Zeeland tot 2025 stabiel blijft. Pas na 2025 zal de bevolking gaan dalen. De bevolkingsontwikkeling tot 2030 laat grote regionale verschillen zien. De bevolking van de gemeente Goes zal in de periode tot 2030 groeien met circa 4000 inwoners. De groei is met name te danken aan het positief migratiesaldo. Ook het aantal huishoudens zal tot 2030 nog groeien in Zeeland. Dit komt omdat de huishoudens steeds kleiner worden. Op basis van het IBP is een prognose opgesteld die in aanmerking is genomen bij de planvorming.

2.19.5. In de zienswijzennota geeft de raad aan dat er in de eerste jaren een lage bouwproductie zal zijn. Na een aantal jaren zal de bouwproductie opgevoerd worden door het beschikbaar komen van meer gronden. Op deze manier kunnen er de komende 10 jaar circa 2000 woningen gebouwd worden.

2.19.6. Niet is gebleken dat de prognose die als uitgangspunt heeft gediend voor de woningbehoefte ondeugdelijk is. In de planning van het woonmodel is geen rekening gehouden met sterke conjuncturele schommelingen. Niet is aannemelijk dat de woningbehoefte binnen de planperiode niet aanwezig blijft ondanks de economische omstandigheden die zich in deze periode voordoen. Het bestemmingsplan stelt geen eisen aan te bouwen woningbouwcategorieën, zodat indien er een gewijzigde behoefte ontstaat daarop ingespeeld kan worden. De betogen treffen geen doel.

2.19.7. De conclusie is dat geen grond bestaat dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aantal woningen dat in de Goese Schans gerealiseerd wordt niet onredelijk is en dat de behoefte daaraan voldoende is aangetoond.

Het Goese Diep

2.20. De Vereniging en [appellante sub 3A] stellen dat aan het plandeel met de bestemming "Wonen II", voor zover dat ziet op het Goese Diep, ten onrechte goedkeuring is verleend. Door het bestemmingsplan verdwijnt ten onrechte (een deel van) het Goese Diep. Hiermee wordt het natuurgebied het Goese Diep vernietigd. Het bestaande/oorspronkelijke natuurpark dient in zijn volledigheid en inclusief de grondwal gehandhaafd te blijven. Het gebied heeft niet alleen een functie als recreatiegebied, maar eveneens als overgangszone tussen het landelijk ingerichte Goese Meer en de verstedelijkte Goese Schans. Verwezen wordt naar de kapvergunningsprocedure, op het groen beleid in het Omgevingsplan 2006-2012 van de provincie Zeeland, op de verrichte natuuronderzoeken en op het Groenstructuurplan 2003-2012 van de gemeente Goes. De rapporten van Smits Rinsma en Buiting zijn ten onrechte gepasseerd. Bovendien achten de Vereniging en [appellante sub 3A] het niet juist dat Waardenburg een tweede keer is ingeschakeld.

[appellant sub 5A] stelt dat ten onrechte natuurgebied wordt vernietigd ten gunste van woningbouw. De vernietiging van een gebied voor extensieve recreatie is volgens [appellant sub 5A] in strijd met het landelijke en provinciaal ruimtelijk beleid ten aanzien van woningbouw, natuur en cultuurhistorische waarden. Ook de provinciale Ecologische Hoofdstructuur wordt aangetast.

2.20.1. In het bestemmingsplan zijn aan de gronden van het Goese Diep de bestemmingen: "Water", Natuur", "Maatschappelijk" en "Wonen II" toegekend.

2.20.2. In de plantoelichting wordt omschreven dat het Goese Diep tezamen met het AFK terrein de meeste noordelijke scherf vormt van de Goese Schans, waar de overgang gemaakt wordt van de Goese Schans naar het villapark het Goese Meer. De scherf wordt gebruikt voor een deelgebied van het plangebied. Het grootste deel van de scherf zal gebruikt worden voor woningbouw. Tussen de Goese Schans en het villapark wordt de bestaande landtong getransformeerd in een natuurlijke groene buffer met een dubbele functie. Aan de westkant wordt recreatief (mede)gebruik voorgestaan in de vorm van een strand met ligweide, speelplekken en trapvelden aan het Goese Meer. In het centrum ligt een scoutingclub. De oostflank van de landtong krijgt een natuurvriendelijke inrichting. De parkachtige landtong wordt voorzien van bomen en dient als natuurlijke buffer tussen de ontwikkelingen aan het Goese Meer, het bestaande villapark en de toekomstige Goese Schans, aldus de plantoelichting.

2.20.3. De raad heeft in zijn besluit gemotiveerd waarom het bestemmingsplan voor de gemeente een belangrijk plan is; een verpauperd havenindustriegebied wordt getransformeerd tot een woongebied met allerlei voorzieningen grenzend aan de binnenstad met een overgangsfunctie naar andere wijken. Het Goese Diep is een van de essentiële onderdelen voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

2.20.4. De Afdeling stelt vast dat het Goese Diep noch het plangebied in zijn geheel onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur zoals die is vastgelegd in het provinciale Natuurgebiedplan Zeeland 2005. In dit provinciale plan zijn de bestaande natuurgebieden, nog te realiseren natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones vastgelegd. Voor zover is gesteld dat voorbij is gegaan aan het groenbeleid als geformuleerd in het provinciale Omgevingsplan 2006-2012 stelt de Afdeling vast dat het gebied geen deel uitmaakt van dit plan.

2.20.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 5A] zijn stelling dat het natuurgebied het Goese Diep wordt vernietigd door de ontwikkeling tot woongebied niet aannemelijk gemaakt.

2.20.6. De beroepsgronden die zich richten tegen de bomenkap dienen aan de orde te worden gesteld in de procedure die daar op ziet. Het gestelde ter zake het Groenstructuurplan houdt met name verband met de bomenkap.

2.20.7. De raad heeft twee rapporten laten opstellen door bureau Waardenburg. Het tweede rapport uit 2007 is specifiek opgesteld met het oog op de ontwikkeling van het gebied het Goese Diep. [appellant sub 5A] heeft twee rapporten laten opstellen door bureau SmitsRinsma van 21 augustus 2008 en Buiting Bosontwikkeling van 23 september 2008. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in deze laatste rapporten geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel dat de uitkomst van de belangenafweging die de raad heeft gemaakt op basis van onder meer de rapporten van Waardenburg geen stand kan houden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat weliswaar de bevindingen van de rapporten die door [appellant sub 5A] zijn ingebracht een sterk contrast vormen met de bevindingen van bureau Waardenburg, maar dat dit standpunt niet nader is onderbouwd. Vastgesteld kan worden dat de rapporten die door [appellant sub 5A] zijn ingebracht een andere invalshoek hebben dan het rapport van Waardenburg uit 2007.

Ten aanzien van het voor een tweede maal inschakelen van bureau Waardenburg, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een onderzoeksbureau gevraagd wordt in eenzelfde procedure opnieuw een rapport uit te brengen.

2.20.8. Het betoog van de Vereniging en [appellante sub 3A] dat er geen financiële noodzaak is om het plandeel "Het Goese Diep" bij de planontwikkeling te betrekken, faalt evenzeer. Deze stelling is niet onderbouwd.

2.20.9. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor het oordeel dat de uitkomst van de belangenafweging die de raad heeft gemaakt op basis van onder meer de rapporten van Waardenburg, namelijk dat de cultuurhistorische, natuurwaarden en landschappelijke waarden van het gebied minder zwaar dienen te wegen dan de belangen van de ontwikkeling (ook van het Goese Diep) tot woongebied, geen stand kan houden.

Bouwhoogte

2.21. De beroepsgronden die betrekking hebben op het peil zijn ter zitting ingetrokken.

2.22. [appellante sub 3A] komt op tegen de in het bestemmingsplan voorziene bouwhoogte van 24 tot 26,4 meter vanaf het peil. Zij betoogt dat deze hoogte niet aansluit bij de landelijke omgeving en het provinciaal beleid.

Het Buurtschap en anderen komen ook op tegen de in het bestemmingsplan voorziene bouwhoogte. Zij stellen dat flatgebouwen met een hoogte van 24 meter die op slechts 60 meter afstand tot de woningen van het buurtschap komen te liggen zullen leiden tot ingrijpend verlies van bezonning en daglichttoetreding voor de bewoners en tevens tot een aanzienlijke aantasting van hun uitzicht en privacy, dit laatste vanwege inkijk vanuit de te bouwen flatgebouwen. Daarnaast sluiten gebouwen van zulke afmetingen volgens het Buurtschap en anderen niet aan bij de bestaande bebouwing van Goes.

[appellant sub 5A] stelt dat de geplande hoogbouw niet aansluit bij de bestaande bebouwing van het Goese Meer en het karakter van dit natuur- en recreatiegebied vernietigt.

2.22.1. Ingevolge artikel 13.2.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften gelden voor het op de plankaart aangeduide gebied "Bebouwingszone A" voor hoofdgebouwen de volgende hoogtebepalingen:

1. Binnen "bebouwingszone A" mag op maximaal 50% van de betreffende gronden de hoogte van een hoofdgebouw - hellende dakvlakken meegerekend - maximaal 24 meter bedragen;

2. Binnen "bebouwingszone A" mag op maximaal 20% van de betreffende gronden de hoogte van een hoofdgebouw - hellende dakvlakken meegerekend - maximaal 21 meter bedragen;

3. Binnen "bebouwingszone A" mag op maximaal 30% van de betreffende gronden de hoogte van een hoofdgebouw - hellende dakvlakken meegerekend - maximaal 14 meter bedragen.

Ingevolge artikel 23.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen in dit plan voor het afwijken van hoogte-, breedte- en dieptematen voor bebouwing, oppervlakte en bebouwingspercentages tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten.

De in lid 23.1 genoemde vrijstellingen kunnen slechts worden verleend, mits:

- dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;

- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden aan de aangrenzende gronden en bouwwerken.

2.22.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad het belang van het kunnen realiseren van het bestemmingsplan, met de daarin voorziene transformatie van het havengebied in een woonwijk met alle daarbij beoogde functies en bouwhoogtes, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van een aantal bewoners om de hoogbouw niet te realiseren. Het college acht de toegestane bouwhoogtes niet onredelijk dan wel onacceptabel. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat op grond van het provinciaal beleid in het stedelijke gebied van Goes een bouwhoogte van 25 meter is toegestaan en dat er voor de bewoners van het buurtschap slechts een geringe kans is op aantasting van de privacy door inkijk en dat de bezonning van de woningen voor deze bewoners niet ingrijpend zal verslechteren.

2.22.3. De bestemming "Wonen II" met de aanduiding "bebouwingszone A" rust op een kleine strook op de kop van het Goese Meer en een smalle bebouwingsstrook in het Goese Diep. Ter plaatse van deze aanduiding mag voor 50% 24 meter hoog gebouwd worden, voor 30% een hoogte van 14 meter en voor 20% een hoogte van 21 meter. Deze hoogten kunnen ingevolge de planvoorschriften onder omstandigheden nog met 10% verhoogd worden.

2.22.4. Met betrekking tot de algemene vrijstellingsbepaling in artikel 23.1, onder d van de planvoorschriften kan, gelijk is aangevoerd, in delen van het vorenbeschreven plandeel een bouwhoogte van 26,40 meter mogelijk worden. Toepassing van deze vrijstellingsmogelijkheid leidt naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet tot de conclusie dat sprake is van strijd met het provinciaal beleid. Het college heeft toegelicht dat op grond van het Omgevingsplan kan worden afgeweken van de hoogtemaat van 25 meter voor het stedelijk gebied, wanneer aangetoond wordt dat de hoogte en de massa van een bouwwerk niet zullen leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten van het omliggende landschap en de stedenbouwkundige karakteristieken van de omgeving. De aan de vrijstellingsbevoegdheid gekoppelde voorwaarden en procedureregels zijn naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het provinciale beleid inzake afwijking van voorgeschreven hoogtematen.

2.22.5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 3A] wonen in de wijk Goese Meer. De kleinste afstand van de woningen tot de aanduiding "bebouwingszone A" binnen de bestemming "Wonen II" bedraagt respectievelijk ongeveer 270 meter en ongeveer 630 m. [appellant sub 5A] en [appellante sub 3A] zullen vanaf hun woonpercelen in westelijke richting weliswaar uitzicht hebben op de nieuwe woonbebouwing, maar dit uitzicht kan vanwege de afstanden en het tussenliggende groen en water niet als heel dominant worden aangemerkt. Gelet op de afstand en vanwege de afstand die het water van het Goese Meer vormt zijn er ook nauwelijks andere vormen van overlast te duchten. Blijkens de plankaart en plantoelichting wordt tussen de Goese Schans en het villapark waar [appellant sub 5A] en [appellante sub 3A] woonachtig zijn de bestaande landtong getransformeerd in een Groene Buffer. Weliswaar is de verandering van het landschappelijke karakter van het gebied ten noorden van het plangebied voor [appellant sub 5A] en [appellante sub 3A] merkbaar en is het niet uitgesloten dat er uitzichtverlies optreedt, maar naar het oordeel van de Afdeling kan, gelet op de afstand van de woningen tot de bebouwing en het gebruik van het tussenliggende gebied, niet staande worden gehouden dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het kunnen realiseren van het bestemmingsplan zwaarder heeft kunnen wegen.

2.22.6. Het buurtschap bestaat uit de woningen Westhavendijk 98 tot en met 134, waarvan de woningen 122 tot en met 130 aaneengesloten in een rij zijn gebouwd. De kleinste afstand tussen dit blok woningen en de strook met de bestemming "Wonen II" en de aanduiding "bebouwingszone A" bedraagt ongeveer 60 m.

Voorafgaand aan de planvaststelling heeft de raad onderzoek laten doen naar de effecten van de beoogde bebouwing op de bezonning- en uitzichtsituatie van de bewoners van het buurtschap. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er voor de bewoners van het buurtschap een geringe kans is op aantasting van de privacy door inkijk, dat de omvang van deze aantasting acceptabel is en dat de bezonning van de woningen voor deze bewoners niet ingrijpend zal verslechteren.

2.22.7. Het bestemmingsplan zal leiden tot uitzichtverlies van de bewoners van het buurtschap en zal het landelijke karakter van het noordelijk deel van het plangebied veranderen. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet staande worden gehouden dat het verlies van uitzicht en de verandering van het karakter van de omgeving, ook gelet op het huidige gebruik als industrieterrein met de daarbij behorende bebouwing en de stedelijke omgeving aan de andere zijde, zodanig is dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het kunnen realiseren van het bestemmingsplan zwaarder dient te wegen.

2.22.8. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de raad het belang van het kunnen realiseren van het bestemmingsplan zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van een aantal bewoners om de hoogbouw niet te realiseren.

Archeologische waarden

2.23. [appellant sub 4] en andere betogen dat ten onrechte geen nader onderzoek naar de archeologische waarden in het gebied heeft plaatsgevonden.

2.23.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad heeft voldaan aan de wettelijke vereisten, in bijzonder aan de Monumentenwet 1988. Volgens het college heeft de raad voor de vaststelling van het bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek laten uitvoeren. Vervolgens heeft de raad te kennen gegeven de hieruit voortvloeiende aanbevelingen over te nemen en vervolgonderzoek dan wel archeologische begeleiding uit te laten voeren. Daarnaast heeft de raad, aldus het college, in dit bestemmingsplan nog speelruimte om archeologische waarden in te passen, mochten die na onderzoek aanwezig blijken te zijn.

2.23.2. De raad heeft een onderzoek naar de archeologische waarden van het plangebied laten uitvoeren. Dit onderzoek is in 2007 verricht door RAAP Archeologisch Adviesbureau. De resultaten van het onderzoek zijn beschreven in het rapport "Waterstad te Goes, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek met veldtoets". In de plantoelichting worden de conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek weergegeven. In het rapport wordt aanbevolen voor bepaalde plandelen een verkennend onderzoek en een karteringsonderzoek te verrichten en om archeologische begeleiding in te schakelen.

In de zienswijzennota geeft de raad aan dat de GEM Waterstad verantwoordelijk is voor het nakomen van de eisen uit het archeologisch rapport.

2.23.3. In artikel 14 van de planvoorschriften zijn de voorschriften gegeven voor de bestemming "Wonen-Uit te werken", welke bestemming aan grote delen van het plangebied gegeven is. In artikel 15 van de planvoorschriften is de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol terrein" opgenomen. Deze dubbelbestemming ziet op een klein deel van het plangebied, te weten de Westerschans die in het noordwesten van het plangebied ligt. Voor dit gebied geldt ingevolge de aanbevelingen het advies dat behoud in situ dient plaats te vinden.

2.23.4. Voor de meeste plandelen is de archeologische verwachting blijkens de advieskaart archeologie zeer laag, laag en middelhoog. Voor deze gebieden zijn aanbevelingen opgenomen variërend van verkennend onderzoek, karterend onderzoek en archeologische begeleiding.

2.23.5. Archeologische begeleiding bij diepere ontsluitingen (graafwerkzaamheden) kan pas plaatsvinden als er ook daadwerkelijk graafwerkzaamheden uitgevoerd gaan worden, oftewel in de fase waarin het bestemmingsplan wordt uitgevoerd. Het karterend onderzoek kan tot onverwachte resultaten leiden. De raad geeft in de plantoelichting aan hierop voorbereid te zijn en dat dit kan leiden tot het nemen van maatregelen die erop gericht zijn om de situatie te behouden of tot archeologische opgravingen. Dit is mogelijk omdat de bouwlocaties nog niet tot op perceelsniveau zijn vastgelegd.

2.23.6. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de archeologische waarden niet aan de goedkeuring van het bestemmingsplan in de weg staan.

De uit te werken bestemming

2.24. [appellant sub 4] en andere stellen dat het bestemmingsplan voor de uit te werken bestemming "Wonen-Uit te werken" niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11 van de WRO omdat het bestemmingsplan geen regeling omvat omtrent de wijze waarop belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze omtrent de uitwerking naar voren te brengen. Zij voeren tevens aan dat de globale bestemmingen onvoldoende inzicht geven in de hoofdlijnen van de toekomstige inrichting. Zij stellen voorts dat de fasering van de uit te werken gebieden niet duidelijk is geregeld.

2.24.1. Het bestemmingsplan bevat weliswaar geen regeling omtrent de wijze waarop belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen, maar de Afdeling wijst er op dat de uitwerking van het bestemmingsplan dient te geschieden op grond van artikel 3.9a, eerste lid, van de Wro. De wijze waarop belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze in te brengen is geregeld in dit artikel. Derhalve behoefde het bestemmingsplan hieromtrent geen regeling te bevatten.
2.25. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan voldoende inzicht geeft omtrent de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling. In de bestemmingsomschrijving van artikel 14.1 is nadrukkelijk aangegeven wat de raad met de uit te werken gronden beoogt. In de uitwerkingsregels zijn voorschriften opgenomen omtrent de fasering, de bouwhoogte, parkeren, de verkeersontsluiting, het bedrijfsoppervlak van kantoren, horeca en detailhandelsbedrijven. In artikel 14.2, onder a, van de uitwerkingsregels is bepaald dat de uitwerking plaatsvindt per deelgebied zoals deze zijn aangewezen op voorschriftenkaart 3. Op voorschriftenkaart 3 zijn 7 deelgebieden aangewezen. In de plantoelichting is vermeld dat dit is gedaan om per deelgebied de samenhang in de uitvoering te kunnen bewaken. Anders dan [appellant sub 4] en andere stellen ziet de voorschriftenkaart 3 niet op de fasering. Over de fasering is in de plantoelichting gesteld dat het aantal te realiseren woningen binnen het exploitatiegebied van de eerste fase circa 2000 woningen betreft. Dit aantal zal de komende 10 jaren, een termijn die overeenkomt met de planperiode, op de markt worden gebracht. In figuur 8 in de plantoelichting is een planfasering opgenomen. Deze afbeelding is afkomstig uit het stedenbouwkundig plan. Het betoog omtrent de uit te werken bestemming treft geen doel.

Vrijstelling

2.26. [appellante sub 3A] betoogt dat ingevolge artikel 23.1, onder d, van de planvoorschriften ten onrechte vrijstelling kan worden verleend voor het afwijken van 10% van de maximale maten en dat toestemming is vereist van Grondexploitatiemaatschappij Goese Schans C.V.

2.26.1. Ingevolge artikel 23.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van dit bestemmingsplan voor het afwijken van hoogte-, breedte- en dieptematen voor bebouwing, oppervlakte en bebouwingspercentages tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten.

Ingevolge artikel 23.2 van de planvoorschriften winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de supervisor Goese Schans.

2.26.2. Genoemd planvoorschrift dat de mogelijkheid geeft om 10% af te wijken van de voorgeschreven maten is niet ongebruikelijk. Dat hier toestemming nodig zou zijn van Grondexploitatiemaatschappij Goese Schans C.V. is onjuist. De voorschriften bepalen dat voorafgaand advies moet worden ingewonnen bij de supervisor Goese Schans. Uit de stukken blijkt dat dit het bureau West 8 te Rotterdam betreft. Dit bureau en deze personen nemen niet deel aan genoemde Grondexploitatiemaatschappij. Het betreft overigens een adviserende taak ter bewaking van het beeldkwaliteitplan. De besluitvorming als zodanig ligt bij het college van burgemeester en wethouders.

Planschade

2.27. [appellante sub 3A] vreest voor planschade.

2.27.1. Wat betreft de gestelde te lijden schade ten gevolge van waardevermindering van de woning als gevolg van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat, als al staande kan worden gehouden dat sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor [appellante sub 3A] in een nadeliger positie komt te verkeren, er geen grond is voor het oordeel dat de waardevermindering zodanig zal zijn dat het college hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Hiervoor geldt bovendien een afzonderlijk te volgen procedure.

Flora en fauna

2.28. [appellant sub 4] en andere hebben betoogd dat onvoldoende is onderzocht of de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Zij voeren aan dat nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen nog verricht moet worden. Het rapport van Waardenburg is in de visie van [appellant sub 4] en andere onvolledig en te beperkt.

2.28.1. [appellant sub 5A] stelt dat in het plangebied de aardakker, wilde marjolein, vleermuizen, rugstreeppad, groene en bonte specht, uilen dan wel andere beschermde diersoorten voorkomen.

2.28.2. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat de Ffw geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de Goes Schans.

2.28.3. De raad stelt zich op het standpunt dat er in het plangebied geen planten en/of diersoorten zijn aangetroffen waarvoor het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Ffw noodzakelijk is zodat het bepaalde in de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. De raad heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar onderzoeken die zijn uitgevoerd door bureau Waardenburg.

2.28.4. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het bestemmingsplan had mogen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

2.28.5. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten.

2.28.6. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- overblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

2.28.7. In 2005 heeft Bureau Waardenburg een quick scan uitgevoerd naar aanleiding van de eerste plannen voor Waterstad. Hierna zijn de plannen verder uitgewerkt en is het projectgebied uitgebreid. Het gemeentebestuur heeft gelet hierop Bureau Waardenburg verzocht om de quick scan uit 2005 aan te passen aan de nieuwe planvorming. Van deze bevindingen is een rapport opgesteld dat dateert van 4 mei 2007.

In de quick scan is met betrekking tot de florasoorten aardakker en wilde marjolein vermeld dat deze soorten met name op dijken en in wegbermen voorkomen. Blijkens de scan zijn deze soorten in de regio in het verleden aangetroffen. Volgens het rapport is er een kleine kans dat in het plangebied wilde marjolein en aardakker voorkomen en dat deze tijdens veldbezoeken gemist zijn. Met name de Oude Zeedijk is potentieel een geschikte standplaats voor deze soorten. De Oude Zeedijk ligt in het gebied ten westen van het Havenkanaal, nabij het buurtschap. De Afdeling stelt vast dat op deze gronden in het voorliggende bestemmingsplan geen ontwikkelingen zijn voorzien.

Voor wat betreft de rugstreeppad is in de quick scan gesteld dat het plangebied zeker geen belangrijk leefgebied voor de soort vormt. Hoewel de rugstreeppad de meest zouttolerante soort is, zijn het havenkanaal en de havenkommen ongeschikt als voortplantingshabitat. De Afdeling leidt hieruit af dat blijkens de quick scan het plangebied in beginsel geen geschikt leefgebied is voor de rugstreeppad. Er is dan ook geen reden om op voorhand aan te nemen dat in zoverre de verbodsbepalingen in de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.

In de quick scan is met betrekking tot de verschillende soorten vleermuizen geconcludeerd dat een ontheffing op grond van de Ffw uitsluitend nodig is indien blijkt dat er op enige plek in het plangebied een verblijfplaats voor vleermuizen voorkomt. In de quick scan is een inschatting gemaakt van de potentiële geschiktheid van het plangebied. Daarbij is geconstateerd dat in sommige gebouwen zomerverblijven kunnen voorkomen. Er wordt geconcludeerd dat, indien de werkzaamheden buiten de periode plaatsvinden dat er een eventueel zomerverblijf is, de verbodsbepalingen van de Ffw in acht worden genomen. Voor wat betreft de mogelijke verblijfplaatsen in holle bomen worden een aantal locaties genoemd. Deze locaties worden niet ontwikkeld.

Tot slot wordt gewezen op de aanwezigheid van vogelsoorten groene en bonte specht en uilen. Er wordt nader onderzoek aanbevolen ten aanzien van deze soorten naar in bijzonder oude bomen om mogelijke holen van deze soorten te inventariseren. In het deskundigenbericht wordt in dit verband opgemerkt dat oude bomen niet voorkomen op de gronden met een uit te werken woondoeleindenbestemming, maar in het westelijk deel van het plangebied zoals in de quickscan is aangegeven. De gronden in dat deel van het gebied zijn overeenkomstig de huidige situatie bestemd.

2.28.8. [appellant sub 4] en andere betogen terecht dat het onderzoek naar vleermuizen in het gebied te summier is geweest. In de quick scan is een inschatting gemaakt van de potentiële geschiktheid van het plangebied voor ondermeer vleermuizen. Daarbij is vermeld dat in sommige gebouwen in het plangebied zomerverblijven kunnen voorkomen. Ter zitting is toegelicht dat de gebouwen waar mogelijk zomerverblijven kunnen voorkomen zich bevinden in het oude havengebied en dat deze gebouwen zullen worden gesloopt om realisering van woningen mogelijk te maken. Een zomerverblijfplaats is een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn, waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat zomerverblijven iedere zomer opnieuw worden gebruikt door vleermuizen. Naar het oordeel van de Afdeling had onder deze omstandigheden aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden naar het daadwerkelijk voorkomen van zomerverblijven.

2.28.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en andere en [appellant sub 5A] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het goedkeuringsbesluit voor zover dat betreft de goedgekeurde plandelen met de bestemmingen "W II" en "W-U" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Geluid

2.29. [appellant sub 4] en andere hebben bezwaren tegen de geluidzone industrielawaai zoals deze is weergegeven op voorschriftenkaart 2 behorende bij het bestemmingsplan. Zij hebben daartoe onder meer betoogd dat het aangrenzende bestemmingsplan waarin een groot deel van de geluidzone is gelegen ten onrechte niet tegelijk met dit bestemmingsplan is herzien.

2.29.1. Op voorschriftenkaart 2 behorende bij het bestemmingsplan is een geluidzone voor de betonfabriek en -centrale opgenomen. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting vanwege de betonfabriek en -centrale de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.

2.29.2. Op grond van artikel 53 van de Wet geluidhinder diende de gemeenteraad binnen 2 jaar na inwerkingtreden van dit deel van de Wet geluidhinder (1 september 1982) rond elk terrein binnen zijn gemeente met een bestemming die de mogelijkheid van vestiging van A-inrichtingen insluit, een zone vast te stellen waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein de 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Indien deze termijn ongebruikt is verlopen, diende de zone door het college te worden vastgesteld. Het college is hiertoe overgegaan.

2.29.3. Bij nader ingekomen brief van 9 augustus 2010 van [appellant sub 4] en andere is als bijlage 3 een aanvullend rapport van Schoonderbeek & Partners Advies van 8 augustus 2010 gevoegd. Bij dit rapport is een kaartje gevoegd met de oude destijds door het college vastgestelde geluidzone. In bijlage 5 van het Arcadis rapport is ook een overzicht van de oude geluidzone opgenomen.

2.29.4. Ingevolge artikel 54, gelezen in samenhang met artikel 41, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover thans van belang, kan een bestaande geluidzone uitsluitend worden gewijzigd of opgeheven bij de vaststelling, wijziging of herziening van een bestemmingsplan.

2.29.5. Door middel van dit bestemmingsplan is de bestaande geluidzone, voor zover deze in het plangebied ligt, gewijzigd. Op de plankaart is de gehele geluidzone weergegeven, waaronder tevens het deel van de geluidzone dat buiten het plangebied ligt.

2.29.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 november 2007, in de zaaknr. 200609355/1, verzet de Wet geluidhinder zich er niet tegen dat slechts de geluidzone in het bestemmingsplan wordt opgenomen voor zover deze in het plangebied ligt. In dit geval kon echter niet worden volstaan met het opnemen van de geluidzone voor zover deze in het plangebied gelegen is. Daartoe acht de Afdeling van belang dat op voorschriftenkaart 2 is te zien dat ook de geluidzone voor zover deze buiten het plangebied ligt wijziging behoeft. Deze wijziging is echter niet ten minste tegelijkertijd met de vaststelling van dit bestemmingsplan door herziening van de daar geldende bestemmingsplannen vastgesteld, waardoor buiten het plangebied nog steeds moet worden uitgegaan van de geluidzone zoals deze bij besluit van 9 augustus 1988 is vastgesteld. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het gewijzigde deel van de geluidzone dat binnen het plangebied ligt, niet meer aansluit bij de bestaande geluidzone buiten het plangebied.

2.29.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en andere in zoverre hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestemmingsplan voor zover dat betrekking heeft op de op voorschriftenkaart 2 aangegeven geluidzone in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college door het bestemmingsplan in zoverre goed te keuren heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] en andere is in zoverre gegrond, zodat het goedkeuringsbesluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan de geluidzone industrielawaai op voorschriftenkaart 2.

2.29.8. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2008, in de zaaknr. 200708763/1, herleeft door deze onthouding van goedkeuring de oude destijds vastgestelde geluidzone zodat sprake blijft van een gesloten geluidzone.

2.29.9. Nagenoeg het gehele goedgekeurde plandeel met de bestemmingen "W II" en "W-U" waar de beoogde woonwijk is voorzien ligt binnen de herleefde geluidzone. Deze zone is ruimer dan de bestaande zone omdat deze niet uitsluitend rond de betonfabriek en -centrale van [appellant sub 4] en andere is gelegen maar rond het voormalige bedrijventerrein. Gelijk het college in het goedkeuringsbesluit heeft aangegeven betekent het herleven van de oude geluidzone dat niet meer gebouwd kan worden in grote delen van het plangebied, met inbegrip van het gebied buiten de geluidzone in voorschriftenkaart 2.

2.29.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestemmingsplan voor zover dat betrekking heeft op de goedgekeurde plandelen met de bestemmingen "W II" en "W-U" is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Financiële uitvoerbaarheid

2.30. [appellant sub 4] en andere hebben betoogd dat indien hun bedrijven ter plaatse gevestigd blijven daar geen woningbouw gerealiseerd kan worden en er een gat in de begroting valt omdat hierin ook met woningen op deze locatie rekening is gehouden. Gelet hierop is de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onzeker geworden.

2.30.1. In de grondexploitatieopzet zijn onder meer de opbrengsten van de grondexploitatie in kaart gebracht. Daarbij is het totale aantal te realiseren woningen in het plangebied in aanmerking genomen. In overweging 2.8.11. is overwogen dat door de onthouding van goedkeuring door het college een situatie is ontstaan waarin onzeker is of de bedrijven van [appellant sub 4] en andere binnen de planperiode zullen verdwijnen en daarmee of op die locatie woningen kunnen worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 4] en andere terecht betoogd dat dit van invloed kan zijn op de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

2.30.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het goedkeuringsbesluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.30.3. De overige bezwaren van [appellant sub 4] en andere en de Vereniging die betrekking hebben op de financiële uitvoerbaarheid kunnen, gelet hierop, buiten bespreking blijven.

Samenhang met stap 3-besluit

2.31. [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd dat indien het stap 3-besluit voor vernietiging in aanmerking komt het goedkeuringsbesluit eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

2.31.1. De Afdeling overweegt hieromtrent het volgende. Vernietiging van het stap 3-besluit betekent dat tevens het goedkeuringsbesluit niet in stand kan blijven voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen die tot stand kunnen komen op basis van de met toepassing van het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008.

2.31.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestemmingsplan voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "W-U" en ziet op de Ketelhaven, het Noordelijk deel eiland en de Westerschans Zuid II, zoals vermeld in het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008 in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Eindconclusie

2.32. Gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 2.29.7. en 2.29.10 is de conclusie dat het college door het bestemmingsplan voor zover dat betrekking heeft op de plandelen met de bestemming "W II" en "W-U" goed te keuren heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb en dat het goedkeuringsbesluit in zoverre wegens strijd met deze artikelen dient te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 2.28.9 en 2.30.2 is de conclusie dat het goedkeuringsbesluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet gelet op hetgeen is overwogen onder de nrs. 2.29.7., 2.29.10., 2.28.9. en 2.30.2. en ook gelet op de samenhang tussen de verschillende plandelen aanleiding om aan het gehele bestemmingsplan zelfvoorziend goedkeuring te onthouden.

Gelet op de samenhang met het bestemmingsplan ziet de Afdeling tevens aanleiding om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan het krachtens de Interimwet genomen besluit van de raad van 18 september 2008.

Het beroep van [appellant sub 4] en andere is gegrond en dat van [appellant sub 5A] is gedeeltelijk gegrond.

De beroepen van de Vereniging, het Buurtschap en anderen en [appellante sub 3B] zijn geheel ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.33. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 4] en andere te worden veroordeeld. Van proceskosten van [appellant sub 5A] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Voor een proceskostenvergoeding ten behoeve van de Vereniging, het Buurtschap en anderen en [appellante sub 3B] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen voor zover ingesteld door [appellant sub 3A] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsmaatschappij het Goese Meer B.V. geheel en het beroep van [appellante sub 4A], [appellante sub 4B] en Logus Vlissingen B.V. voor zover gericht tegen het besluit van 12 mei 2009, kenmerk 09018958/92/15 voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan een deel van het plandeel met de bestemming "Wonen-Uit te werken" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 4A], [appellante sub 4B] en Logus Vlissingen B.V. voor zover gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 12 mei 2009, kenmerk 09018961/92/13 gegrond;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 4A], [appellante sub 4B] en Logus Vlissingen B.V. voor zover gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 12 mei 2009, kenmerk 09018958/92/15 gegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 5A] voor zover gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 12 mei 2009, kenmerk 09018958/92/15 gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 12 mei 2009, kenmerk 09018961/92/13;

VI. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 12 mei 2009, kenmerk 09018961/92/15;

VII. onthoudt goedkeuring aan het krachtens de Interimwet stad- en milieubenadering door de raad van de gemeente Goes genomen besluit van 18 september 2008;

VIII. onthoudt goedkeuring aan het door de raad van de gemeente Goes bij besluit van 18 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Goese Schans";

IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder VII en VIII vermelde besluiten van 18 september 2008;

X. verklaart de beroepen van [appellant sub 5A] voor zover gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 12 mei 2009, kenmerk 09018958/92/15 voor het overige ongegrond en de beroepen van de vereniging Vereniging van Bewoners van het Goese meer, het Buurtschap Havenzicht 89-104 en anderen en [appellante sub 3A] geheel ongegrond;

XI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van de bij [appellante sub 4A], [appellante sub 4B] en Logus Vlissingen B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2644,00 (zegge: tweeduizendzeshonderdvieren veertig euro), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

XII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zeeland aan [appellant sub 5A] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) en aan [appellante sub 4A], [appellante sub 4B] en Logus Vlissingen B.V. het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Ouwehand
Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010

224.