Uitspraak 200607331/3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:2133
- Datum uitspraak
- 23 maart 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 22 november 2006, in zaak no. 200607331/2, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 22 augustus 2006, kenmerk 33WM/06, geschorst. De uitspraak is aangehecht.
- Voorlopige voorziening
- Vee e.a. dieren
Toon inhoud
200607331/3.
Datum uitspraak: 23 maart 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,
om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 22 november 2006, in zaak no. 200607331/2, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
[appellant], gevestigd te [plaats], gemeente Steenwijkerland, en anderen,
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 22 november 2006, in zaak no. 200607331/2, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 22 augustus 2006, kenmerk 33WM/06, geschorst. De uitspraak is aangehecht.
Bij brief van 26 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 maart 2007, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten, en verweerder, vertegenwoordigd door M. Zuijderduijn en M. Betzema, zijn verschenen. Voorts zijn daar [partijen] gehoord.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter is van oordeel dat, zoals ook in de uitspraak van 22 november 2006 is overwogen, de beantwoording van de vraag of verweerder terecht de vergunningaanvraag niet heeft getoetst aan de bepalingen van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, nader onderzoek vergt waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Het feit dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel inmiddels bij brief van 12 januari 2007 heeft laten weten dat voor de oprichting van de inrichting in verband met de ammoniakdepositie op de gebieden "de Weerribben" en "de Wieden" geen vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet vereist is, maakt dit niet anders. Mede in aanmerking genomen dat de hoofdzaak op zeer korte termijn op zitting zal worden behandeld, ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding om het verzoek af te wijzen.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007
312-462.