Uitspraak 202502448/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4771
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en een besluit tot signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS) opgelegd.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202502448/1/V3.
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 april 2025 in zaak nr. NL24.24612 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en een besluit tot signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS) opgelegd.
Bij uitspraak van 22 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. De tweede grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1. De tweede grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3733, onder 10.2 en 10.3, over het bestaan van een grondslag om een besluit tot signalering in het SIS te nemen zonder dat daarbij een terugkeerbesluit is genomen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak, onder 10.5, volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. De Vries-van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026
985