Uitspraak BRS.25.001579
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5714
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 september 2025 in zaak nr. NL25.30647.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001579
ECLI:NL:RVS:2026:5714
Datum uitspraak: 29 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[de verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 september 2025 in zaak nr. NL25.30647.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:75 van deze wet, heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken en tegelijk verzocht om de minister in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.
2. Hangende het beroep over het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de minister alsnog een besluit genomen. De Afdeling merkt dit in dit geval aan als tegemoetkomen en ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5.
3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verzoeker een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 21 juli 2026
4. Het besluit van 21 juli 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van deze wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Verzoeker heeft laten weten het niet eens te zijn met dit besluit.
5. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 21 juli 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2214, onder 4.
6. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
II. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 21 juli 2026, V-294.370.5491, ter behandeling als beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026
853-1169