Uitspraak BRS.25.000796
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3733
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij uitspraak van 24 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000796
ECLI:NL:RVS:2026:3733
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 24 juni 2025 in zaak nr. NL24.19096 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij uitspraak van 24 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.
De UNHCR heeft een reactie gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Favier en mr. J.P. Guérain, en betrokkene, bijgestaan door mr. F.S. Fahad, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen. Verder is M. Ziad als tolk verschenen.
De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202405898/1/V2, 202406664/1/V2 en 202408004/1/V2.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij is in 2013 of 2014 vanuit Syrië naar Turkije gevlucht. Betrokkene is in Turkije gebleven tot aan zijn vertrek naar Nederland in november 2022. De huwelijkspartner van betrokkene heeft ook de Syrische nationaliteit. De huwelijkspartner is de nicht van betrokkene en zij is geboren op [geboortedatum] 2007. Zij verblijft in Turkije. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene afgewezen, omdat betrokkene traditioneel is gehuwd in Turkije op 10 maart 2022 met zijn partner en hij dat huwelijk direct heeft geconsummeerd. Dat wil zeggen dat betrokkene seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn huwelijkspartner. Het gaat de minister niet om het huwelijk zelf, maar om het feit dat betrokkene dat huwelijk heeft geconsummeerd met zijn huwelijkspartner die op dat moment veertien jaar oud was.
1.1. De minister heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 30b, aanhef en onder j, van de Vw 2000. In dat artikel staat dat de minister een asielaanvraag kan afwijzen als een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er is onder meer sprake van zo’n gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid als een vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft in zijn besluit aangenomen dat betrokkene bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op foltering of een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat de minister betrokkene niet gedwongen zal uitzetten naar Syrië. Doordat de minister betrokkene tegenwerpt dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd, is betrokkene ook uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit volgt uit artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000.
1.2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Waar gaat het in deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de vraag of betrokkene een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd door het huwelijk te consummeren met zijn huwelijkspartner die toen veertien jaar oud was. De Afdeling is van oordeel dat dit het geval is. Zij legt in deze uitspraak uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van betrokkene zich niet richt tegen het standpunt van de minister dat sprake is van ‘knowing and personal participation’. Partijen hebben dit in hoger beroep niet bestreden. Daarom gaat de Afdeling ervan uit dat sprake is van ‘knowing and personal participation’.
Hoe moet de minister beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf?
3. In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 3 tot en met 3.6, heeft de Afdeling uitgelegd hoe de minister moet beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister moet bij zijn beoordeling de Unierechtelijke wet- en regelgeving in acht nemen. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn gaat specifiek over de uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Volgens die bepaling wordt een onderdaan van een derde land of staatloze uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij buiten het land van toevlucht een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.
3.1. Het Hof van Justitie heeft in zijn arresten uitgelegd hoe de minister deze bepaling moet toepassen. Het Hof heeft dat gedaan in het arrest van 30 april 2025, Galte, ECLI:EU:C:2025:292 en in het arrest van 13 september 2018, Ahmed, ECLI:EU:C:2018:713. Hoewel het in het arrest Ahmed gaat om de uitsluiting van subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, zijn de criteria die het Hof in dat arrest noemt in punt 56 ook van toepassing op uitsluiting van de vluchtelingenstatus bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof heeft namelijk in de punten 38 tot en met 51 van het arrest Ahmed uitgelegd dat deze artikelen vergelijkbaar zijn en beide moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van het Vluchtelingenverdrag.
3.2. Uit deze arresten volgt dat de minister onderzoek moet doen naar alle omstandigheden van het individuele geval. De minister moet beoordelen of het gepleegde feit zo ernstig is, dat hij dat feit kan kwalificeren als een ernstig niet-politiek misdrijf. Relevant zijn de feiten en omstandigheden op het moment dat een vreemdeling het feit pleegde. Maar ook feiten en omstandigheden van na het plegen van dat misdrijf kunnen van invloed zijn op de ernst van het gepleegde feit. De minister heeft in paragraaf C2/7.10.7.2.3 van de Vc 2000 de volgende elementen opgenomen waarnaar hij onderzoek doet:
a. aard van het gepleegde feit/handeling;
b. omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht;
c. strafmaat;
d. internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf;
e. de gevolgde strafprocedure.
3.3. Volgens het beleid van de minister is het afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke van deze elementen - al dan niet in samenhang - relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling.
De strafmaat en de straftoemeting
4. De Afdeling bespreekt eerst het element onder c van het beleid van de minister, de strafmaat. De rechtbank heeft overwogen dat de minister rekening moet houden met alle feiten en omstandigheden, waaronder de verzachtende feiten en omstandigheden en de situatie van de persoon. Volgens de rechtbank impliceert dit dat de minister rekening moet houden met de feitelijke straftoemeting. Verzachtende feiten en omstandigheden en de situatie van de persoon komen namelijk bij uitstek tot uiting in de feitelijke straftoemeting. Betrokkene is niet strafrechtelijk vervolgd en daarom gaat het in deze zaak om de feitelijke straftoemeting in vergelijkbare strafzaken.
4.1. Betrokkene heeft in dat kader in de zienswijze een overzicht gegeven van vonnissen in Nederlandse strafzaken die volgens betrokkene relevant zijn. De rechtbank heeft overwogen dat de minister in zijn besluit ten onrechte niet op deze vergelijkbare zaken is ingegaan. De minister heeft dus geen rekening gehouden met de feitelijke straftoemeting in vergelijkbare zaken. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de minister zijn besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd.
Wat is het oordeel van de Afdeling over de strafmaat en straftoemeting?
4.2. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. De minister heeft een eigen verantwoordelijkheid om te onderzoeken en te beoordelen of betrokkene een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Zoals hiervoor overwogen, moet de minister alle omstandigheden onderzoeken. In punt 45 van het arrest Galte staat dat rekening gehouden moet worden met de op het misdrijf gestelde straf en de opgelegde straf. Betrokkene is niet strafrechtelijk veroordeeld en daardoor kan de minister geen rekening houden met een oordeel van de strafrechter.
4.3. De minister betoogt daarbij terecht dat hij niet gehouden is om de straftoemeting in andere strafzaken in zijn oordeel te betrekken. De minister voert in dat kader terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de strafrechter in die vonnissen telkens tot een bepaalde straftoemeting is gekomen op basis van een afweging van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. De minister wijst er terecht op dat de straftoemeting in de andere strafzaken afhankelijk was van bijvoorbeeld de aanleiding en de aard van het seksueel contact en de relatie tussen de betrokken personen. Elke zaak heeft dus een eigen samenstel van feiten en omstandigheden die de straftoemeting bepalen. Straftoemetingen in andere strafvonnissen zijn daarom alleen relevant als de feiten en omstandigheden vergelijkbaar zijn. Betrokkene heeft ook in hoger beroep echter niet toegelicht of met stukken onderbouwd dat de strafzaken zo vergelijkbaar zijn dat de minister rekening had moeten houden met de straftoemeting in die zaken.
4.4. In het kader van de strafmaat heeft de minister, anders dan betrokkene betoogt, terecht gewezen op de maximumstraf die staat op het hebben van seksuele gemeenschap met een minderjarige van veertien jaar oud. De maximale straf was op grond van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht acht jaar toen betrokkene het huwelijk consummeerde. Hoewel die bepaling vereiste dat de seksuele gedraging "buiten echt" heeft plaatsgevonden, bestonden ook al ten tijde van de consummatie van het huwelijk van betrokkene in Turkije in Nederland geen uitzonderingen meer op de wettelijke minimumleeftijd van achttien jaar om te huwen. Daarnaast zou, ook toen betrokkene het huwelijk consummeerde, zijn in het buitenland gesloten kindhuwelijk niet in Nederland worden erkend vanwege strijd met de openbare orde.
4.5. De eerste grief slaagt.
Is er sprake van internationale (rechterlijke) consensus?
5. De Afdeling bespreekt hierna of er een internationale (rechterlijke) consensus bestaat dat het consummeren van een huwelijk met een huwelijkspartner van veertien jaar is aan te merken als een ernstig
niet-politiek misdrijf. Het gaat om het element onder d van het beleid van de minister. De rechtbank heeft overwogen dat van belang is of er internationale (rechterlijke) consensus bestaat over de minimumleeftijd voor het kunnen geven van toestemming tot seksuele handelingen. De rechtbank heeft vastgesteld dat die consensus binnen Europa niet bestaat, omdat zeven lidstaten een minimumleeftijd toepassen van veertien jaar of ouder. Dat zijn Oostenrijk, Bulgarije, Estland, Duitsland, Hongarije, Italië en Portugal.
5.1. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat deze lidstaten die leeftijdsgrens toepassen, terwijl die lidstaten zijn aangesloten bij het IVRK (het Kinderrechtenverdrag) en het Verdrag van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. Volgens de rechtbank hebben die lidstaten in die verdragen dus geen aanleiding gezien om de minimumleeftijd te verhogen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er een internationale consensus bestaat dat het hebben van seksuele gemeenschap met een minderjarig persoon van veertien jaar een ernstig niet-politiek misdrijf is als die persoon ermee heeft ingestemd. Dit betekent voor deze zaak dat het ook relevant is of de huwelijkspartner van betrokkene heeft ingestemd met de consummatie van het huwelijk, aldus de rechtbank.
Wat is het oordeel van de Afdeling hierover?
5.2. De minister klaagt in zijn tweede grief over dit oordeel van de rechtbank. In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.3 tot en met 5.4.8, is de Afdeling ingegaan op de vraag of er een internationale (rechterlijke) consensus bestaat dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige partner is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat er internationale consensus bestaat dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf als een vreemdeling een huwelijk consummeert met een huwelijkspartner van jonger dan veertien jaar. Daarnaast heeft de Afdeling geconcludeerd dat die consensus ook bestaat als de huwelijkspartner veertien jaar of ouder is, maar geen toestemming heeft gegeven of niet in vrijheid toestemming heeft kunnen geven voor het consummeren van het huwelijk. De Afdeling heeft haar overwegingen gebaseerd op de brief van de UNHCR van 30 september 2025, die is opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, en de beschikbare landeninformatie die de UNHCR in die brief heeft betrokken.
5.3. Gelet hierop heeft de rechtbank uiteindelijk terecht geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er internationale (rechterlijke) consensus bestaat dat het hebben van seksuele gemeenschap met een persoon van veertien jaar of ouder een ernstig niet-politiek misdrijf is als die persoon daarvoor in vrijheid toestemming heeft kunnen geven.
5.4. Daarom slaagt de tweede grief niet, maar de vraag is vervolgens of de huwelijkspartner van betrokkene in vrijheid toestemming heeft kunnen geven voor het consummeren van het huwelijk. Daar gaat de derde grief van de minister onder meer over. De Afdeling bespreekt die hierna.
Heeft de huwelijkspartner van betrokkene in vrijheid toestemming kunnen geven?
6. De rechtbank heeft overwogen dat niet meer ter discussie staat dat de huwelijkspartner een schriftelijke verklaring heeft opgesteld waarin zij verklaart dat zij uit vrije wil heeft ingestemd met het huwelijk en van betrokkene houdt. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat weliswaar sprake is van een gearrangeerd huwelijk, maar dat dit niet betekent dat de huwelijkspartner het huwelijk niet uit vrije wil heeft geconsummeerd.
Wat is het oordeel van de Afdeling hierover?
6.1. De minister klaagt in zijn derde grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. De minister betoogt terecht dat hij alle relevante feiten en omstandigheden heeft onderzocht, waaronder de schriftelijke verklaring van de huwelijkspartner. De minister betoogt daarbij terecht dat hij op basis van alle feiten en omstandigheden heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de huwelijkspartner niet in vrijheid toestemming heeft kunnen geven om het huwelijk te consummeren. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
6.2. De minister heeft terecht gewezen op de verklaringen van betrokkene over het initiatief van de ouders om het huwelijk te sluiten en te consummeren met zijn huwelijkspartner, die ook zijn nicht is. Betrokkene heeft hierover verklaard dat zijn ouders hebben gezegd dat betrokkene en de huwelijkspartner "gaan trouwen en meteen het huwelijk consummeren". De minister heeft ook terecht gewezen op de ongelijkwaardige relatie en op de kwetsbare positie van de huwelijkspartner gelet op haar jonge leeftijd en het leeftijdsverschil. Betrokkene was toen 23 jaar oud. Daarnaast heeft de minister terecht in zijn beoordeling betrokken dat het traditionele huwelijk in Turkije is gesloten en geconsummeerd, terwijl ook daar zware straffen staan op het hebben van seksuele gemeenschap met een persoon van jonger dan vijftien jaar.
6.3. Verder verwijst de Afdeling naar punt 9 van de brief van de UNHCR van 30 september 2025 over de risico’s van kindhuwelijken en het consummeren daarvan. Daarin staat dat in veel gevallen kindhuwelijken en de consummatie daarvan plaatsvinden in een omgeving waarin sprake is van dwang, met maatschappelijke, religieuze en familiale druk die wordt veroorzaakt en/of versterkt door een precaire veiligheidssituatie, waarbij een vroeg huwelijk vaak wordt ingegeven door een behoefte aan bescherming en een zekere mate van stabiliteit. De risico's zijn bijzonder groot in situaties van ontheemding, conflict en geweld, aldus de UNHCR.
6.4. Verder betoogt de minister terecht dat betwijfeld kan worden of hij veel waarde aan de schriftelijke verklaring van de huwelijkspartner kan hechten. De minister heeft in dat verband terecht gesteld dat hij ervan uit mag gaan dat de huwelijkspartner in sterke mate afhankelijk is geworden van betrokkene. Dit komt door het sluiten van een traditioneel huwelijk en het consummeren daarvan toen de huwelijkspartner veertien jaar oud was. De minister heeft in dat kader tijdens de zitting bij de Afdeling terecht gewezen op de risico’s en de schade voor meisjes die op zo’n jonge leeftijd huwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om seksueel en verbaal geweld, risico’s voor de geestelijke gezondheid en de financiële afhankelijkheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 7.4 en 7.5.
6.5. De minister heeft dus niet alleen maar gesteld dat een gearrangeerd huwelijk per definitie huwelijksdwang en gedwongen consummatie betekent, zoals de rechtbank overweegt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister, door te wijzen op de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de jonge leeftijd van de partner, het relatief grote leeftijdsverschil en de door de ouders uitgeoefende druk, tegen de achtergrond van algemene wetenschap over traditionele huwelijken, deugdelijk gemotiveerd dat de huwelijkspartner niet in vrijheid toestemming heeft kunnen geven voor het consummeren van het huwelijk. Dit deel van de derde grief slaagt.
Omvang van de gevolgen en de teweeggebrachte schade
6.6. De Afdeling bespreekt hierna de omvang van de gevolgen en de schade die is teweeggebracht: het element onder b van het beleid van de minister. In dat kader klaagt de minister in zijn derde grief ook terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet mag volstaan met een verwijzing naar de richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen van het Openbaar Ministerie (2015/Ro47).
6.7. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister in algemene zin terecht gesteld dat slachtoffers van zedendelicten nog langdurig nadelige, psychische gevolgen daarvan ondervinden of kunnen ondervinden. Daarbij heeft de minister kunnen verwijzen naar voornoemde richtlijn van het Openbaar Ministerie. Richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor strafvordering zijn aanwijzingen als bedoeld in artikel 130, zesde lid, van de Wet op de Rechterlijke organisatie. Daarom mag de minister waarde hechten aan zulke richtlijnen. Daarnaast verwijst de Afdeling naar punt 9 van de brief van de UNHCR. De UNHCR onderkent daarin onder meer dat huwelijken met minderjarigen en de daaraan gerelateerde seksuele en psychische schade vormen kunnen zijn van onderdrukking van kinderen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.5.1.
Had de minister nader onderzoek moeten doen door de huwelijkspartner te horen?
6.8. De rechtbank heeft overwogen dat, als de minister eraan twijfelt of de huwelijkspartner uit vrije wil het huwelijk heeft geconsummeerd, het op de weg van de minister ligt om hier nader onderzoek naar te doen. Volgens de rechtbank heeft de minister voldoende mogelijkheden om de huwelijkspartner binnen een veilige omgeving en voorzien van de noodzakelijke waarborgen te horen. Betrokkene heeft dit bewijsaanbod in de zienswijze gedaan. De minister moet dan ook individueel onderzoek doen naar de omvang van de gevolgen en de teweeggebrachte schade bij de huwelijkspartner door haar te horen, aldus de rechtbank.
Wat is het oordeel van de Afdeling hierover?
6.9. De minister klaagt in zijn derde grief tot slot terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister de huwelijkspartner had moeten horen. Zoals overwogen onder 6.1 tot en met 6.5, heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat de huwelijkspartner niet in vrijheid toestemming heeft kunnen geven om het huwelijk te consummeren.
6.10. De minister heeft verder tijdens de zitting bij de Afdeling terecht gesteld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de huwelijkspartner niet heeft hoeven horen, omdat aan de bewijswaarde van eventuele verklaringen van de huwelijkspartner kan worden getwijfeld. Daarbij heeft de minister ook gewezen op de afhankelijkheid tussen betrokkene en zijn huwelijkspartner en de daaraan verbonden risico’s zoals hiervoor overwogen onder 6.4.
6.11. De derde grief slaagt.
Conclusie over het hoger beroep
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkene
Vergelijking met een "bijzonder ernstig misdrijf"
8. Betrokkene betoogt dat het beoordelingskader voor het plegen van een ernstig niet-politiek misdrijf voor een vreemdeling niet minder gunstig is dan het beoordelingskader voor het plegen van een bijzonder ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag en artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Betrokkene betoogt dat bij het beoordelingskader voor een bijzonder ernstig misdrijf moet worden aangesloten bij de Nederlandse strafrechtpraktijk. Hij verwijst in dat kader naar de door hem overgelegde Nederlandse strafvonnissen. Volgens betrokkene volgt hieruit dat hij geen bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd en dat hij dus ook geen ernstig niet-politiek misdrijf kan hebben gepleegd.
8.1. De minister betoogt terecht dat dit betoog niet opgaat, alleen al omdat de beoordelingskaders voor een ernstig niet-politiek misdrijf en een bijzonder ernstig misdrijf niet gelijk zijn en dat er hogere eisen gelden om een bijzonder ernstig misdrijf te kunnen vaststellen.
8.2. De Afdeling heeft eerder overwogen dat voor de uitleg van het begrip "bijzonder ernstig misdrijf" als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn moet worden aangesloten bij artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1703, onder 7.1 tot en met 7.2.1, waarin zij verwijst naar het arrest van het Hof van 14 mei 2019, X en X, ECLI:EU:C:2019:403.
8.3. De Afdeling verwijst verder naar het arrest van het Hof van 6 juli 2023, M.A., ECLI:EU:C:2023:543, punten 30 tot en met 44. Daarin vergelijkt het Hof het beoordelingskader voor een bijzonder ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn met het beoordelingskader voor een ernstig niet-politiek misdrijf als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
8.4. Uit het arrest M.A. volgt dat die beoordelingskaders voor een deel overeenkomen, maar dat er ook relevante verschillen zijn. Uit de punten 33 tot en met 35 van dat arrest volgt dat het bij een bijzonder ernstig misdrijf moet gaan om een uitzonderlijke ernst en dat het moet gaan om zwaardere misdrijven dan bij een ernstig niet-politiek misdrijf. Verder is het bij een bijzonder ernstig misdrijf vereist dat een vreemdeling onherroepelijk moet zijn veroordeeld voor het plegen van zo’n misdrijf. Daarbij is van belang hoe de betrokken lidstaat dat misdrijf in het nationale strafrecht heeft aangemerkt. De minister moet volgens het Hof daarbij onder meer de motivering van de veroordeling door de bevoegde strafrechter betrekken. Volgens het Hof kan alleen een misdrijf dat een grond vormde om een straf op te leggen die in het licht van de in de betrokken lidstaat gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is, worden beschouwd als een bijzonder ernstig misdrijf.
8.5. Deze vereisten gelden niet voor de vaststelling van een ernstig niet-politiek misdrijf. Daarnaast is het voor de toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef onder b, van de Kwalificatierichtlijn al voldoende dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd. Anders dan betrokkene betoogt, gelden dus hogere eisen voor het vaststellen van een bijzonder ernstig misdrijf dan voor het vaststellen van een ernstig niet-politiek misdrijf. Tot slot speelt het nationale strafrecht van de betrokken lidstaat in verhouding een grotere rol bij een bijzonder ernstig misdrijf dan bij een ernstig niet-politiek misdrijf. Vergelijk in dat kader het arrest M.A., punten 38, 40 en 41.
8.6. De beroepsgrond slaagt niet.
Het arrest Omojudi van het EHRM
9. Betrokkene verwijst verder nog naar het arrest van het EHRM van 24 november 2009, Omojudi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:1124JUD000182008, paragraaf 44. Hij betoogt dat het EHRM de maximumstraf die op een misdrijf staat niet als bepalend ziet, maar dat de feitelijke straf altijd moet worden gerelateerd aan het strafmaximum. Op die manier kan de daadwerkelijke ernst van het misdrijf worden bepaald, aldus betrokkene.
9.1. De minister stelt hierover terecht dat deze verwijzing niet opgaat. Hij wijst er terecht op dat het arrest Omojudi gaat over een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM en dus niet over een ernstig niet-politiek misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Het EHRM heeft in dat arrest dus geen oordeel gegeven over de wijze waarop de minister moet beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf.
9.2. De beroepsgrond slaagt niet.
SIS-signalering
10. Betrokkene betoogt dat de minister geen wettelijke grondslag heeft om hem te signaleren in het SIS. Betrokkene stelt dat de minister zijn besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het SIS op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 (SIS III-verordening).
10.1. Betrokkene voert aan dat in dat artikel de voorwaarde staat dat sprake moet zijn van een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf. Volgens betrokkene is die beslissing er in zijn geval niet. Zo’n beslissing kan volgens hem alleen in de vorm van een terugkeerbesluit. De minister mag geen terugkeerbesluit nemen en geen inreisverbod uitvaardigen, omdat de minister aanneemt dat betrokkene bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op foltering of een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, aldus betrokkene.
10.2. De minister heeft het besluit om betrokkene te signaleren terecht gebaseerd op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de SIS III-verordening. Anders dan betrokkene betoogt, is daarvoor niet altijd een terugkeerbesluit en een inreisverbod vereist. Het gaat erom dat er een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf moet zijn. In het kader van die voorwaarde heeft de minister in het voornemen van 8 februari 2024 en in het besluit van 25 april 2024 onder het kopje "Besluit tot signalering" gemotiveerd waarom hij betrokkene zal signaleren in het SIS.
10.3. De Afdeling heeft verder eerder overwogen dat een besluit tot signalering op zichzelf een besluit kan zijn als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de SIS III-verordening. Daarbij is dus niet vereist dat de minister een terugkeerbesluit neemt of heeft genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3254, onder 4.3. De SIS III-verordening verzet zich niet tegen de situatie van betrokkene waarin het besluit tot signalering is opgenomen in het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag. Het gaat erom dat betrokkene rechtsmiddelen moet kunnen aanwenden tegen het besluit tot signalering. Betrokkene heeft dat ook gedaan.
10.4. Daarnaast stelt de minister terecht dat het arrest van het Hof van 6 juli 2023, AA, ECLI:EU:C:2023:540, zich ook niet tegen het besluit tot signalering verzet. Zo’n besluit legt namelijk op zichzelf geen verplichting op aan betrokkene om Nederland te verlaten of terug te keren naar het land van herkomst, zodat geen sprake is van strijd met het beginsel van
non-refoulement.
10.5. Tot slot heeft betrokkene verzocht om prejudiciële vragen te stellen over het bestaan van een grondslag om een besluit tot signalering te nemen zonder dat daarbij een terugkeerbesluit is genomen. Uit de overwegingen onder 10.2 tot en met 10.4 volgt dat de juiste uitleg van de SIS III-verordening zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel bestaat. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
10.6. De beroepsgrond slaagt niet. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de SIS III-verordening staat ook dat de vreemdeling een bedreiging moet vormen voor de openbare orde of veiligheid of nationale veiligheid om hem te mogen signaleren in het SIS. Daar gaat de Afdeling hierna op in.
Bedreiging voor de openbare orde
11. Betrokkene betoogt dat de motivering in het besluit van de minister in strijd is met het arrest van het Hof van 2 mei 2018, K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296. In dat arrest staat hoe de minister moet beoordelen of betrokkene een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid. Betrokkene betoogt dat de minister niet mocht stellen dat het tegen het rechtsgevoel van de samenleving zou indruisen om betrokkene verblijf te bieden. Deze stelling gaat namelijk alleen over de beoordeling van een ernstig niet-politiek misdrijf. Daarnaast betoogt betrokkene dat hij, anders dan de minister stelt, de feiten niet probeert te bagatelliseren. Volgens hem heeft hij het recht om aan te kunnen voeren dat hij geen ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd.
11.1. Anders dan betrokkene betoogt, heeft de minister in het voornemen en in het besluit aan de hand van het arrest K. en H.F. deugdelijk gemotiveerd waarom betrokkene een bedreiging vormt voor de openbare orde. De minister heeft niet volstaan met het standpunt dat betrokkene de feiten zou bagatelliseren en dat het tegen het rechtsgevoel van de samenleving zou indruisen om betrokkene verblijf te bieden. Daargelaten of de minister dit zo had mogen tegenwerpen, is hij gemotiveerd ingegaan op alle elementen die het Hof in het arrest K. en H.F. noemt. Het gaat dan om de aard en ernst van het misdrijf, het tijdsverloop sinds het plegen van het misdrijf en de vraag hoe betrokkene zich daarna heeft gedragen. Betrokkene is hier niet inhoudelijk op ingegaan. Hij heeft in zijn beroepsgronden namelijk alleen verwezen naar zijn zienswijze zonder daarbij concreet uit te leggen waarom de reactie van de minister daarop in het besluit onjuist of onvoldoende is. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, onder 3.
11.2. De beroepsgrond slaagt niet. Dit betekent dat de minister het besluit tot signalering terecht heeft genomen.
Conclusie beroep
12. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Arrest Remling
13. Uit de overwegingen 3, 3.1 en 8.2 tot en met 8.5 volgt dat de opgeworpen vraag of betrokkene een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten Cilfit, punten 13 en 14, Consorzio Italian Management, punt 36, en Remling punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 24 juni 2025 in zaak nr. NL24.19096;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
992
Minister weigert terecht asiel aan Syriërs die seksuele handelingen verrichtten met minderjarigen
De minister van Asiel en Migratie heeft terecht geen asiel verleend aan vier Syrische mannen, omdat zij seksuele handelingen hebben verricht met minderjarigen binnen een zogenoemd ‘kindhuwelijk’. De minister heeft dit handelen terecht aangemerkt als een ‘ernstig niet-politiek misdrijf’, wat een grond is om asiel te weigeren. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in vier uitspraken van vandaag (1 juli 2026).
Achtergrond
Vier Syrische mannen hebben in Syrië en Turkije tussen 2010 en 2022 een zogenoemd ‘kindhuwelijk’ gesloten. De meisjes die aan de mannen werden uitgehuwelijkt, waren toen twaalf, dertien en veertien jaar oud. De mannen hebben seksuele handelingen met de meisjes verricht toen zij nog minderjarig waren. De minister heeft de mannen geen asiel verleend in Nederland, omdat hij hun daden aanmerkt als een zogenoemd ‘ernstig niet-politiek misdrijf’. De mannen vinden dat hun daden geen misdrijf zijn, onder meer omdat in veel landen in het Midden-Oosten een huwelijk tussen een meerderjarige en een minderjarige is toegestaan op grond van religieuze overtuigingen en dit in die landen normaal is.
Ernstig niet-politiek misdrijf
Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mag aan iemand die recht heeft op asiel dit toch worden geweigerd als diegene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, bijvoorbeeld oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid. Maar ook bij ernstige niet-politieke misdrijven, zoals zedenmisdrijven, kan soms asiel worden geweigerd. Dan moeten de meeste landen van de wereld het er wel over eens zijn dat het gaat om een daad die is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf. Daarnaast moet de minister onder meer rekening houden met de aard van het misdrijf, de gevolgen voor het slachtoffer en de hoogte van de straf die op het misdrijf staat.
Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak
De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de Syrische mannen een ernstig niet-politiek misdrijf hebben gepleegd. Uit verschillende bronnen en uit informatie ontvangen van de UNHCR, volgt dat de meeste landen van de wereld het verrichten van seksuele handelingen met minderjarigen, zowel binnen als buiten een kindhuwelijk, aanmerken als een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister heeft de mannen daarom terecht geen asiel verleend en de aard van het misdrijf op een juiste wijze betrokken in zijn beslissing.