Uitspraak 201203823/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:179
- Datum uitspraak
- 22 november 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft de burgemeester, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellante] om toezending van een afschrift van de kandidatenlijsten (model H1) en ondersteuningsverklaringen (model H4) van alle politieke partijen ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2010 afgewezen.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
201203823/2/A3.
Datum uitspraak: 22 november 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Apeldoorn,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 maart 2012 in zaak nr. 11/400 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Leeuwarden.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft de burgemeester, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellante] om toezending van een afschrift van de kandidatenlijsten (model H1) en ondersteuningsverklaringen (model H4) van alle politieke partijen ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2010 afgewezen.
Bij besluit van 23 december 2010 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2010 vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2010 ontvankelijk verklaard, dit besluit herroepen, voor zover hierbij aan [appellante] geen afschriften van de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2010 zijn verstrekt, met uitzondering van de daarop vermelde adresgegevens, bepaald dat de burgemeester aan [appellante] afschriften van de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2010 verstrekt, met uitzondering van de daarop vermelde adresgegevens en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Ingevolge het derde lid is het tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.
2. [appellante] heeft verzocht om een afschrift van de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen voor de gemeenteraadsverkiezingen van onder meer 2006 en 2010. In haar verzoek heeft zij vermeld dat het haar uitdrukkelijk ook te doen is om de op de lijsten vermelde adressen en geboortedata van de kandidaten.
Bij het besluit van 6 oktober 2010 heeft de burgemeester overwogen dat de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen door de terinzagelegging overeenkomstig artikel I3 van de Kieswet openbaar zijn. De burgemeester heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld om de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen in te zien. Haar verzoek om afschriften van de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen heeft de burgemeester opgevat als een verzoek om feitelijke handelingen te verrichten. Gelet op de wijze van openbaarmaking door middel van terinzagelegging, zoals voorgeschreven in de Kieswet, heeft de burgemeester geen aanleiding gezien om kopieën te verstrekken.
Aan het besluit op bezwaar heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de Awb niet de mogelijkheid kent bezwaar te maken tegen het al dan niet verrichten van feitelijke handelingen, waaronder het verstrekken van afschriften.
3. De rechtbank heeft overwogen dat ten tijde van het verzoek van 28 augustus 2010 de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2010 niet meer voor een ieder toegankelijk waren, zodat op die lijsten en verklaringen de Wob van toepassing is geworden.
Voorts heeft de rechtbank de burgemeester gevolgd in zijn standpunt dat hem na de verkiezingsperiode, voor zover het de adresgegevens betreft, het recht toekomt met inroepen van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te laten prevaleren boven het belang van openbaarheid.
4. [appellante] betoogt dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat indien stukken, op basis van een wettelijk voorschrift voor een ieder ter inzage hebben gelegen, er geen grond meer kan zijn om deze gegevens te weigeren op grond van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verder betoogt zij dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het feit dat de kandidaten, door hun adresgegevens op de kandidatenlijsten te laten vermelden, hebben ingestemd met openbaarmaking zoals bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wob. Zij stelt dat de Kiesraad medio mei 2011 de volledige kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen voor de verkiezingen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal op haar verzoek openbaar heeft gemaakt. Voorts voert zij aan dat de op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob gebaseerde weigering de adresgegevens te verstrekken, niet deugdelijk is gemotiveerd.
4.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201107018/1/A3) dat nu de betrokken kandidaten onder meer hun adresgegevens op de kandidatenlijsten hebben laten vermelden, zij kunnen worden geacht te hebben ingestemd met de in de Kieswet geregelde terinzagelegging van deze lijsten gedurende de verkiezingsperioden. Zoals eveneens volgt uit die uitspraak kan de terinzagelegging van de kandidatenlijsten gedurende de verkiezingsperioden echter niet gelijk worden gesteld met openbaarmaking in de zin van de Wob. Het laten vermelden van de adresgegevens kan daarom niet worden aangemerkt als instemming van de kandidaten met openbaarmaking van die gegevens als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wob. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de kandidaten volledig afstand hebben gedaan van de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer wat betreft deze gegevens.
4.2. De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de Kiesraad de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen openbaar heeft gemaakt, hem niet ontslaat van de verplichting om naar aanleiding van een tot hem gericht Wob-verzoek een eigen afweging te maken.
4.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de burgemeester de adresgegevens op de kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen had moeten verstrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 5 september 2012 is op grond van informatie verkregen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de AIVD aannemelijk te achten dat aan openbaarmaking van de adresgegevens van kandidaten een zeker veiligheidsrisico voor hen is verbonden. In aansluiting hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat omwille van veiligheidsoverwegingen bij de wijziging van het Kiesbesluit per 1 januari 2010 de verplichte vermelding van het adres is komen te vervallen (Stb. 2009, 453). Gelet hierop heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.
5. [appellante] stelt voorts dat de informatie over 2006 in het voorjaar van 2006 in het kader van een Wob-procedure aan [partij] is verstrekt. Nu deze informatie eerder openbaar is gemaakt, mag de burgemeester deze niet meer weigeren. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat de burgemeester inmiddels de gevraagde stukken heeft verstrekt, waarbij niet uitsluitend de adresgegevens, doch ook de woonplaatsen onleesbaar zijn gemaakt. Vermelding van de woonplaatsen is nog steeds wettelijk voorgeschreven en valt niet binnen de door de rechtbank aangegeven grenzen van te weigeren informatie, aldus [appellante].
5.1. Met betrekking tot de stelling van [appellante] dat de informatie over 2006 in het voorjaar van 2006 aan [partij] is verstrekt, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van de burgemeester dat hem uit het postregistratie- en documentatiesysteem niet is gebleken dat hij kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen in het voorjaar van 2006 aan [partij] heeft verstrekt. Het betreft derhalve geen informatie die op grond van de Wob eerder openbaar is gemaakt en waarvan verstrekking om die reden niet aan [appellante] had mogen worden onthouden.
5.2. Adresgegevens duiden de plaats aan waar iemand woont. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat daaronder niet ook de woonplaats dient te worden verstaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob ten grondslag kon worden gelegd aan de weigering dit gegeven te verstrekken. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, is daarbij niet van belang dat het vermelden van de woonplaats op de kandidatenlijst ingevolge artikel H2 van het Kiesbesluit wettelijk is voorgeschreven.
6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.
w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2012
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
97.