Uitspraak BRS.26.000344
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6411
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000344
ECLI:NL:RVS:2026:6411
Datum uitspraak: 3 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. NL25.44249 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Cetinkaya-Ahmad, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 23 juli 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn asielaanvraag van 1 februari 2024. Dat heeft de minister bij het besluit van 23 juli 2026 alsnog gedaan. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van het beroep en het hoger beroep. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232, onder 6.1, 6.4 tot en met 6.6 en 9, heeft de minister met het instellen van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië, dat gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, een besluit op een asielaanvraag uitgesteld voor de duur waarvoor het moratorium van kracht was. Appellant heeft op 1 februari 2024 asiel aangevraagd. Hij heeft de minister op 19 augustus 2025 in gebreke gesteld en op 12 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling stelt vast dat appellant daarmee achteraf bezien een ontvankelijk en gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag heeft ingesteld. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 23 juli 2026 de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Daarmee heeft de minister te laat een besluit op de asielaanvraag genomen. Met dat besluit is de minister tegemoetgekomen aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom komen in dit geval de proceskosten van het beroep en het hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
3. Appellant heeft de Afdeling laten weten dat hij al bij de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 23 juli 2026. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, al een beroep van rechtswege ontstaan tegen dat besluit. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. verwijst het beroep tegen het besluit van 23 juli 2026, V-294.546.3949, naar de rechtbank Den Haag.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2026
977