Uitspraak 202306434/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4862
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een terras aan de [locatie] in Breda. [vergunninghouder] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Breda, naast de rivier de Mark. Tussen zijn woning en de Mark ligt een strook van ongeveer 7 meter breed die in eigendom is van de gemeente en is gelegen in een ecologische verbindingszone (EVZ). Binnen deze strook wenst [vergunninghouder]een overdekt terras bij zijn woning met uitzicht op de Mark. Het terras, dat inmiddels is gerealiseerd, hangt boven de schuin aflopende gronden van de rivieroever, steunt op twee palen en heeft een overkapt oppervlak van ongeveer 32 m2. Het terras is met één zijde aan de woning gebouwd. [vergunninghouder] heeft voor het terras een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202306434/1/R2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Milieuvereniging De Groene Koepel, gevestigd in Breda,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 24 augustus 2023 in zaak nr. 22/4255 in het geding tussen:
Milieuvereniging De Groene Koepel
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2022 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een terras aan de [locatie] in Breda.
Bij uitspraak van 24 augustus 2023 heeft de rechtbank onder meer het door De Groene Koepel daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft De Groene Koepel hoger beroep ingesteld.
Het college en [vergunninghouder] hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.
De Groene Koepel en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 mei 2026, waar De Groene Koepel, vertegenwoordigd door mr. R. Hörchner, advocaat in Breda, en [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Made en mr. N.E. Snel, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [vergunninghouder], via een videoverbinding bijgestaan door mr. A. Groenewoud, advocaat in Breda, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [vergunninghouder] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Breda, naast de rivier de Mark. Tussen zijn woning en de Mark ligt een strook van ongeveer 7 meter breed die in eigendom is van de gemeente en is gelegen in een ecologische verbindingszone (EVZ). Binnen deze strook wenst [vergunninghouder]een overdekt terras bij zijn woning met uitzicht op de Mark. Het terras, dat inmiddels is gerealiseerd, hangt boven de schuin aflopende gronden van de rivieroever, steunt op twee palen en heeft een overkapt oppervlak van ongeveer 32 m2. Het terras is met één zijde aan de woning gebouwd.
3. [vergunninghouder] heeft voor het terras een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Bij het besluit van 25 juli 2022 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Daarbij heeft het college de activiteit aangemerkt als een "overig geval", als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo. Het college heeft het besluit daarom voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De Groene Koepel komt op tegen de ongegrondverkaring van haar beroep. Zij vindt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de grondslag van de vergunning niet klopt, omdat volgens De Groene Koepel sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo. Daardoor heeft het college ten onrechte de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast.
De Groene Koepel vindt bovendien dat de rechtbank ten onrechte het door haar geconstateerde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd. De rechtbank heeft volgens haar niet onderkend dat het college onvoldoende acht heeft geslagen op de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov), het gemeentelijke beleid en de goede ruimtelijke ordening.
De uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de vergunning mocht verlenen in afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo. Bij toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid moet de procedure uit afdeling 3.4 van de Awb toegepast worden. Hoewel volgens de rechtbank bij een afwijking met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo doorgaans voor de reguliere procedure wordt gekozen, verzet de wet zich niet tegen het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de instructieregel in artikel 3.25 van de Iov het college in beginsel de bevoegdheid laat om vergunningen te verlenen voor een bouwwerk in een ecologische verbindingszone, mits het college voldoende motiveert waarom het bouwwerk wordt toegestaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de onderbouwing en de belangenafweging in het besluit echter onvoldoende blijkt waarom het college de vergunning heeft verleend. Omdat het college met een aanvullende onderbouwing op de zitting alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom de vergunning is verleend, heeft de rechtbank het geconstateerde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.
Goede procesorde
6. De Groene Koepel heeft op de zitting aangevoerd dat het door het college ingediende nadere stuk van 11 mei 2026, dat een actualisatie van het ecologisch onderzoek omvat, te laat is ingediend en daarom in strijd is met de goede procesorde.
6.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat later in de procedure nog nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt mogen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16).
Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde.
De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
6.2. Het nadere stuk van het college is bij de Afdeling binnengekomen op 19 mei 2026, op de achtste dag voor de zitting, en is daarmee te laat ingediend. Uit de rechtspraak volgt dat de Afdeling de mogelijkheid heeft om stukken die een partij binnen de termijn van tien dagen voor de zitting wil indienen, niet in de procedure toe te laten op grond van de goede procesorde. In dit geval is niet gebleken waarom het college de actualisatie van het ecologisch onderzoek niet eerder kon inbrengen. Door dat niet te doen resteerde er voor De Groene Koepel te weinig tijd om adequaat op het stuk te reageren en is ook de Afdeling belemmerd in de voorbereiding van de zitting. Gezien het vorenstaande was een zinvolle bespreking van het stuk op de zitting niet mogelijk. De Afdeling zal het stuk daarom buiten beschouwing laten.
Het hoger beroep van De Groene Koepel
Grondslag van de vergunning en de toepasselijke procedure
7. De Groene Koepel betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om te oordelen dat het college de reguliere procedure had moeten volgen. Zij voert hiertoe aan dat het college in beroep heeft erkend dat de vergunning had moeten worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo. In die situatie was het college gehouden toepassing te geven aan de reguliere procedure.
De Groene Koepel stelt dat zij is benadeeld doordat dit niet is geschied. Bij toepassing van de reguliere bezwaarprocedure had, op basis van een advies van de bezwaarschriftencommissie, een integrale heroverweging plaatsgevonden. Dat biedt volgens haar meer waarborgen. Volgens De Groene Koepel had de rechtbank vanwege de onjuiste grondslag het vergunningbesluit moeten vernietigen en het college op moeten dragen een nieuw besluit te nemen.
7.1. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, is op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. De beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dat is geregeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. De Wabo schrijft dwingend voor welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin dus geen keuze, maar moet de voorbereidingsprocedure toepassen die de Wabo voorschrijft.
7.2. De Afdeling oordeelt dat, zoals ook door het college erkend, de vergunning voor afwijken had moeten worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo. Dat betekent dat op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing was. De aangevraagde activiteit valt namelijk onder de reikwijdte van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor afwijken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan extra eisen. Het bouwwerk is, naar ook niet in geschil is, gelegen binnen de bebouwde kom, zodat de extra eisen niet van toepassing zijn.
In artikel 1 van bijlage II van het Bor wordt een bijbehorend bouwwerk gedefinieerd als de "uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk, met een dak". Het overdekte terras voldoet aan de definitie van een bijbehorend bouwwerk. Het gaat namelijk om een uitbreiding van het hoofdgebouw (de woning), dan wel om een functioneel met het hoofdgebouw (de woning) op hetzelfde perceel verbonden en daartegen aangebouwd ander bouwwerk met een dak.
Het betoog van de Groene Koepel dat het terras een gebouw zou zijn doet hier niet aan af, omdat, ook als daarvan sprake zou zijn, aan de definitie van bijbehorend bouwwerk wordt voldaan, aangezien daarin mede wordt gesproken over gebouw.
De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo had moeten plaatsvinden. De rechtbank heeft hierdoor niet onderkend dat het besluit tot vergunningverlening op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, met de reguliere procedure had moeten worden voorbereid.
7.3. Vanwege de samenhang met het vorenstaande bestaat voorts aanleiding om op het volgende in te gaan.
Bij de reguliere procedure geldt ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo een beslistermijn van 8 weken, die begint op de dag na de datum van ontvangst van de aanvraag. De aanvraag is ingediend op 4 oktober 2021. Het college heeft de beslistermijn niet verdaagd. Dat betekent dat het college uiterlijk op 29 november 2021 op de aanvraag had moeten beslissen. De vergunning is op 25 juli 2022 verleend. Het college heeft dus niet binnen de daarvoor geldende termijn op de aanvraag beslist.
Uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo in samenhang met artikel 4.20b, eerste lid, van de Awb volgt dat het overschrijden van de beslistermijn meebrengt dat de omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. Omdat de omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven, was het college niet langer bevoegd om alsnog op de aanvraag te beslissen. Het college heeft op 25 juli 2022 alsnog op de aanvraag beslist. Dit besluit moet gezien het voorgaande worden aangemerkt als een te laat, en dus onbevoegd genomen, reëel besluit.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het besluit van 25 juli 2022 onbevoegd is genomen omdat niet tweemaal op dezelfde aanvraag kon worden beslist.
7.4. Het betoog slaagt.
7.5. De uitspraak van de rechtbank dient om deze beide redenen te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Gelet op het voorgaande, behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking.
In het kader van finale geschilbeslechting
8. Hoewel artikel 8:41a van de Awb de Afdeling opdraagt om het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten, en partijen op de zitting hebben aangegeven daarvoor ook een voorkeur te hebben, wordt dit begrensd doordat een zaak zich wel voor definitieve geschilbeslechting moet lenen. Gezien de dwingende systematiek en het stelsel van de Wabo en de Awb, ziet de Afdeling geen mogelijkheid om in deze zaak over te gaan tot finale beslechting van het geschil. Het van rechtswege gegeven besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is namelijk geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, waardoor het geen onderdeel is van dit geding.
8.1. De Afdeling geeft het college nog wel ter overweging mee dat uit artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Iov, en de toelichting daarbij, volgt dat artikel 3.25 van de Iov niet rechtstreeks van toepassing is op een omgevingsvergunning die verleend moet worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo; wel moet het college rekening houden met het provinciale belang.
Conclusie
9. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende wat de rechtbank had horen te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 25 juli 2022 alsnog vernietigen, omdat dit gelet op het bepaalde in artikel 3.9, derde lid, van de Wabo in samenhang met artikel 4.20b, eerste lid, van de Awb onbevoegd is genomen.
10. De van rechtswege gegeven vergunning is niet binnen twee weken na het ontstaan daarvan bekendgemaakt, zoals vereist door artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal het college opdragen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning alsnog bekend maken.
11. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de omgevingsvergunning van rechtswege, indien daartegen met toepassing van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep kan worden ingesteld, dan wel, indien niet van artikel 7:1 van de Awb wordt afgeweken, tegen een daaropvolgend besluit op bezwaar, slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
12. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van Milieuvereniging De Groene Koepel gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2023 in zaak nr. 22/4255, voor zover aangevallen;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 25 juli 2022, waarbij het een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een terras op de locatie [locatie] in Breda;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Breda op om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken dat de op 4 oktober 2021 aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven;
VI. bepaalt dat tegen de omgevingsvergunning van rechtswege, indien daartegen met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep kan worden ingesteld, dan wel, indien niet van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt afgeweken, tegen een daaropvolgend besluit op bezwaar, alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij Milieuvereniging De Groene Koepel in hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan Milieuvereniging De Groene Koepel het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 548,00.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kuipers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
271-1191
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:20b
1. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.
(…)
3. In afwijking van artikel 3:40 treedt de beschikking in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn.
Artikel 4:20c
1. Het bestuursorgaan maakt de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.
Artikel 8:41a
De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (..),
(…)
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Artikel 3.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 daarop van toepassing is.
Artikel 3.9
1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
(…)
3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. (…)
4. Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk mededeling van de bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet bestuursrecht, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
Artikel 1 Bijlage II Bor
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
(…)
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
(…)
Artikel 4 Bijlage II Bor
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
(…)
Bestemmingsplan Zandberg
Artikel 9 Groen
9.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groen, bermen, bomen, beplanting;
b water;
c. geluidbeperkende voorzieningen;
d. parken en plantsoenen;
e. speelvoorzieningen, waaronder kunstgrasvelden;
f. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' tevens een parkeergarage;
g. ter plaatse van de aanduiding 'bijzonder vorm van detailhandel - standplaats' tevens voor een standplaats;
met daaraan ondergeschikt(e):
h. nutsvoorzieningen;
i. verhardingen in de vorm van fiets- en voetpaden.
Artikel 26 Algemene aanduidingsregels
26.5 wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone
a. Ter plaatse van de aanduiding ‘wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' zijn de gronden tevens bestemd voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.
b. Het oprichten van bebouwing, voor zover dit is toegelaten volgens de krachtens dit plan aan de gronden gegeven bestemmingen en planregels, is uitsluitend toegestaan indien het gebied hierdoor niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.
c. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakte aan te brengen van meer dan 100 m².
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Artikel 3.1 Toepassingsbereik
Lid 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen:
(…)
c. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken; (…)"
Artikel 3.25 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone
Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van:
a. ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied en in Verstedelijking Afweegbaar;
b. ten minste 25 meter in alle overige gebieden.
Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels, om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, die in ieder geval:
a. het oprichten van bebouwing beperken;
b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken.
Lid 3 Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing.