Uitspraak BRS.26.003483
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6363
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J. Eliya, advocaat in Hengelo, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2026 in zaak nr. NL26.11614. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003483
ECLI:NL:RVS:2026:6363
Datum uitspraak: 30 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J. Eliya, advocaat in Hengelo, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2026 in zaak nr. NL26.11614.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, in samenhang gelezen met artikel 8:75 van de Awb, heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken en tegelijk verzocht om de minister in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.
2. Hangende het beroep over het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de minister alsnog een besluit genomen. De Afdeling merkt dit in dit geval aan als tegemoetkomen en ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5.
3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om de gezinsleden van verzoeker een mvv te verlenen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
4. De minister is in het besluit van 24 september 2026 geheel aan de aanvraag van verzoeker tegemoetgekomen. Verzoeker heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang bezien met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2026
1028