Uitspraak 202304544/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5783
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij twee afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2021 (besluit 1, kenmerk 2021.108 en besluit 2, kenmerk 2021.109) heeft Erasmus MC twee verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van [appellant] gedeeltelijk afgewezen. Op 15 februari 2021 heeft [appellant] op grond van de Wob aan Erasmus MC twee afzonderlijke verzoeken gedaan. Het eerste verzoek (verzoek 1) gaat over documenten die betrekking hebben op onderzoeksvoorstellen, protocollen en verslagen van experimenten gedaan met apen over de periode van 1 januari 2011 tot en met de dag van het verzoek. Het tweede verzoek (verzoek 2) gaat over documenten met betrekking tot de statussen van non-humane primaten die door Erasmus MC als proefdier zijn gehouden. Het gaat daarbij om de aantekeningen als bedoeld in artikel 10 van het Dierproevenbesluit 1985 en artikel 8 van de Dierproevenregeling 2014. Daarbij is van belang dat de informatie is te herleiden tot afzonderlijke apen. Deze stukken worden omschreven als een levensloopdossier, aldus [appellant].
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202304544/1/A3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in woonplaats,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2023 in zaak nr. 22/1732 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad van bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC).
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2021 (besluit 1, kenmerk 2021.108 en besluit 2, kenmerk 2021.109) heeft Erasmus MC twee verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van [appellant] gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft Erasmus MC de door [appellant] tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Erasmus MC heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Erasmus MC heeft stukken ingediend en verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [appellant] is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden stukken uitspraak te doen. [appellant] heeft die toestemming verleend. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en Erasmus MC, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat in Rotterdam, vergezeld door mr. C.R. Veldkamp, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage 1 die deel uitmaakt van deze uitspraak. De tekst van de twee Wob-verzoeken is opgenomen in Bijlagen 2a en 2b die eveneens deel uitmaken van deze uitspraak.
Inleiding
2. Op 15 februari 2021 heeft [appellant] op grond van de Wob aan Erasmus MC twee afzonderlijke verzoeken gedaan. Het eerste verzoek (verzoek 1) gaat over documenten die betrekking hebben op onderzoeksvoorstellen, protocollen en verslagen van experimenten gedaan met apen over de periode van 1 januari 2011 tot en met de dag van het verzoek. Het tweede verzoek (verzoek 2) gaat over documenten met betrekking tot de statussen van non-humane primaten die door Erasmus MC als proefdier zijn gehouden. Het gaat daarbij om de aantekeningen als bedoeld in artikel 10 van het Dierproevenbesluit 1985 en artikel 8 van de Dierproevenregeling 2014. Daarbij is van belang dat de informatie is te herleiden tot afzonderlijke apen. Deze stukken worden omschreven als een levensloopdossier, aldus [appellant].
3. In besluit 1 heeft Erasmus MC het standpunt ingenomen dat verzoek 1 grotendeels overeenkomt met een Wob-verzoek van 10 mei 2016 van de inmiddels overleden partner van [appellant] waarop Erasmus MC al op 6 februari 2020 een besluit, kenmerk: RvB 388568 / 15.42.01D / 16.42.14, heeft genomen. Het gaat om de informatie over de periode januari 2011 tot mei 2016. Erasmus MC heeft daarvoor verwezen naar zijn besluit op bezwaar van 6 februari 2020 dat gaat over het eerdere Wob-verzoek. Met dat besluit zijn 25 onderzoeksdossiers openbaar gemaakt, elk bestaande uit één of meer adviezen van de dierexperimentencommissie (DEC) en een onderzoeksplan. Daarnaast heeft Erasmus MC acht documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt die zien op de periode vanaf mei 2016 tot en met 15 februari 2021. In die documenten zijn de tot personen te herleiden gegevens onleesbaar gemaakt met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Volgens Erasmus MC treedt geen van de medewerkers om wie het gaat vanwege diens functie in de openbaarheid. De exacte locaties waar de proefdieren verblijven en de informatie over zakelijke relaties zijn onleesbaar gemaakt met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Gelet op het risico van dierenrechtenactivisme weegt het belang van openbaarmaking van deze gegevens niet op tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van zijn medewerkers en zakelijke relaties, aldus Erasmus MC.
3.1. In besluit 2 heeft Erasmus MC het standpunt ingenomen dat verzoek 2 ook grotendeels overeenkomt met een eerder Wob-verzoek van 8 februari 2016 van de inmiddels overleden partner van [appellant] waarop Erasmus MC al een besluit heeft genomen. Het gaat eveneens om de documenten uit de periode januari 2011 tot mei 2016. Daarom heeft Erasmus MC voor die documenten verwezen naar zijn besluit op bezwaar 13 februari 2020, kenmerk: RvB 388570 / 16.42.02/03/04, dat gaat over het eerdere Wob-verzoek. Bij dat besluit zijn conform de Dierproevenregeling 2014 geregistreerde regels toegezonden aan de partner van [appellant] alsook de nog niet openbaar gemaakte klinisch veterinaire gegevens over de periode waarop het Wob-verzoek van de partner zag. Dat betreffen de in die periode vastgelegde gegevens per dier per jaar. Daarnaast heeft Erasmus MC nog drie extra documenten geïnventariseerd: de gezondheidscertificaten van acht niet-humane primaten, de levensloopdossiers van acht niet-humane primaten en de veterinaire statussen van 2016 en 2020. Erasmus MC heeft besloten deze documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Volgens Erasmus MC zijn de wetenschappelijke gegevens geen bestuurlijke gegevens en deze vallen daarom niet onder de toepassing van de Wob. Ook in besluit 2 heeft Erasmus MC de tot personen te herleiden gegevens onleesbaar gemaakt met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De exacte locaties waar de proefdieren verblijven en de informatie over zakelijke relaties zijn onleesbaar gemaakt met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Gelet op het risico van dierenrechtenactivisme weegt het belang van openbaarmaking van deze gegevens niet op tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling (van zijn medewerkers), aldus Erasmus MC.
3.2. Met het besluit van 4 februari 2022 heeft Erasmus MC zijn eerdere besluiten gehandhaafd.
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat Erasmus MC met de verwijzing naar de eerdere besluiten op de verzoeken van de partner van [appellant] een besluit heeft genomen over de gevraagde documenten over de periode januari 2011 tot mei 2016. Daarbij mocht Erasmus MC in de besluiten volstaan met een verwijzing naar de motivering in de eerdere besluiten en deze nog steeds van toepassing verklaren, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat Erasmus MC alle gegevens die de anonimiteit van de Non-Technical Project Summaries (NTS), de niet-technische projectsamenvattingen, teniet kunnen doen, met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen weigeren om het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn te verzekeren. De rechtbank is daarom niet toegekomen aan de vraag of de documenten milieu-informatie bevatten.
Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat Erasmus MC voldoende duidelijk heeft toegelicht dat waar het gaat om materiële resultaten en klinische scores, deze gegevens alleen zijn bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek en deze daarom buiten het bereik van het Wob-verzoek vallen. Erasmus MC heeft deze informatie dan ook terecht buiten de besluiten gelaten, aldus de rechtbank.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat Erasmus MC voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij naar documenten heeft gezocht. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om aan te nemen dat niet alle apen zijn meegenomen in de besluiten of dat er meer documenten beschikbaar zijn die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen dan volgt uit de besluiten.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de besluiten zijn genomen door de raad van bestuur van Erasmus MC. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarbij sprake is geweest van vooringenomenheid.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] geen recht heeft op een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten.
Hoger beroep
5. [appellant] heeft zijn hogerberoepsgronden zeer uitvoerig uiteengezet. Uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb volgt niet dat de Afdeling in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De Afdeling zal zich daarom beperken tot de kern. Voor zover [appellant] zo goed als gelijkluidende gronden heeft aangevoerd tegen de weigeringen, waaronder die van de besluiten van 6 en 13 februari 2020, zal de Afdeling deze zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.
I. Heeft Erasmus MC onduidelijkheid gecreëerd?
6. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat Erasmus MC onduidelijkheid heeft gecreëerd door op beide bezwaren slechts één besluit te nemen.
6.1. De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over wat [appellant] heeft aangevoerd over de onduidelijkheid die Erasmus MC volgens hem heeft gecreëerd door slechts één besluit te nemen op twee bezwaarschriften die zijn gericht tegen twee afzonderlijke besluiten. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de Afdeling niet is gebleken dat Erasmus MC onduidelijkheid heeft gecreëerd met deze handelwijze. Erasmus MC heeft in het besluit toegelicht waarom één besluit op bezwaar is genomen, namelijk omdat de Wob-verzoeken gelijktijdig zijn ingediend, de bezwaargronden in beide procedure deels overeenkomen en beide bezwaarschriften ook op de hoorzitting gelijktijdig zijn behandeld. Ook volgt uitdrukkelijk uit het besluit op bezwaar dat daarmee op beide bezwaarschriften is besloten.
6.2. Het betoog slaagt niet.
7. Verder betoogt [appellant] dat Erasmus MC ten onrechte heeft nagelaten duidelijkheid te vragen over welke bezwaargronden hij heeft aangevoerd tegen de eerdere besluiten, die gaan over de informatie over de periode van januari 2011 tot mei 2016. Het besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid, aldus [appellant].
7.1. [appellant] heeft in zijn bezwaarschrift verwezen naar de aangevoerde gronden in de procedures van Deckers en deze gronden beschouwd als ingelast. Erasmus MC heeft in die procedures een standpunt ingenomen over die gronden en in het besluit van 4 februari 2022 daarnaar verwezen. [appellant] heeft in zijn bezwaarschrift en beroepschrift van deze procedure geen redenen aangevoerd waarom dit standpunt onjuist of onvolledig zou zijn. Het had op de weg van [appellant] gelegen om daarover concreet te zijn, als hij van mening is dat het standpunt van Erasmus MC niet klopte of onvolledig was.
7.2. Het betoog slaagt niet.
II. Zijn de besluiten volledig?
8. [appellant] betoogt verder dat Erasmus MC ten onrechte geen besluit heeft genomen op verzoek 2, voor zover daarmee is gevraagd naar informatie over de periode van januari 2011 tot mei 2016. Ook heeft Erasmus MC ten onrechte de eerdere besluiten en de stukken die gaan over deze periode niet verstrekt of verwezen naar de vindplaats daarvan. Het besluit is daarom niet goed gemotiveerd, aldus [appellant]. Verder heeft de rechtbank miskend dat deze besluiten en documenten niet openbaar zijn voor eenieder, maar alleen ten opzichte van de verzoeker. Erasmus MC heeft deze namelijk niet op zijn website gepubliceerd, aldus [appellant].
8.1. Uit de beoordeling van de bezwaargronden die zijn gericht tegen besluit 1 volgt dat Erasmus MC op het Wob-verzoek van [appellant], voor zover dat betrekking heeft op documenten uit de periode januari 2011 tot en met 2016 en daarmee gelijk is aan een eerder ingediend verzoek, niet anders heeft besloten dan in de beslissing op bezwaar die gaat over dat verzoek. Dat betreft het besluit van 6 februari 2020, kenmerk RvB 388568 / 15.42.01D / 16.42.14, waarnaar in besluit 1 ook uitdrukkelijk is verwezen. Voor de beoordeling van de overeenkomende bezwaargrond gericht tegen besluit 2 heeft Erasmus MC volstaan met een verwijzing naar het voorgaande. Erasmus MC heeft daarmee strikt gezien enkel verwezen naar de beslissing op bezwaar van 6 februari 2020. Dit gebrek in de motivering passeert de Afdeling met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het aannemelijk is dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld. De Afdeling is namelijk van oordeel dat Erasmus MC wel degelijk een besluit heeft genomen op verzoek 2 voor zover daarmee is gevraagd om informatie over de periode van januari 2011 tot mei 2016. In besluit 2 wordt immers verwezen naar het besluit op bezwaar van 13 februari 2020.
8.2. Voor zover [appellant] betoogt dat Erasmus MC de informatie van besluiten en documenten niet openbaar zijn voor eenieder, maar alleen voor de verzoeker, overweegt de Afdeling als volgt. Met de besluiten van 2 februari 2020 en 13 februari 2020 is besloten tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van informatie op grond van de Wob. Sindsdien is deze informatie openbaar voor eenieder. Dat Erasmus MC de besluiten en de openbaargemaakte informatie niet op zijn website heeft gepubliceerd, doet daaraan niet af. De Afdeling is verder van oordeel dat Erasmus MC in dit geval heeft mogen volstaan met de verwijzing naar die besluiten zonder daarbij een afschrift te verstrekken. [appellant] heeft immers tijdens de zitting van de rechtbank, en nogmaals tijdens de zitting van de Afdeling, laten weten dat hij bekend was met deze besluiten en de openbaar gemaakte documenten.
8.3. Het betoog slaagt niet.
9. [appellant] betoogt verder dat niet alle op de bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebbende stukken bij de besluiten zijn verstrekt. Hij wijst daarbij op het aanvraagformulier vergunning dierproef, bijlagen 1 en 3 van het projectvoorstel en de veiligheidsbijlage in document 7 van besluit 1. Ook zijn alle documenten met betrekking tot de verslagen van de dierproeven en de klinische scores ten onrechte niet bij de besluiten betrokken. Volgens van Steijn zijn deze verslagen en klinische scores niet slechts met een wetenschappelijk oogmerk opgesteld. De verslagen zijn volgens [appellant] nodig ter verantwoording van de verstrekte vergunning tot het verrichten van dierproeven en de klinische scores moeten worden geregistreerd op grond van een wettelijke verplichting. Tot slot voert [appellant] aan dat Erasmus MC deze stukken ten onrechte niet op de inventarislijst heeft geplaatst.
9.1. In het besluit op bezwaar heeft Erasmus MC toegelicht dat het aanvraagformulier een formulier is waarin administratieve gegevens worden aangeleverd bij het indienen van een projectvoorstel bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Volgens Erasmus MC bevat dit formulier geen concrete informatie over 'experimenten met apen' waar in het Wob-verzoek om is gevraagd. Het aanvraagformulier is om die reden niet verstrekt, aldus Erasmus MC.
9.2. De Afdeling is van oordeel dat Erasmus MC met deze uitleg een onjuiste en te beperkte invulling heeft gegeven aan het verzoek van [appellant]. [appellant] heeft met verzoek 1 gevraagd om documenten die gaan over of betrekking hebben op onderzoeksvoorstellen, protocollen en verslagen van experimenten gedaan met apen. Ook heeft hij uitdrukkelijk gevraagd om eventuele aanvragen. Uit de bewoordingen van verzoek 1 volgt dan ook dat [appellant] zijn verzoek niet heeft willen beperken tot documenten met daarin concrete informatie over experimenten met apen. Erasmus MC heeft dan ook ten onrechte het aanvraagformulier niet bij de besluitvorming betrokken. Dit geldt ook voor de veiligheidsbijlage in document 7 van besluit 1. Zoals [appellant] terecht aanvoert, maakt deze bijlage onderdeel uit van het werkprotocol van dit project en heeft dus betrekking op de daartoe horende dierproeven met apen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt in zoverre.
9.3. De Afdeling is verder van oordeel dat Erasmus MC zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bijlagen 1 en 3 van het project buiten de reikwijdte van de verzoeken van [appellant] vallen. Uit het document ‘Format Projectvoorstel dierproeven’, document 1 bij besluit 1, is af te leiden dat bijlage 1 alleen gaat over proeven met knaagdieren, konijnen en fretten en bijlage 3 alleen gaat over proeven met muizen, konijnen en/of kippen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
9.4. Wat betreft de verslagen van dierproeven overweegt de Afdeling als volgt.
9.4.1. Erasmus MC heeft in het besluit van 4 februari 2022 toegelicht dat de verslagen van dierproeven die in het kader van de onderhavige onderzoeksdossiers zijn opgesteld, uitsluitend met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en daarom buiten de reikwijdte van de Wob vallen. Het gaat volgens Erasmus MC alleen om materiële onderzoeksresultaten en klinische scores. Verder zijn er geen verslagen van de dierproeven of een eindverslag van het project, aldus Erasmus MC.
9.4.2. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1079).
9.4.3. De mededeling van Erasmus dat er alleen materiële onderzoeksgegevens en klinische scores en verder geen andere verslagen van de dierproeven zijn, acht de Afdeling niet ongeloofwaardig. Er bestaat immers geen wettelijke plicht om verslagen van dierproeven te maken ter verantwoording van de vergunning. Wel moeten, eerst op grond van artikel 10, zesde lid, van het Dierproevenbesluit 1985 en sinds eind 2014 op grond van artikel 12 van het Dierproevenbesluit 2014, bepaalde gegevens worden bijgehouden. Deze gegevens zijn aan [appellant] verstrekt. Verder moeten projecten waarbij niet-menselijke primaten worden gebruikt en projecten die als ernstig ingedeelde dierproeven omvatten of een dierproef die leidt tot ernstige mate van pijn, lijden, angst of blijvende schade die waarschijnlijk langdurig zal zijn en niet kan worden verzacht, op grond van artikel 10a1, derde lid, van de Wet op de dierproeven, achteraf worden beoordeeld. Dat deze beoordeling er nog niet was ten tijde van het onderzoek, omdat het project nog niet was afgelopen, acht de Afdeling aannemelijk. De projectvergunning is immers verleend voor het tijdvak 5 juli 2018 tot en met 30 juni 2023. De beide Wob-verzoeken dateren van voor het einde van dat tijdvak. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten onder Erasmus MC berusten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen.
9.4.4. Verder heeft de Afdeling eerder overwogen dat het begrip 'bestuurlijke aangelegenheid', gelet op het doel van de Wob, ziet op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Het betreft niet alleen het externe optreden van het bestuur, maar ook de interne organisatie. Onderzoeksgegevens die bij de uitvoering van een wetenschappelijke taak van een bestuursorgaan louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en geen betrekking hebben op de bestuursvoering van het bestuur, betreffen echter geen bestuurlijke aangelegenheid (uitspraken van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321 en ECLI:NL:RVS:2018:322). Dat gegevens met louter een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en op zichzelf niet zien op de bestuursvoering van dat bestuursorgaan, laat onverlet dat dergelijke gegevens wel onlosmakelijk kunnen zijn verweven met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. In dat geval hebben die gegevens wel betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid, vallen die gegevens onder de werking van de Wob en kan de openbaarmaking daarvan uitsluitend met toepassing van de artikelen 10 en 11 van de Wob worden geweigerd. Dit heeft de Afdeling eerder overwogen in de uitspraak van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3813. In diezelfde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in het geval van Erasmus MC het faciliteren van dierproeven een bestuurlijke aangelegenheid is, omdat Erasmus MC een bestuursorgaan is en het dierproeven faciliteert in het kader van zijn taakuitoefening.
Informatie over het faciliteren van dierproeven moet evenwel worden onderscheiden van onderzoeksgegevens die bij het uitvoeren van een dierproef alleen met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen. Dit betekent dat de resultaten van de dierproeven, dus de materiele onderzoeksgegevens en klinische scores, geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid en daarom buiten de toepassing van de Wob vallen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
9.5. Het betoog slaagt deels, gelet op wat is overwogen onder 9.2.
III. Heeft Erasmus MC op juiste gronden informatie onleesbaar gemaakt?
10. Erasmus MC heeft informatie geweigerd met toepassing van een aantal uitzonderingsgronden van de Wob. [appellant] heeft daartegen drie hogerberoepsgronden aangevoerd.
10.1. [appellant] betoogt dat Erasmus MC ten onrechte heeft geweigerd om de namen van personen die wegens hun functie in de openbaarheid treden openbaar te maken. Hij wijst hierbij op de naam van de persoon die de projectvergunningaanvraag heeft ondertekend. Volgens [appellant] mag een dergelijke aanvraag alleen worden ondertekend door een persoon die daartoe bevoegd is. Die bevoegdheid moet gecontroleerd kunnen worden. Ook de naam van het hoofd van het Erasmus Dierproef Centrum is volgens [appellant] ten onrechte geweigerd. Deze persoon treedt met grote regelmaat in deze functie in de openbaarheid, zoals bijvoorbeeld in de media, publicaties en in beroepsprocedures, aldus [appellant].
10.2. Ook betoogt [appellant] dat Erasmus MC ten onrechte met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob openbaarmaking van de naam van de dierexperimentencommissie (DEC) heeft geweigerd. Erasmus MC heeft deze informatie geweigerd openbaar te maken uit vrees voor dierenrechtenactivisme. Hij heeft hier onder meer artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob aan ten grondslag gelegd. Volgens [appellant] is deze vrees onterecht. Erasmus MC heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bedreigingen heeft ontvangen. Ook volgt uit rapportages van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat dierenrechtenactivisme al jaren geen grote dreiging meer vormt.
10.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Erasmus MC de openbaarmaking mocht weigeren van de namen van leveranciers van proefdieren en van de locaties waar dierproeven worden gehouden en waar de proefdieren worden gehuisvest. Hij voert daartoe aan dat de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2022, waarnaar de rechtbank verwijst, in deze situatie niet opgaat, omdat deze uitspraken alleen gaan over de vraag of de toezichthouder informatie uit een projectdossier openbaar mag maken. Vergunninghouders zoals Erasmus MC kunnen zich niet beroepen hierop, aldus [appellant]. Bovendien zijn deze gegevens, volgens [appellant], milieu-informatie in de zin van artikel 19.1a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer (emissiegegevens). De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen oordeel gegeven over de vraag of het gaat om emissiegegevens, waarvan, gelet van op artikel 10, vierde en zesde lid, van de Wob, openbaarmaking niet mag worden geweigerd met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob.
10.4. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3973 en ECLI:NL:RVS:2022:3980, geoordeeld dat Erasmus MC op juiste gronden informatie heeft geweigerd over de namen van zijn medewerkers, de naam van de betrokken DEC en de locaties waar dierproeven worden gehouden en proefdieren worden gehuisvest. In deze uitspraken heeft de Afdeling onder verwijzing naar artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn geoordeeld dat geen informatie openbaar mag worden gemaakt die de anonimiteit van de NTS opheft.
10.5. Artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn gaat over de verplichting voor lidstaten om de NTS van projecten met dierproeven te publiceren. In het eerste lid van artikel 43 staat dat de NTS van een project anoniem is en dat deze geen namen en adressen van de gebruiker (vergunninghouder) en zijn personeel bevat. Uit de achtergrond van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn volgt dat het garanderen van die anonimiteit in het belang is van de veiligheid van de vergunninghouder, zijn personeel en zijn eigendommen.
De door Erasmus MC ingeroepen gronden voor weigering van openbaarmaking van de namen van zijn medewerkers, de naam van de betrokken DEC en de locaties waar dierproeven worden gehouden en proefdieren worden gehuisvest, zijn in lijn met deze belangen. Dat maakt dat deze gronden uit de Wob richtlijnconform kunnen en moeten worden uitgelegd om het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn te verzekeren.
Omdat toepassing van de Wob er dus niet toe mag leiden dat het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn verloren gaat, betekent dit dat er op grond van de Wob geen informatie openbaar mag worden gemaakt die de anonimiteit van de NTS opheft of ertoe kan leiden dat de NTS is te herleiden tot de vergunninghouder of zijn personeel. Hieronder vallen naast de namen van de betrokken medewerkers, ook de naam van de aanvrager van de vergunning, de naam (en de leden) van de dierexperimentencommissie (DEC), zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:440), en de locatiegegevens van de vergunninghouder. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Erasmus MC een zwaarder gewicht mocht toekennen aan de belangen die worden genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob dan aan het belang van openbaarmaking.
Dat volgens [appellant] de bedoelde rechtspraak is gericht aan de toezichthouder op dierproeven, maakt dit niet anders. Als deze lijn niet ook zou gelden voor de vergunninghouders zelf, zou deze rechtspraak illusoir zijn.
Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vraag of de projectvergunningsdossiers milieu-informatie bevatten, niet hoeft te worden beantwoord, omdat openbaarmaking van de gevraagde informatie, ook als dat milieu-informatie zou zijn, moest worden geweigerd.
Namen van leveranciers van de proefdieren
10.6. Over de namen van de leveranciers van de proefdieren overweegt de Afdeling als volgt. Deze gegevens vallen niet onder de gegevens die geheim moeten blijven om het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn te waarborgen, omdat dit geen gegevens zijn die tot de vergunninghouder of zijn personeel te herleiden zijn. Ook elders in die Dierproevenrichtlijn wordt geen beschermingsregime gegeven voor gegevens van leveranciers. De Afdeling beoordeelt daarom of Erasmus MC deze informatie om andere redenen redelijkerwijs heeft kunnen weigeren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Gelet op wat [appellant] hierover heeft aangevoerd, beoordeelt de Afdeling eerst of de naam van de leverancier van proefdieren in dit geval emissiegegevens zijn.
Zijn de namen van de leveranciers emissiegegevens?
10.6.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onder g, van de Wob wordt onder milieu-informatie verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer (Wmb). Op grond van artikel 19.1.a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmb wordt onder emissiegegevens verstaan: alle informatie, neergelegd in documenten, over: factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a van dat artikel bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten.
10.6.2. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4557, volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het begrip milieu-informatie een ruime betekenis heeft. Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 26 juni 2003, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2003:371, punt 44. Uit de arresten van het Hof van 23 november 2016, Bayer CropScience, ECLI:EU:C:2016:890 en Commissie/ACC, ECLI:EU:C:2016:889, volgt dat onder de begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" niet alleen gegevens moeten worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen, maar ook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu alsook de gegevens die het publiek in staat stellen te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door het bestuursorgaan juist is. De begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" mogen niet restrictief worden uitgelegd. Het Hof heeft deze rechtspraak nogmaals bevestigd in het arrest van 20 maart 2025, Sumitomo, ECLI:EU:C:2025:195, punt 92. In punt 95 van dat arrest overweegt het Hof verder: "Informatie die geen betrekking heeft op de emissies van het betrokken product of de betrokken stof in het milieu, en gegevens over hypothetische emissies, dat wil zeggen emissies die niet daadwerkelijk of voorzienbaar plaatsvinden in omstandigheden die met normaal of realistisch gebruik overeenstemmen, zijn daarentegen uitgesloten.
10.6.3. Erasmus MC heeft zich op het standpunt gesteld dat de namen van de leveranciers van de proefdieren niet zijn aan te merken als emissiegegevens. Het verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1425). Deze verwijzing kan in dit geval evenwel niet opgaan, omdat het in die zaak ging over de vraag of de vergunningen van een handelaar van in gevangenschap gefokte en gehouden apen, die uitsluitend voor medische dan wel wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, milieu-informatie bevatten. Het verzoek van [appellant] gaat over informatie over het gebruik van proefdieren door Erasmus MC. Dat is andersoortige informatie dan waarover het ging in de uitspraak van 9 oktober 2013.
In de informatie die nu in geschil is, komen ook namen voor van leveranciers van proefdieren. De Afdeling stelt voorop dat de naam van een leverancier van proefdieren op zichzelf geen emissiegegeven is. De naam van de leverancier kan wel een emissiegegeven zijn, als deze nodig is om het publiek in staat stellen te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door het bestuursorgaan juist is. Dat is in dit geval niet aan de orde, omdat ook de overige informatie in de documenten waarin de naam van de leverancier van de proefdieren voorkomt, geen emissiegegevens bevat over de betrokken proefdieren. In dit geval zegt de naam van de leverancier van de proefdieren dus alleen iets over de herkomst van de proefdieren. De naam van de leverancier heeft geen betrekking op de eventuele emissies van de betrokken proefdieren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:607.
Vrees voor dierenactivisme
10.7. Hoewel niet noodzakelijk is dat aannemelijk wordt gemaakt dat een concreet bedrijf onevenredige gevolgen van de openbaarmaking zal ondervinden, is de enkele vrees daarvoor ook niet voldoende om te kunnen concluderen dat openbaarmaking van bedrijfsnamen daadwerkelijke schade zal toebrengen aan de met de geheimhouding van de bedrijfsnamen gediende belangen. Daartoe moet het bestuursorgaan aan de hand van nadere concrete gegevens aannemelijk maken dat in Nederland (nog altijd) sprake is van een actuele dreiging van extremistische acties vanuit dierenrechtenactivisten.
10.8. De Afdeling is van oordeel dat Erasmus MC daarin niet is geslaagd. Om de vrees voor dierenrechtenactivisme te motiveren heeft Erasmus MC alleen verwezen naar niet-actuele informatie of informatie die algemeen van aard is. Zo heeft zij verwezen naar een overzicht van International Security Partners, maar dit rapport ziet op een periode van 2008 tot en met 2016. Daarnaast heeft Erasmus MC erop gewezen dat in het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum ‘Krachtig lerende netwerken’ van oktober 2020 dierenactivisme als een prominente focus naar voren wordt gebracht. Hieruit kan alleen worden afgeleid dat er gefocust wordt op het actualiseren van kennis over dierenrechtenactivisme, maar daaruit volgt niet dat er een concrete dreiging bestaat. Ook heeft Erasmus MC tijdens de zitting van de Afdeling gewezen op het Europol-rapport ‘European Union Terrorism Situation and Trend report 2025’ (EU TE-SAT). Uit dit rapport volgt dat er in 2024 in Europa weliswaar een aantal terroristische aanvallen met dierenrechtenactivisme als motief hebben plaatsgevonden, maar geen van die aanvallen was in Nederland. Ook deze verwijzing is daarom niet concreet genoeg om aannemelijk te achten dat in Nederland sprake is van een actuele dreiging van extremistische acties vanuit dierenrechtenactivisme. Tot slot, de informatie van de AIVD en NCTV, waarnaar Erasmus MC heeft verwezen, betreft informatie die alleen gaat over links extremisme in algemene zin. Daarin wordt in het geheel niets gezegd over dierenrechtenactivisme. Deze verwijzingen zijn daarom ook niet concreet genoeg. Erasmus MC heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de betrokken leveranciers van proefdieren zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
10.9. Het betoog slaagt.
IV. Proceskosten in bezwaar
11. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat besluit 1 niet is herroepen, zodat hij geen recht heeft op vergoeding van zijn kosten in bezwaar. Hij voert hiertoe aan dat Erasmus MC informatie die het eerst ten onrechte heeft geweigerd in bezwaar alsnog openbaar heeft gemaakt. Ook voert [appellant] aan dat Erasmus MC in het primaire besluit in strijd met rechtspraak van de Afdeling niet heeft genoemd dat de NTS van de projectvergunning al openbaar is. Daartegen heeft [appellant] een bezwaargrond aangevoerd. Het feit dat dit in het besluit op bezwaar is hersteld, maakt dat het bezwaar gegrond verklaard had moeten worden, aldus [appellant].
11.1. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
11.2. Vaststaat dat met het besluit op bezwaar van 4 februari 2022 Erasmus MC besluiten 1 en 2 niet heeft herroepen. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of Erasmus MC dit wel had moeten doen. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend. Erasmus MC heeft in het besluit op bezwaar erkend dat met besluit 1 ten onrechte in een tabel op pagina 1 van document 7, met een verwijzing naar artikel 10, tweede lid aanhef en onder e van de Wob, te veel informatie onleesbaar is gemaakt. De Afdeling is van oordeel dat dit een onrechtmatigheid is die aan Erasmus MC is te wijten. Omdat Erasmus MC niet voor iedere geweigerde passage een eigen motivering heeft gegeven, moet het in eerste instantie onleesbaar maken van de betreffende informatie worden aangemerkt als een weigering om informatie openbaar te maken. Door deze informatie met het besluit op bezwaar alsnog openbaar te maken, heeft Erasmus MC in zoverre besluit 1 herroepen. Dat het aanvankelijk onleesbaar maken van deze informatie op een vergissing zou berusten, doet hieraan niet af. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL5347).
11.3. Het noemen van de NTS in bezwaar is enkel een verbetering van de motivering. De NTS is immers naar zijn aard al openbaar. De beslissing om informatie deels te weigeren is in zoverre dus terecht in stand gebleven.
11.4. Gelet op wat is overwogen onder 11.2, slaagt het betoog.
V. Transparantieovereenkomst
12. Tot slot betoogt [appellant] dat Erasmus MC aan de door zijn ondertekende transparantieovereenkomst dierproeven in Nederland gehouden moet worden. In die overeenkomst worden veel toezeggingen gedaan over meer openbaarheid over het gebruik van proefdieren in onderzoek. Deze publieke verklaring van Erasmus MC strookt niet met het bij de rechtbank bestreden besluit van 4 februari 2022, aldus [appellant].
12.1. De transparantieovereenkomst waarnaar [appellant] verwijst is een private overeenkomst tussen uitvoerders, financiers en andere ondersteuners van dierproeven. De overeenkomst omvat vier toezeggingen waarmee meer transparantie over dierproeven wordt betracht. Deze toezeggingen zeggen niets over toepassing van de Wob. De Afdeling is daarom van oordeel dat wat van Steijn hierover heeft aangevoerd, niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
12.2. Het betoog slaagt niet.
Slotsom
13. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 4 februari 2022 vernietigen. De Afdeling zal Erasmus MC opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van [appellant]. De Afdeling zal daarvoor een termijn geven. Ook zal de Afdeling bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij haar kan worden ingesteld. Op het nieuw te nemen besluit is de Wet open overheid van toepassing.
14. Erasmus MC moet de proceskosten voor het beroep en hoger beroep vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
15. [appellant] verzoekt op grond van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden om een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
15.1. In zaken als deze, die uit twee rechterlijke instanties bestaan, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als de totale duur van de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De minister heeft de bezwaarschriften van [appellant] ontvangen op 25 augustus 2021. Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn is overschreden met ruim één jaar en één maand. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de Afdeling.
15.2. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe.
16. De Staat moet de proceskosten vergoeden van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2023 in zaak nr. 22/1732;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 4 februari 2022, kenmerk RvB 399553/2021.108, 2021.109;
V. draagt de raad van bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het door de raad van bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;
VII. veroordeelt de raad van bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de raad van bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt;
IX. veroordeelt de Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant] van € 1500,00;
X. veroordeelt de Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
1072
BIJLAGE 1
Wettelijk kader
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
g. milieu-informatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer.
Artikel 10
[…]
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.
4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.
[…]
6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.
7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.
8. Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.
Wet milieubeheer
Artikel 19.1a
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:
a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;
b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;
[…]
Dierproevenrichtlijn (Richtlijn 2010/63/EU)
Artikel 43: Niet-technische samenvatting van het project
1. Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigen dom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens:
a) informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
b) het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan.
De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel.
[…]
BIJLAGE 2A: verzoek 1
"Op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur, verzoek ik u om toezending van documenten die gaan over of betrekking hebben op onderzoeksvoorstellen, protocollen en verslagen van experimenten gedaan met apen over de periode van 1 januari 2011 tot en met heden.
Met "documenten" bedoel ik niet alleen afschriften van klassieke papieren gegevensdragers, maar onder andere ook op digitale bestanden, elektronische mail berichten, foto's, computerbestanden, audio- en videodragers, databases enzovoort. Bij "documenten" denk ik bijvoorbeeld aan aanvragen, besluiten (vergunningen, ontheffingen, certificaten etc.), correspondentie (brief en/of fax en/of e-mail), (gespreks/inspectie) verslagen, adviezen, memo's, notities, samenvattingen, notulen, rapportages, studies, onderzoeksrapporten, controles, evaluaties, communicatie of anderszins gewisselde documenten. Het gaat mij om alle versies, zoals bij of onder u aanwezig.
Indien u besluit documenten te weigeren dan verzoek ik u subsidiair om een ambtelijk beperkte versie en meer subsidiair een samenvatting. Voorts verzoek ik u eventuele weigeringen per document en per passage deugdelijk te motiveren. Daar waar documenten zich niet bij of onder u bevinden, verzoek ik u om een spoedige doorgeleiding van dit verzoek. Mocht dat het geval zijn, dan ontvang ik daar graag een afschrift van. Ik verzoek u de gevraagde informatie digitaal, per email te sturen aan [email protected]. Ik heb gepoogd dit verzoek zo duidelijk mogelijk te formuleren. Indien u onverhoopt nog vragen heeft ten aanzien van dit verzoek, ben ik gaarne bereid die te beantwoorden.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur verwacht ik een beslissing omtrent dit verzoek alsmede de gevraagde informatie te ontvangen uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van deze brief."
BIJLAGE 2B: verzoek 2
"Op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur, verzoek ik u om toezending van documenten die gaan over of betrekking hebben op de statussen van non-humane primaten die door u als proefdier zijn gehouden. Het gaat daarbij om de aantekeningen als bedoeld in art. 10 van het Dierproevenbesluit 1985 en art. 8 van de Dierproevenregeling 2014. Daarbij is van belang dat deze informatie te herleiden is op afzonderlijke apen. Deze stukken worden ook wel omschreven als een levensloopdossier (art. 8 lid 2 Dierproevenbesluit 2014).
Het gaat om informatie over de periode van 1 januari 2011 tot en met heden.
Met "documenten" bedoel ik niet alleen afschriften van klassieke papieren gegevensdragers, maar onder andere ook op digitale bestanden, elektronische mail berichten, foto's, computerbestanden, audio- en videodragers, databases enzovoort. Bij "documenten" denk ik bijvoorbeeld aan aanvragen, besluiten (vergunningen, ontheffingen, certificaten etc.), correspondentie (brief en/of fax en/of e-mail), (gespreks/inspectie) verslagen, adviezen, memo's, notities, samenvattingen, notulen, rapportages, studies, onderzoeksrapporten, controles, evaluaties, communicatie of anderszins gewisselde documenten. Het gaat mij om alle versies, zoals bij of onder u aanwezig.
Indien u besluit documenten te weigeren dan verzoek ik u subsidiair om een ambtelijk beperkte versie en meer subsidiair een samenvatting. Voorts verzoek ik u eventuele weigeringen per document en per passage deugdelijk te motiveren.
Daar waar documenten zich niet bij of onder u bevinden, verzoek ik u om een spoedige doorgeleiding van dit verzoek. Mocht dat het geval zijn, dan ontvang ik daar graag een afschrift van. Ik verzoek u de gevraagde informatie digitaal, per email te sturen aan [email protected]. Ik heb gepoogd dit verzoek zo duidelijk mogelijk te formuleren. Indien u onverhoopt nog vragen heeft ten aanzien van dit verzoek, ben ik gaarne bereid die te beantwoorden.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur verwacht ik een beslissing omtrent dit verzoek alsmede de gevraagde informatie te ontvangen uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van deze brief."