Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406400/1/A3

Uitspraak 202406400/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5018
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 maart 2023 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen een verzoek om rectificatie van persoonsgegevens afgewezen. [appellante] heeft een rectificatieverzoek ingediend om een rapport van een verzekeringsarts van 17 januari 2023 aan te passen. Het UWV heeft het rectificatieverzoek afgewezen, omdat niet is gebleken van onjuistheden of onvolledigheden in het rapport. Het rectificatieverzoek heeft het UWV als patiëntverklaring toegevoegd aan het medisch dossier. Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het UWV zijn besluit gehandhaafd. [appellante] betoogt dat haar rectificatieverzoek beoordeeld had moeten worden door een verzekeringsarts. Dit volgt volgens haar uit artikel 10 van het Reglement Behandeling bezwaarschriften UWV 2022 (het Reglement). Bovendien heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte geoordeeld dat het UWV het rectificatieverzoek mocht afwijzen, omdat uit een medisch rapport uit 2011 blijkt dat het rapport van 15 augustus 2012 onjuistheden bevat.
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406400/1/A3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 september 2024 in zaak nr. 23/5395 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2023 heeft het UWV een verzoek om rectificatie van persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit 12 juni 2023 heeft het UWV het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:15569) heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het UWV heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellante], en het UWV, vertegenwoordigd door mr. J. van Riet, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] heeft een rectificatieverzoek ingediend om een rapport van een verzekeringsarts van 17 januari 2023 aan te passen. Het gaat volgens haar om de volgende onjuistheden:

- in het rapport van 17 januari 2023 staat een citaat uit een rapport van een verzekeringsarts van 15 augustus 2012 dat zij was behandeld met Ritalin en zich erg goed voelt;

- dat zij in de periode 16 december 2013 tot 19 september 2018 niet is gezien door een verzekeringsarts van het UWV en dat er, kortgezegd, over die periode geen informatie beschikbaar is over de beperkingen die ADHD zou opleveren en er daarom geen betrouwbare beoordeling van de belastbaarheid gegeven kan worden.

1.1.    Het UWV heeft het rectificatieverzoek afgewezen, omdat niet is gebleken van onjuistheden of onvolledigheden in het rapport. Het rectificatieverzoek heeft het UWV als patiëntverklaring toegevoegd aan het medisch dossier. Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het UWV zijn besluit gehandhaafd.

1.2.    De rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten.

Hoger beroep

2.       [appellante] betoogt dat haar rectificatieverzoek beoordeeld had moeten worden door een verzekeringsarts. Dit volgt volgens haar uit artikel 10 van het Reglement Behandeling bezwaarschriften UWV 2022 (het Reglement). Bovendien heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte geoordeeld dat het UWV het rectificatieverzoek mocht afwijzen, omdat uit een medisch rapport uit 2011 blijkt dat het rapport van 15 augustus 2012 onjuistheden bevat.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluiten van 3 maart 2023 en 12 juni 2023 bevoegdelijk zijn genomen heeft [appellante] op de zitting ingetrokken. Deze behoeft daarom geen bespreking meer.

Beoordeling hoger beroep

3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 tot en met 6.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

3.1.    Artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geeft de betrokkene het recht tot correctie of aanvulling als persoonsgegevens onjuist of onvolledig zijn. Deze onjuistheden moeten eenvoudig en objectief zijn vast te stellen. Bovendien is het recht tot rectificatie niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5083. Het recht op rectificatie houdt ook geen recht in op aanvulling van documenten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2642.

3.2.    Op de zitting is gebleken dat het [appellante] er voornamelijk om te doen is dat een verzekeringsarts naar aanleiding van haar rectificatieverzoek op grond van artikel 10 van het Reglement inhoudelijk had moeten beoordelen of de medische aspecten in het rapport van 17 januari 2023 juist zijn. Op grond van dat artikel vindt de beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar plaats door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is. Maar in dit geval gaat het om een gespreksverslag van een verzekeringsarts, waarin de arts heeft weergegeven wat volgens hem is besproken met - en gezegd door [appellante]. Deze weergave van het gesprek heeft [appellante] niet concreet gemotiveerd betwist. Dat betekent dat het gespreksverslag niet voor rectificatie in aanmerking komt, omdat het recht tot rectificatie niet bedoeld is om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen (zie de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025).

3.3.    Wat betreft de passage uit het rapport van 15 augustus 2012 is het volgende van belang. [appellante] heeft ook een rectificatieverzoek ingediend voor dit rapport uit 2012 en over onder meer deze passage. In de procedure daarover heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank in die zaak terecht tot het oordeel is gekomen dat het UWV het rectificatieverzoek op goede gronden heeft afgewezen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4930. Dat betekent dat de rechtbank ook in deze zaak terecht heeft geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek om het rapport van een verzekeringsarts van 17 januari 2023 hierop aan te passen op goede gronden berust.

3.4.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het UWV het rectificatieverzoek op goede gronden heeft afgewezen.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

5.       Het UWV hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Langeveld
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

317-1146


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon