Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201112347/1/V1

Uitspraak 201112347/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3437
Datum uitspraak
1 maart 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 februari 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201112347/1/V1.
Datum uitspraak: 1 maart 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2011 in zaak nr. 11/19273 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 november 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris bij hem, door hem bij brief van 22 november 2011 in de gelegenheid te stellen een aantal stukken over te leggen en mede te delen dat op korte termijn een hoorzitting wordt ingepland, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij geen hoger beroep zou instellen.

Aan de omstandigheid dat de staatssecretaris de vreemdeling vóór het verstrijken van de hogerberoepstermijn ter uitvoering van de aangevallen uitspraak voormelde brief heeft gestuurd, kan de vreemdeling niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de staatssecretaris geen hoger beroep tegen die uitspraak zou instellen. Hierbij is van belang dat die brief geen mededeling over het al dan niet instellen van hoger beroep bevat en het de staatssecretaris vrij stond de aangevallen uitspraak uit te voeren en daartegen tevens hoger beroep in te stellen.

3. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het geschilpunt ten tijde van het besluit van 24 februari 2010 anders was dan ten tijde van het besluit van 6 juni 2011 nu eerstvermeld besluit was gebaseerd op beleid dat nadien in strijd is geacht met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: het Aanvullend Protocol), dat het de vreemdeling niet duidelijk was welke aanvullende stukken hij precies moest overleggen en dat de staatssecretaris derhalve ten onrechte krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, van het horen in bezwaar heeft afgezien.

Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat volgens de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 in zaak nr. 200908205/1/V2 (pdf, 929 kB) het vereiste dat met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend niet is gewijzigd, dat de vreemdeling diende te staven dat hij aan dat vereiste voldoet en het hem mede gezien het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 nr. 2011/2 (hierna: WBV 2011/2) duidelijk moest zijn welke stukken hij moest overleggen, en dat de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid tot het overleggen daarvan die hem zowel in de aanvraagfase als in de bezwaarfase is geboden. Voorts voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat de vreemdeling met de door hem in reactie op het negatieve advies van Agentschap NL van 28 april 2011 overgelegde stukken dat advies niet heeft weerlegd.

3.1. Van het horen mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

3.2. In het besluit van 24 februari 2010 heeft de staatssecretaris zich onder verwijzing naar een negatief advies van Agentschap NL van 11 februari 2010 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet heeft gestaafd dat zijn arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang dient, onder meer omdat het financieel plan van het door hem bij zijn aanvraag overgelegde ondernemingsplan onvolledig is en niet is onderbouwd.

De staatssecretaris heeft de vreemdeling bij brief van 31 maart 2011 in de gelegenheid gesteld aanvullende stukken ter staving van het wezenlijk Nederlands belang van zijn arbeid over te leggen, waarbij de staatssecretaris heeft verwezen naar zijn beleid, neergelegd in paragraaf B5/7.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), bij WBV 2011/2 per 1 april 2011 vernummerd en gewijzigd. Bij brief van 12 april 2011 heeft de vreemdeling een stuk met financiële gegevens over het jaar 2010 overgelegd. Hierop heeft de minister Agentschap NL om een nieuw advies gevraagd.

Vervolgens heeft Agentschap NL voormeld advies van 28 april 2011 uitgebracht. Volgens dit advies blijkt de behoefte aan de diensten van de vreemdeling niet, is het ondernemingsplan erg summier, het financiële gedeelte ervan beperkt en zonder onderbouwing, en ontbreekt een exploitatiebegroting. Het door de vreemdeling overgelegde stuk met financiële gegevens bevat volgens het advies een beperkt overzicht van de jaarcijfers over het jaar 2010, is niet ondertekend door een administratiekantoor en evenmin onderbouwd met BTW- en IB-aangiftes. Volgens het advies ligt het in dat stuk vermelde inkomen in het jaar 2010 van € 4.988,- voorts ver onder het bruto minimumloonniveau, zodat de onderneming van de vreemdeling niet levensvatbaar is.

Bij brief van 4 mei 2011 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid gesteld op het advies van 28 april 2011 te reageren. Hierop heeft de vreemdeling bij brief van 11 mei 2011 een ondernemingsplan van 10 mei 2011, een berekening voor de belastingaangifte voor het jaar 2010, en een samenstellingsverklaring, balans en winst- en verliesrekening over het jaar 2010 overgelegd.

3.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012 in zaak nr. 201108442/1/V1 (pdf, 163 kB) volgt dat het in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000, opgenomen vereiste dat met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend niet is gewijzigd en dat paragraaf B5/7.3.2 van de Vc 2000, anders dan paragraaf B5/7.3.1, niet in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. In dit opzicht is derhalve na het besluit van 24 februari 2010 geen wijziging opgetreden in het geschilpunt tussen partijen. De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat het de vreemdeling, mede gelet op de verwijzing naar paragraaf B5/7.3.2 van de Vc 2000 in de brief van 31 maart 2011, waarbij de staatssecretaris hem heeft verzocht om aanvullende stukken ter staving van het wezenlijk Nederlands belang van zijn arbeid, onder meer duidelijk moest zijn dat hij stukken die het financiële gedeelte van het ondernemingsplan onderbouwen, diende te overleggen. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat de door de vreemdeling bij brief van 11 mei 2011 overgelegde stukken niet afdoen aan de conclusie van voormeld advies van 28 april 2011 dat het bedrijf van de vreemdeling niet levensvatbaar is en de staatssecretaris reeds hierom niet ten onrechte geen nieuw advies heeft gevraagd. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit die stukken een inkomen van de vreemdeling in 2010 van minder dan voormelde € 4.988,- blijkt en de vreemdeling de daarin vermelde financiële prognose niet heeft onderbouwd. Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris het hem door niet de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen onmogelijk heeft gemaakt de prognose te realiseren, doet hieraan niet af, nu de vreemdeling die prognose op andere wijze had kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren van de vreemdeling niet tot een andersluidend besluit konden leiden, zodat de staatssecretaris niet ten onrechte krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, van het horen in bezwaar heeft afgezien.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep ongegrond verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2011 in zaak nr. 11/19273;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2013

620.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon