Uitspraak 201309422/1/A4

Datum van uitspraak: woensdag 22 oktober 2014
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Elburg
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Monumenten
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2014:3778

201309422/1/A4.
Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], wonend te Elburg,
2. [appellanten sub 2], allen wonend te Elburg (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2013 in zaken nrs. 12/674 en 12/675 in het geding tussen:

[appellante sub 1],
[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het college aan [appellante sub 1] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor het aanleggen van een groenstrook op het als beschermd monument aangewezen landgoed Old Putten te Elburg (hierna: het landgoed).

Bij uitspraak van 30 augustus 2013 heeft de rechtbank de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 20 maart 2012 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellante sub 1] hebben zienswijzen naar voren gebracht.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een groenstrook op het landgoed.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2014, waar [appellante sub 1], bijgestaan door mr. D.J. de Jongh, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, en ir. L. de Graaf, en het college, vertegenwoordigd door B. Westra en F. Breteler, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 2.15 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens artikel 2.10 tot en met 2.20.

Het hoger beroep van [appellante sub 1]

2. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zicht vanaf de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed een monumentale waarde heeft en dat de aanleg van de groenstrook deze waarde aantast. De zichtlijn van de Zuiderzeestraatweg Oost is niet opgenomen in de redengevende omschrijving bij de aanwijzing van het landgoed als monument. Daarom kan de zichtlijn geen relevant aspect zijn bij de beoordeling van de vergunningaanvraag en kunnen ter bescherming daarvan ook geen voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden, aldus [appellante sub 1].

[appellant sub 2] stelt daarentegen, onder verwijzing naar het rapport van Agroplan van 13 mei 2013, dat de zichtlijnen tussen de Zuiderzeestraatweg Oost en het landgoed onderdeel zijn van de ruimtelijke opbouw en derhalve deel uitmaken van de monumentale waarde van het beschermde complex.

2.1. Vergunningvoorschriften 1 en 2 luiden:

"1. De maten van de op de tekeningen aangegeven kijkopeningen dienen de minimale maten te zijn op het hoogst van het groeiseizoen.

2. De groenstrook dient uitgedund te worden en op regelmatige termijn (max. 5 jaar) te worden afgezet."

Deze voorschriften zijn mede gesteld ter bescherming van het zicht vanaf de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 20 maart 2012 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Daarbij heeft de rechtbank het zicht vanuit de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed aangemerkt als een monumentale waarde, waaraan bij de beslissing op de vergunningaanvraag belang moet worden toegekend.

2.3. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als hier in geding is de omschrijving bij de aanwijzing tot beschermd monument van belang (vergelijk de uitspraken van 12 december 2012, in zaak nr. 201205158/1/A2 en 16 januari 2013 in zaak nr. 201200491/1/A1). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 25 november 2009 in zaak nr. 200900638/1/H2 en 28 juni 2006 in zaak nr. 200505796/1) geeft de omschrijving bij de aanwijzing aan welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Voor het wijzigen, verstoren of verwijderen van zo’n aspect is in ieder geval een omgevingsvergunning vereist.

2.4. Bij besluit van 16 december 2004 is het landgoed, als complex, aangewezen als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1998 (complexnummer 512027). Het onderdeel 2 'parkaanleg' - dat mede het perceel omvat waarop de groenstrook wordt aangelegd - is bij dat besluit eveneens aangewezen als beschermd monument (monumentnummer 512069). In de in het aanwijzingsbesluit opgenomen 'omschrijving onderdeel 2 parkaanleg' is het zicht vanuit de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed niet vermeld. Het perceel waarop de groenstrook wordt aangelegd, betreft volgens de omschrijving een door houtwal omgeven agrarisch perceel dat gezien de coulisseachtige aanplant van bomen bij het huis als blikveld een belangrijke rol in de ruimtelijke opbouw van de aanleg speelt. In de zogeheten complexomschrijving van het aanwijzingsbesluit is de zichtlijn vanuit de Zuiderzeestraatweg Oost evenmin vermeld. Voor het overige is er, gelet ook op het feit dat de Zuiderzeestraatweg Oost geen deel uitmaakt van het beschermd complex, geen aanleiding om deze zichtlijn niettemin als monumentale waarde van het landgoed aan te merken. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte belang toegekend aan het zicht vanaf de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed. De vergunningvoorschriften 1 en 2, voor zover deze beogen deze zichtlijn te beschermen, kunnen niet worden geacht nodig te zijn in het belang van de monumentenzorg.

Hetgeen [appellant sub 2] onder verwijzing naar het rapport van Agroplan van 13 mei 2013 heeft betoogd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In dit rapport is een zichtlijn met monumentale waarde afgeleid uit het feit dat de parkaanleg in het aanwijzingsbesluit is omschreven als voorbeeld van toepassing van de Engelse landschapsstijl en dat daarbij is aangegeven dat het agrarisch perceel, waarop de groenstrook wordt aangelegd, als blikveld een belangrijke rol in de ruimtelijke opbouw van de aanleg speelt. Deze omschrijving duidt weliswaar op een verband tussen het agrarisch perceel en het park op het landgoed, maar dit betekent niet dat de zichtlijn vanaf de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed een monumentale waarde heeft.

Het betoog van [appellante sub 1] slaagt.

3. [appellante sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd waarom in de vergunning geen beperkingen aan de breedte en de samenstelling van de groenstrook zijn gesteld. De rechtbank gaat ten onrechte voorbij aan het beplantingsplan dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, aldus [appellante sub 1] .

3.1. In het besluit van 6 maart 2012 is bepaald dat de wijziging van de aanvraag van 30 april 2011 deel uitmaakt van de vergunning. Bij die wijziging van de aanvraag behoort een beplantingsplan, waarin beperkingen zijn gesteld aan de breedte en de samenstelling van de groenstrook. Het college heeft in het besluit van 6 maart 2012 gemotiveerd uiteengezet waarom verdere beperkingen in de breedte en de samenstelling niet nodig zijn. Verder vloeit uit overweging 2.4 voort dat - anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan - de voorschriften en beperkingen niet kunnen worden gesteld om aantasting van het zicht vanuit de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed te voorkomen.

Het betoog slaagt.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] betoogt dat het belang van de monumentenzorg zich tegen vergunningverlening verzet. Hij verwijst daarbij naar de bij de rechtbank ingebrachte beroepsgronden en het door hem bij de rechtbank ingebrachte rapport van Agroplan van 13 mei 2013. De rechtbank heeft dit rapport ten onrechte niet bij haar oordeel betrokken, aldus [appellant sub 2].

4.1. Voor zover dit betoog betrekking heeft op de aantasting van het zicht vanaf de Zuiderzeestraatweg Oost op het landgoed, faalt dit, gelet op overweging 2.4.

Voor zover dit betoog betrekking heeft op de aantasting van de monumentale waarde van het landgoed, overweegt de Afdeling het volgende.

In het verslag van de Stichting advisering bestuursrechtspraak van 9 april 2013, dat tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank is uitgebracht, is geconcludeerd dat de groenstrook niet leidt tot aantasting van de monumentale waarde van het landgoed. In hetgeen [appellant sub 2] in hoger beroep heeft betoogd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. Daarbij zij opgemerkt dat de algemene omschrijving van het park als een voorbeeld van de Engelse landschapsstijl in het aanwijzingsbesluit, niet betekent dat een open zichtlijn naar de Zuiderzeestraatweg Oost onderdeel is van de parkaanleg noch dat de groenstrook waarvoor vergunning is verleend de monumentale waarde onaanvaardbaar aantast. Het betoog faalt ook in zoverre.

5. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat in de groenstrook ook buxus wordt aangeplant. Het belang van een goede monumentenzorg brengt mee dat wordt voorzien in de aanplant van meidoorn, aldus [appellant sub 2].

5.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Het onder 3.1 genoemde aangepaste beplantingsplan, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, voorziet niet in de aanplant van buxus en wel in de aanplant van meidoorn.

Conclusie hoger beroepen

6. Het hoger beroep van [appellante sub 1] is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] ingestelde beroepen gegrond zijn verklaard en het besluit van 20 maart 2012 is vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] ingestelde beroepen tegen het besluit van 20 maart 2012 opnieuw beoordelen.

De beroepen tegen het besluit van 20 maart 2012

7. Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college opnieuw vergunning verleend voor de aanleg van een (gewijzigde) groenstrook op het landgoed. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat het niet langer achter zijn besluit van 20 maart 2012 staat en het besluit van 12 december 2013 als het juiste besluit aanmerkt. De Afdeling leidt hieruit af dat het besluit van 20 maart 2012 niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

8. De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 20 maart 2012 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Het besluit van 12 december 2013

9. Het besluit van 12 december 2013 tot verlening van een omgevingsvergunning voor een (gewijzigde) groenstrook op het landgoed is mede onderwerp van dit geding.

10. [appellante sub 1] heeft ter zitting verklaard geen bezwaren te hebben tegen dit besluit.

11. [appellant sub 2] betoogt dat de vergunde groenstrook de monumentale waarde van het landgoed aantast. Blijkens de omschrijving in het aanwijzingsbesluit is de ruimtelijke opbouw van de aanleg reden geweest om het landgoed als monument aan te wijzen. De omschrijving geeft aan dat het park een voorbeeld is van de Engelse landschapsstijl. Het gaat om de zogeheten 'late landschapsstijl' die zich onder meer kenmerkt door een gerichtheid op het omringende landschap (de openheid naar buiten). Het college heeft nagelaten het beplantingsplan aan de ruimtelijke opbouw van de parkaanleg te toetsen. Het besluit van 12 december 2013 is daarom ontoereikend gemotiveerd. Het beplantingsplan is in strijd is met de ruimtelijke opbouw nu het zicht vanuit het landgoed naar buiten en daarmee het open karakter van het landgoed wordt aangetast. Met name de aanplant van taxus en de hoogte van de (overige) aanplant verstoren het zicht, aldus [appellant sub 2].

11.1. Zoals onder 4.1 is overwogen betekent het feit dat het landgoed een voorbeeld is van de Engelse landschapsstijl niet dat een open zichtlijn naar de Zuiderzeestraatweg Oost onderdeel is van de parkaanleg. Verder is in het rapport van Goedebuure Tuin- en Landschapsarchitecten van 2 december 2013, gewijzigd op 9 december 2013, dat onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, vermeld dat wat betreft de maat en schaal van de groenstrook een eenheid is gecreëerd met de aanwezige groensingels op het landgoed. De breedte van de groenstrook komt op meerdere plaatsen op het landgoed voor. Dit geldt ook voor de aanplant van 10% taxus in de groenstrook, nu taxus reeds voorkomt in de bestaande singels, aldus het rapport. Voorts is in het advies van de gemeentelijke monumentencommissie van 11 december 2013, waarop het college zich bij de vergunningverlening mede heeft gebaseerd, vermeld dat de nieuwe groenstrook in overeenstemming met eerdere adviezen van de commissie wordt aangebracht. In het advies van 8 juni 2011 zijn onder meer de gevolgen voor de ruimtelijke continuïteit van de natuurlijke omgeving, in samenhang met de monumentale waarden, beoordeeld. Volgens dit advies worden de monumentale waarden niet wezenlijk aangetast.

Gelet op het vorenstaande kan in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen vergunningverlening verzet. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vergunningverlening ontoereikend is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

12. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

13. Het college dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellanten sub 2] ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2013 in zaak nrs. 12/674 en 12/675, voor zover de beroepen gegrond zijn verklaard en het besluit van 20 maart 2012, nr. 2011-0338, is vernietigd;

IV. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Elburg van 20 maart 2012, nr. 2011-0338;

VI. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 12 december 2013 ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Elburg tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Elburg aan [appellante sub 1] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff
Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

190-769.