Uitspraak 202502275/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5733
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. In juli 2013 is betrokkene via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa. De staatssecretaris (nu: de minister van Justitie en Veiligheid) heeft het Nederlanderschap van betrokkene ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Die minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. De rechtbank heeft betrokkene voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden.
- Hoger beroep
- Terugkeerbesluit
Toon inhoud
202502275/1/V1.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
I. de minister van Asiel en Migratie,
II. [appellant sub 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 maart 2025 in zaak nr. 21/4886 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 augustus 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, vergezeld door J.J. van Joolingen, en betrokkene, bijgestaan door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is op [geboortedatum] 1987 geboren in Nederland. Hij heeft via zijn ouders de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Op 27 augustus 1996 heeft hij samen met zijn ouders het Nederlanderschap verkregen. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit behouden.
In juli 2013 is betrokkene via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa.
1.1. De staatssecretaris (nu: de minister van Justitie en Veiligheid) heeft het Nederlanderschap van betrokkene ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Die minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. De rechtbank heeft betrokkene voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden. Bij arrest van 26 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:298, heeft het gerechtshof Den Haag betrokkene in hoger beroep veroordeeld voor eendaadse samenloop van deelneming aan een terroristische organisatie en het plegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en vier maanden. Deze veroordeling is op 29 april 2021 onherroepelijk geworden. Volgens de minister van Justitie en Veiligheid heeft betrokkene de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad. Daarom heeft hij met een besluit van 29 juli 2021 het Nederlanderschap van betrokkene ingetrokken.
1.2. Deze uitspraak gaat over het op 29 juli 2021 genomen terugkeerbesluit en het uitgevaardigde inreisverbod (het besluit). Over de daarmee samenhangende intrekking van het Nederlanderschap gaat de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5732.
1.3. De minister heeft met het besluit op grond van artikel 27, eerste lid, en artikel 62a, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit genomen en tegen betrokkene krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, zesde lid, van het Vb 2000 een inreisverbod uitgevaardigd voor twintig jaar, met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Hij vindt betrokkene een gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het hoger beroep van de minister
3. In de schriftelijke uiteenzetting voert betrokkene aan dat het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk is. Op de zitting bij de Afdeling heeft hij te kennen gegeven dat dit betoog geen bespreking behoeft. De Afdeling ziet daarvoor ook geen aanleiding.
Mocht de minister een terugkeerbesluit nemen en een inreisverbod uitvaardigen?
4. Zoals de minister terecht betoogt in zijn eerste grief, heeft de rechtbank haar oordeel dat hij geen terugkeerbesluit mocht nemen en geen inreisverbod mocht uitvaardigen, uitsluitend gebaseerd op het oordeel in zaak nr. 23/6089 dat de minister van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van betrokkene niet mocht intrekken. In haar uitspraak van vandaag over de intrekking van het Nederlanderschap, heeft de Afdeling het hoger beroep van die minister gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam vernietigd. Gelet hierop kan de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, waarover deze zaak gaat, ook geen stand houden.
De grief slaagt.
Is de redelijke termijn overschreden?
5. De minister heeft zijn grief over overschrijding van de redelijke termijn op de zitting bij de Afdeling ingetrokken. Deze grief behoeft daarom geen bespreking.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene
6. Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is. Omdat dit hoger beroep gegrond is gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, wordt deze voorwaarde vervuld en zal de Afdeling het incidenteel hoger beroep van betrokkene inhoudelijk beoordelen.
Had de rechtbank het onderzoek moeten heropenen?
7. In de enige grief klaagt betrokkene dat de rechtbank het onderzoek, nadat zij dit had gesloten op de zitting van 18 november 2024, ten onrechte niet heeft heropend. Betrokkene betoogt dat de rechtbank dit wel had moeten doen naar aanleiding van zijn brief van 18 februari 2025 over een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025.
7.1. Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het onderzoek heropenen, als zij van oordeel is dat dit onvolledig is geweest. Dit is een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat en waarvan de toepassing doorgaans geen nadere motivering behoeft. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 10 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:977, onder 1.1.
In de brief van 18 februari 2025 heeft betrokkene aangevoerd dat het gerechtshof Den Haag gerechtelijk heeft vastgesteld dat hij de vader is van twee in Syrië geboren kinderen en heeft hij de rechtbank Amsterdam verzocht om het onderzoek te heropenen om de gevolgen hiervan te bespreken. In dit kader heeft hij naar voren gebracht dat zijn kinderen nu via hem het Nederlanderschap zouden kunnen verkrijgen. Weliswaar heeft betrokkene in deze procedure bij de rechtbank Den Haag in beroep naar voren gebracht dat er een civiele procedure liep bij het gerechtshof Den Haag, maar hij heeft de brief van 18 februari 2025 alleen in de procedure over de intrekking van zijn Nederlanderschap ingediend. Mede gelet op de inhoud van die brief, heeft de rechtbank daarom niet ten onrechte geen aanleiding gezien om het onderzoek in deze procedure te heropenen.
7.2. De grief slaagt niet.
Conclusie hoger beroepen
8. De hogerberoepschriften roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroepsgronden waarover de Afdeling nog een oordeel moet geven
Had in deze zaak bezwaar moeten openstaan tegen het besluit?
9. Betrokkene heeft aangevoerd dat ook in deze zaak eerst bezwaar had moeten openstaan tegen het besluit. Volgens betrokkene zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod namelijk verweven met het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap. Hij heeft hierbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9111.
9.1. Wat betrokkene heeft aangevoerd leidt niet tot het door hem beoogde resultaat. Uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awb en Bijlage 1 bij de Awb volgt dat tegen het besluit geen bezwaar openstaat. Daarbij heeft de Afdeling op 15 juni 2012 uitspraak gedaan over het geval waarin het inreisverbod is opgenomen in een besluit over een verblijfsvergunning en voortvloeit uit het daarin opgenomen terugkeerbesluit. Dan brengt het uitgangspunt van concentratie van rechtsbescherming mee dat tegen het inreisverbod hetzelfde rechtsmiddel openstaat als tegen het besluit over de verblijfsvergunning. Dat is in deze zaak niet het geval. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2452, onder 4.1.
9.2. De beroepsgrond slaagt niet.
Vormt betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging?
10. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij geen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Volgens betrokkene heeft de minister zijn standpunt ten onrechte gebaseerd op de onder 1.1 vermelde strafrechtelijke uitspraken. Betrokkene heeft er hierbij op gewezen dat die uitspraken gaan over de periode van juli 2013 tot en met 31 december 2015 en dat hij daarna steeds een civiel leven heeft geleid in Syrië en Turkije. Hij heeft hierbij aangevoerd dat hij zijn strafrechtelijke veroordeling of de daaraan ten grondslag liggende feiten tijdens de hoorzitting van 21 juli 2021 in de voornemenfase niet heeft gebagatelliseerd of betwist. De opmerking van zijn vorige gemachtigde in de zienswijze dat hij altijd heeft ontkend dat hij zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie, moet volgens betrokkene worden gelezen in de context van zijn betoog over het gevaar dat uitgaat van Ahrar al-Sham en Jund al-Aqsa voor Nederland. Volgens betrokkene stond Ahrar al-Sham in 2013 bekend als gematigd en hebben beide organisaties nooit op de lijst van terroristische organisaties gestaan. Hij is daarom geen gevaar voor de Nederlandse samenleving, aldus betrokkene.
Verder heeft hij erop gewezen dat Reclassering Nederland het recidiverisico als laag heeft ingeschat en dat het gerechtshof Den Haag dit ook bij zijn oordeel heeft betrokken. Volgens betrokkene had de minister in het kader van het terugkeerbesluit en het inreisverbod dan ook moeten onderzoeken of hij nog steeds daadwerkelijk een gevaar vormt. Verder heeft betrokkene aangevoerd dat een veroordeling voor een terroristisch misdrijf ten onrechte in feite automatisch leidt tot het standpunt dat een veroordeelde een gevaar vormt. Volgens hem maakt het hebben van een bepaald gedachtegoed niet vanzelfsprekend dat daarvan een gevaar uitgaat. Hij heeft in dit kader gewezen op het rapport ’Vroegsignalering van Extremisme: De lokale veiligheidsprofessional over risico's en duiding bij jongeren’ van 10 december 2019. Hij heeft daarnaast gewezen op het boek ‘Radicale verlossing: wat terroristen geloven’ van prof. B. de Graaf. Daaruit volgt volgens hem dat de recidivekansen bij wegens terrorisme veroordeelde personen laag zijn. Hij heeft er ook op gewezen dat hij vrijwillig heeft deelgenomen aan een re-integratietraject van het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) en sinds 15 mei 2023 niet meer in de gevangenis zit. Hij heeft ook gewezen op een brief van de burgemeester van de gemeente Amsterdam van 20 maart 2024, waarin staat dat zij hem heeft verwijderd van de lijst integrale Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering.
10.1. Betrokkene heeft tevergeefs betoogd dat de minister zijn standpunt ten onrechte heeft gebaseerd op de strafrechtelijke uitspraken en dat hij in het kader van het terugkeerbesluit en het inreisverbod had moeten onderzoeken of betrokkene nog steeds daadwerkelijk een gevaar vormt. Dat de strafrechtelijke uitspraken gaan over de periode van juli 2013 tot en met 31 december 2015, neemt niet weg dat het arrest van 26 februari 2021 van betrekkelijk recente datum is en dat de dreiging die uitgaat van betrokkenheid bij terroristische daden, lang tot zeer lang actueel blijft. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 12 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF1415, onder 2.12, en 28 juni 2023, onder 5.2. Zijn betoog tijdens de zitting dat in zijn voordeel moet meewegen dat hij heeft meegewerkt aan het politieonderzoek, neemt niet weg dat het gerechtshof Den Haag hem heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en vier maanden. Daarbij heeft betrokkene tevergeefs aangevoerd dat hij zijn strafrechtelijke veroordeling of de daaraan ten grondslag liggende feiten tijdens de hoorzitting van 21 juli 2021 niet heeft gebagatelliseerd of betwist. De Afdeling wijst kortheidshalve op haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:5732), onder 5.1.
Het betoog van betrokkene dat de opmerking van zijn vorige gemachtigde moet worden gelezen in de context van zijn betoog over het gevaar dat uitgaat van Ahrar al-Sham en Jund al-Aqsa voor Nederland, leidt niet tot een ander oordeel. In de onder 1.1 vermelde strafrechtelijke uitspraken hebben de strafrechters geoordeeld dat beide organisaties terroristische organisaties zijn als bedoeld in artikelen 83 en 83a van het WvSr en dat ook al waren in de periode dat betrokkene zich bij deze organisaties had aangesloten. Zoals de minister tijdens de zitting bij de Afdeling heeft opgemerkt, hebben de strafrechters uitgebreid gemotiveerd waarom beide organisaties terroristische organisaties zijn. Daarbij zijn zij ook ingegaan op de ideologie en de feitelijke handelingen van deze organisaties. Over Ahrar al-Sham hebben zij onder meer overwogen dat het heeft samengewerkt met Jabhat al-Nusra en Islamitische Staat (IS), organisaties die internationaal worden aangemerkt als terroristische organisaties. Daarnaast is Ahrar al-Sham betrokken geweest bij onder andere het executeren, gijzelen en ontvoeren van Alawitische burgers, het belegeren van sjiitische enclaves, het martelen van Koerden, waaronder kinderen, en het rekruteren van kinderen. Over Jund al-Aqsa hebben de strafrechters onder meer overwogen dat deze organisatie het vestigen van een staat gebaseerd op dezelfde ideologie als IS tot doel heeft gehad en nauw verbonden is aan Jabhat al-Nusra en Al Qa’ida. Daarnaast is Jund al-Aqsa onder andere betrokken geweest bij zelfmoordaanslagen, het belegeren van sjiitische enclaves en het executeren van Alawitische burgers en Syrische en Iraanse soldaten. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de motivering die de strafrechters in de strafrechtelijke uitspraken hebben gegeven voor hun oordeel dat Ahrar al-Sham en Jund al-Aqsa terroristische organisaties zijn. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat ook het Duitse Bundesgerichtshof Ahrar al-Sham als terroristische organisatie heeft aangemerkt (onder meer een arrest van 6 september 2018, ECLI:DE:BGH:2018:060918BAK34.18.0, onder 16), dat het Verenigd Koninkrijk Jund al-Aqsa in januari 2015 op zijn sanctielijst heeft geplaatst en dat de Verenigde Naties en de Europese Unie deze organisatie per 20 juli 2017 op de sanctielijst hebben geplaatst. Dat het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken Ahrar al-Sham destijds als gematigd zag, doet dan ook niet af aan het oordeel van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag.
Verder heeft betrokkene er tevergeefs op gewezen dat Reclassering Nederland het recidiverisico als laag heeft ingeschat. De minister heeft in het besluit bij zijn beoordeling betrokken dat in het arrest van 26 februari 2021 staat dat het gerechtshof Den Haag bij het opleggen van de straf acht heeft geslagen op de reclasseringsadviezen van 4 februari 2021 en 25 februari 2019. In deze adviezen staat dat Reclassering Nederland het risico op recidive als laag inschat en dat het bij betrokkene in matige mate gaat om een ideologie waarin het gebruik van extremistisch geweld wordt gerechtvaardigd, aldus het gerechtshof. Het gerechtshof heeft echter ook overwogen dat het deelnemen aan een terroristische organisatie op krachtige wijze moet worden tegengegaan en dat vergelding en algemene preventie daarom voorop moeten staan bij de keuze van de strafsoort en de duur van de op te leggen straf. Daarom kan alleen worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, aldus het gerechtshof. Het gerechtshof heeft in het handelen van betrokkene aanleiding gezien om hem te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en vier maanden. Daarbij heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van betrokkene tijdens de hoorzitting van 21 juli 2021 volgt dat hij de feiten waarvoor hij is veroordeeld nog altijd ontkent en dat hij niet begrijpt waarvoor hij is veroordeeld (zie hierboven en ook de uitspraak van de Afdeling van vandaag, onder 5.1).
10.2. Verder heeft betrokkene op zichzelf terecht aangevoerd dat een veroordeling voor een terroristisch misdrijf niet automatisch mag leiden tot het standpunt dat iemand een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt. De minister moet per geval beoordelen of de persoonlijke gedragingen van een derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, kunnen naast de verdenking of veroordeling van een als misdrijf strafbaar gesteld feit ook de aard en de ernst van dat feit en het tijdsverloop sinds dat feit van belang zijn. De Afdeling wijst op onder meer haar uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2591, onder 5.1, waarin zij verwijst naar de arresten van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296, punten 58 en 60, en 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, punten 50 en 65.
Dit leidt er echter niet toe dat de beroepsgrond slaagt. De minister heeft in het besluit namelijk in overeenstemming met dit kader beoordeeld of betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. De minister heeft hierbij betrokken dat betrokkene vrijwillig heeft deelgenomen aan een re-integratietraject van het LSE. Aan deze deelname kan echter niet de door betrokkene gewenste waarde worden gehecht. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene dit traject heeft ingezet in een periode waarin hij mogelijk in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, zodat hij er een concreet belang bij had om in zijn veelvuldige contacten met overheidsinstanties niet als gevaar voor de openbare orde te worden aangemerkt. Dat betrokkene sinds 15 mei 2023 niet meer in de gevangenis zit, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op het betrekkelijk korte tijdsverloop. Aan het rapport ’Vroegsignalering van Extremisme: De lokale veiligheidsprofessional over risico's en duiding bij jongeren’ en het boek ‘Radicale verlossing: wat terroristen geloven’ hecht de Afdeling niet de door betrokkene gewenste waarde, omdat deze niet specifiek over hem gaan. De brief van de burgemeester van de gemeente Amsterdam leidt niet tot een ander oordeel. In deze brief staat weliswaar dat zij hem heeft verwijderd van de lijst integrale Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering, maar in deze brief staat ook dat zij hem opnieuw op deze lijst kan plaatsen als zij in de toekomst nieuwe signalen en zorgen zou ontvangen.
10.3. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, artikel 8 van het EVRM, de glijdende schaal en het gelijkheidsbeginsel?
11. Betrokkene heeft aangevoerd dat de minister de glijdende schaal uit artikel 3.86 van het Vb 2000 had moeten toepassen. Verder heeft de minister volgens betrokkene niet kenbaar een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling gemaakt. Ook heeft de minister volgens betrokkene de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in zijn nadeel laten uitvallen. Hij heeft er hierbij op gewezen dat hij in Nederland is geboren en getogen en bijna 25 jaar Nederlander is geweest. Ook is het recidiverisico laag. Volgens betrokkene zijn de feiten waarvoor hij is veroordeeld niet zwaarwegend genoeg voor het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Daarbij geldt volgens betrokkene in zijn geval een hogere drempel dan de drempel in het arrest van het EHRM van 23 juni 2008, Maslov tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0623JUD000163803, paragraaf 75, omdat hij een oud-Nederlander is. Ook zijn volgens betrokkene in zijn geval minder zware maatregelen mogelijk om de nationale veiligheid te beschermen. Hij heeft hierbij gewezen op het arrest van het Hof van 2 mei 2018, K. en H.F., punten 66 en 67, de indicatiestelling door de officier van justitie, het feit dat hij in de Penitentiaire Inrichting Zaandam (lees: Zaanstad) op een gewone gevangenisafdeling was geplaatst en het feit dat hij heeft verklaard dat hij zijn verleden achter zich wil laten, fundamentele waarden zoals de menselijke waardigheid en mensenrechten wil respecteren en zich wil concentreren op zijn rehabilitatie en zijn kinderen.
Over zijn kinderen heeft betrokkene aangevoerd dat het uitoefenen van gezinsleven met hen alleen in Nederland mogelijk is. Volgens betrokkene kan hij niet bij hen in Turkije verblijven, omdat zij daar illegaal verblijven. Ook kan hij niet met hen in Marokko verblijven, omdat zicht op uitzetting feitelijk ontbreekt. Omdat zicht op uitzetting feitelijk ontbreekt, is zijn situatie bovendien vergelijkbaar met een situatie waarin een uitzetting in strijd is met het refoulementverbod. In dat geval mag de minister geen terugkeerbesluit nemen en in zijn geval mag hij dat dus ook niet, aldus betrokkene.
Volgens betrokkene had de minister hem een verblijfsvergunning moeten verlenen in het kader van artikel 8 van het EVRM, omdat de minister hem ongelijk behandelt ten opzichte van Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit (monopatriden) met eenzelfde strafblad, aangezien zij wel in Nederland mogen verblijven.
Tot slot heeft betrokkene betoogd dat de minister hem ongelijk behandelt ten opzichte van andere personen tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd wegens een terroristisch misdrijf.
11.1. Betrokkene heeft tevergeefs aangevoerd dat de minister de glijdende schaal uit artikel 3.86 van het Vb 2000 had moeten toepassen. Dat artikel gaat over de beoordeling van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier. Die situatie doet zich hier niet voor, want betrokkene heeft geen rechtmatig verblijf. De minister hoefde dus niet de duur van het inreisverbod te bepalen aan de hand van dat artikel. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 28 juni 2023, onder 6.1.
11.2. Verder heeft betrokkene tevergeefs betoogd dat de minister de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen. De minister heeft zijn belangen kenbaar bij het besluit betrokken. Hij heeft daarbij ook kenbaar betrokken dat betrokkene in Nederland is geboren en getogen en bijna 25 jaar Nederlander is geweest. Ook de belangen van de minderjarige kinderen van betrokkene heeft de minister kenbaar in de belangenafweging betrokken. Hij heeft - gelet op de aard en ernst van de door betrokkene gepleegde misdrijven - niet ten onrechte zwaarder gewicht toegekend aan het algemeen belang bij het nemen van een terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod, dan aan het persoonlijke belang van betrokkene bij het uitoefenen van privé-, familie- en gezinsleven in Nederland. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene in januari 2018 is teruggekeerd naar Nederland, dat hij sinds dat moment feitelijk geen gezinsleven meer uitoefent met zijn kinderen, dat zij sindsdien bij hun moeder, de ex-partner van betrokkene, verblijven en dat betrokkene het gezinsleven dat hij met zijn kinderen beoogt nooit in Nederland heeft uitgeoefend. Daarbij heeft betrokkene tevergeefs betoogd dat hij dit gezinsleven alleen in Nederland kan uitoefenen. Dat zijn kinderen op dit moment, naar gesteld, illegaal in Turkije verblijven, maakt namelijk niet dat het uitoefenen van gezinsleven alleen in Nederland mogelijk is. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene tijdens de zitting heeft verklaard dat zijn kinderen in Turkije tijdelijke verblijfspassen hebben gehad, maar dat die op dit moment niet geldig zijn. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn kinderen niet opnieuw een verblijfsrecht in Turkije zouden kunnen krijgen.
Verder heeft betrokkene tevergeefs betoogd dat zicht op uitzetting naar Marokko feitelijk ontbreekt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, onder 1, volgt dat er zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is. Het dossier bevat verschillende verslagen van vertrekgesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Tijdens deze gesprekken heeft betrokkene verklaard dat hij bezig is om contact te leggen met de Marokkaanse autoriteiten, maar dat dit stroef verloopt. Hij heeft zijn verklaringen echter niet nader toegelicht met argumenten of nader onderbouwd met bewijsstukken. Tijdens de zitting heeft betrokkene gesteld dat hij al een paar keer op de Marokkaanse ambassade is geweest, dat iemand van de gemeente Amsterdam ook op de ambassade is geweest en dat de contactpersoon van de DT&V tegen hem heeft gezegd dat hij niet meer hoefde te gaan, omdat dit geen nut heeft. Betrokkene heeft deze stelling, wat hiervan verder ook zij, niet nader toegelicht met argumenten of nader onderbouwd met bewijsstukken. Daarbij heeft betrokkene tevergeefs aangevoerd dat zijn gemachtigde geen contact mag opnemen met de DT&V om te informeren naar de laatste stand van zaken. Betrokkene mag namelijk zelf wel contact opnemen met de DT&V. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat een laissez-passeraanvraag loopt en dat de DT&V doorlopend vertrekgesprekken houdt. De Afdeling wijst er in dit verband op dat het eerder een vreemdeling is gelukt om uit eigen beweging naar Marokko te vertrekken, nadat de staatssecretaris het Nederlanderschap van die vreemdeling had ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2591, onder 3). Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat Marokko recent een laissez-passer heeft afgegeven aan een vreemdeling van wie de staatssecretaris het Nederlanderschap had ingetrokken krachtens dat artikel en dat hij die vreemdeling ook heeft uitgezet naar Marokko.
De opmerking van betrokkene dat het recidiverisico laag is, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op de overweging onder 10.1. Verder heeft betrokkene niet toegelicht waarom het feit dat hij een oud-Nederlander is, maakt dat in zijn geval een hogere drempel geldt dan de drempel in het arrest Maslov. Ook heeft betrokkene niet toegelicht welke minder zware maatregelen in zijn geval mogelijk zijn om de nationale veiligheid te beschermen.
11.3. Anders dan betrokkene heeft betoogd, heeft de minister in het besluit ook kenbaar een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling gemaakt, waarbij hij ook heeft gewezen op zijn beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM. Omdat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, ziet de Afdeling ook geen grond voor het oordeel dat het in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Betrokkene heeft ook niet uitgelegd waarom toepassing van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel in dit geval tot een materieel andere uitkomst zou leiden dan toepassing van artikel 8 van het EVRM.
11.4. Tot slot heeft betrokkene tevergeefs betoogd dat de minister hem ongelijk behandelt ten opzichte van monopatride Nederlanders met eenzelfde strafblad. Het gaat bij monopatride Nederlanders die in Nederland mogen verblijven en veroordeelde vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben en Nederland daarom moeten verlaten, namelijk niet om gelijke gevallen. Verder heeft betrokkene tevergeefs aangevoerd dat zijn situatie vergelijkbaar is met een situatie waarin een uitzetting in strijd is met het refoulementverbod, alleen al omdat zicht op uitzetting naar Marokko niet feitelijk ontbreekt (zie onder 11.2). Ook heeft betrokkene tevergeefs betoogd dat de minister hem ongelijk behandelt ten opzichte van andere personen tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd wegens een terroristisch misdrijf, omdat tegen de betrokkene in de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3046, een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 28 juni 2023, onder 7.2, vaardigt de minister vanaf 1 april 2018 een inreisverbod van twintig jaar uit in gevallen waarin een persoon is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf en doet zich hiermee geen ongelijke behandeling van gelijke gevallen voor.
11.5. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
12. Uit wat de Afdeling onder 11.1 tot en met 11.4 heeft overwogen, volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de onder 11 opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Voor het overige roept het beroepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 maart 2025 in zaak nr. 21/4886;
IV. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Ark
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
861
BIJLAGE
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 14
[…]
2. Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:
[…]
b. een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht;
[…]
Wetboek van Strafrecht
Artikel 83
Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:
1º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
2º. elk van de misdrijven waarop ingevolge de artikelen 114a, 114b, 120a, 120b, 130a, 138b, vijfde lid, 176a, 176b, 282c, 289a, 304a, 304b, 354a, tweede lid, 415a en 415b, alsmede artikel 80, derde lid, van de Kernenergiewet gevangenisstraf is gesteld;
3º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 140a, 282b, 285, derde lid, en 288a, alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de economische delicten, artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik en artikel 79 van de Kernenergiewet.
Artikel 83a
Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 27
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en
c. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.
[…]
Artikel 62a
1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:
a. reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,
b. de vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of
c. de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden.
[…]
Artikel 66a
1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:
a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of
[…]
7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:
[…]
b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;
[…]
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.86
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet wegens gevaar voor de openbare orde, indien:
a. de vreemdeling met een verblijfsduur korter dan drie jaar wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, bedoelde norm;
b. de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, bedoelde norm.
[…]
Artikel 6.5a
[…]
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
[…]
g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.
[…]
Artikel 8:68
1. Indien de bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij het heropenen. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.
[…]
Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht
Bijlage 1. Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g)
Tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, kan geen bezwaar worden gemaakt.
[…]
Vreemdelingenwet 2000:
[…]
d. een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, eerste of tweede lid, dat door middel van een zelfstandige beschikking is uitgevaardigd
[…]
Minister J&V mag Nederlanderschap van uitreiziger naar Syrië intrekken
De minister van Justitie en Veiligheid mag toch het Nederlanderschap intrekken van een man met zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit nadat hij was veroordeeld voor terroristische misdrijven. De minister maakt daarmee geen verboden onderscheid naar afkomst of afstamming. Dat volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van vandaag (30 september 2026). De rechtbank Amsterdam kwam eerder nog tot een andere uitspraak.
Uitreiziger
De man is een zogenoemde uitreiziger en sloot zich tussen 2013 en 2015 aan bij verschillende jihadistische terroristische organisaties in Syrië. Bij terugkomst in Nederland werd hij voor terroristische misdrijven veroordeeld tot ruim vijf jaar gevangenisstraf. De man is het niet eens met het intrekkingsbesluit van de minister en kwam daartegen eerder in beroep bij de rechtbank Amsterdam.
Direct onderscheid
De rechtbank oordeelde in maart 2025 dat de minister met het intrekken van het Nederlanderschap van de man een verboden direct onderscheid maakt op basis van afkomst of afstamming. Bij direct onderscheid is sprake van openlijke discriminatie waarbij mensen in vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld en dat verschil rechtstreeks is gebaseerd op een identificeerbare eigenschap of status, zoals afkomst. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de minister met het intrekken van het Nederlanderschap na een veroordeling vanwege terroristische misdrijven geen direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming. In de Rijkswet op het Nederlanderschap staat dat de bevoegdheid van de minister om het Nederlanderschap in te trekken afhankelijk is van een strafrechtelijke veroordeling vanwege terroristische misdrijven. Deze bevoegdheid is neutraal en objectief geformuleerd en is niet afhankelijk van afkomst of nationale of etnische afstamming.
Indirect onderscheid
Maar omdat de minister niet iemand staatloos mag maken door zijn enige nationaliteit in te trekken, kan de minister feitelijk alleen het Nederlanderschap intrekken van mensen met meerdere nationaliteiten. Dit leidt in de praktijk tot een indirect onderscheid ten nadele van Nederlanders met meerdere nationaliteiten die door hun afkomst of nationale en etnische afstamming een andere nationaliteit hebben waar zij geen afstand van kunnen doen, zoals de Marokkaanse nationaliteit. Met indirect onderscheid wordt weliswaar niet openlijk gediscrimineerd, maar leiden neutrale en objectieve criteria in feite tot dat resultaat.
Indirect onderscheid is gerechtvaardigd
Anders dan bij direct onderscheid, kan voor indirect onderscheid dat in de praktijk ontstaat, een rechtvaardiging bestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de minister in dit geval zo’n rechtvaardiging heeft. Het verschil in behandeling moet een legitiem doel dienen en geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn om dat doel te bereiken. De Afdeling bestuursrechtspraak komt in haar uitspraak tot de conclusie dat aan al deze criteria voldaan wordt. Door het plegen van terroristische misdrijven heeft de man zich zodanig tegen de Nederlandse belangen gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Ook wordt de man niet staatloos, omdat hij ook nog de Marokkaanse nationaliteit heeft. Om deze redenen is het intrekken van het Nederlanderschap een geschikt, noodzakelijk en evenredig middel.
Gevolg van de uitspraak
Het intrekkingsbesluit van de minister van Justitie en Veiligheid blijft dus in stand. Dat betekent dat de man zijn Nederlandse nationaliteit definitief heeft verloren. De minister van Asiel en Migratie heeft hem ook opgedragen Nederland te verlaten en een inreisverbod opgelegd. Die besluiten zijn met een andere uitspraak van vandaag ook definitief geworden.