Uitspraak 202505282/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4869
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het definitief plaatsingsplan "Besluit tot het opheffen van een afvalinzamellocatie in de Bloemenbuurt" vastgesteld. In het besluit heeft het college locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). Zo ook de locatie [kenmerk A], ter hoogte van de [locatie]. Verder heeft het college in het besluit onder andere de locatie [kenmerk B], schuin tegenover de aangewezen locatie, opgeheven. Op deze locatie stond voor de vaststelling van het plaatsingsplan één ORAC. De uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van het plaatsingsplan zijn inmiddels afgerond. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie] en zijn het om verschillende redenen niet eens met het plaatsingsplan. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de locatie [kenmerk A] niet geschikt is voor het plaatsen van ORAC’s. Ten eerste omdat afvalcontainers op die locatie tot verkeersonveilige situaties zullen leiden. Ter onderbouwing hiervan wijzen zij erop dat het voorkomt dat het inzamelvoertuig tegen het eenrichtingsverkeer de Latherusstraat in rijdt. Ook komt het volgens [appellant A] en [appellant B] voor dat het inzamelvoertuig op het kruispunt Latherusstraat/Ribesstraat moet steken.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202505282/1/R1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Amsterdam,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2025 heeft het college het definitief plaatsingsplan "Besluit tot het opheffen van een afvalinzamellocatie in de Bloemenbuurt" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant A] en [appellant B] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2026, waar [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. van Ee en D. Post, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In het besluit heeft het college locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). Zo ook de locatie [kenmerk A], ter hoogte van de [locatie]. Verder heeft het college in het besluit onder andere de locatie [kenmerk B], schuin tegenover de aangewezen locatie, opgeheven. Op deze locatie stond voor de vaststelling van het plaatsingsplan één ORAC. De uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van het plaatsingsplan zijn inmiddels afgerond. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie] en zijn het om verschillende redenen niet eens met het plaatsingsplan.
Toetsingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
Goede procesorde
3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een door [appellant A] en [appellant B] ingediend nader stuk zeer omvangrijk is en te kort voorafgaand aan de zitting is ingediend. Volgens hem moet dat stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.
3.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
3.2. Het nadere stuk waar het college op doelt, is ingediend op 25 juni 2026 en voor de tiendagentermijn ontvangen en doorgezonden aan het college. Naar het oordeel van de Afdeling is dit stuk bovendien niet zo omvangrijk dat voor het college onvoldoende mogelijkheid resteerde om zich daar op de zitting inhoudelijk over uit te laten. In dat verband betrekt de Afdeling dat het college zich er op de zitting en met de reactie van 3 juli 2026 inhoudelijk over uit heeft gelaten. Ook hoeft de zaak niet te worden aangehouden omdat ook de Afdeling voldoende tijd heeft gehad om kennis te nemen van het stuk van [appellant A] en [appellant B] en daarom niet belemmerd is in haar voorbereiding.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen reden om het stuk buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.
Intrekking argument
4. [appellant A] en [appellant B] hebben op de zitting hun argument dat de locatie [kenmerk A] niet geschikt is voor het plaatsen van ORAC’s, omdat de wijze van uitvoering invloed zal hebben op de fundering, ingetrokken.
Onzorgvuldigheid bij besluitvorming en bekendmaking
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het besluit. Ter onderbouwing hiervan voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat zij een brief met daarin het besluit pas hebben ontvangen nadat de uitvoeringswerkzaamheden waren gestart. Dit terwijl zij deze brief vóór het starten van de uitvoeringswerkzaamheden hadden moeten ontvangen.
Ook wijzen zij erop dat het college bij het nemen van het besluit niet tijdig onderzoek heeft gedaan naar de geschiktheid van de locatie [kenmerk A]. Dit omdat pas na het nemen van het besluit is beoordeeld of er voldoende ruimte was voor de plaatsing.
5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het besluit. Zo is het definitieve besluit op 26 september 2025 bekendgemaakt.
5.2. Over het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat zij ten onrechte pas nadat de uitvoeringswerkzaamheden waren gestart een brief met daarin het besluit hebben ontvangen, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling begrijpt dat het voor [appellant A] en [appellant B] erg vervelend is dat zij de brief pas hebben ontvangen nadat de werkzaamheden al waren begonnen. Deze beroepsgrond gaat echter over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Het besluit was daarvoor al genomen en juist bekend gemaakt en dus in werking getreden. Ook hebben [appellant A] en [appellant B] tijdig beroep ingesteld. Deze mogelijke onregelmatigheid van na het bestreden besluit kan dus geen reden zijn om dat besluit onrechtmatig te vinden.
5.3. Over het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het college bij het nemen van het besluit onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geschiktheid van de locatie [kenmerk A], overweegt de Afdeling het volgende. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat het college pas ná het nemen van het besluit heeft beoordeeld of er, wegens bestaande ondergrondse kabels en leidingen, voldoende ruimte was voor de plaatsing op de locatie. Het college heeft dit klaarblijkelijk niet gedaan vóór het nemen van het besluit. Gelet hierop heeft het college bij het nemen van het besluit onvoldoende onderzoek gedaan naar de geschiktheid van de locatie [kenmerk A] direct voor de woning van [appellant A] en [appellant B].
Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college het besluit heeft voorbereid in strijd met de vereiste zorgvuldigheid.
Het betoog slaagt.
Geschiktheid - verkeersveiligheid en bijplaatsen van vuil
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de locatie [kenmerk A] niet geschikt is voor het plaatsen van ORAC’s. Ten eerste omdat afvalcontainers op die locatie tot verkeersonveilige situaties zullen leiden. Ter onderbouwing hiervan wijzen zij erop dat het voorkomt dat het inzamelvoertuig tegen het eenrichtingsverkeer de Latherusstraat in rijdt. Ook komt het volgens [appellant A] en [appellant B] voor dat het inzamelvoertuig op het kruispunt Latherusstraat/Ribesstraat moet steken.
Ten tweede is de locatie volgens hen niet geschikt omdat het plaatsen van afvalcontainers tot gevolg heeft dat er vuil naast de afvalcontainers wordt geplaatst, wat tot gevolg heeft dat na het legen van de containers glasscherven en restmaterialen blijven liggen.
6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de locatie [kenmerk A] wel geschikt is voor het plaatsen van ORAC’s. Zo zullen de afvalcontainers op die locatie volgens het college niet tot verkeersonveilige situaties leiden.
6.2. In deze procedure gaat het om een plaatsingsplan. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor.
Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom enkel beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
6.3. Over het betoog over verkeersveiligheid overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het inzamelvoertuig niet tegen het eenrichtingsverkeer de Latherusstraat in hoeft te rijden om te kunnen legen. Ook hoeft het inzamelvoertuig niet te steken op het kruispunt Latherusstraat/Ribesstraat, omdat het na het legen kan doorrijden op de Latherusstraat in de toegestane rijrichting. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van de toelichting van het college te twijfelen. De omstandigheid dat het inzamelvoertuig desalniettemin tegen het eenrichtingsverkeer de Latherusstraat zou inrijden, is een kwestie van handhaving. Kwesties van handhaving kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de afvalcontainers op de locatie [kenmerk A] niet tot verkeersonveilige situaties zullen leiden.
6.4. Over het betoog over dat het plaatsen van afvalcontainers tot gevolg heeft dat er vuil naast de afvalcontainers wordt geplaatst, overweegt de Afdeling het volgende. Bewoners plaatsen bij normaal gebruik van de afvalcontainer het afval in de container en niet ernaast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het onjuist aanbieden van afval een kwestie van handhaving. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2724, onder 6.1).
Gelet hierop heeft het college in de omstandigheid dat er vuil naast de afvalcontainers wordt geplaatst geen reden hoeven vinden om af te zien van het aanwijzen van de locatie.
Het betoog slaagt niet.
Kon de locatie ter hoogte van de Latherusstraat 61 (oude locatie) gehandhaafd blijven?
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de oude locatie gehandhaafd kon blijven, omdat de aanwijzing van een andere locatie niet noodzakelijk was. Ondanks dat de nieuwe type ORAC’s dieper zijn en er een gietijzeren gasleiding ter hoogte van de locatie ligt, is de locatie volgens [appellant A] en [appellant B] geschikt als er maar voorzichtig gegraven wordt. Ter onderbouwing hiervan wijzen zij erop dat op een andere locatie, ter hoogte van de kruising Latherusstraat/Berberisstraat, wel een nieuw type ORAC op vergelijkbare afstand van een gasleiding is geplaatst.
Verder wijzen zij op een e-mail van een adviseur werkzaam bij de beheerder van de gasleiding. In de e-mail bevestigt deze adviseur dat de risico’s op schade nihil zullen zijn, aangezien de werkzaamheden nagenoeg geen trillingen of grondzettingen veroorzaken.
Ook wijzen [appellant A] en [appellant B] erop dat in het geval dat blijkt dat de oude locatie ongeschikt is, het college een ORAC op de naast de oude locatie gelegen speelplaats kon plaatsen.
7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de oude locatie niet gehandhaafd kon blijven. De locatie is volgens het college namelijk niet geschikt omdat daar een gietijzeren gasleiding ligt die op termijn vervangen moet worden. Volgens het college brengt het plaatsen van een ORAC op die locatie risico op schade met zich mee.
7.2. De Afdeling overweegt dat het tussen partijen niet in geschil is dat op de oude locatie een gietijzeren gasleiding ligt die op termijn moet worden vervangen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het plaatsen van een ORAC mogelijk trillingen of grondverzakkingen veroorzaakt. Hierdoor kan er een scheur ontstaan in de gietijzeren gasleiding, wat vervolgens een explosie tot gevolg kan hebben. Om schade aan de gasleiding te voorkomen moet volgens het college een grondkerende constructie worden aangebracht. Zo’n constructie neem de nodige ruimte in beslag, waardoor er extra ruimte nodig is voor het plaatsen van een ORAC. Op de oude locatie is deze extra ruimte er niet omdat naast de locatie een speelplaats is gelegen. Op de locatie ter hoogte van de kruising Latherusstraat/Berberisstraat is deze extra ruimte er wel. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van de toelichting van het college te twijfelen. In de e-mail waar [appellant A] en [appellant B] op wijzen is geen rekening gehouden met zo’n constructie en de extra ruimte die dit vereist.
Het college heeft verder toegelicht dat het niet een ORAC op de naast de oude locatie gelegen speelplaats wilde plaatsen. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op dit standpunt mogen stellen.
7.3. Gelet op de toelichting van het college ziet de Afdeling in het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de oude locatie gehandhaafd kon blijven.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Gelet op wat de Afdeling onder 5.3. heeft overwogen is het beroep gegrond, omdat niet voordat het besluit werd genomen voldoende onderzoek is gedaan naar de geschiktheid van de aangewezen locatie. Het besluit van 16 september 2025 moet worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover daarin de locatie [kenmerk A] is aangewezen.
Het college heeft dit gebrek in beroep echter hersteld door alsnog voldoende onderzoek te doen naar de geschiktheid van de aangewezen locatie. Het onder 5.3 geconstateerde gebrek is hiermee hersteld.
Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat wordt vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand te laten.
Proceskosten
9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 16 september 2025 tot vaststelling van het definitief plaatsingsplan "Besluit tot het opheffen van een afvalinzamellocatie in de Bloemenbuurt", voor zover daarin de locatie [kenmerk A] is aangewezen;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrag van €194,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
703-1188