Uitspraak 202400447/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4868
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming vastgesteld dat ter hoogte van het perceel Oude Moerstraatsebaan 110 in Bergen op Zoom sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het college heeft in dat besluit ook op grond van artikel 37 van de Wbb vastgesteld dat spoedige sanering van dit geval noodzakelijk is. Kemet is eigenaar van het perceel Oude Moerstraatsebaan 110 in Bergen op Zoom. Zij heeft daar sinds 1982 een handelsonderneming in apparatuur en technieken voor metaaloppervlaktebewerking. Kemet voert daar voor demonstratiedoeleinden oppervlaktebehandelingen uit. Daarbij wordt gewerkt met reinigings- en ontvettingsmiddelen. Op basis van onderzoeken heeft het college vastgesteld dat de grondwaterverontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is, dat met spoed moet worden gesaneerd. Kemet is het niet eens met het besluit, hoofdzakelijk omdat volgens haar onvoldoende vaststaat dat de grondwaterverontreiniging van haar perceel afkomstig is.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Bodembescherming
Toon inhoud
202400447/1/R1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Kemet Europe B.V., gevestigd in Bergen op Zoom,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming (Wbb) vastgesteld dat ter hoogte van het perceel Oude Moerstraatsebaan 110 in Bergen op Zoom sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het college heeft in dat besluit ook op grond van artikel 37 van de Wbb vastgesteld dat spoedige sanering van dit geval noodzakelijk is.
Tegen dit besluit heeft Kemet beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar Kemet, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. W.B. Kroon, rechtsbijstandverlener in Ulvenhout, en het college, vertegenwoordigd door P.F.B.A. Jansen en M.C. Zeeman zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet blijft op gevallen van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb) of saneringen als bedoeld in de Wbb het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, als vóór dat tijdstip een besluit is genomen dat spoedige sanering op grond van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 37 van de Wbb noodzakelijk is, dan wel een (deel)saneringsplan als bedoeld in artikel 39 of 40 van de Wbb is ingediend.
Het besluit dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, is genomen op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Kemet is eigenaar van het perceel Oude Moerstraatsebaan 110 in Bergen op Zoom. Zij heeft daar sinds 1982 een handelsonderneming in apparatuur en technieken voor metaaloppervlaktebewerking. Kemet voert daar voor demonstratiedoeleinden oppervlaktebehandelingen uit. Daarbij wordt gewerkt met reinigings- en ontvettingsmiddelen.
3. In 2002 is door middel van een verkennend bodemonderzoek vastgesteld dat het grondwater ter plaatse van het perceel van Kemet verontreinigd is met onder andere vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCI). Het grondwater bleek namelijk een sterk verhoogd gehalte aan VOCI in de vorm van onder meer tetrachlooretheen (PER) te bevatten. In 2017 en 2019 zijn nadere onderzoeken gedaan naar deze grondwaterverontreiniging. In het rapport uit 2017 van Wematech Bodem Adviseurs staat dat in de peilbuizen 102 en 202 die dicht op de gevel van het pand van Kemet staan een sterke verontreiniging met PER in het grondwater is aangetroffen.
4. Op basis van de hiervoor genoemde onderzoeken heeft het college vastgesteld dat de grondwaterverontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is, dat met spoed moet worden gesaneerd. Volgens het besluit van 20 december 2023 is de grondwaterverontreiniging ernstig, omdat de daarvoor geldende interventiewaarden worden overschreden in een bodemvolume van meer dan 100 m3 (namelijk minstens 14.000 m3). In het besluit staat verder dat de grondwaterverontreiniging met spoed, maar uiterlijk binnen vier jaar na inwerkingtreding van de beschikking, moet worden gesaneerd, omdat risico’s voor mens en milieu als gevolg van onbeheersbare verspreiding niet kunnen worden uitgesloten. In het besluit is naar aanleiding van door Kemet ingebrachte zienswijzen niet vermeld dat Kemet als eigenaar van het perceel de sanering moet uitvoeren.
5. Kemet is het niet eens met het besluit, hoofdzakelijk omdat volgens haar onvoldoende vaststaat dat de grondwaterverontreiniging van haar perceel afkomstig is.
Relevante wettelijke bepalingen
6. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Onjuiste bekendmaking?
7. Kemet voert aan dat het bestreden besluit op onjuiste wijze bekend is gemaakt.
7.1. Deze beroepsgrond gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dus geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
Besluit onbevoegd genomen?
8. Kemet betoogt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Zij voert in dat verband aan dat het besluit kennelijk in mandaat is genomen door een teammanager van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB), maar dat niet duidelijk is of hiertoe een toereikend mandaat is verleend.
8.1. Onder verwijzing naar het Ondermandaatbesluit directeur Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant december 2017 (ondermandaatbesluit) stelt het college zich op het standpunt dat de ondertekenaar van het bestreden besluit bevoegd was om dat te nemen.
8.2. De Afdeling is van oordeel dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Het daartoe verleende mandaat was namelijk toereikend. Dat blijkt uit artikel 2 van het Mandaatbesluit Gedeputeerde Staten Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant 2017 (mandaatbesluit), gelezen in verbinding met artikel 1 van het ondermandaatbesluit. Uit het mandaatbesluit volgt dat het college mandaat heeft verleend aan de directeur van de OMWB om besluiten zoals het bestreden besluit te nemen. De directeur heeft deze taak vervolgens in het ondermandaatbesluit opgedragen aan de afdelings- en teammanagers van de OMWB. De Afdeling stelt vast dat in de ondertekening van het bestreden besluit staat dat dit besluit is genomen door een teammanager van de OMWB. Deze teammanager was dus bevoegd om het bestreden besluit te nemen.
Het betoog slaagt niet.
Zorgvuldigheid van de besluitvorming
9. Kemet betoogt in de kern dat het college de grondwaterverontreiniging onvoldoende heeft onderzocht, waardoor de bron of bronnen van verontreiniging onbekend zijn evenals de (globale) omvang van de verontreiniging, zodat niet kan worden vastgesteld of de grondwaterverontreiniging op haar perceel één geval van verontreiniging is. Kemet brengt in dat verband naar voren dat op haar bedrijf nooit met PER is gewerkt. Daarnaast wijst zij erop dat op het perceel Oude Moerstraatsebaan 104 in het verleden een zeefdrukkerij was gevestigd. Dit perceel grenst aan het perceel van Kemet en in een bodemonderzoek uit 1998 is vermeld dat door de bedrijfsactiviteiten van de zeefdrukkerij mogelijk bodemverontreiniging is ontstaan. Volgens Kemet heeft het college ten onrechte geen nader onderzoek daarnaar laten uitvoeren. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat de grondwaterverontreiniging onder meer van de zeefdrukkerij afkomstig is.
Daarnaast beroept zij zich op het tijdsverloop in de besluitvorming van het college. Volgens Kemet heeft het college na het ontstaan van het vermoeden dat haar perceel is verontreinigd erg lang gewacht met het nemen van verdere stappen. Zij wijst er in dat verband op dat pas tussen 2017 en 2019 nadere bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Het bestreden besluit dat op deze bodemonderzoeken is gebaseerd is vervolgens pas op 20 december 2023 genomen. Ook in dat besluit wordt weer nader onderzoek aangekondigd om een mogelijke bron te achterhalen. Volgens Kemet blijkt uit deze gang van zaken dat het college nog snel een besluit heeft willen nemen vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zij betoogt dat het college dit bewust heeft gedaan, om te voorkomen dat het anders niet meer op grond van de Wbb maatregelen tegen de grondwaterverontreiniging kan afdwingen. Kemet stelt dat deze handelswijze onevenredige gevolgen heeft voor haar als eigenaar van het mogelijke bronperceel.
9.1. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat het met het besluit alleen heeft willen vastleggen dat de grondwaterverontreiniging ernstig is en dat deze met spoed moet worden gesaneerd. Het college heeft in het besluit expliciet ervan afgezien te vermelden dat Kemet als eigenaar van het perceel de sanering moet uitvoeren. De vraag wie dit geval van ernstige verontreiniging vervolgens moet saneren, komt volgens het college pas in een later stadium aan bod.
9.2. In artikel 1 van de Wbb is "een geval van verontreiniging" als volgt gedefinieerd: "geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;"
9.3. De Afdeling is van oordeel dat het college het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft genomen. Het college heeft namelijk onvoldoende onderzoek gedaan om tot de conclusie te komen dat de grondwaterverontreiniging één geval van verontreiniging is. Hieronder licht zij dat toe.
Gelet op de in artikel 1 van de Wbb gegeven definitie van geval van verontreiniging, is sprake van één geval van verontreiniging indien de verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische én ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.
Technische samenhang is aanwezig als de verontreinigingen zijn veroorzaakt door een zelfde productieproces, installatie of mechanisme. Organisatorische samenhang doet zich voor, indien de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging niet gescheiden kunnen worden in verschillende organisatorische eenheden. Ruimtelijke samenhang doet zich voor, indien de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen. Dit heeft de Afdeling eerder overwogen in haar uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4200, onder 3.1.
Pas nadat aldus het geval van bodemverontreiniging is afgebakend, is de vraag aan de orde of dit geval moet worden aangemerkt als een ernstig geval van bodemverontreiniging. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 5 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG3424, onder 2.5.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de grondwaterverontreiniging in dit geval onvoldoende afgebakend. Zij acht niet uitgesloten dat het college bij het nemen van het bestreden besluit verontreinigingen heeft betrokken waartussen geen technische en organisatorische samenhang bestaat. In het onderzoek van Antea Group van 8 april 2019 dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, staat namelijk dat de grondwaterverontreiniging in noordoostelijke tot zuidwestelijke richting niet volledig is afgebakend. De Afdeling stelt vast dat het perceel van de voormalige zeefdrukkerij ten zuidwesten van het perceel van Kemet ligt. Het college betwist niet dat uit onderzoek uit 1998 volgt dat de bedrijfsactiviteiten van de zeefdrukkerij mogelijk tot bodemverontreiniging hebben geleid. In het verweerschrift staat dat niet bekend is of daarnaar een nader onderzoek is uitgevoerd. Verder staat in het bestreden besluit dat niet duidelijk is wat de bron is van de verontreiniging met VOCl en dat daarnaar nog een onderzoek zal worden uitgevoerd. Overigens is op de zitting naar voren gekomen dat het college dit onderzoek nog niet heeft uitgevoerd.
Het betoog slaagt. Gelet daarop behoeft wat Kemet voor het overige tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd geen bespreking.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Geen nieuw besluit over ernst en spoed op grond van de Wbb mogelijk
12. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling dat het college niet bevoegd is om opnieuw op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wbb vast stellen dat de grondwaterverontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is, dat met spoed moet worden gesaneerd. De werking van het onder 1 weergegeven overgangsrecht is namelijk afhankelijk van het bestaan van het besluit van 20 december 2023. Dat besluit wordt echter met deze uitspraak vernietigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 december 2023 met zaaknummer 2022-054988;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij Kemet Europe B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Kemet Europe B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 559,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
703-1136
BIJLAGE
Wet bodembescherming
Artikel 1
[…]
geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;
[…]
nader onderzoek: onderzoek met betrekking tot de vraag of een geval van verontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is;
[…]
geval van ernstige verontreiniging: geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd;
[…]
Artikel 29
1. Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging:
a. naar aanleiding van een nader onderzoek[…]
[…]
3. Gedeputeerde staten nemen een beschikking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien weken na ontvangst van:
a. het nader onderzoek […]
[…]
Artikel 37
1. Gedeputeerde staten stellen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
2. Indien gedeputeerde staten vaststellen dat van risico's sprake is als bedoeld in het eerste lid, bepalen zij dat met de sanering dient te worden begonnen voor een door hen vast te stellen tijdstip dat ligt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de beschikking, bedoeld in het eerste lid. Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten het uiterste tijdstip van indienen van het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, aangeven.
[…]